Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:6061

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
23-11-2017
Zaaknummer
c/05/301409/ HA ZA 16-204
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burenzaak. Hoogopschietende coniferen en laurieren buiten afstand 50 cm erfgrens. Wegneming van zonlicht in tuin buren. Zorgvuldigheid tussen naburen brengt mee dat hoogopschietende heesters moeten worden gesnoeid tot hoogte van 2,50 meter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/301409 / HA ZA 16-204

Vonnis van 15 november 2017

in de zaak van

1 [eisende partij]

2. [eisende partij]

beiden wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. K. Klaasen te Zevenaar,

tegen

1 [gedaagde partij]

2. [gedaagde partij],

beiden wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. N.P.H. Vissers te Roermond.

Partijen zullen hierna [eisende partij] c.s. en [gedaagde partij] c.s. worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 9 augustus 2017

  • -

    de akte tevens houdende producties namens [eisende partij] c.s. van 4 oktober 2017

  • -

    de akte tevens houdende producties namens [gedaagde partij] c.s. van 4 oktober 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank verwijst naar en volhardt in hetgeen in het tussenvonnis van

9 augustus 2017 is overwogen.

2.2.

In dat tussenvonnis zijn partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de afstand tussen de erfgrens en de coniferen en de laurieren op het perceel van [gedaagde partij] c.s. Partijen hebben zich daarover bij akte tegelijkertijd uitgelaten. Daarbij heeft [eisende partij] c.s. zijn eis zoals vermeld onder 3.1. van het tussenvonnis van 26 april 2016 gewijzigd in die zin dat het onder 2. gevorderde aldus dient te worden gelezen dat [gedaagde partij] c.s. zal worden veroordeeld om de beplanting langs de erfgrens tussen de percelen, voor zover deze binnen een afstand van vijftig centimeter tot vier meter van de erfgrens, of een door de rechtbank in goede justitie te bepalen afstand, van de erfgrens staat tot twee meter, of een door de rechtbank in goede justitie te bepalen hoogte, te snoeien en gesnoeid te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagde partij] c.s. niet aan die veroordeling voldoet, met een maximum van € 50.000,00.

2.3.

De rechtbank is van oordeel dat de eiswijziging van [eisende partij] c.s. in dit stadium van de procedure in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Ter gelegenheid van de descente en de comparitie van partijen heeft mr. Visser verklaard dat het [eisende partij] c.s. gaat om de coniferen en de laurieren langs de erfgrens en dat de grote boom verderop in de tuin van [gedaagde partij] c.s. geen probleem is. Op andere beplanting in de tuin van [gedaagde partij] c.s. is tijdens de descente dan ook geen acht meer geslagen. In rechtsoverweging 4.11. van het tussenvonnis van 26 april 2017 is daarom overwogen dat het alleen gaat om de coniferen en de laurieren op het perceel van [gedaagde partij] c.s., die evenwijdig aan de erfgrens zijn geplant. [eisende partij] c.s. is daartegen in zijn latere processtukken niet opgekomen. Het debat van partijen is daarna dus alleen nog over de coniferen en laurieren van [gedaagde partij] c.s. gegaan, die nabij de erfgrens staan, waarbij aan de orde was of de afstand daarvan tot de erfgrens meer of minder dan vijftig centimeter is. Wanneer de eiswijziging zou worden toegestaan, zou thans ook eventuele hinder door andere beplanting van [gedaagde partij] c.s. dan voormelde coniferen en de laurieren moeten worden beoordeeld. Dat zou tot onredelijke vertraging van de procedure leiden. De eiswijziging wordt dan ook niet toegestaan.

2.4.

Uit de akten van partijen volgt dat zij niet in staat zijn gebleken om in gezamenlijk overleg de afstand tussen de erfgrens en de coniferen en de laurieren op het perceel van [gedaagde partij] c.s. vast te stellen. [eisende partij] c.s. stelt dat de coniferen te dicht op de erfgrens staan en overlegt ter onderbouwing daarvan foto’s van de door hem gedane metingen. Voor zover zou blijken dat één of enkele coniferen (net) buiten de vijftig centimetergrens staat/staan, stelt hij dat sprake is van onrechtmatige hinder. Met betrekking tot de laurieren heeft hij niet kunnen vaststellen wat de afstand tot de erfgrens is, maar is er eveneens sprake van onrechtmatige hinder, aldus [eisende partij] c.s. [gedaagde partij] c.s. voert aan dat de vier coniferen en twee laurieren meer dan vijftig centimeter vanaf de erfgrens staan en overlegt daartoe foto’s van de door hem gedane metingen. Hij betwist dat sprake is van onrechtmatige hinder.

2.5.

De rechtbank overweegt het volgende.

Uit de door [eisende partij] c.s. overgelegde foto’s kan niet duidelijk worden opgemaakt dat de coniferen op minder dan vijftig centimeter afstand van de erfgrens staan. [eisende partij] heeft ook niet gesteld om hoeveel centimeter het volgens hem precies gaat en hij stelt dat een of enkele coniferen mogelijk net binnen die afstand staat/staan. Gelet op de door [gedaagde partij] c.s. overgelegde foto’s van de metingen en het feit dat hij per conifeer en per laurier wel heeft vermeld wat de afstand tot de erfgrens is, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden uitgegaan van de stellingen van [eisende partij] c.s. [eisende partij] c.s. heeft geen ter zake dienend bewijsaanbod gedaan en de rechtbank ziet geen aanleiding om hem in deze stand van de procedure daartoe ambtshalve nog in de gelegenheid te stellen. De rechtbank gaat dan ook ervan uit dat de coniferen en de laurieren op het perceel van [gedaagde partij] c.s. op een afstand van meer dan vijftig centimeter van de erfgrens staan.

2.6.

Uit de door [eisende partij] c.s. overgelegde foto’s van zijn tuin, waarop duidelijk de schaduw is te zien van de coniferen en de laurieren van [gedaagde partij] c.s., blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat de aanwezigheid van die coniferen en laurieren het toetreden van zonlicht in de tuin van [eisende partij] c.s. beperkt. In welke mate daarvan sprake is staat niet vast. Tussen partijen is in geschil of de aanwezigheid van die coniferen en laurieren onrechtmatige hinder, zoals bedoeld in artikel 5:37 BW, opleveren. Naar het oordeel van de rechtbank kan dat in het midden blijven, gelet op het volgende. Beide partijen gaan weliswaar ervan uit dat de coniferen en de laurieren moeten worden aangemerkt als heesters, maar in het onderhavige geval, waarbij de coniferen en de laurieren zijn opgeschoten tot een hoogte van meer dan drie meter, kan daarvan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer worden uitgegaan. Echter ook in het geval dat er zou moeten worden uitgegaan van heesters, die op meer dan vijftig centimeter afstand van de erfgrens staan, brengt de tussen naburen geldende zorgvuldigheid mee dat de eigenaar van dergelijke hoog opschietende heesters in een reguliere, niet bosrijke woonomgeving met relatief kleine achtertuinen deze ‘bomen' op een dusdanige hoogte houdt dat de buurman er geen onredelijke hinder door ondervindt. [gedaagde partij] c.s. voert aan dat hij omwille van zijn privacy de coniferen en laurieren op de huidige hoogte wenst te handhaven, teneinde inkijk en gegluur van [eisende partij] c.s. af te weren. Andere redenen heeft hij niet aangevoerd. Nu [gedaagde partij] c.s. niet heeft vermeld waarom hij in dat verband de coniferen en laurieren op een hoogte van drie tot vier meter wenst te houden en het toetreden van zonlicht in de tuin van [eisende partij] c.s. naar moet worden aangenomen bij die hoogte gedurende een groot deel van de dag wordt beperkt, dient [gedaagde partij] c.s. de coniferen en de laurieren te snoeien en gesnoeid te houden op een zodanige hoogte dat de schaduwwerking in de tuin van [eisende partij] c.s. op een doeltreffende wijze wordt beperkt. De rechtbank neemt in dit geval aan dat dit effect wordt bereikt door de coniferen en de laurieren op een hoogte van maximaal twee meter en vijftig centimeter te houden. Bij die hoogte is ook de privacy van [gedaagde partij] c.s. gewaarborgd.

2.7.

Gelet op het voorgaande zal het onder 1. gevorderde worden afgewezen en zal het onder 2. (ongewijzigd) gevorderde als na te melden worden toegewezen. De rechtbank ziet voorts aanleiding om het maximum van de gevorderde dwangsom te beperken tot € 5.000,00. In rechtsoverweging 4.3. van het tussenvonnis van 26 april 2017 is reeds overwogen dat [eisende partij] c.s. geen belang heeft bij zijn vordering onder 3. Op het gevorderde onder 4. en 5. is al beslist in het tussenvonnis van 9 augustus 2017.

2.8.

[gedaagde partij] c.s. voeren in hun laatste akte nog aan dat de door [bedrijf A] tussen de percelen van partijen geplaatste schutting gebreken vertoont. Hij heeft aan die stellingen, die door [eisende partij] c.s. gemotiveerd zijn weersproken, echter geen juridische gevolgen verbonden, zodat de rechtbank aan die stellingen voorbij gaat.

2.9.

[gedaagde partij] c.s. zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisende partij] c.s. worden begroot op:

- dagvaarding € 100,12

- griffierecht 288,00

- salaris advocaat 1.582,00 (3,5 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.970,12

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

veroordeelt [gedaagde partij] c.s. om de coniferen en de laurieren, die op de achterzijde van zijn perceel evenwijdig aan de erfgrens tussen de percelen van partijen zijn geplant op een afstand tot circa zeventig centimeter van de erfgrens, te snoeien en gesnoeid te houden tot een hoogte van maximaal twee meter en vijftig centimeter, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagde partij] c.s. binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt,

3.2.

veroordeelt [gedaagde partij] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [eisende partij] c.s. tot op heden begroot op € 1.970,12, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.3.

veroordeelt [gedaagde partij] c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde partij] c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

3.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Peerdeman en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2017.