Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:596

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-02-2017
Datum publicatie
27-03-2017
Zaaknummer
AWB - 15 _ 6839
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Loonsanctie Wet WIA. Gegrond. Verweerder heeft onvoldoende gereageerd op de bezwaargronden van eiseres en niet deugdelijk en concreet onderbouwd waaruit de tekortkoming bestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 15/6839

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 februari 2017

in de zaak tussen

Stichting [eiseres] , te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. S.A. van Lammeren),

en

[verweerder] te [plaats] , verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende], te Eerbeek

(gemachtigde: mr. J.G.J. Spiekker).

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres de verplichting opgelegd om het loon van [derde belanghebbende] (hierna: de werknemer) tot 28 januari 2016 door te betalen.

Bij besluit van 8 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2016. Namens eiseres zijn verschenen [betrokkene] en [betrokkene] , bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.H. van der Zijden en B. Evegaars. De derde-partij is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. De feiten

1.1

De werknemer was vanaf 24 augustus 2000 als groepsleerkracht werkzaam op een van de bij de organisatie van eiseres aangesloten basisscholen. Blijkens een rapport van audioloog W.P.M. Graef van 22 juni 2012 was er bij de werknemer op het moment van zijn onderzoek sprake van matige slechthorendheid, waarmee de werknemer ook met behulp van hoortoestellen onder optimale omstandigheden slechts in staat was tot het goed verstaan van spraak in groepen tot circa acht personen. Met ingang van 31 januari 2013 is de werknemer in verband met deze gehoorproblemen deels (voor een dag per week) ziek gemeld voor haar werk. Eiseres heeft daarop een re-integratietraject gestart en daartoe onder meer advies gevraagd van arbeidsdeskundige R. Bosma van Arbo Unie.

1.2

In zijn rapport van 9 april 2013 heeft Bosma geconcludeerd dat er geen mogelijkheden zijn om duurzaam te re-integreren in (een aangepaste vorm van) het eigen werk en in beginsel evenmin in een andere functie binnen de organisatie van eiseres. Volgens Bosma staat de werknemer nog steeds voor de groep, heeft zij in plaats van twee groepen één groep en is een oplossing gevonden door werknemer één dag vrij te stellen van onderwijsgevende taken en dat in te vullen met onderwijsondersteunende activiteiten, maar kan volgens eiseres daarin geen herplaatsing worden toegezegd. Volgens Bosma overschrijdt drie dagen klassikaal werk de belastbaarheid van de werknemer en is de functie van onderwijsassistente bij eiseres niet aanwezig en die van conciërge en administratief medewerker niet vacant. Eiseres heeft daarop vanaf 9 september 2013 een traject in het zogenoemde tweede spoor ingezet, opdat de werknemer mogelijk zou kunnen re-integreren in een functie buiten de organisatie van eiseres.

1.3

Eiseres heeft een deskundigenoordeel aangevraagd bij verweerder. Dit deskundigenoordeel is neergelegd in het rapport van arbeidsdeskundige Huijboom van 2 april 2014. Dit oordeel is negatief. Huijboom concludeert dat eiseres op dat moment ten onrechte nog niet heeft onderzocht of de door de werknemer genoemde werkzaamheden kunnen worden omgezet in een passende functie op groepsleerkrachtniveau waarin de werknemer duurzaam kan re-integreren. Eiseres dient volgens Huijboom dit onderzoek dan ook alsnog te verrichten, waarbij alle drie de scholen van eiseres in de woonplaats van de werknemer moeten worden betrokken.

1.4

Eiseres heeft hierop een aanvullend onderzoek laten verrichten, neergelegd in een rapport van 9 juli 2014. In dit rapport staat onder meer het volgende. Binnen de organisatie van eiseres is sprake van een drietal functiecategorieën: Directie, Onderwijzend Personeel (OP) en Onderwijsondersteunend Personeel (OOP). De functies binnen de categorie Directie kunnen, onder meer in verband met de benodigde opleiding, volgens het rapport niet als passend worden aangemerkt. Gelet op de medische beperkingen kunnen de functies binnen de categorie OP volgens dit rapport evenmin als passend worden aangemerkt, omdat de werknemer niet langer kan functioneren in groepen van meer dan acht personen. Het is volgens het rapport ook niet mogelijk om binnen deze functiecategorie een nieuwe functie te vormen uit de werkzaamheden die de werknemer naar voren heeft gebracht. Ter onderbouwing van deze conclusie heeft eiseres een overzicht gemaakt van alle taken op groepsleerkrachtniveau op de drie betrokken scholen, die de groepsleerkrachten ontlasten en niet onlosmakelijk zijn verbonden met het lesgeven. Volgens eiseres kan uit dit overzicht worden afgeleid dat het aantal uren dat per school wordt besteed aan taken op ‘groepsleerkrachtniveau’ te beperkt is om er een functie van enige omvang van te maken. Daarnaast is het de vraag of deze taken met een wekelijkse regelmaat kunnen terugkeren, aangezien een aantal van deze taken binnen een specifieke periode dienen plaats te vinden. Tevens is het volgens het rapport de vraag of duurzame inbedding mogelijk is. Binnen de functiecategorie OOP zijn drie functies te onderscheiden, te weten: administratieve functies, onderwijsassistent en conciërgefuncties. Gezien het functie/salarisniveau kunnen deze functies niet als passend worden aangemerkt. Daarnaast is er in deze functies geen beschikbare vacatureruimte en/of worden de functies uitgefaseerd of komen die te vervallen.

1.5

Op 6 november 2014 heeft de werknemer een aanvraag gedaan voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De daarop volgende beoordeling van de re-integratie-inspanningen van eiseres door arbeidsdeskundige Scholten-Linde, neergelegd in een rapport van 8 december 2014, heeft geleid tot het primaire besluit, waarbij het tijdvak waarin werknemer jegens eiseres recht heeft op loon tijdens ziekte is verlengd met 52 weken tot 28 januari 2016. Die verlenging − ook wel loonsanctie genoemd − is aan eiseres opgelegd in aansluiting op de wachttijd van 104 weken. Volgens verweerder zijn het re-integratieresultaat en de re-integratie-inspanningen van eiseres met betrekking tot spoor 1 onvoldoende geweest en ontbreekt voor dat verzuim een deugdelijke grond.

2. De standpunten

2.1

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Daaraan is een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep B. Evegaars van 2 oktober 2015 ten grondslag gelegd. Volgens Evegaars heeft de arbeidsdeskundige het re-integratieresultaat en de re-integratie-inspanningen in spoor 1 terecht als onvoldoende beoordeeld. Op onderdelen van de onderbouwing van dit rapport wordt hierna – voor zover nodig – nader ingegaan.

2.2

Eiseres stelt zich op het standpunt dat er ten onrechte vanuit wordt gegaan dat zij niet zou hebben voldaan aan de op haar rustende re-integratie-inspanningen. Op onderdelen van het gestelde zal de rechtbank - voor zover nodig - in het navolgende ingaan.

2.3

De werknemer heeft zich op het standpunt gesteld dat zij in staat is om binnen de organisatie van eiseres een aantal werkzaamheden uit te voeren die de groepsleerkrachten ontlasten, zoals onder meer het opvangen van kinderen met gedragsmoeilijkheden, het afnemen van toetsen en het invoeren van resultaten, alsmede het overnemen van commissies. Volgens de werknemer passen deze werkzaamheden binnen de (bestaande) functie van onderwijsassistent en kan zij deze functie vervullen.

3. Het wettelijk kader

3.1

Artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, voor zover hier van belang, luidt als volgt:

“Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond (…) onvoldoende

re-integratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het Uwv het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (…), opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde (….) re-integratie-inspanningen kan herstellen. Het tijdvak bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken.”

3.2

Ingevolge artikel 65 van de Wet WIA, voor zover hier van belang, beoordeelt verweerder of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen, die zijn verricht.

3.3

Artikel 7:658a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek luidde ten tijde hier van belang als volgt: “De werkgever bevordert ten aanzien van de werknemer die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, de inschakeling in de arbeid in zijn bedrijf. Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en in het bedrijf van de werkgever geen andere passende arbeid voorhanden is, bevordert de werkgever, gedurende het tijdvak waarin de werknemer jegens hem recht op loon heeft op grond van artikel 629, artikel 71a, negende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de inschakeling van de werknemer in voor hem passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever.”.

3.4

In de Beleidsregels (Regeling beleidsregels beoordelingskader poortwachter, Stcrt. 2002, 236, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2006, 224), heeft verweerder een inhoudelijk kader neergelegd voor de beoordeling van de vraag of de werkgever en de werknemer in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Blijkens wat is vermeld in de inleidende paragraaf bieden de Beleidsregels niet alleen inzicht in de wijze waarop verweerder de geleverde re-integratie-inspanningen beoordeelt, maar is het ook voor de werkgever en de werknemer een richtsnoer voor de aanpak van de re-integratie. Bij de beoordeling staat het bereikte resultaat voorop. Als een bevredigend resultaat is bereikt, is volgens het beoordelingskader voldaan aan de wettelijke eis dat de werkgever en de werknemer in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Van een bevredigend resultaat is sprake als gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. Indien verweerder het resultaat niet bevredigend acht, zal volgens de Beleidsregels bij de beoordeling worden ingezoomd op het re-integratieproces in de eerste twee ziektejaren en datgene wat door de werkgever en werknemer daadwerkelijk ondernomen is.

3.5

Voor de situatie waarin geen bevredigend resultaat is bereikt en verweerder tot het oordeel is gekomen dat de werkgever bij zijn re-integratie-inspanningen in gebreke is gebleven, is in de Beleidsregels opgenomen dat verweerder in de beslissing waarbij aan de werkgever een loonsanctie wordt opgelegd, vermeldt wat er schort aan de geleverde re-integratie-inspanningen, dat de werkgever dit moet herstellen en op welke wijze herstel kan plaatsvinden.

4. De beoordeling

4.1

Het besluit tot oplegging van een loonsanctie is een door verweerder ambtshalve genomen besluit met een voor eiseres belastend karakter. Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2015:861, dient verweerder aannemelijk te maken dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en daarbij te beoordelen of dit zonder deugdelijke grond is geschied. Verweerder dient zijn besluit in dat verband deugdelijk te motiveren. Op grond van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA dient de door verweerder bij het besluit tot oplegging van de loonsanctie gegeven motivering zodanig concreet te zijn, dat het de werkgever op basis daarvan voldoende duidelijk kan zijn waaruit zijn tekortkoming ten aanzien van de re-integratie-inspanningen bestaat. Immers, alleen dan zal de werkgever overeenkomstig artikel 25, negende lid, van de Wet WIA in de gelegenheid zijn om die tekortkoming te herstellen.

4.2

Niet in geschil is dat er geen bevredigend resultaat is bereikt. De re-integratie-inspanningen hebben niet geleid tot werkhervatting die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer.

4.3

Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht om eiseres te laten re-integreren in het eigen werk, dan wel, eventueel met aanpassingen, in een andere of geheel nieuw te vormen functie binnen de organisatie (spoor 1).

4.4

Het standpunt van verweerder dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, is gebaseerd op de conclusies van het in de bezwaarfase uitgebrachte rapport van arbeidsdeskundige bezwaar en beroep B. Evegaars van 2 oktober 2015. Evegaars heeft geconcludeerd dat de re-integratie-inspanningen van eiseres in spoor 1 onvoldoende zijn geweest. Volgens Evegaars moet een werkgever namelijk in principe ingaan op een reëel aanbod van een werknemer tot het verrichten van passende arbeid, ook al zijn er organisatorische aanpassingen nodig. Daarnaast mag volgens Evegaars van een werkgever worden verwacht dat zelfs in een situatie van inkrimping actief door de werkgever wordt gezocht naar mogelijkheden in spoor 1 om een werknemer duurzaam geplaatst te krijgen. Mede gelet op de grootte van eiseres in combinatie met de duur van het dienstverband van de werknemer lag het volgens Evegaars op de weg van eiseres om door herverdeling van onderwijstaken, dan wel door aanpassing van de lesroosters, een duurzame hervatting van de werknemer in spoor 1 mogelijk te maken. Het verweer van eiseres dat haar CAO het niet toestaat dat er binnen de scholen van de stichting nieuwe functies gecreëerd worden, kan volgens Evegaars niet worden gevolgd, omdat een werkgever volgens het Burgerlijk Wetboek verplicht is de arbeidsongeschikte werknemer te re-integreren. Het verweer van eiseres dat er volgens haar Sociaal Plan functies zijn opgeheven en werknemers worden ontslagen kan volgens Evegaars eveneens niet slagen. Ook in een situatie van inkrimping wordt volgens hem van een werkgever verlangd dat zij actief blijft zoeken naar mogelijkheden om haar werknemer binnen spoor 1 te kunnen herplaatsen. Het verweer van eiseres dat niet zij niet over voldoende financiële middelen beschikt om de werknemer in spoor 1 te kunnen herplaatsen, is volgens Evegaars evenmin een deugdelijke grond, omdat eiseres niet inzichtelijk heeft gemaakt dat een hervatting van haar re-integratie-inspanningen om de werknemer duurzaam in spoor 1 in passend werk te laten hervatten eiseres zodanig in financieel opzicht onevenredig zou belasten dat het voortbestaan van eiseres in het geding is.

4.5

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met vorenstaande volstrekt onvoldoende onderbouwd waarom eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen zou hebben verricht. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

4.6

Blijkens de rapporten van Bosma van 9 april 2013 en van Huijboom van 2 april 2014, alsmede het aanvullende rapport van 9 juli 2014, heeft eiseres uitgebreid onderzoek verricht naar de mogelijkheid om eiseres te laten re-integreren in het eigen werk, dan wel een functie te creëren waarin de werknemer volwaardig en duurzaam zou kunnen worden geplaatst. Eiseres heeft voldoende onderbouwd waarom deze mogelijkheid niet bestaat, dan wel niet in redelijkheid van haar kan worden gevergd. In dat verband acht de rechtbank het volgende van belang.

Eiseres heeft onweersproken gesteld dat er binnen de organisatie sprake is van een beperkt aantal functies en dat de directiefuncties in ieder geval niet kunnen worden beschouwd als passend werk. Wat dan overblijft, zijn de administratieve functies, de conciërgefuncties en de functie van onderwijsassistente. Eiseres heeft verklaard dat er door de overheidsbezuinigingen voor deze onderwijsondersteunende functies al geruime tijd steeds minder geld beschikbaar is en dat er inmiddels sprake is van een Sociaal Plan om boventallige medewerkers op functies als deze te begeleiden naar ander werk. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid daarvan te twijfelen. In dat kader is van belang dat in de Beleidsregels wordt overwogen dat herplaatsing niet kan worden gevergd wanneer er geen arbeidsplaatsen beschikbaar zijn en er evenmin formatieruimte is. Dat brengt mee dat aangenomen moet worden dat werken als onderwijsassistente weliswaar mogelijk zou kunnen zijn voor werknemer, maar dat niet redelijkerwijs van eiseres gevergd kan worden dat de werknemer in een dergelijke functie wordt geplaatst. Voorts is nog van belang dat de loonwaarde in de overige functies zodanig veel lager is dan de loonwaarde in de maatgevende arbeid, dat deze functies alleen daarom al in beginsel niet als passend werk kunnen worden beschouwd.

Ten aanzien van de vraag of het redelijkerwijs mogelijk is om ten behoeve van de werknemer een nieuwe functie te creëren, heeft eiseres heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat er geen mogelijkheden bestaan om uit de door de werknemer voorgestelde werkzaamheden (het afnemen van toetsen, het overnemen van bepaalde commissies en het begeleiden van kinderen met een achterstand) een functie te creëren waarin zij duurzaam en in een acceptabele omvang werkzaam zou kunnen zijn. Veel van de door de werknemer opgesomde werkzaamheden zijn volgens eiseres immers van dusdanig geringe omvang dat hieruit geen volwaardige functie kan worden gevormd. Ook is het volgens eiseres zo dat veel werkzaamheden zodanig verweven zijn met het werk als groepsleerkracht, dat deze niet adequaat kunnen worden uitgevoerd door iemand die niet tevens de groepsleerkracht is van de leerlingen over wie het gaat. Eiseres heeft er in dat kader nog op gewezen dat het begeleiden van leerlingen, dat eerst de verantwoordelijkheid van de school zelf was en daarmee mogelijk had kunnen worden ondergebracht in een functie ten behoeve van de werknemer, op grond van het landelijke beleid in het kader van Passend Onderwijs nu (1) niet langer de verantwoordelijkheid is van de school en (2) zoveel mogelijk moet plaatsvinden binnen het kader van de eigen klas, door de eigen groepsleerkracht. Hoewel er dus incidenteel werkzaamheden op dit vlak zijn die de werknemer zou kunnen verrichten, is hier volgens eiseres niet langer sprake van structurele werkzaamheden die een solide basis voor een nieuwe functie kunnen vormen. In de tweede plaats heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat het creëren van een dergelijke functie, ook wanneer dit al mogelijk zou zijn, niet in redelijkheid kan worden gevergd. Volgens eiseres miskent verweerder dat weliswaar kan worden gevergd dat de werknemer wordt geplaatst in een nieuwe functie, maar dat het hier wel moet gaat om een reeds binnen de organisatie van eiseres bestaande functie die door middel van aanpassingen geschikt kan worden gemaakt. Het creëren van een geheel nieuwe functie die niet voorkomt in de organisatie van eiseres kan niet van haar worden gevergd. Daarnaast is het volgens eiseres zo dat het creëren van de door verweerder voorgestane functie vanuit organisatorisch en onderwijskundig oogpunt onwenselijk is en een uitholling zou betekenen van de functie van de overige leerkrachten. Ook biedt de overheidsfinanciering volgens haar onvoldoende ruimte om werkzaamheden die normaliter worden verricht door het onderwijzend personeel onder te brengen in een nieuwe, boven formatieve functie: er is eenvoudigweg geen formatieruimte.

4.7

De rechtbank acht in dit verband het volgende van belang. Evegaars heeft in zijn rapport op deze onderbouwing voornamelijk met algemene uitgangspunten gereageerd en is onvoldoende concreet ingegaan op de uitgebreid onderbouwde standpunten van eiseres. Eiseres ontkent namelijk niet de juistheid van de door verweerder geformuleerde uitgangspunten, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat in deze concrete situatie, om diverse redenen, niet in redelijkheid van haar kan worden gevergd dat zij de werknemer plaatst in een functie van onderwijsassistente, dan wel op basis van de door de werknemer genoemde werkzaamheden een nieuwe functie creëert. Daarop is Evegaars niet concreet ingegaan. De enkele opmerking dat gelet op de grootte van eiseres in combinatie met de duur van het dienstverband het op de weg van eiseres lag om tot een herverdeling van onderwijstaken te komen en/of door een aanpassing van de lesroosters een duurzame hervatting van werknemer in spoor 1 te komen, acht de rechtbank te algemeen.

Verweerder heeft ook miskend dat eerst de vraag dient te worden beantwoord of eiseres voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, en daarna pas, als dit niet het geval blijkt te zijn, of eiseres hiervoor een deugdelijke grond had. Dit is ook als zodanig door verweerder op zitting onderkend. Doordat eiseres volgens verweerder onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat haar voortbestaan op het spel stond wanneer er een nieuwe functie zou moeten worden gecreëerd, is feitelijk de inhoudelijke beoordeling van de concrete re-integratie-inspanningen achterwege gebleven.

In dat kader overweegt de rechtbank nog dat verweerder met deze laatste stelling bovendien een verkeerde maatstaf heeft aangelegd. Volgens de Beleidsregels is de grens van wat in redelijkheid van de werkgever mag worden verlangd in ieder geval bereikt als de re-integratie-inspanningen het productieproces in gevaar zouden kunnen brengen of de bedrijfsvoering in financieel opzicht onevenredig zouden kunnen belasten. De rechtbank ziet dan ook niet in op welke grond verweerder meent de voorwaarde te kunnen stellen dat eiseres aannemelijk dient te maken dat haar voortbestaan op het spel staat als er een nieuwe functie wordt gecreëerd. Dat is een te vergaande eis.

4.8

Met de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende motivering heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in de eerste plaats onvoldoende gereageerd op de bezwaargronden van eiseres, zodat het bestreden besluit alleen daarom al niet in stand kan blijven. Daarnaast heeft verweerder evenmin voldaan aan het vereiste dat de CRvB stelt, dat deugdelijk en concreet moet worden onderbouwd waaruit de tekortkoming bestaat. Verweerder heeft immers in het geheel niet concreet onderbouwd waarom de (uitgebreide) onderbouwing van eiseres niet adequaat zou zijn en op basis waarvan het aannemelijk is dat er binnen de organisatie van eiseres re-integratiemogelijkheden waren die niet of onvoldoende zijn benut. Verweerder heeft de loonsanctie dan ook ten onrechte aan eiseres opgelegd.

4.9

Nu het beroep reeds om deze reden slaagt zal de rechtbank de overige beroepsgronden onbesproken laten.

5. Conclusie

5.1

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

5.2

De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien, en te bepalen dat het primaire besluit van 18 december 2014, waarbij de loonsanctie is opgelegd, wordt herroepen. Voorts bepaalt de rechtbank dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Dit betekent dat verweerder geen nieuw besluit hoeft te nemen op de bezwaren van eiseres.

5.3

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder voorts in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.980 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het besluit van 18 december 2014 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht groot € 331 aan haar vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.980.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C.E. Marechal, voorzitter, mr. E.C.G. Okhuizen en

mr. L. van de Berg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.B. Wichman, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 2 februari 2017

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.