Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:5989

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
21-11-2017
Zaaknummer
05/780163-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor moord op zwager, voorbedachte raad, hevige gemoedsopwelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0915
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/780163-16

Datum uitspraak : 21 november 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid te Arnhem,

raadsman: mr. A.H. Staring, advocaat te Arnhem, ondersteund door mr. M.A.Visser, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

10 januari 2017, 28 maart 2017, 13 juni 2017, 29 augustus 2017 en 7 november 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 september 2016 te Arnhem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen (pistool) een of meer kogels in het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] te schieten;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

subsidiair

hij op of omstreeks 27 september 2016 te Arnhem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen (pistool) een of meer kogels in het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] te schieten.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 27 september 2016 te Arnhem heeft er tussen verdachte en [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) een confrontatie plaatsgevonden. Daarbij heeft verdachte een vuurwapen op het slachtoffer gericht en heeft drie keer op hem geschoten. Deze kogels hebben het slachtoffer geraakt in zijn borst en hoofd. Als gevolg van de schoten door de borst is het slachtoffer ter plekke overleden.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord op het slachtoffer. Dat verdachte hierbij nauw en bewust met een ander heeft samengewerkt kan niet worden bewezen, verdachte dient daarom van dat deel te worden vrijgesproken.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld, kort samengevat, dat verdachte heeft gehandeld gedurende één onafgebroken verhevigde gemoedsbeweging die het kalm nadenken uitsluit. Deze gemoedsbeweging is ontstaan door strubbelingen in de relatie tussen verdachte en zijn toenmalige vriendin ( [naam 1] ). Dit heeft onder andere geleid tot een ruzie tussen verdachte en [naam 1] , waarbij verdachte haar een (meer dan zachte) tik heeft gegeven. [naam 1] heeft hierop haar familieleden, [naam 2] en het slachtoffer, ingeschakeld. Verdachte wist van de justitiële geschiedenis van deze familieleden en vreesde voor represailles. Deze vrees werd versterkt door de confrontatie met het slachtoffer bij station Velperpoort, waar het slachtoffer verdachte heeft bedreigd, met woorden en met een mes. Ook betrok het slachtoffer [naam 3] erbij, die ook justitiële documentatie heeft op het gebied van geweldsdelicten. Hierdoor kreeg verdachte nog meer het gevoel dat hij moest vrezen voor de drie familieleden van [naam 1] . Door deze vrees en bedreiging en door de aanhoudende problemen in de relatiesfeer is bij verdachte de verhevigde gemoedsbeweging ontstaan. Verdachte is met de intentie om met het slachtoffer te praten naar de [straatnaam 1] gegaan en heeft, ter eventuele verdediging van zichzelf, wat in de gegeven situatie heel aannemelijk is, zijn vuurwapen meegenomen. Ter plaatse heeft hij, in ettelijke seconden vanuit een impuls, het slachtoffer neergeschoten. Gelet hierop kan niet worden bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade, zodat hij daarvan vrijgesproken dient te worden. Verdachte dient eveneens te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde nauwe en bewuste samenwerking.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechteruiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om

daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.

(vgl. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963)

De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden, zoals die naar voren komen uit de na te noemen bewijsmiddelen.

Confrontatie bij Velperpoort

Naar aanleiding van een ruzie op 27 september 2016 tussen verdachte en zijn toenmalige vriendin [naam 1] (hierna: [naam 1] ) heeft [naam 1] haar broer [naam 2] gebeld. Hij heeft hierop rond 0.45 uur het slachtoffer ingeschakeld en gezegd dat hij naar [naam 1] moest gaan.3 Op het moment dat het slachtoffer, samen met getuige [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ), [naam 1] ontmoette, kwamen zij er achter dat [naam 1] haar sleutels miste. Verdachte zou de sleutels nog hebben. Het slachtoffer zocht hierop contact met verdachte en is vertrokken. [naam 1] zei daarbij nog tegen het slachtoffer dat hij niet moest gaan vechten en alleen de sleutels moest pakken en terug moest komen.4 Verdachte heeft vervolgens met het slachtoffer afgesproken bij station Velperpoort om hem de sleutels te overhandigen.5

[getuige 1] heeft verklaard dat hij met het slachtoffer naar dat station is gegaan, waar na even wachten ook verdachte aan kwam lopen. Na een discussie over het afgeven van de sleutels tussen verdachte en het slachtoffer vlogen ze elkaar aan. [getuige 1] probeerde tussenbeide te komen. Nadat ze elkaar loslieten, hoorde hij het slachtoffer zeggen: “geef mij de sleutels en ga weg”. Verdachte gooide de sleutels van zich af en het slachtoffer pakte deze op. Voor het slachtoffer was het hiermee klaar, maar verdachte wilde het slachtoffer niet met rust laten en kwam telkens achter hem aan en was heel uitdagend. Hij zei de hele tijd “kom dan, kom dan”. Verdachte vloog het slachtoffer toen weer aan. Ze waren toen weer aan het vechten en hij zag dat het slachtoffer verdachte op de grond sloeg. Het slachtoffer en [getuige 1] zeiden tegen verdachte dat hij weg/naar huis moest gaan en dat het klaar was. [getuige 1] heeft verdachte wel vijf tot tien meter weggetrokken bij het slachtoffer, en dat vijf of zes keer. Verdachte bleef maar richting het slachtoffer komen. Tijdens deze gebeurtenissen heeft [getuige 1] geen mes gezien. [getuige 1] had op deze momenten een witte pet op.6

Op onderdelen worden de verklaringen van [getuige 1] ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] .

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij wakker werd van geschreeuw, dat hij twee mensen zag vechten en dat er een derde persoon met een witte pet bij stond. Deze laatste probeerde de anderen uit elkaar te houden. De lange jongen (rechtbank: het slachtoffer) gaf [verdachte] (rechtbank: verdachte) een klap. Twee minuten later gingen ze weer op de vuist. Toen was het overduidelijk dat de lange jongen de overhand had. [verdachte] had geen schijn van kans. Die lange jongen zei constant tegen [verdachte] dat hij moest stoppen en probeerde telkens weg te lopen. [verdachte] bleef achter de lange jongen aan komen en riep daarbij: “kom vechten dan, kom nu vechten dan.” [verdachte] gaf toen de lange jongen een trap en getuige dacht dat de lange jongen zich wat uit het gevecht terugtrok. [verdachte] kwam telkens weer terug bij die langere jongen. Toen het gevecht was afgelopen, kwam de politie.7 Tegenover de rechter-commissaris heeft deze getuige desgevraagd gezegd niet de indruk te hebben gehad dat de lange man een wapen bij zich droeg.8

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij hoorde dat de kleine en de lange jongen elkaar de hele tijd aan het opfokken waren en dat toen de eerste klap werd uitgedeeld door de lange jongen. Hij denkt dat het twee, drie goede klappen waren. De lange jongen wilde toen weg lopen, alleen die kleine jongen kwam telkens terug omdat die wilde vechten. De jongen met de witte pet haalde ze dan weer uit elkaar. De lange jongen zei: “stop nou jongen, stop nou, anders sla ik je helemaal kapot. Doe het nou niet”. Maar de kleine jongen gaf niet op.9 Tegenover de rechter-commissaris heeft deze getuige desgevraagd gezegd geen wapen te hebben gezien tijdens het incident.10

Dat het slachtoffer en [getuige 1] herhaaldelijk tegen verdachte hebben gezegd dat hij weg moest gaan, blijkt ook uit de beschrijving van de videobeelden met audio van de confrontatie.11

De rechtbank stelt op grond van voornoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte en het slachtoffer met elkaar hebben gevochten en dat het slachtoffer daarbij een klap heeft uitgedeeld aan verdachte. De agressie kwam bij herhaling echter voornamelijk van verdachte. Terwijl het slachtoffer telkens te kennen gaf dat verdachte moest ophouden en moest weggaan, was het verdachte die de confrontatie bleef opzoeken. Het is dan ook niet aannemelijk dat verdachte bij de confrontatie zeer angstig zou zijn geweest.

Dat verdachte zich bedreigd zou hebben gevoeld, strookt niet met zijn handelingen op dat moment. Bovendien heeft verdachte de ter plaatse gekomen politieagenten niet om hulp gevraagd en niet gemeld dat hij zojuist zou zijn bedreigd met een mes.12 Wel heeft hij tegen de politie verklaard dat sprake was van een conflict maar dat was al uitgesproken en opgelost.13 Ook dit maakt onaannemelijk dat verdachte zich bedreigd zou hebben gevoeld.

Verdachte heeft wel verklaard dat het slachtoffer hem heeft bedreigd met de woorden “Je gaat zien. Je krijgt kogels in je lichaam, bullets, bullets of ik snij je open” en door het tonen van een mes.14 Deze verklaring van verdachte vindt echter geen bevestiging in de getuigenverklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] noch in (de beschrijving van) de filmbeelden. Dat het slachtoffer een mes heeft laten zien blijkt ook niet uit enig ander bewijsmiddel. Daarbij komt dat verdachte in zijn verklaringen er geen melding van maakt dat hij herhaaldelijk zelf de confrontatie heeft gezocht. Dit doet af aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen over deze confrontatie.

Uit de beschreven geluidsfragmenten van bovengenoemde videobeelden volgt wel dat het slachtoffer richting verdachte bedreigende woorden spreekt namelijk “als jij mijn zus nog een keer aanraakt, maak ik jou dede nu, ik maak jou dede nu” (waarbij “dede” door verbalisant [verbalisant 1] -die de Surinaamse taal machtig is- is vertaald als “dood”), waarop de verdediging ook heeft gewezen. Ook is gerelateerd dat op de beelden te horen is dat het slachtoffer zei: “Je moeder, kankerlijer. Kom hier je gaat zien jongen” en “Kom nog een keer in haar buurt, mapima (fonetisch) (waarbij “mapima” door verbalisant [verbalisant 1] is vertaald als “je moeders kut”).15
Echter, deze woorden worden samen geuit met woorden dat verdachte weg moest gaan en vonden plaats op het moment dat verdachte (ondanks die bewoordingen) zelf de toenadering bleef zoeken.16 De rechtbank merkt hierbij voorts nog op dat deze bedreigingen worden geuit in relatie tot het nogmaals aanraken van de zus van verdachte en niet in zijn algemeenheid. Ook deze uitingen van het slachtoffer ondersteunen daarom onvoldoende de door verdachte gestelde dreiging.

Na de confrontatie bij Velperpoort

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat de confrontatie bij Velperpoort om 01.40 uur afgelopen was.17 Dit komt overeen met de melding van een politie-eenheid ter plaatse om 01.35 uur.18

Na de confrontatie zijn het slachtoffer en [getuige 1] naar [naam 1] gegaan. Daar heeft [getuige 1] het slachtoffer tegen [naam 1] horen zeggen dat er niets gebeurd was, maar ook dat dit echt niet zo langer kan en dat zij iets moet doen. [naam 1] beloofde hierop dat ze aangifte tegen verdachte zou gaan doen. Vervolgens heeft [getuige 1] het slachtoffer bij het huis van zijn vrouw (vriendin) afgezet.19 Het slachtoffer is naar zijn oom (getuige [getuige 4] , hierna: [getuige 4] ) gegaan die in dezelfde flat als zijn vriendin woont.20

Verdachte heeft verklaard dat hij na de confrontatie een vuurwapen is gaan halen uit het huis van zijn moeder aan de [adres 2] in [plaats] . Daar was hij rond 02.00 uur. Hij heeft het wapen gepakt en is snel daarna de deur weer uit gegaan. Over de herkomst of leverancier van dit wapen heeft verdachte geen verklaring willen afleggen.

Daarna is hij [naam 4] (hierna: [naam 4] ) bij de [straatnaam 2] tegengekomen, welke straat vlakbij het adres van zijn moeder ligt, en is samen met hem in de auto richting het huis van het slachtoffer aan de [straatnaam 1] gereden.21

Verdachte heeft verklaard dat hij, toen hij bij de [straatnaam 1] aankwam, met het slachtoffer heeft gebeld.22 Met het telefoonnummer van verdachte is die dag om 03.24.40 uur voor het laatst met het telefoonnummer van het slachtoffer gebeld.23 Rond dat tijdstip moet verdachte dus bij de [straatnaam 1] zijn gearriveerd.

Tussen het (gestelde) bezoek van verdachte aan het huis van zijn moeder rond 02.00 uur en zijn aankomst aan de [straatnaam 1] zit dus ongeveer één uur en vierentwintig minuten. De reistijd tussen de [straatnaam 2] , vlakbij het adres van de moeder van verdachte, en de [straatnaam 1] (via de snelste route) bedraagt 18 minuten.24

Verdachte heeft verklaard zich niet meer te herinneren waar hij is geweest in de resterende overblijvende tijd (van ruim een uur).25

[getuige 4] heeft verklaard dat toen het slachtoffer bij hem was, verdachte minimaal 10 tot 15 keer heeft gebeld met het slachtoffer. Op enig moment heeft het slachtoffer opgepakt. [getuige 4] hoorde dat verdachte het slachtoffer aan het uitschelden was, dat hij met hem wilde spreken en dat hij wilde weten waar het slachtoffer was. Dit vertelde het slachtoffer niet. Het slachtoffer gaf aan dat hij niet wilde praten en gewoon wilde slapen. Verdachte klonk volgens [getuige 4] ontzettend opgefokt. Het slachtoffer heeft drie of vier keer de telefoon opgenomen. Op enig moment heeft het slachtoffer gezegd waar hij was. Na een tijd belde verdachte weer en vertelde dat hij beneden was, waarop [getuige 4] uit het raam keek en verdachte ook zag lopen. Hij schreeuwde hard en was aan het bellen. Hij was echt opgefokt. Over de telefoon zei verdachte iets tegen het slachtoffer wat blijkbaar de ‘limit’ was. Het slachtoffer zei hierop tegen [getuige 4] : “hoor je nou wat hij allemaal tegen mij zegt.” Om die reden is het slachtoffer naar beneden gelopen.26

De verklaringen van [getuige 4] worden deels bevestigd door de telefoongegevens, waaruit volgt dat verdachte na de confrontatie bij station Velperpoort 17 keer telefonisch contact heeft gezocht met het telefoonnummer van het slachtoffer. Zes van deze telefoontjes duurden langer dan enkele seconden, zodat aannemelijk is dat er op die momenten daadwerkelijk contact tussen verdachte en het slachtoffer is geweest.27

Verdachte heeft verklaard dat het kan kloppen dat hij schreeuwde over de telefoon en dat hij tijdens het bellen opgefokt was.28

[naam 4] , vriend van verdachte, heeft verklaard dat verdachte gedurende de rit gewoon heel rustig was. Ze gingen er heen voor de vrede, dat we het rustig uit moesten praten. Eenmaal bij de [straatnaam 1] stapte verdachte uit en is [naam 4] gaan parkeren. Hij heeft niets meegekregen van het schreeuwen door verdachte, hij was toen aan het parkeren. [naam 4] heeft niet meegekregen dat verdachte een wapen had opgehaald en heeft ook geen wapen gezien.29

Verdachte heeft verklaard dat hij in de auto alleen zijn ex heeft gebeld.30 Tegen haar heeft hij gezegd dat het geen goede keus was om het slachtoffer op hem af te sturen, dat het een grote fout was. Voordat hij het kon uitleggen had zij al opgehangen.31 Over de rit naar de [straatnaam 1] toe kan verdachte zich verder niets meer herinneren.32 Hij stond buiten de auto toen hij met het slachtoffer belde.33 Ook heeft hij gesproken met het slachtoffer bij de woning van zijn moeder en op het moment dat hij en [naam 4] aanrijdend waren.34 Verdachte heeft [naam 4] niet verteld van het wapen, omdat [naam 4] anti-wapen is. Aangekomen bij de [straatnaam 1] is verdachte uitgestapt en heeft het wapen weggelegd in het gat van een betonnen voetstuk voor het hek van een braakliggend bouwterrein. Verdachte heeft [naam 4] gezegd dat hij de auto moest gaan parkeren, omdat hij niet van het wapen mocht weten.35 Volgens verdachte heeft [naam 4] het wapen niet gezien, omdat hij dan gereageerd zou hebben. Na het wegleggen van het wapen heeft verdachte (opnieuw) het slachtoffer gebeld.36

[naam 1] heeft verklaard dat verdachte haar had gebeld en tegen haar heeft gezegd: “dit is de grootste fout die je ooit hebt gemaakt.”37

De rechtbank stelt op grond van voornoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte na de confrontatie bij Velperpoort een wapen is gaan halen en een vriend heeft gevraagd mee te gaan naar het slachtoffer. Hij heeft na die confrontatie herhaaldelijk contact met het slachtoffer gezocht en gehad, waardoor hij uiteindelijk op de hoogte is geraakt van de verblijfplaats van het slachtoffer. Hij is daar samen met [naam 4] heen gereden, is bij de [straatnaam 1] uitgestapt en [naam 4] heeft de auto weggezet. Op dat moment heeft verdachte het wapen verstopt. Verdachte heeft ervoor gezorgd dat [naam 4] niets van het wapen wist. Vervolgens heeft verdachte al schreeuwend met het slachtoffer gebeld en hem (kennelijk) uitgedaagd, zodat het slachtoffer naar beneden zou komen. Tijdens de telefonische contacten met het slachtoffer was verdachte opgefokt, maar tijdens de rit was hij rustig.

Confrontatie aan de [straatnaam 1]

[getuige 4] heeft verklaard dat het slachtoffer na het laatste telefoongesprek naar buiten is gegaan, gevolgd door [getuige 4] . Buitengekomen was verdachte er niet. [getuige 4] zag [naam 4] bij de achterkant van zijn auto. Op de vraag van [getuige 4] waar verdachte was zei [naam 4] dat verdachte stond te plassen. [getuige 4] heeft geen enkele directe aanleiding gezien waardoor verdachte zou moeten schieten. Verdachte kwam voor de auto aanlopen en keek het slachtoffer aan. Verdachte liep naar de passagierstoel. Hij maakte de deur open, ging op zijn hurken zitten en pakte een bebloed hemd uit de auto. Mogelijk deed hij het over zijn hoofd. Hij stond vervolgens op en hij stond met zijn handen gekruist voor zijn buik. Hij draaide zich om. Hij zette vier of vijf stappen en zei vervolgens “Wie doet hier nu stoer.” En vervolgens schoot hij op het slachtoffer.38 Deze verklaring van [getuige 4] komt in grote lijnen overeen met de verklaringen die hij, daags na het schietincident, heeft afgelegd ten overstaan van de politie.39

Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van [naam 4] . Hij heeft verklaard dat toen gebeld was dat ze er waren, die jongen (rechtbank: het slachtoffer) naar beneden kwam. Het slachtoffer was toen vrij ontspannen. Op dat moment ging verdachte zijn kleine behoefte doen. Dat deed hij achter de auto, terwijl [naam 4] met die jongen aan het praten was. Vervolgens kwam verdachte terug van het plassen. De houding van verdachte in het gesprek met het slachtoffer (na het plassen) was ontspannen, voor het gevoel van [naam 4] .40

Beide getuigen van het incident zijn ieder afzonderlijk meerdere keren gehoord en hebben over deze momenten in de kern consequent verklaard en zij ondersteunen elkaar. De rechtbank zal dan ook uitgaan van deze (hiervoor weergegeven) verklaringen.

De verklaringen van verdachte, dat het slachtoffer briesend en schreeuwend naar beneden kwam, vervolgens zei: “ik heb je gewaarschuwd, je weet wat er gaat gebeuren”, waardoor verdachte zo angstig werd dat hij daarna een onnatuurlijke drang kreeg om te plassen, komen niet met voorgaande getuigenverklaringen overeen. De rechtbank volgt deze verklaringen van verdachte dan ook niet. Daarbij betrekt de rechtbank dat verdachte aan de ene kant heeft verklaard door zijn gemoedstoestand zich de gebeurtenissen niet meer goed te kunnen herinneren, terwijl hij aan de andere kant zich wel weet te herinneren dat voor hem bezwarende gebeurtenissen niet en voor hem ontlastende gebeurtenissen wel zouden hebben plaatsgevonden. Dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. Als voorbeeld noemt de rechtbank dat verdachte stelt zich de rijroute naar de [straatnaam 1] niet te herinneren, maar dat hij wel weet dat hij niet bij [naam 5] , in verband gebracht met het verschaffen van een wapen, is geweest in die momenten. Ook zou verdachte zich wel herinneren dat het slachtoffer de genoemde waarschuwende woorden heeft gesproken, maar weet hij niet meer waarom hij juist bij het wapen is gaan plassen en zou hij zich de gebeurtenissen direct rondom het schieten niet kunnen herinneren. Daarnaast valt bovengenoemde verklaring van verdachte ook niet te rijmen met zijn verklaring dat hij het wapen in de betonnen voet had geplaatst omdat hij aanrijdend tot bezinning kwam en dat hij opluchting voelde toen hij [getuige 4] naar buiten zag komen, omdat [getuige 4] ouder is, meer gezag heeft en met meer mensen de kans minder groot is dat het zou escaleren.41

Voorts overweegt de rechtbank als volgt.

[getuige 4] heeft verklaard dat verdachte, toen hij zich bij het slachtoffer, [naam 4] en [getuige 4] had gevoegd, zei: “jij mijn moeder uitschelden? je wilde stoer doen?” en vervolgens op het slachtoffer schoot.42 Dit wordt ondersteund door de verklaring van getuige [naam 6] (hierna: [naam 6] ). Zij heeft gezien dat de vier mannen dicht bij elkaar stonden en heeft gehoord dat verdachte iets zei van: “Je wou toch stoer doen, je wou toch stoer doen.” Hierna richtte verdachte een pistool op het slachtoffer en schoot.43 [naam 4] heeft verklaard dat er wel over en weer wat werd gezegd, maar hij weet niet meer precies wat.44 Dat verdachte het over het uitschelden van zijn moeder heeft gehad, kan overeenkomen met de door het slachtoffer gesproken woorden bij de confrontatie bij station Velperpoort, hetgeen de verklaringen van [getuige 4] eveneens ondersteunt. De rechtbank ziet daarom geen reden voor twijfel aan deze onderdelen van de verklaringen van [getuige 4] en [naam 6] .

Nu de verklaringen van [getuige 4] op meerdere onderdelen worden ondersteund door andere bewijsmiddelen, zoals hierboven weergegeven, acht de rechtbank de door hem afgelegde verklaringen betrouwbaar. Ook de volgende verklaringen van [getuige 4] zijn naar het oordeel van de rechtbank om die reden geloofwaardig. [getuige 4] heeft verklaard dat verdachte na het schieten rondjes begon te lopen en begon te schelden. Ook liep hij naar het slachtoffer toe en zei: “sukkel”.45 Verder gooide hij het vuurwapen weg, waarop [getuige 4] bij het wapen is gaan staan. Verdachte probeerde vervolgens meerdere keren bij het wapen te komen, waarop [getuige 4] hem zelfs een schouderduw heeft moeten geven om hem dit te beletten.46

Op grond van de voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. Verdachte heeft, toen hij bij de [straatnaam 1] kwam, zijn vuurwapen eerst verstopt. Daarna heeft hij al schreeuwend telefonisch contact met het slachtoffer gelegd. Deze wilde niet naar beneden komen, maar verdachte heeft hem dusdanig bejegend (uitgedaagd) dat het slachtoffer naar buiten is gekomen. Op dit moment heeft verdachte zich teruggetrokken (en mogelijk geplast) en heeft hij het vuurwapen weer gepakt. Hij heeft vervolgens het portier aan de passagierszijde van de auto geopend en zijn hoofd afgeveegd met een hemd. Direct daarna is hij op het slachtoffer afgelopen, heeft hij tegen het slachtoffer woorden als “jij wilde stoer doen?” gezegd en heeft hij het slachtoffer drie keer beschoten. Niet aannemelijk is geworden dat voorafgaand aan het schieten het slachtoffer bedreigend jegens verdachte is geweest.

Hevige gemoedsbeweging

De verdediging heeft gesteld dat bij verdachte vanaf de ruzie met [naam 1] door druk in de relatiesfeer en angst voor represailles vanuit de familie van het slachtoffer bij verdachte een hevige gemoedsbeweging is ontstaan. Vanuit die gemoedsbeweging, zijnde een contra-indicatie voor voorbedachte raad, heeft verdachte gedacht dat hij het een en ander moest uitpraten, heeft hij een wapen meegenomen ter eventuele verdediging van zichzelf en heeft hij in een impuls geschoten, aldus de verdediging.

De rechtbank acht een hevige gemoedsbeweging bij verdachte, in de door de verdediging bedoelde zin, niet aannemelijk geworden en overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft een confrontatie met het slachtoffer gehad bij het Velperpoort station. Daarbij was verdachte voornamelijk de agressor. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte gedurende die momenten zeer angstig was of zich bedreigd voelde. Weliswaar is het slachtoffer ook agressief in woorden geweest. Dit heeft verdachte er echter niet van weerhouden steeds de confrontatie te blijven zoeken. Verder heeft hij geen hulp van de politie ingeschakeld, terwijl daar op enig moment gelegenheid voor was. Ook dat maakt niet aannemelijk dat verdachte in angst verkeerde of zich bedreigd voelde.

Voorts is van belang dat het verdachte was die na het Velperpoort incident gedurende aanzienlijke tijd herhaaldelijk contact bleef zoeken met het slachtoffer, terwijl het slachtoffer had aangegeven geen contact meer te willen. Het is niet aannemelijk dat iemand die in grote angst verkeert voor een persoon en diens familieleden, de confrontatie met die persoon blijft zoeken. Evenmin is aannemelijk dat iemand die (uit angst) problemen van man tot man wil uitpraten, zoals verdachte heeft gesteld, een wapen meeneemt en de beoogde gesprekspartner al schreeuwend en uitdagend gaat bellen. Daarom wordt dan ook voorbij gegaan aan de verklaringen van verdachte dat hij zeer bang was voor represailles van de familie van [naam 1] , waardoor een hevige gemoedsbeweging zou zijn ontstaan.

Ook uit de verklaringen van getuigen kan een dergelijke hevige gemoedsbeweging niet worden afgeleid. [naam 4] heeft niet verklaard over angst bij verdachte voor het slachtoffer of diens familie dan wel over omstandigheden die wijzen op een hevige gemoedsbeweging bij verdachte. Integendeel, [naam 4] heeft verklaard dat verdachte rustig was in de auto en ontspannen was in het gesprek met het slachtoffer vlak voor het schieten. Ook [getuige 4] maakt geen melding van omstandigheden die wijzen op het bestaan van een hevige gemoedsbeweging bij verdachte, anders dan dat verdachte tijdens de telefoongesprekken opgefokt was. Integendeel, hij heeft verklaard dat verdachte direct voor het schieten nog zijn hoofd heeft afgeveegd met een hemd. [getuige 4] heeft verder verklaard dat zowel hij als [naam 4] direct na het schieten zeiden: “wat doe je nou?”, wat [naam 4] heeft bevestigd.47 Hieruit kan worden afgeleid dat het handelen van verdachte voor zowel [getuige 4] als voor [naam 4] volkomen onverwachts kwam. Ook dit wijst erop dat er geen omstandigheden waren die duidden op een hevige gemoedsbeweging bij verdachte.

Aangenomen kan worden dat verdachte op momenten boos en opgefokt was. Zoals hierna zal worden uiteengezet heeft verdachte echter gedurende ruim een uur en ongeveer veertig minuten planmatig gehandeld en was hij in die tijd ook op momenten rustig en ontspannen. Daarom is (gezien al het voorgaande) niet aannemelijk geworden dat hij in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling handelde in die zin dat zijn besluitvorming en de uitvoering hebben plaatsgevonden in een plotselinge hevige drift die eraan in de weg heeft gestaan dat hij de consequenties van zijn daden kon overdenken en overzien.

Voorbedachte raad

Tussen de confrontatie bij Velperpoort en de aankomst bij de [straatnaam 1] zat een tijdsbestek van ongeveer één uur en veertig minuten. Gelet op deze zeer ruime tijdspanne heeft verdachte alle gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Verdachte heeft direct na de eerste confrontatie een vuurwapen opgehaald, heeft vervolgens een vriend om hulp gevraagd en is uiteindelijk met die vriend naar de verblijfplaats van het slachtoffer gegaan. Verdachte heeft geen verklaring afgelegd over wat hij heeft gedaan en waar hij is geweest in de tijd tussen het pakken van het wapen en de aankomst op de [straatnaam 1] .

Het regelen van dit vuurwapen zo snel na voornoemde confrontatie is een sterke aanwijzing dat verdachte op dat moment het plan had opgevat het vuurwapen ook daadwerkelijk tegen het slachtoffer te gebruiken. Daarbij springt het motief van wraak in het oog.

Verdachte heeft er bewust voor gekozen [naam 4] niet in te lichten over de aanwezigheid van het wapen, omdat [naam 4] dat niet zou accepteren/goedkeuren. Dit duidt op planmatig en bewust handelen door verdachte. Ook het uitstappen uit de auto vóór [naam 4] en het op dat moment verstoppen van het wapen duidt daarop. Verdachte wilde niet dat [naam 4] (en mogelijk ook het slachtoffer) weet had van het verborgen vuurwapen. In het licht van dit planmatig handelen van verdachte, ook gedurende de reis naar het slachtoffer toe, kan de opmerking van verdachte tegen [naam 1] , dat het een grote fout was het slachtoffer op hem af te sturen, worden gezien als een hint naar het door verdachte al genomen besluit.

Het verzwijgen en verstoppen van het wapen duidt er ook op dat verdachte zich terdege heeft gerealiseerd wat het meebrengen van dat wapen naar de tweede te volgen confrontatie met het slachtoffer zou inhouden. In de wetenschap dat het wapen in de nabijheid gereed lag om te gebruiken, heeft verdachte nogmaals contact gelegd met het slachtoffer. Ondanks dat het slachtoffer niet meer naar verdachte toe wilde komen, heeft verdachte hem net zo lang (al schreeuwend) uitgedaagd totdat het slachtoffer uiteindelijk wel naar buiten kwam. Dit duidt op een volharding in het eerder genomen besluit. Dit planmatig en bewuste handelen, waarin hij heeft volhard, maakt dat verdachte ook daadwerkelijk moet hebben nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad.

Op het moment dat verdachte zag dat het slachtoffer naar buiten kwam, heeft hij niet langer gewacht. Hij heeft direct het wapen gepakt, al dan niet tijdens het plassen, en heeft eerst nog bij de auto zijn hoofd afgeveegd. Direct daarna is hij op het slachtoffer afgelopen en heeft hij, zonder directe aanleiding, drie keer op hem geschoten. Deze handelwijze duidt niet op een hoge mate van opwinding of emotie of op een waas. Hetzelfde geldt voor het gedrag van verdachte na het lossen van de schoten. Hij heeft immers het slachtoffer nog toegesproken en nog getracht het wapen te bemachtigen.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte met voorbedachte raad het slachtoffer van het leven heeft beroofd. Met de verdediging en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte het feit tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd. Hij zal van dat deel van de tenlastelegging dan ook worden vrijgesproken.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primar tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 27 september 2016 te Arnhem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen (pistool) een of meer kogels in het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] te schieten.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op: moord.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht rekening te houden met de omstandigheden waaronder het feit is begaan, zoals die door de verdediging naar voren zijn gebracht, en met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts is erop gewezen dat verdachte geruime tijd in het zwaarste regiem in het huis van bewaring heeft moeten doorbrengen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 25 september 2017;

- een reclasseringsrapport, gedateerd 13 december 2016;

- een rapportage van psychologisch onderzoek van A.N. Hoogland, GZ-psycholoog, gedateerd 12 december 2016;

- een rapportage van een trajectconsult van C.G. Huisman, justitieel forensisch psychiater, gedateerd 17 oktober 2016.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord op het slachtoffer. Hij heeft na een gewelddadig incident met zijn toenmalige vriendin een confrontatie gehad met het slachtoffer, zijn zwager. Terwijl verdachte steeds wilde blijven vechten, was hij geen partij voor zijn zwager. Hij heeft daarbij het onderspit moeten delven. Naar alle waarschijnlijkheid heeft verdachte dit niet kunnen verkroppen en zinde hij op wraak. Hij heeft immers snel daarna een wapen gepakt en een nieuwe confrontatie met het slachtoffer geregeld door hem te blijven uitdagen. Bij die tweede confrontatie heeft verdachte binnen enkele ogenblikken en zonder enige directe aanleiding in koelen bloede drie schoten op het slachtoffer afgevuurd.

Daarmee heeft verdachte het leven ontnomen van een jonge man die nog volop in het leven stond. Hij heeft de ouders hun zoon, zijn vriendin haar vriend, de kinderen hun vader en familie en vrienden hun dierbare afgenomen. Extra schrijnend is dat de vriendin van het slachtoffer, naast moeder van twee zeer jonge kinderen, op dat moment in verwachting was van een tweeling. Gelet op de nauwe familiebanden tussen de diverse partijen moet verdachte hiervan hebben geweten. De vriendin van het slachtoffer heeft haar tweeling zonder de steun van het slachtoffer ter wereld moeten brengen en de tweeling zal hun vader nooit in levende lijve kunnen zien.

Door dit handelen heeft verdachte blijk gegeven van een ernstig gebrek aan respect voor het leven van een medemens. Moord, zoals in het onderhavige geval bewezen is verklaard, is naar zijn aard een misdrijf dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur rechtvaardigt. De gevorderde straf van de officier van justitie acht de rechtbank passend en geboden.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

In het strafproces hebben zich gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezen verklaarde feit:

  • -

    [naam 6] , tevens als wettelijke vertegenwoordiger van haar vier kinderen, vordering (in totaal) groot € 484.035,56, en

  • -

    [naam 7] , vordering groot € 10.000,00.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [naam 6] , ook namens haar kinderen, volledig kan worden toegewezen, waarbij de wettelijke rente dient te worden vergoed en de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd.

De vordering van [naam 7] ziet op de vergoeding van de kosten van een grafsteen. Primair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze kosten toewijsbaar zijn bij [naam 6] en subsidiair dat deze kosten voor de helft worden toegewezen aan [naam 7] en voor de andere helft aan [naam 6] .

Het standpunt van de verdediging

Behoudens het deel van de vordering dat ziet op vergoeding van € 141,82 ter zake van de kosten van de uitvaart, acht de verdediging de vordering van [naam 6] , met inbegrip van de vordering van haar vier kinderen, dermate uitgebreid en ingewikkeld dat deze zich niet leent om te worden behandeld in dit strafproces, zodat zij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering. Subsidiair heeft de verdediging de vordering op ieder onderdeel inhoudelijk betwist en daaraan hetzelfde gevolg verbonden.

Met betrekking tot de vordering van [naam 7] heeft de verdediging aangevoerd dat deze niet is onderbouwd, zodat hij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering.

Beoordeling door de rechtbank

Begrafeniskosten

Volgens artikel 6:108, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan zich voegen als benadeelde partij degene die de kosten van de lijkbezorging heeft betaald, voor zover deze in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene. Dit kan een ieder zijn die deze kosten heeft gedragen, ongeacht diens relatie tot het slachtoffer.

De benadeelde partij [naam 6] vordert onder meer de kosten van de uitvaart, de kosten van een grafsteen en de kosten van tweemaal de verlenging van de grafrechten. Met betrekking tot de kosten van de uitvaart heeft de benadeelde partij [naam 6] vergoeding gevraagd van de meerkosten van de uitvaart die niet vallen onder de uitvaartverzekering. Deze kosten hangen zozeer samen met de lijkbezorging dat deze voor vergoeding in aanmerking komen. De verdediging heeft deze kosten ook niet betwist. De rechtbank zal daarom de vordering van

[naam 6] ten aanzien van deze kosten toewijzen tot een bedrag van € 141,82. Ook is de wettelijke rente gevorderd. De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf het moment dat de meerkosten in rekening zijn gebracht bij de benadeelde partij, te weten op 11 november 2016.

Met betrekking tot de kosten van het tweemaal verlengen van de grafrechten heeft de verdediging aangevoerd dat het onzeker is dat deze kosten in de toekomst gemaakt gaan worden. Daarnaast zijn deze kosten volgens de verdediging ten onrechte niet

gekapitaliseerd.

Gelet op de relatief jonge leeftijd waarop het slachtoffer is overleden en de leeftijden van zijn nabestaanden, acht de rechtbank bij een weging van goede en kwade kansen voldoende aannemelijk geworden dat de grafrechten in ieder geval over 20 jaar zullen worden verlengd. De rechtbank zal vergoeding van de kosten hiervan dan ook toewijzen. Het antwoord op de vraag of in 2056 kosten voor een tweede verlenging zullen worden gemaakt, en zo ja, in welke omvang en door wie, is te zeer afhankelijk van onzekere factoren. De rechtbank zal de benadeelde partij om deze reden niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering met betrekking tot de tweede verlenging van de grafrechten. De gekapitaliseerde kosten van het twee keer verlengen van de grafrechten bedragen, zoals ter terechtzitting is toegelicht, € 3.551,-. Nu de rechtbank vergoeding van de kosten voor de eerste verlenging zal toewijzen, zal de rechtbank de vergoeding hiervan bepalen op € 1.775,50. Nu het hier een toegewezen bedrag aan schadevergoeding betreft dat betrekking heeft op toekomstige kosten (en om die reden is gekapitaliseerd), kan naar het oordeel van de rechtbank geen sprake zijn van het opleggen van de verplichting tot het betalen van de wettelijke rente over het toegewezen bedrag. De vordering dient op dit punt te worden afgewezen.

Met betrekking tot de kosten van een grafsteen hebben zowel de benadeelde partij [naam 6] , als de benadeelde partij [naam 7] vergoeding gevorderd, elk begroot op € 10.000,-. Nog daargelaten dat geen onderbouwing is gegeven van deze kosten, is niet duidelijk wie deze kosten gaat dragen. Dat zal pas blijken op het moment dat deze kosten feitelijk zijn gemaakt. Omdat daarover nu geen duidelijkheid bestaat, zal de rechtbank zowel [naam 6] als [naam 7] ten aanzien van deze kosten niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen.

Medische kosten en reiskosten

De benadeelde partij [naam 6] heeft vergoeding van een bedrag van € 2.500,- gevorderd in verband met medische kosten die zij mogelijk zal moeten maken voor de verwerking van wat zij op 27 september 2016 heeft gezien. Ook heeft zij vergoeding van een bedrag van € 500,- gevorderd voor de reiskosten die zij mogelijk in verband met de medische behandeling in de toekomst zal maken. Hierbij heeft de benadeelde partij te kennen gegeven dat deze schadeposten zijn opgevoerd om procestactische redenen zodat zij haar rechten en mogelijkheden in een eventueel hoger beroep veilig kan stellen. Nu thans niet is gebleken dat de opgevoerde kosten zijn gemaakt en onzeker is of, en zo ja, tot welke omvang de kosten worden gemaakt, zal de rechtbank de benadeelde partij in deze onderdelen van haar vorderingen niet-ontvankelijk verklaren.

Affectieschade

De benadeelde partij [naam 6] heeft mede namens haar vier kinderen vergoeding gevorderd in verband met de door hen geleden affectieschade en deze begroot op € 20.000,- per persoon. De benadeelde partij heeft in dit verband toegelicht bekend te zijn met de geldende rechtspraak en dat deze kosten om procestactische redenen zijn opgevoerd om de rechten en mogelijkheden in een eventueel hoger beroep veilig te stellen.

Naar het huidige geldende recht is de mogelijkheid voor vergoeding van immateriële schade ten aanzien van het verlies van een dierbare zeer beperkt. Vaste rechtspraak is dat enkel de situatie als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek, de shockschade, voor vergoeding in aanmerking kan komen. Affectieschade valt daar niet onder. Dat op 9 mei 2017 het wetsvoorstel vergoeding van Affectieschade door de Tweede Kamer is aangenomen, maakt dit niet anders. De rechter heeft immers niet de vrijheid om, vooruitlopend op een eventueel door de wetgever door te voeren wijziging van de wet, een dergelijke vergoeding toe te kennen. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van dit onderdeel dan ook niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

Shockschade

De benadeelde partij [naam 6] heeft een vergoeding van immateriële schade gevorderd van € 25.000,- omdat zij als gevolg van de waarneming van het misdrijf en de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan in haar persoon is aangetast.

In het zogeheten Taxibusarrest van de Hoge Raad van 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356, is bepaald dat shockschade alleen wordt toegekend aan degene die het ongeval heeft waargenomen of direct is geconfronteerd met de gevolgen daarvan. Bovendien met er dan sprake zijn van een als gevolg van die confrontatie ontstaan geestelijk letsel. Dat zal in het algemeen slechts het geval zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld (vgl. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2201).

Uit het voorgaande volgt dat pas sprake is van shockschade als door een ter zake deskundige is vastgesteld dat bij de nabestaande sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Een toekenning van een bedrag aan shockschade aan de benadeelde partij [naam 6] stuit hierop al af. Er is geen onderbouwing geleverd waaruit blijkt dat een deskundige (arts of psycholoog) bij haar geestelijk letsel heeft vastgesteld als gevolg van de omstandigheid dat zij getuige is geweest van het doden van haar partner en van de toestand waarin hij daarna verkeerde. De rechtbank kan hierdoor op dit moment niet vaststellen of van dergelijk letsel sprake is. Dit vergt een nadere onderbouwing en nader onderzoek. Dat vormt echter een onevenredige belasting van het strafgeding. De rechtbank hecht eraan in dit verband nog op te merken dat het haar duidelijk is dat het waarnemen van het bewezen verklaarde handelen op benadeelde partij [naam 6] een diepe en blijvende indruk moet hebben gemaakt. Hoezeer daarom haar vordering ook invoelbaar is, staat het voormelde vereiste op dit moment aan toewijzing daarvan in de weg.

De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dit onderdeel van haar vordering.

Kosten van gederfd levensonderhoud

Aan dit onderdeel van de vordering van de benadeelde partij [naam 6] en haar vier kinderen ligt een overlijdensschadeberekening ten grondslag van Laumen Expertise B.V. van 26 september 2017. De verdediging heeft gesteld dat, gelet op de gehanteerde uitgangspunten voor en de omvang van de berekening, beoordeling hiervan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De verdediging heeft hierbij de posten en de gehanteerde berekeningsmethode betwist.

In de berekening is tot uitgangspunt genomen dat [naam 6] en het slachtoffer op hetzelfde adres woonachtig waren en dat zij gezamenlijk verantwoordelijk waren voor het huishouden en de opvoeding van hun kinderen. Dit uitgangspunt werkt door in de verdere uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de berekening van het gederfde levensonderhoud in natura.

Het is echter niet duidelijk geworden of van een gezamenlijke huishouding sprake is geweest. Het slachtoffer was niet ingeschreven op het woonadres van [naam 6] , volgens haar om haar bijstandsuitkering veilig te stellen. Dit brengt onduidelijkheid met zich over de vraag of, en zo ja in hoeverre, het slachtoffer feitelijk deel heeft uitgemaakt van het gezin. Reeds hierom is een nadere onderbouwing van de berekeningsmethode en de feitelijke omstandigheden die daaraan ten grondslag liggen nodig. Dat leidt tot een onevenredige belasting van het strafgeding, zodat de rechtbank de benadeelde partij, tevens in haar hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordiger van haar vier kinderen, niet-ontvankelijk zal verklaren in dit onderdeel van haar vordering.

Buitengerechtelijke kosten

Nu de rechtbank geen inhoudelijk oordeel zal geven over de vorderingen ten aanzien van de kosten van gederfd levensonderhoud, is een inhoudelijk oordeel over de buitengerechtelijke kosten die ten behoeve van die vorderingen zijn gemaakt niet op zijn plaats. De rechtbank zal de benadeelde partij [naam 6] , tevens in haar hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordiger van haar vier kinderen, dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van haar vordering.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij(en).

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 36f en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam 7] .

 verklaart de benadeelde partij [naam 7] niet-ontvankelijk in zijn vordering;


De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam 6] .

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [naam 6], ten bedrage van € 1.917,32, (eenduizend negenhonderdzeventien euro en tweeëndertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van € 141,82 vanaf 11 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [naam 6] voor het overige, mede in haar hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordiger van haar kinderen, niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [naam 6], een bedrag te betalen van € 1.917,32, (eenduizend negenhonderdzeventien euro en tweeëndertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van € 141,82 vanaf 11 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 29 (negenentwintig) dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Gerritsen (voorzitter), mr. K.A.M. van Hoof en
mr. E.G.J. Broekhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C. Aalders, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 november 2017.

Mr. Van Hoof en mr. Aalders zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Gelderland-Midden, districtsrecherche, opgemaakte proces-verbaal met nummer 20161025.1137, gesloten op 24 april 2017, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 139, proces-verbaal van bevindingen, p. 105, een NFI-rapport van pathologie onderzoek, p. 498 t/m 500, en verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 7 november 2017.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2] , p. 209 en 210.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 1] , p. 172, en proces-verbaal van verhoor [getuige 1] , p. 76.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 737.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 76 t/m 78.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 56 en 57.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris, d.d. 16 februari 2017, p. 4.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 60.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] bij de rechter-commissaris, d.d. 16 februari 2017, p. 3.

11 Proces-verbaal van bevindingen, p.68 en 71.

12 Verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 7 november 2017.

13 Proces-verbaal van bevindingen, p. 52.

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 737.

15 Proces-verbaal van bevindingen, p. 71.

16 Proces-verbaal van bevindingen, p. 70 en 71.

17 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 60.

18 Proces-verbaal van bevindingen Velperpoort, p. 90.

19 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 77 en 78.

20 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 137.

21 Verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 7 november 2017.

22 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 737.

23 Processen-verbaal van bevindingen, p. 305 en 306.

24 Proces-verbaal van bevindingen route naar plaats delict, p. 265.

25 Verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 7 november 2017.

26 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 138 en 139.

27 Proces-verbaal van bevindingen, p. 305

28 Verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 7 november 2017.

29 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 4] , p. 676, 684 en 686.

30 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 799.

31 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 757.

32 Verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 7 november 2017.

33 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 748.

34 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 743 en 749.

35 Verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 7 november 2017 en proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 737.

36 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 748 en 749.

37 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 1] , p. 172.

38 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] bij de de rechter-commissaris, d.d. 10 juli 2017, p. 3.

39 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 136 en 139.

40 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 4] , p. 669 en 678.

41 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 749.

42 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 136.

43 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 6] , p. 159.

44 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 4] , p. 678.

45 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 136.

46 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 139 en 140.

47 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 139, en proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 4] , p. 688.