Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:6028

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
22-11-2017
Zaaknummer
5650023
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pacht. Aangaan pachtovereenkomst. Terecht beroep op misbruik van omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6184
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank GELDERLANd

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

Pachtkamer

Zaaknummer : 5650023 CV EXPL 17-606

Grosse aan : mr. H.P.G. Jansen

Afschrift aan : mr. B. Nijman

Verzonden d.d. :

vonnis d.d. 15 november 2017 van de pachtkamer

inzake

[naam eiser] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. H.P.G. Jansen,

tegen

[naam gedaagde] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. B. Nijman.

Partijen worden hierna [eiser ] en [gedaagde] genoemd.

1 Het verdere procesverloop

Dit blijkt uit:

- het vonnis van 26 april 2017

- de faxbrief d.d. 16 mei 2017 van mr. H.P.G. Jansen, met bijlage

- de akte houdende uitlating van [gedaagde]

- de rolbeschikking van 24 mei 2017

- de akte van [eiser ] , met bijlagen

- de akte houdende uitlating van [gedaagde]

- de rolbeschikking d.d. 26 juli 2017

- de op 2 oktober 2017 gehouden comparitie van partijen, waarvan aantekening is gehouden door de griffier.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

[naam vrouw] (hierna: [vrouw] ), geboren te [plaatsnaam] op [geboortedatum] , overleden op [overlijdensdatum] en sinds 2003 weduwe van de heer [naam man] , was eigenaar van een perceel bouwland, kadastraal bekend gemeente [kadastrale gegevens] , groot 7.16.00 hectare (hierna: het perceel).

2.2

In een geliberaliseerde pachtovereenkomst is vermeld dat [vrouw] aan [naam maatschap] (hierna: [maatschap] ) het perceel verhuurt voor de duur van zes jaar, ingaande op 1 januari 2009 en mitsdien eindigende op 31 december 2014. Verder is vermeld dat de pachter jaarlijks een pachtprijs van € 3.000,00 dient te voldoen. Deze pachtovereenkomst is 20 november 2009 opgemaakt en ondertekend door [vrouw] als verpachter en de maten van [maatschap] als pachter. De Grondkamer Oost heeft deze pachtovereenkomst op 20 januari 2010 goedgekeurd.

2.3

Op 19 december 2011 hebben [vrouw] als verpachter en de maten van [maatschap] als pachter verklaard de tussen hen bestaande pachtovereenkomst te beëindigen per 31 december 2011.

2.4

Bij notariële akte van 20 augustus 2012 heeft [vrouw] verklaard aan te stellen als haar algemeen gevolmachtigde, de heer [eiser ] , geboren te [plaatsnaam] op [geboortedatum] . In de akte is onder meer vermeld:

“I. BEHEER EN ADMINISTRATIE

(…)

e. Roerende zaken en registergoederen te huren, verhuren, pachten of verpachten onder zodanige bepalingen als de gevolmachtigde zal goedvinden.

(…)

V. OPTREDEN IN RECHTE

a. De volmachtgever in rechte te vertegenwoordigen, zo eisende als verwerende, zich van rechtskundige bijstand te voorzien, alle processuele handelingen of alle executiemaatregelen ten uitvoer te leggen of te vorderen.

(…)

IX VOORWAARDE

Van deze volmacht kan pas gebruik worden gemaakt door de betreffende gevolmachtigde nadat een terzake kundige arts schriftelijk heeft verklaard dat de volmachtgever wegens lichamelijk en/of geestelijke stoornis niet meer in staat is om haar belangen te behartigen en de eigen zaken behoorlijk waar te nemen.

(…)”.

2.5

Op 20 augustus 2013 is een Reguliere pachtovereenkomst voor los land (hierna: de reguliere pachtovereenkomst) opgemaakt en ondertekend door [vrouw] als verpachter en [gedaagde] als pachter. Hierin is vermeld dat [vrouw] aan [gedaagde] het perceel verhuurt voor de duur van 6 jaren en 0 maanden, ingaande op 1 november 2013 en eindigend op 1 november 2019. Verder is vermeld dat jaarlijks een totale pachtprijs van € 4.296,00 aan de verpachter of diens gemachtigde moet worden betaald.

2.6

De reguliere pachtovereenkomst is op 26 augustus 2013 ingekomen bij de Grondkamer Oost en op 31 oktober 2013 goedgekeurd onder de vermelding: “Met inachtneming van het bepaalde bij beschikking van 31 oktober 2013”.

In de desbetreffende beschikking van de Grondkamer Oost is als beslissing vermeld: “De overeengekomen pachtprijs wordt gewijzigd in € 4.103,- per jaar. De aldus gewijzigde overeenkomst wordt goedgekeurd.”

2.7

In een proces-verbaal van aangifte, opgemaakt door [naam 1] , brigadier van politie Regio Noord- en Oost Nederland, heeft [vrouw] aangifte gedaan van incidenten die plaatsvonden in de periode tussen woensdag 1 mei 2013 te 10.00 uur en dinsdag 4 maart 2014 te 10.00 uur. In het proces-verbaal is onder meer als verklaring van [vrouw] vermeld:

“Ik doe aangifte van oplichting. (…)

Als ik zou hebben geweten, dat de verdachte een valse naam/valse hoedanigheid had aangenomen, dan wel gebruik maakte van listige kunstgrepen/samenweefsel van verdichtsels, dan zou ik niet tot afgifte zijn overgegaan. Ik heb die man heel veel geld gegeven.

De oplichting vond als volgt plaats.

Ik ben weduwe en heb geen kinderen. Ik woon alleen in het buitengebied in mijn boerderij. Ik vind mij nog gezond, alleen mijn geheugen laat mij in de steek wanneer ik wat langer terug moet denken.

(…)

Mijn broer [eiser ] ontdekte in februari 2014 dat er iets niet klopte. Ik kon namelijk geen geld meer pinnen omdat ik in het rood stond.

Ik heb toen tegen mijn broer verteld dat ik dat steeds contant geld heb opgenomen om de rekening van Stam service te betalen.

Mijn broer ontdekte toen dat [naam 2] al sinds 1 mei 2013 niet meer bij Stam Service werkte.

(…)

Ik vermoed dat ik ongeveer 20.000 euro betaald heb aan [naam 2] .

[naam 2] had mijn volle vertrouwen. Hij vertelde steeds dat er iets gemaakt moest worden en dat dat geld kost. (…)

Ik heb mij niet gerealiseerd dat ik zoveel geld aan [naam 2] gegeven heb. Ik heb niet steeds bij gehouden hoeveel geld ik hem al gegeven had. Ik kwam daar pas achter toen ik in het rood kwam te staan.

(…)”

2.8

[naam 3] , specialist ouderengeneeskunde, heeft in een brief van 16 april 2016 ten aanzien van [vrouw] meegedeeld dat hij haar als niet behandeld arts heeft gezien op 14 april 2016. Hij heeft verder verklaard:

“Bij mijn onderzoek werd duidelijk dat betrokken lijdt aan een ernstige stoornis van de geestvermogens. Hierdoor heeft betrokkene beperkingen van het geheugen, de oriëntatie, het begrip, de informatieverwerking en het oordeelsvermogen.

(…)

Uit het bovenstaande blijkt dat ik van mening en, dat [vrouw] , geboren [geboortedatum] , niet in staat is haar materiële belangen naar behoren te behartigen.”

2.9

In een medische verklaring d.d. 27 juni 2016 van [naam 4] , specialist ouderengeneeskunde, is onder meer vermeld:

“Med VK

(…)

2013 ziekte van Alzheimer;

(…)

Decursus

Pat is eind maart 2016 opgenomen op ons kleinschalige PG unit in Wehl ivm haar dementie.

Pat was hiervoor kortdurend spoed opgenomen bij Azora, na val.

(…)”

3 De vordering en het verweer

3.1

[eiser ] vordert in de dagvaarding dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. de tussen partijen op 20 augustus 2013 gesloten pachtovereenkomst met betrekking tot het perceel cultuurgrond, kadastraal bekend [kadastrale gegevens] , groot 07.16.00 ha (hierna: het perceel) met onmiddellijke ingang zal worden vernietigd op grond van primair artikel 3:44 BW lid 4 misbruik van omstandigheden dan wel subsidiair op grond van artikel 6:228 BW, vanwege dwaling;

b. [gedaagde] zal worden veroordeeld binnen twee weken na betekening van het te wijzen vonnis, het perceel met al het zijne en de zijnen te ontruimen en ontruimd te houden, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat [gedaagde] nalatig blijft in de uitvoering van het vonnis en voorts met machtiging van [eiser ] om op kosten van [gedaagde] zo nodig met behulp van de sterke arm het gepachte zelf te ontruimen indien gedaagde dat zelf niet tijdig doet;

c. aan [eiser ] te betalen de achterstallige vergoeding over het teeltjaar 2016, welk bedrag door [gedaagde] nog is op te maken middels een gespecificeerde rekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, te rekenen vanaf 1 november 2016, tot aan de dag der algehele voldoening;

d. [gedaagde] te veroordelen in de toekomstige en mogelijk door [gedaagde] te betalen boetes, schades enz. voortvloeiende uit en als gevolg van de onjuiste opgave van bedrijfsgegevens in de zog. Gecombineerde Opgave bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO);

e. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure zijdens [eiser ] , daaronder begrepen een bedrag voor salaris gemachtigde, als ook de pre processuele kosten, enz.

3.2

[eiser ] legt daaraan, gelet op voormelde feiten, het volgende ten grondslag.
[gedaagde] heeft door het laten ondertekenen en aangaan van een pachtovereenkomst met [vrouw] , op een wijze door [gedaagde] voorgesteld en uitgevoerd, op overduidelijke wijze misbruik van de omstandigheden gemaakt, als bedoeld in artikel 3:44 BW. De hele omgeving van [vrouw] , dus ook [gedaagde] , wist over haar geestestoestand: haar afhankelijkheid van andere mensen, hoe verward ze vaak was en dat ze almaar vergeetachtiger werd. [gedaagde] wist ook dat [vrouw] in het geheel geen zicht had op zakelijke kwesties en de consequenties van het aangaan van een pachtovereenkomst niet overzag of kon overzien. Als al een afspraak omtrent het aangaan van een pachtovereenkomst zou worden overwogen, dan zou het altijd om een geliberaliseerde pachtovereenkomst zijn gegaan, net zoals in 2009 met de familie [familienaam] was afgesloten.
Daarnaast heeft [vrouw] gedwaald bij het tot stand komen van de pachtovereenkomst met [gedaagde] , zodat deze overeenkomst ex artikel 6:228 BW vernietigd moet worden. [gedaagde] had, in verband met hetgeen hij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende [vrouw] behoren in te lichten over hetgeen waartoe zij zich ten tijde van de ondertekening verplichtte en ook over de gevolgen van een dergelijke overeenkomst. [gedaagde] heeft dit opzettelijke nagelaten, waardoor [vrouw] heeft gedwaald.

3.3

[gedaagde] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. De inhoud van het verweer zal hieronder waar nodig aan de orde komen.

4 De beoordeling

4.1

[eiser ] vordert vernietiging van de tussen [vrouw] en [gedaagde] gesloten reguliere pachtovereenkomst. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat ten tijde van het sluiten daarvan sprake was van een wilsgebrek aan de zijde van [vrouw] .

4.2

Primair heeft [eiser ] gesteld dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3:44 lid 4 BW, waar is bepaald:

“Misbruik van omstandigheden is aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden.”

4.3

Om te kunnen beoordelen of sprake is van een dergelijke situatie komt het enkel aan op omstandigheden bij het aangaan van de overeenkomst. Daarbij dient allereerst te worden gekeken of sprake was van bijzondere omstandigheden, vervolgens of sprake is van een causaal verband tussen deze omstandigheden en het sluiten van de reguliere pachtovereenkomst, of de totstandkoming van de reguliere pachtovereenkomst is bevorderd door [gedaagde] , of is voldaan aan het vereiste van kenbaarheid aan de zijde van [gedaagde] en tot slot of sprake is geweest van misbruik aan de zijde van [gedaagde] . Voor deze beoordeling is niet vereist dat het sluiten van de overeenkomst voor [vrouw] nadelig zou zijn.

4.4

[eiser ] heeft gesteld dat sprake is van bijzondere omstandigheden, omdat [vrouw] door haar geestestoestand en afhankelijkheid in augustus 2013 niet bij machte was haar zakelijke belangen te overzien of naar behoren te behartigen. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat [vrouw] met het verstrijken van de jaren steeds verwarder raakte en onnavolgbaar handelde. Vooral na het overlijden van de (stief)moeder van [eiser ] en [vrouw] in 2010, ging de geestestoestand van [vrouw] hard achteruit, aldus [eiser ] . [eiser ] heeft verder gesteld dat hij regelmatig bij haar langs ging om haar met raad en daad bij te staan, maar dat [vrouw] een eigenzinnig persoon was die weinig van hem aannam en vaak niet meer wist wat ze had gedaan, gezegd of wie er op bezoek was geweest. [eiser ] heeft zijn stellingen op dit punt onderbouwd met verklaringen van onder meer buren en de heer [naam 5] , destijds landbouwvoorlichter/adviseur (hierna: [naam 5] ), en met het proces-verbaal van aangifte (r.o. 2.7). Hij heeft er verder aangevoerd dat de verklaring bij de politie door hemzelf is afgelegd in het bijzijn van [vrouw] .

4.5

[gedaagde] heeft gesteld dat de gezondheid van [vrouw] pas na de tachtigste verjaardag in 2014 achteruit ging. Hij heeft er verder op gewezen dat [vrouw] in de periode 2010 tot 2013 nog capabel genoeg was om volmachten op te laten stellen, grond te kopen en op 10 augustus 2012 bij de notaris een testament op te laten maken en een volmacht af te geven. Dat [vrouw] in 2012 nog capabel genoeg was om dergelijke zaken te regelen, betekent echter niet zonder meer dat zij een jaar later daartoe eveneens nog in staat zou zijn geweest. Uit de door [eiser ] overgelegde stukken, waaronder verklaringen van (voormalige) buren en familie van [eiser ] , blijkt verder zonder meer dat [vrouw] ook in de periode voorafgaand aan 2013 al verward gedrag vertoonde en hulp nodig had. Zo heeft voormalig buurvrouw [naam 6] verklaard: “(…) Van 1972 tot 1995 was ik de buurvrouw van [vrouw] . (…) Ik heb als jong meisje een opleiding tot bejaardenverzorgster gevolgd en ik heb toen ook enkele jaren met dementerende ouderen gewerkt. Ik herken de signalen van dementie dan ook meteen, ik denk eerder dan de meeste mensen dat zouden herkennen. Ik heb in 2010 of 2011 twee keer meegemaakt dat ik [vrouw] tegen kwam in het dorp Wehl, en dat ze een verwarde indruk maakte. Ik sprak haar aan, en toen bleek dat ze de weg naar huis niet meer kon vinden. Ik ben toen met haar mee naar huis gefietst, en heb haar naar huis gebracht. Voor mij was toen duidelijk dat [vrouw] aan het dementeren was, niet alleen vanwege het feit dat ze de weg naar huis niet meer kon vinden, maar ook vanwege haar verwarde gedrag.”

De buren [naam 7] hebben verklaard: “(…) Wij kennen [vrouw] al 38 jaar en hebben over het algemeen een goed contact met haar gehad. Zij was geen makkelijke vrouw en kon erg wispelturig en onvoorspelbaar in haar gedrag naar anderen zijn.
Wij hebben gemerkt dat haar geestelijke gezondheid na het overlijden van haar man in 2003 geleidelijk is afgenomen. Echter, na het overlijden van haar stiefmoeder in 2010 is haar geestestoestand hard achteruit gegaan. Zo hebben we vanaf 2012 zeer regelmatig meegemaakt (elke week, vaak ook twee keer per week) dat ze achter op ons erf stond en niet meer wist waar ze was. Ze keek dan om zich heen, was volledig haar oriëntatie kwijt en wist niet hoe ze naar huis moest komen (…)

Een normaal of goed gesprek was de laatste jaren, zeker al vanaf 2012, niet meer mogelijk. Ze had het altijd over vroeger, (…).

Wij hebben gemerkt dat ze erg opkeek naar ‘grote boeren’ en zich door hen liet beïnvloeden. (…)

[vrouw] kon erg onvoorspelbaar zijn in haar gedrag. Zo heeft ze in 2010 eens aan ons aangeboden om grond van haar te kopen, en een paar dagen later zag ze daar om vage redenen toch weer vanaf. We hadden toen al de indruk dat het allemaal niet meer goed kon overzien en volgen.(…).”

[namen] (neef en aangetrouwde nicht van [vrouw] ) hebben verklaard:

“(…)De eerste keer dat we merkten dat [vrouw] serieuze problemen had met haar geheugen was ergens in 2012. Wij waren toen op het kerkhof in Wehl, waar het graf van haar man [naam man ] is. [man] is al in 2003 overleden. Wij troffen haar toen (in 2012) verdwaasd en verward aan op het kerkhof. Wij spraken haar aan, en toen bleek dat ze het graf van haar overleden man niet meer kon vinden (dit terwijl ze vaak op het kerkhof kwam). Wij hadden toen in de gaten dat het niet goed met haar ging en dat ze het allemaal niet meer op een rijtje had.

Dat hebben wij vanaf die tijd vaker gemerkt. (…)”.

De medische verklaring d.d. 27 juni 2016 (r.o. 2.9) bevestigt met zoveel woorden dat [vrouw] al in 2013 is gediagnosticeerd met de ziekte van Alzheimer. Op welke datum dit is vastgesteld en in welk stadium de ziekte zich bevond vermeldt dit document niet, maar uit alle verklaringen blijkt dat [vrouw] vergeetachtig was, gemakkelijk te beïnvloeden leek en ook in 2013 geestelijk achteruitging, waarbij die achteruitgang ruim voor 2013 zichtbaar was voor haar naaste omgeving. In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat bij [vrouw] in 2013 sprake was van een zodanige geestestoestand en afhankelijkheid, dat niet aannemelijk is dat zij haar belangen zelfstandig kon overzien en nog zelfstandig naar behoren kon behartigen. Hetgeen [gedaagde] op dit punt verder heeft aangevoerd, kan aan die beoordeling niet afdoen.

4.6

Voor een beroep op misbruik van omstandigheden is vervolgens vereist dat er een causaal verband bestaat tussen de omstandigheden waarin [vrouw] zich in 2013 bevond en het sluiten van de reguliere pachtovereenkomst. Daarbij hoeft er geen sprake van te zijn dat [gedaagde] het initiatief tot de reguliere pachtovereenkomst heeft genomen of de wilsvorming van [vrouw] actief heeft beïnvloed. Om een causaal verband aan te nemen is het voldoende dat [gedaagde] het tot stand komen van de reguliere pachtovereenkomst zou hebben bevorderd, bijvoorbeeld door een verklaring of gedraging van hemzelf.

4.7

[eiser ] heeft in dit verband aangevoerd dat [vrouw] na het overlijden van haar man in 2003 werd bijgestaan door onder meer [naam 5] . In april 2012 werd [naam 5] echter volstrekt onverwacht meegedeeld dat hij de gebruikelijke werkzaamheden niet meer hoefde te verrichten. Door [vrouw] werd enkel gezegd dat zij daar iemand anders voor had, zo heeft [naam 5] verklaard. Ook heeft [vrouw] als een donderslag bij heldere hemel eind 2011 aan [familienaam] meegedeeld dat de met hem bestaande pachtovereenkomst onmiddellijk diende te worden beëindigd. Rond die tijd verscheen [gedaagde] vaker ten tonele. [gedaagde] mocht vervolgens alle cultuurgronden van [vrouw] gaan bewerken. Het gewas werd op stam verkocht tegen verrekening van loonwerkkosten. [gedaagde] heeft vanaf dat moment voor de jaren 2012 tot heden alle afrekeningen zelf opgesteld en conform deze opstelling aan [vrouw] betaald, alles aldus [eiser ] .

[gedaagde] heeft hiertegenover gesteld dat hij vanaf eind 2006 contact heeft gehad met [vrouw] en dat deze hem vanaf 2009 heeft verzocht om loonwerk voor de teelt van mais en andere werkzaamheden in en om het huis voor haar te verrichten. [vrouw] heeft hem op enig moment het onderhavige perceel te koop aangeboden. Dat was een hoop geld en had grote gevolgen. [vrouw] heeft vervolgens voorgesteld het onderhavige perceel te pachten, aldus [gedaagde] .

4.8

[gedaagde] heeft gesteld dat hij hierover vervolgens overleg heeft gevoerd met een van de specialisten van Flynth. Een deugdelijk onderbouwing van zijn stelling op dit punt ontbreekt echter. Tijdens de comparitie heeft [gedaagde] ter zake toegelicht dat hij telefonisch met een voormalig medewerker van Flynth, de heer [naam 8] , over een pachtovereenkomst heeft gesproken. [naam 8] was destijds agrarisch makelaar en werkte voor zichzelf. [gedaagde] heeft aangevoerd dat [naam 8] tegen hem zei dat hij er geen geld aan wilde verdienen en dat partijen het contract net zo goed zelf konden maken. [gedaagde] heeft erkend dat hij vervolgens zelf een voorbeeld voor een pachtcontract van internet heeft gehaald en dat dit exemplaar na invulling destijds door [vrouw] en hem is ondertekend.

In dit kader is verder van belang dat uit de diverse verklaringen blijkt dat [vrouw] opkeek tegen grote boeren, zoals [gedaagde] . [vrouw] had zelf geen verstand van dit soort zaken en zij nam alles wat [gedaagde] , als grote boer met politieke ervaring en aanzien, haar voorhield voor waar aan. [gedaagde] had daar in de omstandigheden van het geval nadrukkelijk rekening mee moeten houden. [gedaagde] heeft dit echter niet gedaan. Uit het voorgaande blijkt immers dat de inhoud van de pachtovereenkomst voorafgaand aan het opstellen en het ondertekenen daarvan niet door derden is getoetst. De pachtkamer is van oordeel dat [gedaagde] , door aldus te handelen, het tot stand komen van de reguliere pachtovereenkomst zelf heeft bevorderd, zoals hiervoor bedoeld. Daarmee staat het causaal verband vast.

4.9

Vervolgens dient te worden beoordeeld of sprake is van kenbaarheid, in die zin dat [gedaagde] had moeten weten of moeten begrijpen dat [vrouw] door de bijzondere omstandigheden tot het sluiten van de reguliere pachtovereenkomst werd bewogen. Bovendien dient nog te worden beoordeeld of sprake is van misbruik, in die zin dat hetgeen [gedaagde] wist of had moeten begrijpen hem van het bevorderen van het sluiten van de reguliere pachtovereenkomst had behoren te weerhouden.

4.10

De pachtkamer is van oordeel dat het vermoeden van kenbaarheid en misbruik bestaat. Redengevend daarvoor is het volgende.

[gedaagde] heeft aangegeven dat hij vanaf 2009 werkzaamheden in en om het huis van [vrouw] deed. In die omstandigheden moet hem voor hem kenbaar zijn geweest dat zij in de loop van de tijd meer moeite kreeg om haar belangen zelfstandig te overzien en nog zelfstandig naar behoren te behartigen. Hij had ten tijde van het voorstel voor de pachtovereenkomst in 2013 daar rekening mee kunnen en moeten houden. [gedaagde] heeft aangevoerd dat in het gesprek met [naam 8] destijds aan hem is uitgelegd dat het aangaan van een pachtovereenkomst ertoe zou leiden dat [vrouw] haar landbouwbedrijf fiscaal zou beëindigen. Dat wilde [vrouw] niet, want zij wilde in de eerste plaats boer blijven, aldus [gedaagde] . Met die wetenschap had het op de weg van [gedaagde] gelegen om bij gebrek aan verder overleg met adviseurs van [vrouw] af te zien van het sluiten van een pachtovereenkomst. Dit klemt eens te meer omdat [gedaagde] bij het sluiten van een reguliere pachtovereenkomst direct een aanzienlijk voordeel zou genieten, doordat daarmee de verkoopwaarde van het perceel aanzienlijk zou dalen. Een dergelijke waardevermindering zou gerechtvaardigd kunnen zijn indien het perceel al jarenlang in gebruik was bij [gedaagde] , maar daarvan was geen sprake. Bovendien is gebleken dat [gedaagde] van aanvang af niet voornemens was de pachtprijs te betalen en dat ook daadwerkelijk niet heeft gedaan. Hij heeft enkel betaald op basis van door hemzelf opgestelde afrekeningen en uit niets blijkt dat die wijze van betaling en/of de opgestelde afrekeningen op enig moment met een accountant en/of adviseur van [vrouw] is besproken.

[gedaagde] was bekend met de vergeetachtigheid en geestelijke verwarring bij [vrouw] . Hij was zich ervan bewust, althans had dat moeten en kunnen zijn, dat [vrouw] zich afhankelijk van hem voelde ten aanzien van haar bedrijfsvoering en de exploitatie van het perceel. Dit had hem ervan moeten weerhouden om zonder ruggenspraak met haar accountant en/of financieel adviseur een pachtovereenkomst met haar aan te gaan. Nu hij de totstandkoming van de pachtovereenkomst desondanks actief heeft bewerkstelligd, heeft hij gehandeld in strijd met hetgeen van hem mocht worden verwacht. Door [gedaagde] zijn geen aanvullende feiten of omstandigheden aangevoerd die zijn handelswijze op dit punt zouden kunnen doen rechtvaardigen.

4.11

Het voorgaande betekent dat de pachtkamer tot het oordeel komt dat sprake is van misbruik van omstandigheden, zoals primair door [eiser ] gesteld. Hetgeen [gedaagde] is zijn verweer heeft gesteld is onvoldoende onderbouwd om van dit oordeel af te wijken.

Het beroep op vernietiging - in de dagvaarding door [eiser ] gedaan namens [vrouw] - van de tussen [vrouw] en [gedaagde] gesloten pachtovereenkomst wordt daarom aanvaard.

4.12

In lid 1 van artikel 3:53 BW is bepaald dat de vernietiging terugwerkt tot het tijdstip waarop de rechtshandeling is verricht. De aard van de overeenkomst maakt echter dat de reeds ingetreden gevolgen van de rechtshandeling bezwaarlijk ongedaan kunnen worden gemaakt. Lid 2 van voormeld artikel biedt in dat geval aan de rechter desgevraagd de mogelijkheid aan een vernietiging geheel of ten dele haar werking te ontzeggen. Begrepen wordt dat [eiser ] met de overige vorderingen de gedeelte vernietiging heeft beoogd. De vorderingen 3.1 b, c, d en e komen in die omstandigheden niet ongegrond of onrechtmatig voor en zullen worden toegewezen, behoudens het navolgende.

De gevorderde machtiging om zelf te ontruimen zal worden afgewezen.
Uit artikel 556 lid 1 Rv volgt dat een eisende partij de ontruiming van onroerende zaken niet zelf ter hand mag nemen en dat gedwongen ontruiming het exclusieve terrein is van de deurwaarder. Op grond van de parlementaire geschiedenis van artikel 3:297 BW heeft de eisende partij voldoende aan een ontruimingsvonnis om de deurwaarder te mogen inschakelen indien de gedaagde partij niet vrijwillig tot ontruiming overgaat. [eiser ] heeft dus geen rechterlijke machtiging nodig om de hulp van deurwaarder in te schakelen.

Aan de gevorderde dwangsom zal overigens een maximum worden gesteld van € 25.000,00.

4.13

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Voor zover [eiser ] in dit verband pre processuele kosten heeft gevorderd, wordt die vordering afgewezen, nu elke onderbouwing en specificatie van dergelijke kosten ontbreekt.

5 De beslissing

De pachtkamer:

5.1

vernietigt de op 20 augustus 2013 tussen [vrouw] en [gedaagde] gesloten pachtovereenkomst met betrekking tot het perceel cultuurgrond, kadastraal bekend gemeente [kadastrale gegevens] , groot 07.16.00 ha;

5.2

veroordeelt [gedaagde] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis, het perceel met al het zijne en de zijnen te ontruimen en ontruimd te houden, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat [gedaagde] nalatig blijft in de uitvoering van het vonnis, tot een maximum van € 25.000,00;

5.3

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser ] te betalen de achterstallige vergoeding over het teeltjaar 2016, welk bedrag door [gedaagde] nog is op te maken middels een gespecificeerde rekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, te rekenen vanaf 1 november 2016, tot aan de dag der algehele voldoening;

5.4

veroordeelt [gedaagde] in de toekomstige en mogelijk door [gedaagde] te betalen boetes, schades enz., voortvloeiende uit en als gevolg van de onjuiste opgave van bedrijfsgegevens in de zog. Gecombineerde Opgave bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO);

5.5

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, aan de zijde van [eiser ] tot op heden vastgesteld op:

€ 99,21 aan explootkosten;

€ 78,00 aan griffierecht;

€ 375,00 aan salaris gemachtigde;

5.6

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de pachtkamer van de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, samengesteld uit mr. M.C.J. Heessels, kantonrechter-voorzitter, de heren P.A.T. Hettinga en C.C.H.M. de Maes Janssens, leden, en door mr. M.C.J. Heessels in het openbaar uitgesproken op woensdag 15 november 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.