Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:6055

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-11-2017
Datum publicatie
28-11-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 7879
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gewijzigd beleid per 1 juni 2016, waarbij verweerder huishoudelijke hulp voortaan als algemene voorziening aanbiedt. In het licht van de geldende wetgeving, de wetsgeschiedenis en het door verweerder gevoerde beleid kan dit niet worden gekwalificeerd als een algemene voorziening. Het betreft hier een maatwerkvoorziening. Voorts heeft verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 2.3.9 van de Wmo 2015, geen behoorlijk onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, van de Wmo 2015 verricht. Bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder moet nieuw besluit op bezwaar nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 16/7879

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 november 2017

in de zaak tussen

[eiseres] te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. K. Wevers),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beuningen te Beuningen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de eerder aan eiseres toegekende maatwerkvoorziening in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015) ingetrokken en aan eiseres een nieuwe voorziening voor huishoudelijke hulp aangeboden.

Bij besluit van 15 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. S. van Cleef en J. Mamedova.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Na een herindicatie is bij besluit van 2 oktober 2012 aan eiseres een maatwerkvoorziening Huishoudelijke Hulp I over de periode van 27 september 2012 tot en met 26 september 2017 voor 2 uur en 30 minuten per week in de vorm van een pgb (destijds € 160,77 per maand) toegekend.

Verweerder heeft in maart 2016 een heronderzoek ingesteld naar de verleende indicatie. De bevindingen zijn neergelegd in het rapport van 8 maart 2016. In het rapport staat – voor zover van belang – het volgende.

(…)

Besluit

͏x Vaststellen dat belanghebbende per 1 december 2016 in aanmerking komt voor de HH als algemene voorziening.

͏x Het aantal af te nemen uren HH als algemene voorziening bedraagt het standaard aantal uren van 125 uur op jaarbasis.

͏x Belanghebbende valt onder de volgende doelgroep en daarbij behorende bijdrage in de kosten van de huishoudelijke hulp:

͏x Lager dan 110%, waarbij een bijdrage in de kosten geldt van € 2,50 per uur.

(…)

Beëindiging en overgangsrecht

Beëindiging maatwerkvoorziening

De belanghebbende is in staat om de regie te voeren over het huishouden en valt daardoor onder de algemene voorziening HH.

Met de invoering van HH als algemene voorziening per 1 juni 2016, bestaat er voor belanghebbende in beginsel geen recht meer op HH als maatwerkvoorziening per genoemde datum.

(…)

Omstandigheden

͏x Er zijn geen wijzigingen in de situatie ten opzichte van het moment waarop de indicatie voor de maatwerkvoorziening is verstrekt vastgesteld.

Toelichting:

Mevrouw ondervindt beperkingen en participatieproblemen op het gebied van het huishoudelijk leven. Mevrouw heeft aangegeven dat zij artrose erbij heef gekregen en dat de klachten erger zijn geworden. Mevrouw is lichamelijk snel vermoeid. Mevrouw geeft aan dat dit met het regelen/opnieuw nieuwe mensen inwerken, alleen maar erger wordt.

(…)

Aard van de werkzaamheden

Gelet op de aard van de te verrichten werkzaamheden is de algemene voorziening

͏x toereikend.

(…)

Inkomenspositie en eigen bijdrage

͏x Vaststellen dat belanghebbende heeft verklaard te behoren tot een doelgroep die korting krijgt op de bijdrage voor de huishoudelijke hulp.

(…)

Financiële gevolgen (optioneel)

Mevrouw valt in de doelgroep ‘minder dan 1142,-‘. Dit betekent dat mevrouw per 1 december 2016 2,50 euro per uur gaat betalen. Deze korting geldt voor 125 uur op jaarbasis.

(…)

Bij het primaire besluit heeft verweerder de eerder toegekende maatwerkvoorziening beëindigd per 1 december 2016. Verweerder heeft daarbij overwogen dat eiseres gebruik kan maken van de algemene voorziening die verweerder voor huishoudelijke hulp aanbiedt. Dit komt neer op een standaardaantal uren van 125 per jaar.

2. In geschil is of verweerder op goede gronden heeft besloten de eerder toegekende maatwerkvoorziening te beëindigen en kan volstaan met de verwijzing van eiseres naar een algemene voorziening ‘huishoudelijke hulp’.

3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder de beëindiging van de maatwerkvoorziening en de verwijzing naar de algemene voorziening niet (zorgvuldig) heeft gemotiveerd.

Bovendien, zo vervolgt eiseres, heeft verweerder onvoldoende onderzoek verricht naar haar feitelijke situatie alvorens tot de beëindiging over te gaan. De eerder aan eiseres toegekende 2,5 uur per week zijn niet (meer) toereikend, mede omdat een deel van het lichte huishoudelijke werk overgenomen moet worden. Daarnaast verleent haar huidige hulp niet alleen ondersteuning in het huishouden, maar ook op andere terreinen.

Voorts, zo stelt eisers, heeft verweerder de maatwerkvoorziening op onjuiste gronden beëindigd omdat er ten tijde van het primaire besluit én het bestreden besluit geen algemene voorziening aanwezig was die voldoet aan de eisen die de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) daaraan heeft gesteld. Zo volgt uit de uitspraak van de CRvB van 18 mei 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1404) dat de eigen bijdrage voor de algemene voorziening en eventuele kortingen daarop in de verordening geregeld moeten zijn. Dat was in het geval van verweerder niet zo.

Daar komt bij dat, zo voert eiseres aan, gelet op de wijze waarop verweerder de huishoudelijke hulp nu heeft geregeld, er geen sprake is van een laagdrempelig algemene voorziening, maar van een verkapte vorm van een maatwerkvoorziening. De regeling in de verordening van verweerder strookt namelijk niet met het wettelijk voorschrift, dat bepaalt dat de algemene voorziening laagdrempelig dient te zijn en dat in de regel geen voorafgaand onderzoek plaatsvindt. De verordening bepaalt echter wel dat onderzoek op verschillende aspecten dient plaats te vinden, en wel op die aspecten die ook onderzocht moeten worden voor de toekenning van een maatwerkvoorziening. Gelet hierop dient verweerder alsnog een maatwerkvoorziening (in de vorm van een pgb) aan eiseres toe te kennen.

Tot slot stelt eiseres zich op het standpunt dat zij niet in staat is om extra hulp zelf in te kopen omdat zij slechts een AOW-uitkering ontvangt en de extra kosten, naast de bijdrage van €19,40 aan het CAK, niet zelf kan dragen.

4. Verweerder stelt zich, kort gezegd, op het standpunt dat hij invulling heeft gegeven aan de op hem rustende verplichtingen uit de Wmo 2015 door de huishoudelijke hulp per 1 juni 2016 aan te bieden in de vorm van een algemene voorziening. Die algemene voorziening houdt in dat 125 uur huishoudelijk hulp per jaar tegen een gereduceerd tarief kan worden afgenomen bij een door verweerder gecontracteerde aanbieder; meeruren kunnen tegen kostprijs worden ingekocht.

Daar waar een algemene voorziening adequate ondersteuning kan bieden, kan de verstrekking van een maatwerkvoorziening achterwege blijven, aldus verweerder. Een verstrekking van een pgb is in het geval van een algemene voorziening niet mogelijk.

Er zijn, zo vervolgt verweerder, in het geval van eiseres geen redenen om af te zien van de verstrekking van een algemene voorziening. De algemene voorziening sluit aan bij de indicatie die eiseres onder het oude regime had. Dat de kosten van de algemene voorziening onoverkomelijk zijn, is door eiseres aangetoond, aldus verweerder.

De besluitvorming heeft zorgvuldig plaatsgevonden. Er is een overgangstermijn in acht genomen en de persoonlijke situatie van eiseres is in bezwaar aan bod geweest.

5. Kader Wmo/lokale regelgeving

Artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 verstaat onder het begrip ‘algemene voorziening’ (een) aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning.

In de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp 33841 (TK2013/14, 33841, nr. 3, p. 110 e.v. artikelsgewijs) is over de algemene voorziening – onder meer – het volgende opgemerkt.

“Kenmerkend voor een algemene voorziening is dat het gaat om in beginsel vrij toegankelijke – dat wil zeggen: zonder dat eerst een diepgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers – diensten, activiteiten of zaken, gericht op zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang. (…) De diensten, activiteiten of zaken kunnen toegankelijk zijn voor specifieke groepen of soms ook voor de gehele bevolking. In het beleidsplan moet worden beschreven welk beleid zal worden gevoerd ter zake van diensten en activiteiten die als algemene voorzieningen in de gemeente beschikbaar zullen zijn ten behoeve van de ondersteuning van de zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang. Het begrip omvat het organiseren van activiteiten met een sociaal-recreatief of sportief karakter voor specifieke doelgroepen. Ook kan gedacht worden aan een adviesbureau (bijv. advies en informatie), anonieme hulp op afstand of een inloopspreekuur voor alle mensen die kampen met eenzaamheid of geestelijke dan wel geldelijke problemen (bijv. inloop GGZ), algemeen toegankelijke activiteiten voor mensen die anderen willen ontmoeten of een zinvolle invulling willen geven aan de dag of een instantie waar mensen (al dan niet tegen kostprijs) huishoudelijke hulp kunnen verkrijgen, crisisopvang voor daklozen etc. etc.

Omdat algemene voorzieningen toegankelijk zijn zonder voorafgaand onderzoek naar behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van mensen, zal in het algemeen aan de toelating van mensen tot een algemene voorziening geen beschikking van de gemeente voorafgaan, terwijl dat bij een maatwerkvoorziening nadrukkelijk wel het geval is.

Het onderscheid tussen een maatwerkvoorziening en een algemene voorziening werkt door op het vlak van de bijdragen die aan cliënten kunnen worden opgelegd. Ook voor een algemene voorziening kan eventueel een bijdrage van de cliënt in de kosten worden gevraagd (m.u.v. cliëntondersteuning), maar deze bijdrage kan, anders dan die voor een maatwerkvoorziening, niet inkomensafhankelijk zijn.”

In de Nota naar aanleiding van het nader verslag (TK2013/14, 33841, nr. 64, p. 60) staat – voor zover van belang – het volgende.

“Het wetsvoorstel definieert algemene voorziening als een aanbod van diensten en activiteiten dat zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het versterken van zelfredzaamheid en participatie of op opvang. Aangezien de toegang tot een algemene voorziening niet wordt voorafgegaan door een onderzoek, wordt ook geen appellabele beslissing afgegeven. Het uitsluiten van mensen van algemene voorziening is derhalve niet mogelijk. Dat wil niet zeggen dat een algemene voorziening niet slechts toegankelijk kan zijn voor mensen die aan een bepaalde toegangseis voldoen (bijvoorbeeld ouderen) of die kampen met een bepaalde problematiek (opvangbehoefte). In alle gevallen moet het echter gaan om voorzieningen waarvoor geen onderzoek naar die behoefte hoeft te worden ingesteld.”

Artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 verstaat onder het begrip ‘maatwerkvoorziening’ (een) op de behoeften van, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen.

In de Memorie van Toelichting (TK2013/14, 33841, nr. 3, p. 119 e.v. artikelsgewijs) staat hierover het volgende.

“Voor zover iemand echter niet op eigen kracht of met hulp van zijn sociale netwerk zelfredzaam kan zijn of maatschappelijk kan participeren en gebruikmaken van een algemene voorziening dit probleem ook niet of onvoldoende oplost, zal de gemeente op aanvraag voor betrokkene zorgvuldig moeten bezien met welk pakket van op de persoonskenmerken, behoeften en mogelijkheden van die persoon afgestemde diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen kan worden bewerkstelligd dat de zelfredzaamheid kan worden bevorderd, betrokkene maatschappelijk kan participeren of wordt voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang.”

Artikel 2.3.2, vierde lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat het college onderzoek doet naar:

a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;

b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;

g. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4, verschuldigd zal zijn.

Artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

Artikel 2.3.6, eerste lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat, indien de cliënt dit wenst, het college hem een pgb verstrekt dat de cliënt in staat stelt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken.

Het tweede lid bepaalt dat een pgb wordt verstrekt, indien:

a. de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;

b. de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen;

c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

Artikel 2.3.9, eerste lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat het college periodiek onderzoekt of er aanleiding is een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 (maatwerkvoorziening) of 2.3.6 (pgb) te herzien. In dat geval, zo bepaalt het tweede lid, is artikel 2.3.2, tweede tot en met het zesde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.3.10 , eerste lid, aanhef en onder b, van de Wmo 2015 bepaalt dat het college de beslissing als bedoeld in artikel 2.35 of 2.3.6 kan herzien of intrekken indien het college vaststelt dat de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen.

Het tweede lid bepaalt vervolgens dat het college in de beslissing het tijdstip bepaalt waarop de beslissing in werking treedt.

In de Verordening maatschappelijke ondersteuning (hierna: de verordening) van verweerder, zoals deze gold ten tijde van het bestreden besluit, staat – voor zover van belang – het volgende.

“Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

b. algemene voorziening; aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning;

(…)”

6. De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank ziet zich in de eerste plaats voor de vraag gesteld of de huishoudelijke hulp waarvoor verweerder eiseres in aanmerking heeft gebracht kan worden gekwalificeerd als een algemene voorziening. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Daarvoor acht de rechtbank bepalend dat, behoudens de definitie bedoeld in artikel 1 van de verordening, in de verordening geen regels zijn gesteld ten aanzien van de algemene voorziening en meer in het bijzonder over de relatie tussen de aanbieder en verweerder. Uit tekst en toelichting van artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 volgt voorts dat een aanbieder zich jegens het college verbindt om een algemene voorziening (of een maatwerkvoorziening) te leveren. Volgens de toelichting impliceert de formulering dat een derde die zich jegens de cliënt verbindt tot het leveren van bepaalde activiteiten, diensten of zaken, in dat verband geen aanbieder in de zin van de wet is (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 110). Dat is hier het geval. Uit de gedingstukken en het verhandelde te zitting blijkt immers dat eiseres zelf afspraken dient te maken met een schoonmaakorganisatie over de te verrichten werkzaamheden.

Dat de gemeente Beuningen een aantal schoonmaakorganisaties heeft geselecteerd waarmee cliënten kunnen contrateren doet aan het voorgaande niet af.

Daar komt nog bij dat verweerder aan de verstrekking van deze voorziening eisen stelt en eiseres slechts toegelaten wordt nadat een onderzoek naar de omvang van de behoefte is gedaan, waarna wordt vastgesteld óf de basisvoorziening (125 uur per jaar) volstaat én óf de hulp op niveau 1 (zelf regie voeren) of niveau 2 (regie door derden) moet worden verstrekt. Dit staat haaks op hetgeen de wetgever heeft beoogd waar het een algemene voorziening betreft, te weten vrij toegankelijke diensten, activiteiten of zaken, gericht op zelfredzaamheid, participatie, waarvoor geen voorafgaand, diepgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruiker wordt verricht. Ook verweerder hanteert deze definitie als het gaat om een algemene voorziening.

Het hiervoor overwogene betekent dat de aangeboden voorziening een maatwerkvoorziening is. Daarenboven acht de rechtbank van belang dat het aanbod van deze voorziening volgt op de beëindiging van een eerder verleende maatwerkvoorziening c.q. het openbreken van een eerder verleende indicatie. Uit artikel 2.3.9, tweede lid van de Wmo 2015 bezien in samenhang met artikel 2.3.2, vierde lid van die wet volgt dat verweerder in dat geval een onderzoek instelt naar, onder meer, de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt. Verweerder zal dus aannemelijk moeten maken dat eiseres met standaardvoorziening, zoals die nu is toegekend, voldoende is gecompenseerd.

Weliswaar heeft verweerder onderzoek verricht en zijn de uitkomsten daarvan neergelegd in het rapport van 8 maart 2016 maar uit dit onderzoek valt naar het oordeel van de rechtbank niet op te maken dat het onderzoek conform het bepaalde in artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wmo 2015 is geschied.

Immers, eiseres heeft aangegeven dat zij artrose erbij heeft gekregen en dat de klachten erger zijn geworden, dat zij lichamelijk snel vermoeid is en dat dit met het (steeds) opnieuw nieuwe mensen moeten inwerken alleen maar erger wordt. Uit het rapport volgt niet op basis waarvan verweerder heeft vastgesteld dat, ondanks deze door eiseres geuite klachten, de door verweerder te verstrekken voorziening voldoende adequaat is en eiseres daardoor in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie. Zo ontbreekt bijvoorbeeld een (medisch) onderzoek naar de door eiseres tijdens de huisbezoeken gestelde fysieke beperkingen, terwijl gesteld noch anderszins is gebleken dat de consulent die het onderzoek heeft verricht in staat is een medisch oordeel te geven.

Gelet hierop voldoet het onderzoek, ingesteld door verweerder, niet aan de eisen die de wet hieraan heeft gesteld. Dat betekent dus dat het besluit niet met juiste zorgvuldigheid is voorbereid en geen stand kan houden. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Bij gebrek aan informatie over de omvang van de aan eiseres te verlenen (maatwerk)voorziening kan de rechtbank niet zelf in de zaak voorzien en zal verweerder daarom op dragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

7. In het kader van het nieuw te nemen besluit op bezwaar zal verweerder een onderzoek in moeten stellen naar de omvang van de behoefte van eiseres aan huishoudelijke hulp (niveau 1). Dat kan alleen door een onderzoek te verrichten op de wijze als bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, van de Wmo 2015, waarbij ook alle aspecten van de gezondheidstoestand van eiseres in aanmerking moeten worden genomen. Omdat dit onderzoek specifiek is gericht op de (gezondheids)toestand van eiseres zal de uitkomst van het onderzoek niet anders kunnen zijn dat aan eiseres een maatwerkvoorziening wordt verstrekt, waarmee een passende bijdrage wordt geleverd aan de zelfredzaamheid van eiseres.

De maatwerkvoorziening zal vervolgens, nu eiseres dit ook wenst en gesteld noch anderszins is gebleken dat zij niet aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, van de Wmo 2016 voldoet, in de vorm van een pgb moeten worden verstrekt.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 46,00 vergoedt.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,00 en een wegingsfactor 1). De reiskosten stelt de rechtbank vast op € 14,76 (€ 7,38 per enkele reis met openbaar vervoer, 2e klasse afstand Beuningen - Arnhem).

De totale proceskosten bedragen (€ 990,00 + € 14,76=) € 1.004,76.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen 6 weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht groot € 46,00 aan haar vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.004,24.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in tegenwoordigheid van mr. K.V. van Weert, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 23 november 2017

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.