Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:6089

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
24-11-2017
Zaaknummer
c/05/321662 HA ZA 17-299
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident; gevorderde aanhouding procedure op grond van artikel 30 Brussel I bis Verordening toegewezen, samenhangende vorderingen, gerechten verschillende lidstaten, verwijzing naar parkeerrol.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/321662 / HA ZA 17-299

Vonnis in incident van 15 november 2017

in de zaak van

gesellschaft mit beschränkter haftung

MELIAR SOLUTION GMBH,

gevestigd te Werne a.d. Lippe (Duitsland),

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. A.H.M. Bouwmeister te Arnhem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KNNS BUSINESS SOLUTIONS B.V.,

gevestigd te Wijchen,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. C. Snelders-van de Kamp te Arnhem.

Partijen zullen hierna Meliar en KNNS genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 26 juli 2016

  • -

    een akte houdende in het geding brengen van de in de dagvaarding genoemde producties van 17 augustus 2016

  • -

    een akte vermeerdering van eis met producties van 28 juni 2017

  • -

    de incidentele conclusie houdende verzoek om aanhouding van de procedure ex artikel 30 Brussel I bis-verordening van 20 september 2017

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord van 18 oktober 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De vordering en het verweer in het incident

2.1.

KNNS vordert dat de rechtbank de procedure op grond van artikel 30 Brussel I bis verordening (hierna: de verordening) aanhoudt totdat de procedure aanhangig bij de rechtbank Dortmund met zaaksnummer 19 023/15 volledig is afgerond, in die zin dat de rechtbank Dortmund een eindvonnis heeft gewezen.

2.2.

KNNS heeft aan haar vordering het volgende ten grondslag gelegd. Sinds 6 maart 2015 is bij de rechtbank Dortmund een procedure aanhangig tegen Meliar, waarbij KNNS inzage heeft gevorderd in de administratie en eindafwikkeling van het project Schniewindt. Deze procedure betreft een zogenaamde ‘Stufenklage’. Onderhavige vordering is door Meliar op 26 juli 2016 aanhangig gemaakt en kent volgens KNNS dezelfde grondslag als de grondslag van de vordering bij de Duitse rechter, namelijk de samenwerkingsovereenkomst/Kooperationsvertrag van 3 april 2012 en de afrekening inzake project Schniewindt. KNNS stelt dat de procedure bij de rechtbank Dortmund en de hier door Meliar aanhangig gemaakte procedure nauw met elkaar samenhangen. Zij verzoekt daarom om aanhouding van de procedure bij deze rechtbank op grond van artikel 30 van de verordening totdat de rechtbank Dortmund op de vordering van KNNS heeft beslist. Dit artikel geeft de rechter, in het geval van samenhangende vorderingen, de mogelijkheid zijn uitspraak aan te houden totdat in de eerder aanhangig gemaakte procedure bij een rechter uit een andere lidstaat is beslist.

2.3.

KNNS heeft aangevoerd dat haar een beroep op de verordening toekomt, omdat sprake is van een burgerlijke of handelszaak nu beide partijen commerciële rechtspersonen zijn die hun vordering beide baseren op een tussen hen gesloten samenwerkingsovereenkomst. Ook valt de zaak volgens KNNS binnen het formele toepassingsgebied van de verordening omdat de verweerder (KNNS) woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat. KNNS is door Meliar op 26 juli 2016 voor deze rechtbank in rechte betrokken, waarmee aldus is voldaan aan artikel 66 van de verordening waarin is bepaald dat de verordening slechts van toepassing is op vorderingen ingesteld na 10 januari 2015.

2.4.

KNNS heeft subsidiair verzocht om te mogen concluderen in deze zaak wanneer haar primaire verzoek om aanhouding wordt afgewezen.

2.5.

Meliar erkent dat de procedure valt binnen het toepassingsgebied van artikel 30 van de verordening. Ten aanzien van de primaire vordering van KNNS heeft Meliar gemotiveerd verweer gevoerd. Meliar voert aan dat in artikel 30 is bepaald dat de laatst aangezochte rechter zijn uitspraak kan aanhouden wanneer er samenhangende vordering aanhangig zijn bij gerechten van verschillende lidstaten. Meliar stelt zich op het standpunt dat gelet op deze regeling er niets aan in de weg staat om de inhoudelijke behandeling voort te zetten. Daarnaast geeft artikel 30 de rechter de mogelijkheid om de uitspraak aan te houden en is dit geen verplichting.

2.6.

Meliar betoogt dat er geen gevaar voor tegenstrijdige oordelen bestaat, waardoor het inhoudelijke partijdebat voortgezet kan worden. De in Duitsland aanhangige procedure is een Stufenklage waarbij vorderingen getrapt worden beoordeeld en waarbij eerst de ene trap succesvol moet worden afgerond alvorens de volgende trap kan worden ingezet. Meliar heeft betoogd dat de eerste trap is afgerond, maar dat de tweede trap niet zal kunnen slagen, waardoor aan de derde trap niet kan worden toegekomen. De vragen die aan de Duitse rechter zijn voorgelegd zijn daarbij geheel andere dan de vragen die in deze procedure voorliggen en daarmee bestaat ook geen risico op conflicterende oordelen, aldus Meliar. Meliar stelt tot slot grote belangen te hebben bij voorzetting van deze procedure nu zij forse bedragen van KNNS heeft te vorderen.

2.7.

Wat betreft de subsidiaire vordering van KNNS refereert Meliar zich aan deze vordering, met het verzoek om direct een termijn te stellen voor het indienen van de conclusie van antwoord.

3 De beoordeling in het incident

3.1.

De rechtbank oordeelt over het voorgaande als volgt. De rechtbank is met partijen van oordeel dat onderhavige procedure gelet op de artikelen 1 en 4 en 66 van de verordening, waarin is bepaald op welke zaken, binnen welke lidstaten en vanaf welke datum de verordening van toepassing is, valt binnen het toepassingsgebied van de verordening.

3.2.

De rechtbank komt vervolgens toe aan de inhoudelijke beoordeling van de incidentele vordering. Artikel 30 lid 3 van de verordening geeft het criterium voor samenhangende vorderingen: “vorderingen waartussen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven”. In het Tatry arrest van het Hof van Justitie van 6 december 1994 is door het hof geoordeeld dat sprake is van onverenigbare beslissingen wanneer bij afzonderlijke behandeling en berechting een ‘gevaar voor tegenstrijdige beslissingen ontstaat’, zonder dat dit gevaar behoeft te leiden tot rechtsgevolgen die elkaar uitsluiten. De regeling voor de connexiteit van vorderingen in artikel 30 van de verordening is erop gericht ‘een betere coördinatie van de uitoefening van de rechterlijke bevoegdheid binnen de Gemeenschap te verzekeren en te vermijden dat beslissingen worden gegeven die, ook al kunnen zij afzonderlijk ten uitvoer worden gelegd, uiteenlopen of onderling tegenstrijdig zijn’. Naarmate meer rechters zich bevoegd zullen verklaren terzake van samenhangende vorderingen neemt de kans toe dat hun beslissingen over en weer niet worden erkend.

3.3.

Gelet op in het hiervoor gegeven beoordelingskader zal de rechtbank de mogelijkheid van samenhangende vorderingen ruim moeten uitleggen. KNNS heeft gesteld en Meliar heeft niet betwist dat de grondslag van beide vorderingen de samenwerkingsovereenkomst met betrekking tot het project Schniewindt is. Het verweer van Meliar dat aan de rechtbank Dortmund geheel andere vragen zijn voorgelegd waardoor geen vrees is voor onderling tegenstrijdige uitspraken volgt de rechtbank niet. Nu de vorderingen in beide procedures hun grondslag vinden in de samenwerkingsovereenkomst inzake het project Schniewindt is de rechtbank van oordeel dat weldegelijk gevaar voor uiteenlopende of onderling tegenstrijdige uitspraken bestaat.

3.4.

Aan de overige vereisten van artikel 30 van de verordening - het moet gaan om gerechten van verschillende lidstaten en de procedure bij deze rechtbank is als laatste aangebracht - is voldaan omdat de eerste procedure aanhangig is gemaakt bij de rechtbank Dortmund op 6 maart 2015 en de tweede procedure op 26 juli 2016 bij deze rechtbank aanhangig is gemaakt.

3.5.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank, vooralsnog, de zaak aanhouden. Hiermee gaat de rechtbank voorbij aan het betoog van Meliar om de zaak verder inhoudelijk behandelen en slechts te wachten met een eindvonnis totdat de rechtbank Dortmund een eindvonnis heeft gewezen. Dit kan namelijk alsnog leiden tot een onwenselijke situatie dat in een eerder stadium dan het eindvonnis beslissingen dienen te worden genomen, waarmee de kans bestaat dat tegenstrijdige of onverenigbare beslissingen worden genomen. Daarnaast zou, thans beoordeeld, het verder inhoudelijk behandelen van de zaak inefficiënt kunnen zijn. Het belang van een goede procesorde dient bovendien thans zwaarder te wegen dan het door Meliar gestelde belang bij voortzetting van de bij deze rechtbank aanhangig gemaakte procedure.

3.6.

Nu de primaire vordering van KNNS zal worden toegewezen, althans dat de zaak naar de parkeerrol zal worden verwezen, behoeft haar subsidiaire vordering geen nadere bespreking.

3.7.

Meliar zal als de in het ongelijk gestelde partij in het incident worden veroordeeld in de hierna te specificeren kosten van dit incident.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

verwijst de zaak naar de parkeerrol van 4 april 2018;

4.2.

veroordeelt Meliar in de proceskosten van dit incident, aan de zijde van KNNS begroot op € 618,00 aan griffierecht en € 452,00 (1 punt x tarief II) aan salaris gemachtigde,

4.3.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Veerman en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2017.