Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:5990

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
21-11-2017
Zaaknummer
05/800025-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor onder meer belaging – TBS met dwangverpleging – gemaximeerd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/800025-17

Datum uitspraak : 21 november 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven op de [adres 1] ,

thans gedetineerd te Vught PPC te Vught

raadsvrouw: mr. W. Oosterbaan-van Veen, advocaat te Ede.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

11 mei 2017, 8 augustus 2017, 30 oktober 2017 en 7 november 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 december 2015 tot en met 30 juni 2016 te Wageningen en/of Bennekom, althans in Nederland (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden

en/of vrees aan te jagen door

- zich veelvuldig op te houden in de (onmiddellijke) nabijheid van het huis en/of het kantoorpand van die [slachtoffer 1] en/of

- eenmaal of meerdere malen te bonken/slaan op het raam van het kantoorpand van die [slachtoffer 1] en/of

- uit naam van [slachtoffer 2] (echtgenoot van [slachtoffer 1] ), een of meerdere e-mailberichten te sturen naar een groot aantal e-mailadressen en/of

- die [slachtoffer 1] veelvuldig te bellen en/of te smsen en/of e-mailberichten te sturen;

2.

hij op of omstreeks 19 april 2016 te Wageningen, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander, te weten de naam van die ander, [slachtoffer 3] , heeft gebruikt door een e-mailbericht vanuit het emailadres [e-mailadres 1] en met de afzender [slachtoffer 3] te verzenden naar vele ontvangers (waaronder de werkgever (zijnde [naam 1]

) en voormalig werkgever van die [slachtoffer 3] ) met het oogmerk zijn identiteit te verhelen en/of de identiteit van de ander te verhelen en/of te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan;

3.

hij op of omstreeks 12 mei 2016 te Wageningen, althans in Nederland opzettelijk [slachtoffer 4] in het openbaar bij geschrift heeft beledigd door een sms te versturen naar genoemde [slachtoffer 4] en/of naar de wijkagent [naam 2] en/of een of meerdere andere ontvangers met de tekst:

''?CC4U: Gemeente Wageningen Bijstand Werk: Dag [slachtoffer 4] , klopt het dat Natzionale autoriteiten een gele ster 8ter gaan plakken bij mensen die een andere kijk op de maatschappij hebben dan de CAO ambtenaar cq cao werker? Of eh, war das ein roten vlag? Fijne dag, dag, [verdachte] [e-mailadres 2] ?.',

althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

4.

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 mei 2015 tot en met 28 juni 2017 te Wageningen en/of [plaatsnaam] (Duitsland), althans in Nederland (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 5] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 5] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen door

- die [slachtoffer 5] veelvuldig e-mailberichten en/of poststukken te sturen en/of

- de ouders van die [slachtoffer 5] veelvuldig te benaderen door hen te e-mailen en/of uitgeprinte

e-mails te bezorgen en/of

- veelvuldig e-mailberichten en/of poststukken te versturen naar het werkadres van genoemde [slachtoffer 5] en/of

- genoemde [slachtoffer 5] een of meerdere boekingsbevestiging(en) van een busreis naar [plaatsnaam] (de woonplaats van genoemde [slachtoffer 5] ) te sturen;

5.

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 16 januari 2017 te Wageningen, althans in Nederland (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 6] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 6] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen,niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen door veelvuldig

emailberichten te sturen naar genoemde [slachtoffer 6] (telkens onder een ander verzendadres);

6.

primair:

hij op of omstreeks 12 september 2016 te Wageningen, althans in Nederland, opzettelijk de eer en/of goede naam van [slachtoffer 7] (burgemeester van Wageningen) heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en/of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld of

aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door in een sms-bericht te suggereren dat voornoemde [slachtoffer 7] onvruchtbaar is en/of in zijn jeugd is misbruikt, althans te maken heeft gehad met katholiek jeugd misbruik;

subsidiair:

hij op of omstreeks 12 september 2016 te Wageningen, althans in Nederland, opzettelijk het openbaar gezag, burgemeester [slachtoffer 7] , in het openbaar, bij geschrift heeft beledigd door een sms te sturen naar wijkagent [naam 2] en/of [slachtoffer 4] en/of een of meer anderen met de tekst:

"CC4U = > Gem Wageningen: Dag [slachtoffer 4] , ken je [naam 3] uit Nijmegen? Dit

is een ex van de burgemeester [slachtoffer 7] hoorde ik zonet in het Nijmeegse. Verder schijnt ie, net als mijn ouder huisarts [naam 4] onvruchtbaar te zijn. Het is hier net als in Wag een dorpscultuur. Daar kunnen de Story en Prive nog een puntje aan zuigen. Heb ook iets over katholiek jeugd misbruik van [slachtoffer 7] gehoord. Is dat erg? Groeten uit Nijmegen, [verdachte] ."

althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking en welk bericht genoemde [slachtoffer 7] heeft bereikt;

7.

hij op of omstreeks 2 februari 2017 te Wageningen opzettelijk [slachtoffer 8] in haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd door haar de woorden toe te voegen: 'ik vind dat jullie allemaal nazi's zijn' en/of 'ook die daar is een nazi', althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 primair en 7 ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich veelvuldig heeft opgehouden in de onmiddellijke nabijheid van de woning en/of het kantoorpand van [slachtoffer 1] . Daarnaast kan niet bewezen worden verklaard dat verdachte op het raam van het kantoorpand van [slachtoffer 1] heeft gebonkt, dan wel geslagen. Tevens levert het versturen van e-mailberichten uit naam van [slachtoffer 2] geen belaging ten aanzien van [slachtoffer 2] op. Volgens de verdediging dient verdachte hiervan vrijgesproken te worden.

Met betrekking tot feit 2 heeft de verdediging verzocht verdachte vrij spreken wegens het ontbreken van voldoende bewijs. Daarnaast blijkt nergens uit dat voor [slachtoffer 3] enig nadeel is of kon ontstaan als vereist in artikel 231b van het Wetboek van Strafrecht. Er is ook geen sprake van reputatieschade, nu verdachte onder de tekst van het e-mailbericht duidelijk heeft vermeld dat hij de auteur is.

Ook ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging verzocht verdachte vrij te spreken. De tekst gaat over Nederlandse autoriteiten die discrimineren en ziet niet op [slachtoffer 4] . Daarmee is het niet beledigend voor [slachtoffer 4] .

Met betrekking tot feit 5 heeft de verdediging aangevoerd dat het enkel ontvangen van een aantal algemene, dus niet persoonlijke e-mailberichten, misschien als spam kan worden aangemerkt, maar niet als belaging in de zin van artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 6 heeft de verdediging verzocht verdachte vrij te spreken van smaad. Verdachte heeft het sms-bericht naar een zeer beperkte kring van personen gestuurd. Daardoor kan niet gesproken worden van ‘ruchtbaarheid geven aan’. Van belediging is evenmin sprake, omdat verdachte zijn tekst niet openbaar heeft gemaakt.

Ook met betrekking tot feit 7 heeft de verdediging verzocht verdachte vrij te spreken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Volgens de verdediging komt enkel het woord ‘nazi’ overeen in de verklaringen van [slachtoffer 8] en [naam 5] .

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

In 2015 is door aangeefster [slachtoffer 1] een belagingsbrief tegen verdachte opgesteld. Deze brief is door de wijkagent op 11 september 2015 aan verdachte uitgereikt.2

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft het volgende verklaard. Zij heeft gezien dat verdachte na het uitreiken van de belagingsbrief drie keer langs haar kantoor te Wageningen is gelopen. Na de paasdagen in april 2016 heeft [slachtoffer 1] een brief in de brievenbus van haar kantoor aangetroffen die afkomstig was van verdachte. Daarnaast heeft [slachtoffer 1] meerdere malen sms-berichten en e-mailberichten van verdachte ontvangen, ook op het e-mailadres van haar kantoor.3 Op 3 juni 2017 heeft ze een faxbericht van verdachte ontvangen.4

Bij de stukken zitten kopieën van de hiervoor genoemde brief, op meerdere plaatsen ondertekend door verdachte, en een faxbericht.5 Bij de stukken zitten voorts diverse schermafdrukken met daarop de door [slachtoffer 1] ontvangen sms-berichten. Deze sms-berichten worden allen afgesloten met de naam ‘ [verdachte] ’.6 Daarnaast zitten bij de stukken diverse kopieën van de door [slachtoffer 1] ontvangen e-mailberichten. Deze e-mailberichten worden allen afgesloten met de naam ‘ [verdachte] ’.7

Getuige [slachtoffer 2] (echtgenoot van [slachtoffer 1] ) heeft verklaard dat [slachtoffer 1] op 26 april 2016 een e-mailbericht op het e-mailadres van haar kantoor heeft ontvangen met als afzender de naam van [slachtoffer 2] .8 Bij de stukken zit een kopie van dit e-mailbericht, waarin als afzender is genoemd ‘ [slachtoffer 2] ’. Dit e-mailbericht is afgesloten met de naam ‘ [verdachte] ’.9

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in de ten laste gelegde periode veel sms-berichten en e-mailberichten naar [slachtoffer 1] heeft gestuurd en dat hij altijd zijn naam onder deze berichten heeft gezet. Verdachte heeft deze berichten vanaf verschillende telefoonnummers en e-mailadressen verstuurd. Ook heeft verdachte verklaard dat hij de brief in het dossier (op p. 211 e.v.) in de brievenbus van het kantoor van [slachtoffer 1] heeft gestopt en dat hij vanaf een fictief e-mailadres op naam van [slachtoffer 2] e-mailberichten heeft verzonden naar [slachtoffer 1] . Verdachte maakte gebruik van een fictief e-mailadres zodat de geadresseerden niet meteen zagen dat het e-mailbericht van hem afkomstig was.10

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit voormelde bewijsmiddelen dat verdachte op stelselmatige wijze heeft getracht in contact te komen met aangeefster [slachtoffer 1] . De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte als wederrechtelijk is aan te merken. Door het uitreiken van de belagingsbrief op 11 september 2015 wist verdachte dat aangeefster geen contact meer met hem wilde. Desondanks is verdachte doorgegaan met het verzenden van sms-berichten, e-mailberichten, een brief en een faxbericht. Hij gebruikte hiervoor verschillende telefoonnummers en (fictieve) e-mailadressen. Door het handelen van verdachte is aldus met het daarvoor vereiste opzet inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] . De rechtbank is voorts van oordeel dat de handelingen van verdachte plaatsvonden met het oogmerk aangeefster te dwingen te dulden dat stelselmatig contact met haar werd gezocht. Uit het handelen van verdachte kan worden afgeleid dat aangeefster geen keus werd gelaten in het al dan niet aanvaarden van contact. Op grond van genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 ten laste gelegde belaging van [slachtoffer 1] .

De rechtbank acht niet bewezen dat inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2] . Er bevinden zich geen bewijsmiddelen in het dossier waaruit dit kan volgen. [slachtoffer 2] heeft op 30 maart 2016 weliswaar twee sms-berichten ontvangen van verdachte, maar in de tenlastelegging wordt [slachtoffer 2] niet als geadresseerde van sms berichten genoemd. De uit naam van [slachtoffer 2] gestuurde e-mailberichten naar zijn echtgenote schaart de rechtbank, zoals gezegd, onder de belaging van [slachtoffer 1] .

Daarnaast acht de rechtbank niet voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig voor het zich veelvuldig ophouden in de nabijheid van de woning en/of het kantoor van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte drie keer langs haar kantoor is gelopen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet voldoende om van ‘veelvuldig’ te kunnen spreken. Ook acht de rechtbank niet voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig voor het op het raam van het kantoor bonken en/of slaan. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte op het raam getikt heeft. De wijze waarop dit is ten laste gelegd, namelijk “bonken/slaan”, maakt dat hiervoor geen bewezenverklaring kan volgen. Verdachte dient dan ook van deze onderdelen in de tenlastelegging vrijgesproken te worden.

Ten aanzien van feit 2

Aangeefster [slachtoffer 3] heeft verklaard dat op 19 april 2016 een e-mailbericht naar meerdere geadresseerden is verstuurd met haar naam bij de afzender en vanaf het e-mailadres ‘ [e-mailadres 1] ’. [slachtoffer 3] werkte voorheen bij Stichting [naam 1] . Tussen de geadresseerden stonden onder meer de huidige werkgever van [slachtoffer 3] en diverse organisaties die net als [slachtoffer 3] met vluchtelingen werken. [slachtoffer 3] heeft het als schadelijk ervaren dat verdachte haar naam bij allerlei organisaties in diskrediet brengt.11

Bij de stukken zit een kopie van het e-mailbericht. Dit e-mailbericht is afkomstig van het e-mailadres ‘ [e-mailadres 1] ’ en achter ‘van:’ staat de naam ‘ [slachtoffer 3] ’.12

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij gebruik heeft gemaakt van voormeld e-mailadres en een e-mailbericht heeft verstuurd naar meerdere geadresseerden.13

De rechtbank is van oordeel dat verdachte niet alleen aangeefsters naam heeft gebruikt als ‘afzender’ van zijn e-mailbericht maar ook de vorige werkgever van aangeefster ( [naam 1] ) in het e-mailadres. Het bericht is naar een groot aantal personen en instanties verstuurd, waaronder de huidige werkgever van aangeefster en organisaties die met vluchtelingen werken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte daarmee de identiteit van aangeefster misbruikt. De ontvangers van het e-mailbericht zullen immers bij het openen en lezen van het bericht denken dat het van aangeefster afkomstig is of dat aangeefster het bericht heeft doorgestuurd. Uit de verklaring van verdachte blijkt dat dit ook zijn bedoeling was; hij maakte gebruik van een andere afzender zodat de geadresseerden niet meteen zouden zien dat het bericht van hem afkomstig was.14

Nu de naam van aangeefster is gebruikt voor het mailen aan een groot aantal geadresseerden kon er voor aangeefster nadeel ontstaan in de vorm van aantasting van haar goede naam. De rechtbank acht het feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 3

Op 12 mei 2016 heeft aangever [slachtoffer 4] het volgende sms-bericht van verdachte ontvangen:

“?CC4U: Gemeente Wageningen Bijstand Werk: Dag [slachtoffer 4] , klopt het dat Natzionale autoriteiten een gele ster 8er gaan plakken bij mensen die een andere kijk op de maatschappij hebben dan de CAO ambtenaar cq cao werker? Of eh, war das ein roten vlag? Fijne dag, dag, [verdachte] [e-mailadres 2] ?.”

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet bewezen worden dat verdachte met voormeld sms-bericht de opzet heeft gehad om aangever te beledigen. Verdachte heeft in zijn sms-bericht een vraag gesteld over nationale autoriteiten. De rechtbank is van oordeel dat de bewoordingen in deze vraag niet op zichzelf beledigend zijn en ook geen belediging van [slachtoffer 4] opleveren. Gelet daarop dient verdachte te worden vrijgesproken van dit feit.

Ten aanzien van feit 4

Aangeefster [slachtoffer 5] heeft verklaard dat zij in de ten laste gelegde periode diverse e-mailberichten van verdachte heeft ontvangen.15 Deze e-mailberichten ontving [slachtoffer 5] op zowel haar privé- als werkmailadres.16 Voor het versturen van deze e-mailberichten heeft verdachte diverse (en soms fictieve) e-mailadressen gebruikt.17

Op 18 mei 2015 heeft [slachtoffer 5] aan verdachte een e-mailbericht gestuurd waarin zij te kennen geeft geen enkel contact met verdachte te willen. Ook heeft zij verdachte in dit e-mailbericht verzocht om geen contact met haar, haar ouders en haar werkplek op te nemen.18 Desondanks heeft [slachtoffer 5] hierna nog twaalf e-mailberichten van verdachte ontvangen.19 Daarnaast heeft zij na 18 mei 2015 op haar werk te [plaatsnaam] (Duitsland) meerdere poststukken ontvangen van verdachte20 en twee brieven van verdachte vanuit de gevangenis. Eén van deze brieven is op het woonadres van [slachtoffer 5] in [plaatsnaam] bezorgd. De rechtbank haalt hieruit bijvoorbeeld de volgende inhoud aan:

“(…) Wil ook graag seks met jou. En dat kan hier in de gevangenis. (…) Wil er zelfs voor betalen. (…) Dus als jij me dat kan bieden? Het liefst eens per week :-) Het zou een mooie start kunnen zijn voor een vaste relatie en mogelijk kinderen tzt. XXX [verdachte] .”21

In het e-mailbericht van 10 februari 2017 staat dat verdachte in [plaatsnaam] is en dat hij hoopt dat hij [slachtoffer 5] in de sauna zal tegenkomen.22 Als bijlage is meegestuurd een boekingsbevestiging van een busticket van Amsterdam naar [plaatsnaam] , gedateerd 9 februari 2017. In het poststuk van 13 februari 2017 schreef verdachte dat hij onderweg was naar [plaatsnaam] en ook daarbij is een factuur van een busticket gevoegd.23

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij meerdere e-mailberichten en poststukken aan [slachtoffer 5] heeft gestuurd. De poststukken heeft hij zelf in de brievenbus van het werk van [slachtoffer 5] in [plaatsnaam] gestopt. Ook heeft hij vanuit de gevangenis brieven naar [slachtoffer 5] gestuurd.24

Getuige [naam 6] , de vader van aangeefster, heeft verklaard dat hij en zijn vrouw in de ten laste gelegde periode meerdere e-mailberichten van verdachte hebben ontvangen. Deze e-mailberichten waren onder meer gericht aan hen persoonlijk, aan hun bedrijven, aan aangeefster en de werkgever van aangeefster. Zo schreef verdachte bijvoorbeeld dat hij aangeefster wilde zien en een relatie met haar wilde. Ook schreef hij dat hij in [plaatsnaam] was en hoopte dat hij aangeefster daar zou treffen. [naam 6] vond het problematisch dat hij zich niet kon beschermen tegen deze e-mailberichten omdat verdachte voortdurend nieuwe e-mailadressen aanmaakte.25

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit voormelde bewijsmiddelen dat verdachte op stelselmatige en intensieve wijze getracht heeft in contact te komen met aangeefster. Ondanks dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij niet wist dat aangeefster geen contact met hem wilde omdat zij dat nooit rechtstreeks tegen hem heeft gezegd, is de rechtbank van oordeel dat het handelen van verdachte als wederrechtelijk is aan te merken. Aangeefster heeft op 18 mei 2015 een e-mailbericht aan verdachte gestuurd waarin zij te kennen heeft gegeven geen enkel contact met verdachte te willen. De rechtbank stelt vast dat aangeefster het bericht heeft afgesloten met haar naam. Daarnaast heeft zij in het e-mailbericht vermeld dat het e-mailadres enkel is aangemaakt om dit bericht te verzenden. Naar het oordeel van de rechtbank was het verdachte in de ten laste gelegde periode dus bekend dat aangeefster geen direct of indirect contact met verdachte wilde. Zelfs na de aangifte van [slachtoffer 5] in juni 2016 en vanuit de gevangenis en het PBC is verdachte doorgegaan met zoeken van contact met aangeefster. Door deze aanhoudende (directe en indirecte) communicatie heeft verdachte met het daarvoor vereiste opzet stelselmatig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster en heeft hij haar gedwongen contact met hem te dulden. Op grond van genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging van aangeefster.

De rechtbank acht niet voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig voor het bezorgen van uitgeprinte e-mailberichten aan de ouders van aangeefster in de tenlastegelegde periode. Verdachte dient dan ook van dit onderdeel in de tenlastelegging vrijgesproken te worden.

Ten aanzien van feit 5

Met betrekking tot de ten laste gelegde periode (1 januari 2015 tot en met 16 januari 2017) bevinden zich in het dossier drie e-mailberichten van verdachte aan aangeefster: een e-mailbericht van 13 september 2016 (gericht aan [naam 7] ), een e-mailbericht van 22 november 2017 (gericht aan [naam 8] ) en een e-mailbericht van 16 januari 2017 (gericht aan [naam 9] ). Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet wettig en overtuigend worden bewezen dat sprake was van een zodanige duur, frequentie en intensiteit van gedragingen dat kan worden gesproken van een strafbaar stelselmatige inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer als bedoel in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht. Weliswaar bevinden zich in het dossier nog veertien e-mailberichten die door aangeefster zijn overhandigd, maar deze zijn echter in een Wordbestand aangeleverd waardoor de oorsprong, datering en geadresseerden van de e-mailberichten niet te achterhalen zijn. Gelet daarop dient verdachte te worden vrijgesproken van dit feit.

Ten aanzien van feit 6, primair

Aangever [slachtoffer 7] , burgemeester van Wageningen, heeft het volgende verklaard. Op een overleg met de politie van 12 september 2016 hoorde hij van een politieambtenaar dat er een sms-bericht was verzonden met de volgende inhoud:

"CC4U = > Gem Wageningen: Dag [slachtoffer 4] , ken je [naam 3] uit Nijmegen? Dit

is een ex van de burgemeester [slachtoffer 7] hoorde ik zonet in het Nijmeegse. Verder schijnt ie, net als mijn ouder huisarts [naam 4] onvruchtbaar te zijn. Het is hier net als in Wag een dorpscultuur. Daar kunnen de Story en Prive nog een puntje aan zuigen. Heb ook iets over katholiek jeugd misbruik van [slachtoffer 7] gehoord. Is dat erg? Groeten uit Nijmegen, [verdachte] ."

Dit bericht heeft [slachtoffer 7] gekwetst. [slachtoffer 7] heeft gehoord dat ook wijkagent [naam 2] het sms-bericht heeft ontvangen.26

Getuige [slachtoffer 4] , werkzaam bij gemeente Wageningen, heeft verklaard dat hij op 12 september 2016 voormeld sms-bericht heeft ontvangen.27 Bij de stukken zit een schermafdruk van het sms-bericht.28

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij voormeld sms-bericht heeft verspreid bij een stuk of vijf personen van verschillende afdelingen van de gemeente Wageningen en de politie. Hij heeft dit gedaan omdat deze personen moesten weten dat de burgemeester van Wageningen chantabel zou zijn.29

Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank als volgt. Verdachte heeft naar diverse personen met een publieke functie een sms-bericht verzonden waarin hij verdachtmakingen heeft geuit over burgemeester [slachtoffer 7] , een persoon met een openbare functie. Verdachte heeft met deze gedraging de eer en goede naam van [slachtoffer 7] aangetast. Uit de verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd volgt dat verdachte er ruchtbaarheid aan wilde geven, immers heeft verdachte verklaard dat het zijn bedoeling was om de inhoud van het sms-bericht ter kennis van anderen te brengen. De rechtbank acht het feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 7

Aangeefster [slachtoffer 8] heeft verklaard dat zij op 2 februari 2017 verdachte zag binnenkomen op haar werk. Op dat moment was de hal van gemeente vol met bezoekers. [slachtoffer 8] zag en hoorde dat verdachte boos in gesprek was met een collega. Op enig moment hoorde [slachtoffer 8] dat verdachte riep: “(…) ik vind dat jullie allemaal nazi’s zijn”. [slachtoffer 8] zag dat verdachte in haar richting keek en riep: “Ook die daar achter is een nazi”. [slachtoffer 8] voelt zich hierdoor beledigd.30

Getuige [naam 5] heeft verklaard dat hij op 2 februari 2016 geschreeuw vanuit de gemeentehal hoorde. [naam 5] zag en hoorde dat verdachte tegen [slachtoffer 8] riep: “Je bent een nazi, je behoort bij de nazi’s”. [naam 5] zag dat verdachte hierbij met zijn vinger naar [slachtoffer 8] wees.31

Op grond van het vorengaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 8] heeft beledigd door tegen haar te roepen “'ik vind dat jullie allemaal nazi’s zijn” en/of “ook die daar is een nazi”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 4, 6 primair en 7 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 december 2015 tot en met 30 juni 2016 te Wageningen en/of Bennekom, althans in Nederland (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden

en/of vrees aan te jagen door

- zich veelvuldig op te houden in de (onmiddellijke) nabijheid van het huis en/of het kantoorpand van die [slachtoffer 1] en/of

- eenmaal of meerdere malen te bonken/slaan op het raam van het kantoorpand van die [slachtoffer 1] en/of

- uit naam van [slachtoffer 2] (echtgenoot van [slachtoffer 1] ), een of meerdere e-mailberichten te sturen naar een groot aantal e-mailadressen en/of

- die [slachtoffer 1] veelvuldig te bellen en/of te sms’en en/of e-mailberichten te sturen;

2.

hij op of omstreeks 19 april 2016 te Wageningen, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander, te weten de naam van die ander, [slachtoffer 3] , heeft gebruikt door een e-mailbericht vanuit het emailadres [e-mailadres 1] en met de afzender [slachtoffer 3] te verzenden naar vele ontvangers (waaronder de werkgever (zijnde [naam 1]

) en voormalig werkgever van die [slachtoffer 3] ) met het oogmerk zijn identiteit te verhelen en/of de identiteit van de ander te verhelen en/of te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan;

4.

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 mei 2015 tot en met 28 juni 2017 te Wageningen en/of [plaatsnaam] (Duitsland), althans in Nederland (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 5] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 5] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen door

- die [slachtoffer 5] veelvuldig e-mailberichten en/of poststukken te sturen en/of

- de ouders van die [slachtoffer 5] veelvuldig te benaderen door hen te e-mailen en/of uitgeprinte

e-mails te bezorgen en/of

- veelvuldig e-mailberichten en/of poststukken te versturen naar het werkadres van genoemde [slachtoffer 5] en/of

- genoemde [slachtoffer 5] een of meerdere boekingsbevestiging(en) van een busreis naar [plaatsnaam] (de woonplaats van genoemde [slachtoffer 5] ) te sturen;

6.

primair:

hij op of omstreeks 12 september 2016 te Wageningen, althans in Nederland, opzettelijk de eer en/of goede naam van [slachtoffer 7] (burgemeester van Wageningen) heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en/of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld of

aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door in een sms-bericht te suggereren dat voornoemde [slachtoffer 7] onvruchtbaar is en/of in zijn jeugd is misbruikt, althans te maken heeft gehad met katholiek jeugd misbruik;

7.

hij op of omstreeks 2 februari 2017 te Wageningen opzettelijk [slachtoffer 8] in haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd door haar de woorden toe te voegen: 'ik vind dat jullie allemaal nazi's zijn' en/of 'ook die daar is een nazi', althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van de feiten 1 en 4 telkens:

‘belaging’

Ten aanzien van feit 2:

‘opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en de identiteit van en ander te misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan’

Ten aanzien van feit 6 primair:

‘smaadschrift’

Ten aanzien van feit 7:

‘eenvoudige belediging’

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder feit 1 en feit 4 ten laste gelegde feiten niet aan verdachte kunnen worden toegerekend.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de hiervoor bewezenverklaarde feiten als volgt.

De rechtbank heeft kennis genomen van het Pro Justitia rapportage van 14 september 2017, opgemaakt door [naam 10] , psychiater, en [naam 11] , psycholoog. Geadviseerd wordt om verdachte de ten laste gelegde feiten verminderd toe te rekenen, nu in de gehele periode waarin de ten laste gelegde feiten plaatsvonden sprake was van psychotische problematiek. De rechtbank verenigt zich met deze conclusie en maakt die tot de hare.

De rechtbank is derhalve van oordeel, dat alle hiervoor bewezen verklaarde feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend, zij het in verminderde mate. Verdachte is aldus strafbaar.

7 Overwegingen ten aanzien van maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat aan verdachte zal worden opgelegd de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot dwangverpleging. De officier van justitie heeft geëist dat deze maatregel ongemaximeerd wordt opgelegd ter bescherming van de veiligheid van personen en de maatschappij, onder verwijzing naar de arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 juli 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:6232) en de Hoge Raad van 11 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:646).

Daarnaast heeft de officier van justitie geëist dat aan verdachte een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid van verdachte wordt opgelegd, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 5] en de ouders van [slachtoffer 5] , en met de aan voormelde personen gelieerde bedrijven. Tevens heeft de officier van justitie (ook in het kader van genoemde maatregel) een contactverbod met [slachtoffer 6] en [slachtoffer 3] geëist. Ook heeft de officier van justitie geëist dat aan verdachte een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid van verdachte wordt opgelegd, inhoudende een locatieverbod voor de [adres 2] , [adres 3] en de [adres 4] . Tot slot heeft de officier van justitie geëist dat aan verdachte (eveneens in het kader van dezelfde maatregel) een verbod wordt opgelegd om één e-mail aan meer dan 10 e-mailadressen te verzenden; ook dient verdachte een verbod te worden opgelegd om meer dan één keer per maand een e-mail met dezelfde inhoud te verzenden.

De officier van justitie heeft verzocht deze maatregelen voor een periode van 5 jaren op te leggen en vervangende hechtenis toe te passen voor de duur van telkens 2 weken in het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. Ook dienen de maatregelen dadelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaard te worden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om aan verdachte niet de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. Volgens de verdediging wordt niet voldaan aan het gevaarscriterium.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 16 oktober 2017 en de Pro Justitia rapportage van 14 september 2017, opgemaakt door [naam 10] , psychiater, en [naam 11] , psycholoog.

De rechtbank heeft bij de afdoeningsbeslissing in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een reeks delicten, waaronder belaging van meerdere personen, het gebruikmaken van andermans identificerende persoonsgegevens, smaadschrift en een belediging. Dit zijn ernstige feiten.

Uit de aangiftes van [slachtoffer 3] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] blijkt dat de aangevers zich gekwetst voelden door de uitlatingen van verdachte aan en over hen. Het is voor hen bijzonder vervelend dat verdachte hun goede naam bij anderen in diskrediet brengt.

De belaging heeft verdachte gepleegd ten aanzien van een vrouw aan wie hij ooit bijles gaf en ten aanzien van een advocaat. Verdachte heeft gedurende een lange periode veelvuldig contact met hen gezocht, terwijl hij wist dat zij hier niet van gediend waren. Hij heeft hen veelvuldig e-mails en sms-berichten gestuurd. Ook is hij naar het werkadres van [slachtoffer 5] in [plaatsnaam] (D) gegaan om daar poststukken af te leveren. Dat verdachte zo obsessief gericht is op contact met aangeefster dat hij er zelfs voor naar Duitsland reist, heeft de onveiligheidsgevoelens van [slachtoffer 5] zeer versterkt. Zelfs toen verdachte in detentie zat, bleef hij brieven sturen.

Verdachte heeft hierdoor in ernstige mate inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefsters. Door zijn handelen heeft verdachte gevoelens van onrust, angst en overlast bij hen veroorzaakt. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten nog lange tijd psychische en emotionele gevolgen daarvan kunnen ondervinden. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij met zijn handelen volkomen voorbijgegaan is aan de gevoelens en wensen van aangeefsters en slechts oog heeft gehad voor zijn eigen belangen.

Uit de hiervoor genoemde Pro Justitia rapportage blijkt zakelijk weergegeven het volgende.

Bij verdachte is sprake van psychotische problematiek. Er is sprake van een psychose die gekleurd wordt door een breed scala aan waanideeën welke overlap vinden in het idee stelselmatig benadeeld te worden. Verdachtes gedrag wordt gedreven door zijn waanachtige overtuigingen. Verdachte is slechts kortdurend en zeer beperkt vatbaar voor enige bijsturing. Verdachte stelt zich hautain en dominant op en ziet zijn gedachtes en gedrag als het enige juiste. Zelfkritiek ontbreekt, evenals ziektebesef. Daarnaast is sprake van formele denkstoornissen. Verdachtes denken kan op momenten als incoherent worden beschreven. Verdachte blijkt gepreoccupeerd te zijn met thema’s als seksualiteit, vrouwen en relaties. Bij verdachte is daarnaast sprake van grootheidsgedachtes. Verdachtes denken is versneld, hij toont gedragsontremming en er is sprake van decorumverlies, hetgeen geduid kan worden als maniforme kenmerken. Concluderend wordt gesteld dat het huidige toestandsbeeld van verdachte voortkomt vanuit een schizoaffectieve stoornis van het bipolaire type. Deze ziekelijke stoornis heeft de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte beïnvloed ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Verdachte is er vanuit zijn psychose van overtuigd een klokkenluidersfunctie te vervullen en dat hij daarom zijn ideeën niet voor zichzelf mag houden, maar moet verspreiden. Verdachte vindt de visie van anderen en hun persoonlijke integriteit hieraan ondergeschikt. Ten aanzien van de belaging van [slachtoffer 5] valt verdachte in de categorie “stalker met intimiteitswanen”. Verdachte is er nog steeds, vanuit zijn waanideeën, van overtuigd dat een relatie met [slachtoffer 5] mogelijk is en dat de romantische gevoelens die hij koestert en de gedeelde toekomst die hij nastreeft wederzijds zijn. Verdachte is in alle waanideeën oncorrigeerbaar. Zelfs binnen de observatieafdeling van het PBC vertoont verdachte het delictgedrag naar diverse leden van het onderzoeksteam.

Concluderend adviseren de deskundigen om verdachte de ten laste gelegde feiten verminderd toe te rekenen. Gelet op de ernst van het toestandsbeeld en de mate waarin verdachtes waanideeën zijn gehele handelen kleuren, kan gesteld worden dat er sprake was van een sterke invloed van de stoornis op het handelen van verdachte.

De kans dat verdachte over zal gaan tot gewelddadig gedrag is licht verhoogd. Verdachte is niet eerder fysiek gewelddadig ten opzichte van anderen geweest. Wel zoekt hij fysieke toenadering tot aangevers, met name aangeefster [slachtoffer 5] , en is sprake van een gebrekkige emotionele controle en van paranoïde ideevorming. Het risico dat verdachte zal volharden in belagingsgedrag wordt als zeer groot aangemerkt. Dit komt door de psychotische symptomen en de cognitieve vervormingen. Hij heeft ook gezegd niet te zullen stoppen met het sturen van berichten naar aangevers. Verdachte kan zich niet inleven in aangevers en empathie met hen ontbreekt. Hij heeft namelijk de stellige overtuiging in zijn recht te staan en heeft het idee iets belangrijks te melden te hebben en daarin serieus genomen te moeten worden. Verdachte heeft zelfs zijn gedrag binnen detentie voortgezet. De kans dat verdachte zelf psychosociale schade zal ondervinden ten gevolge van het belagingsgedrag is eveneens groot. Verdachte is er nog steeds van overtuigd met zijn belagingsgedrag effect te zullen bereiken.

Gelet op het voorgaande wordt het recidiverisico als zeer hoog ingeschat. Door de deskundigen wordt geadviseerd om aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot dwangverpleging op te leggen. Vanwege de aard en omvang van de vastgestelde problematiek wordt door de deskundigen ingeschat dat een langdurig behandel- en begeleidingstraject noodzakelijk is. De vastgestelde stoornis wordt bij verdachte gekenmerkt door meerdere hardnekkige waanideeën die al jarenlang lijken te bestaan en eerder onvoldoende hebben gereageerd op ingezette medicamenteuze behandelingen. Daarnaast is er sprake van ernstige maatschappelijke teloorgang en een gebrek aan adequate maatschappelijke inbedding door de stoornis. Ziektebesef en inzicht ontbreken volledig en verdachte heeft herhaaldelijk aangegeven in het geheel niet open te staan voor enige vorm van behandeling. Op basis van verdachtes gebrek aan ziekte inzicht en de ontbrekende bereidheid tot behandeling en zijn eerdere moeizaam verlopen behandeltrajecten, zien de deskundigen geen mogelijkheid om de behandeling van verdachte binnen een voorwaardelijk kader vorm te geven. Een artikel 37 Sr maatregel biedt volgens hen onvoldoende behandelmogelijkheden. Volgens de deskundigen is een langdurige en intensieve behandeling binnen een gedwongen kader vereist.

De rechtbank verenigt zich met de conclusies van de deskundigen en maakt die tot de hare.

Het opleggen van een TBS-maatregel met bevel tot dwangverpleging doet recht aan de complexiteit van verdachtes problematiek. Verdachte is reeds bekend met behandelingen die tot op heden niet geleid hebben tot vermindering van het recidivegevaar, met name omdat verdachte die behandelingen zelf onderbroken heeft. De rechtbank kan dan ook niet volstaan met een andere straf of maatregel waarbij behandeling als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd. De kans dat verdachte zich niet houdt aan die voorwaarde, acht de rechtbank te groot. De maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging is de enige mogelijkheid om de verdachte te behandelen, de maatschappij te beveiligen en het recidivegevaar zo veel mogelijk in te perken.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling noodzakelijk maakt. Een minder vergaand kader waarbinnen verdachte behandeld kan worden volstaat niet om het hoge recidiverisico in te dammen, gezien de aard van de gediagnosticeerde problematiek en de persoon van de verdachte.

In dit verband heeft de raadsvrouw gesteld dat het opleggen van een TBS-maatregel een buitenproportionele reactie zou zijn op de bewezenverklaarde feiten. Gezien het voorgaande ziet de rechtbank echter geen reëel alternatief en acht zij oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling passend en geboden, zodat het verweer van de verdediging wordt verworpen.

De rechtbank constateert dat is voldaan aan de formele voorwaarden om de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. Het bewezen verklaarde betreft immers een misdrijf als vermeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde feit betreft geen misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de maatregel wettelijk beperkt is tot een periode van maximaal vier jaar.

Alles overziende zal de rechtbank de verdachte ter beschikking stellen. Voorts zal de rechtbank bevelen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd, nu de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen zulks eist.

De door de officier van justitie geëiste vrijheidsbeperkende maatregelen zullen door de rechtbank niet worden opgelegd nu zij dit in het kader van de terbeschikkingstelling niet opportuun vindt.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 6] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 5 ten laste gelegde feit.

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, nu verdachte is vrijgesproken van het onder 5 ten laste gelegde. De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 37a, 37b, 57, 231b, 261, 266, 267 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] :

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 6] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.F. Gielissen (voorzitter), mr. C.H.M. Pastoors en mr. A. Zuil, rechters, in tegenwoordigheid van D. Waizy, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 november 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017085658, gesloten op 24 augustus 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van aangifte, p. 100.

3 Het proces-verbaal van aangifte, p. 101.

4 Een e-mail van aangeefster van 3 juni 2017, p. 239

5 Kopie epistel, p. 211 t/m 224 en kopie faxbericht, p. 240 t/m 245

6 Schermafdrukken sms-berichten, p. 107 t/m 119 in combinatie met overzicht van aangeefster, p. 105.

7 Kopieën e-mailberichten, p. 123 t/m 210.

8 Het proces-verbaal van aangifte, p. 49.

9 Kopie e-mailbericht, p. 52 t/m 57.

10 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 november 2017.

11 Het proces-verbaal van aangifte, p. 69.

12 Kopie e-mailbericht, p. 73 t/m 83.

13 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 500.

14 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 november 2017.

15 Het proces-verbaal van aangifte, p. 272.

16 Het proces-verbaal van aangifte, p. 273.

17 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 280 t/m 282.

18 Kopie e-mailbericht, p. 297.

19 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 280 t/m 282.

20 Het proces-verbaal van aangifte, p. 275.

21 Het proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer PL0600-2016030322-22 d.d. 25 juni 2017.

22 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 282 en kopie e-mailbericht op p.336.

23 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 282 en kopie poststuk op p. 308.

24 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 november 2017.

25 Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 358 en 359.

26 Het proces-verbaal van aangifte, p. 263.

27 Het proces-verbaal van aangifte, p. 267.

28 Schermafdruk sms-bericht, p. 269.

29 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 november 2017.

30 Het proces-verbaal van aangifte, p. 487.

31 Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 491.