Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:6095

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-11-2017
Datum publicatie
24-11-2017
Zaaknummer
05/740209-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland veroordeelt een 68-jarige man uit Aalten tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf voor misbruik van zijn 15-jarige kleindochter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/740209-17

Datum uitspraak : 24 november 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1949 te [geboorteplaats] , wonende te [adres]

raadsvrouw: mr. M.H. van der Linden, advocaat te Almelo.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
10 november 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 30 december 2016 te Aalten, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag] 2001, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, door die [slachtoffer] aan haar borsten te betasten.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar en authentiek is en tevens steun vindt in andere bewijsmiddelen. De verklaring van verdachte acht de officier van justitie onaannemelijk. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde feit. Het ten laste gelegde feit is volgens de verdediging niet wettig en in ieder geval niet overtuigend te bewijzen. Verdachte ontkent de seksuele intentie van de aanraking. Het slachtoffer heeft in eerste instantie niet gewild dat er aangifte werd gedaan, zij werd er echter toch toe bewogen om met de politie in gesprek te gaan. Een soortgelijk feit als waar verdachte nu van verdacht wordt, heeft zich nooit eerder voorgedaan, terwijl het slachtoffer regelmatig bij verdachte thuis kwam. Uit de verklaring van [getuige] lijkt te volgen dat het slachtoffer er niet echt mee zat, terwijl het in het informatieve gesprek met de politie erger lijkt. In de laatste verklaring van het slachtoffer bij de politie is het nog erger geworden. De opmerking of zij het lekker vond, die verdachte richting het slachtoffer gemaakt zou hebben, werd niet benoemd in het informatieve gesprek. Ten slotte is het onjuist dat de officier van justitie de verklaringen van de moeder van het slachtoffer meeweegt, die inhouden dat verdachte ook haar en nog een andere dochter van haar zou hebben betast. Er is namelijk geen bewijs voor die verklaringen.

Beoordeling door de rechtbank

Inleidende overwegingen betreffende het bewijs in zedenzaken

De rechtbank overweegt dat veel zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het feit dat er slechts twee personen aanwezig waren bij de (beweerdelijke) seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Dat maakt dat extra zorgvuldig naar de waardering van afgelegde verklaringen moet worden gekeken, zeker als het een ontkennende verdachte betreft.

Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering en de op die bepaling betrekking hebben jurisprudentie van de Hoge Raad kan en mag het bewijs dat de verdachte een ten laste gelegd feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij eraan in de weg staat dat de rechter tot een bewezenverklaring komt ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander (wettig) bewijsmateriaal.2

Uit deze jurisprudentie volgt dat niet is vereist dat het springende punt (het door verdachte betwiste onderdeel van de betreffende verklaring) steun vindt in een ander bewijsmiddel. Voldoende is dat de gebezigde verklaring op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat de verklaring niet op zichzelf staat, maar is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron.

Verdere overwegingen

Op 30 december 2016 was [slachtoffer] , geboren op [geboortedag] 2001, (hierna: [slachtoffer] ) bij haar opa (hierna: verdachte) en oma thuis in [adres] . Op enig moment zat verdachte op zijn luie stoel en zat [slachtoffer] bij hem op schoot.3

[slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte toen met twee handen aan haar borsten zat. Soms stopte hij even met één hand en ging dan weer verder met twee. Hij ging er over heen aaien. Daarbij vroeg verdachte of zij het lekker vond. [slachtoffer] was verbaasd en verontwaardigd maar weet niet of verdachte dat gezien heeft. Toen ging verdachte nog even door. Daarna stopte het en is [slachtoffer] naar bed gegaan. Verdachte kwam vervolgens naar de logeerkamer waar [slachtoffer] in bed lag om haar welterusten te wensen. [slachtoffer] stuurde daarna een WhatsApp-bericht naar [getuige] , haar groepsleidster, waarin zij schreef dat er iets gebeurd was, maar dat zij niet echt kon zeggen wat. Verdachte kwam die avond nog een keer naar de logeerkamer en vroeg [slachtoffer] om vergiffenis omdat hij anders niet kon slapen. [slachtoffer] antwoordde daarop: ‘ja, is goed’.4

[getuige] heeft verklaard dat zij op 30 december 2016 rond 22.30 uur een WhatsApp-bericht kreeg van [slachtoffer] waarin stond dat er iets raars was gebeurd, maar dat [slachtoffer] dat nooit gaat vertellen en dat ze niet kon slapen. Toen [slachtoffer] op 2 januari 2017 weer terug op de groep was, vertelde [slachtoffer] dat ze het niet aan [getuige] wilde vertellen. [getuige] heeft toen tegen haar gezegd dat ze ( [slachtoffer] ) er niet van kon slapen en er last van had en dat ze ( [slachtoffer] ) er altijd over kon komen praten. Een aantal dagen later heeft [slachtoffer] een mail naar [getuige] gestuurd waarin zij schreef dat opa aan haar borsten had gezeten. Tijdens een wandeling daarna heeft [slachtoffer] aan [getuige] verteld dat haar opa aan haar borsten had gezeten.5

Verdachte heeft verklaard dat hij wel de borsten van [slachtoffer] heeft aangeraakt, maar dat dat per ongeluk gebeurde. Hij was bang dat hij met [slachtoffer] van de stoel zou vallen waarop zij zaten en heeft haar daarom vastgepakt. Verdachte heeft zijn excuses aangeboden aan [slachtoffer] toen zij in bed lag en haar om vergiffenis gevraagd omdat hij anders niet kon slapen.

De rechtbank overweegt dat in de onderhavige zaak verdachte een andere lezing heeft gegeven van wat er volgens [slachtoffer] gebeurd zou zijn.

In onderhavige zaak acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar. [slachtoffer] is authentiek in haar verklaring, ze heeft specifiek en consistent verklaard en heeft het voorval niet groter gemaakt dan het betasten van haar borsten. De verklaringen van [slachtoffer] over het vragen om vergiffenis door verdachte omdat hij anders niet kon slapen, worden bovendien door verdachte bevestigd. Verder heeft [slachtoffer] tijdens haar gesprekken met de politie gezegd dat zij het zielig zou vinden als opa straf zou krijgen. Ze wil dat verdachte het niet nog een keer doet. [slachtoffer] heeft bovendien vrijwel meteen na het voorval bij haar groepsleidster melding gemaakt van een rare gebeurtenis.

De verklaring van het [slachtoffer] vindt bovendien bevestiging in de verklaring van [getuige] , maar (deels) ook in de verklaring van verdachte dat hij de borsten van [slachtoffer] heeft aangeraakt terwijl zij bij hem op schoot zat.

Uit de verklaring van [getuige] blijkt immers dat [slachtoffer] vrijwel meteen na het voorval contact heeft gezocht met haar groepsleidster, dat er iets raars was gebeurd en dat [slachtoffer] daar moeilijk over kon praten. In de dagen daarna meldt [slachtoffer] aan [getuige] wat er precies is gebeurd, waarna uiteindelijk de politie wordt ingeschakeld.

Verdachte heeft weliswaar de seksuele intentie van de aanraking ontkend, maar gelet op de verklaring van [slachtoffer] dat hij bij het aanraken van haar borsten op en neer heeft gedraaid en heeft gevraagd of zij het lekker vond, is de rechtbank van oordeel dat de aanraking wel degelijk met een seksuele intentie gepleegd is. Voorts acht de rechtbank de alternatieve lezing van verdachte niet geloofwaardig, nu hij noch bij de politie noch ter terechtzitting genoegzaam heeft kunnen uitleggen dat en hoe het voorkomen van het door hem genoemde vallen van de stoel er mee heeft kunnen eindigen dat hij een hand op elke borst van zijn kleindochter legde.

Naar het oordeel van de rechtbank vindt de verklaring van [slachtoffer] op specifieke punten steun in ander bewijsmateriaal, zodat de verklaring niet op zichzelf staat, maar is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte een ontuchtige handeling heeft gepleegd bij [slachtoffer] , door haar borsten te betasten. De verweren van de verdediging vinden hun weerlegging in de bewijsmiddelen of vinden onvoldoende steun in het dossier zodat deze geen verdere bespreking behoeven.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 30 december 2016 te Aalten, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag] 2001, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, door die [slachtoffer] aan haar borsten te betasten.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met het slachtoffer. Voorts heeft de officier van justitie geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot het verrichten van tachtig uren werkstraf, te vervangen door veertig dagen hechtenis met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

In het geval van bewezenverklaring, heeft de verdediging de rechtbank verzocht om geen voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen aan verdachte, gelet op het reclasseringsadvies en vanwege de medische klachten van verdachte.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 27 september 2017;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 30 oktober 2017.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een voorwaardelijke vrijheidsstraf en een onvoorwaardelijke werkstraf van na te melden duur leiden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontucht, gepleegd jegens zijn kleindochter, door haar borsten te betasten. Als feit van algemene bekendheid kan worden aangenomen dat een dergelijke inbreuk op de lichamelijke en zedelijke integriteit bij minderjarigen lang kan doorwerken en een negatieve invloed kan hebben op het geestelijk welzijn en de seksuele ontwikkeling van de minderjarige. Bovendien heeft verdachte op ernstige wijze het vertrouwen beschaamd dat een kleinkind in haar opa moet kunnen stellen.

Uit de slachtofferverklaring die ter zitting is voorgelezen blijkt hoezeer het slachtoffer en haar familie nog last hebben van hetgeen slachtoffer is aangedaan door verdachte. De moeder van het slachtoffer voelt zich tekort geschoten nu zij haar dochter niet heeft kunnen beschermen tegen het gedrag van haar vader respectievelijk opa.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaar en een onvoorwaardelijke werkstraf van tachtig uur, met aftrek, passend en geboden is, ook rekening houdend met verdachtes leeftijd en gezondheidstoestand. Het voorwaardelijk strafdeel acht de rechtbank nodig om te voorkomen dat verdachte nog eens in dergelijk strafbaar gedrag zal vervallen. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank een meldplicht en een contactverbod met het slachtoffer koppelen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken;

 bepaalt, dat deze gevangenisstraf, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag] 2001, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

 geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht);

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een werkstraf gedurende 80 (tachtig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen;

 beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de werkstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Mei (voorzitter), mr. M.P. Bos en
mr. F.M.A. 't Hart, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.R. van Damme, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 november 2017.

Mr. Bos en mr. ’t Hart zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [naam] van de politie Oost-Nederland, Dienst Regionale Recherche, Afdeling Thematische Opsporing, team zeden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017143602, gesloten op 5 april 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Zie o.m. Hoge Raad 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7746, NJ 2009/496

3 Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden, p. 28-29; het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 68.

4 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] , p. 37-40.

5 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 44-45.