Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:5880

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
13-11-2017
Datum publicatie
16-11-2017
Zaaknummer
05/760076-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer veroordeelt een militair voor het voorhanden hebben van illegaal vuurwerk, harddrugs en wapens tot een werkstraf voor de duur van 180 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/760076-17

Datum uitspraak : 13 november 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige militaire kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats]

raadsvrouw: mr. T.S.S. Overes, advocaat te Leiden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 oktober 2017.

1A. Bevoegdheid meervoudige militaire kamer

Ten aanzien van de bevoegdheid van de meervoudige militaire kamer met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde overweegt de militaire kamer ambtshalve als volgt.

Het tenlastegelegde onder 1 betreft een verdenking die strafbaar is gesteld krachtens artikel 1a van de Wet op de economische delicten (WED). In beginsel is op grond van artikel 38, eerste lid, van de WED de meervoudige economische kamer bevoegd van economische delicten kennis te nemen. Op de pleegdatum van 30 november 2016 was verdachte evenwel als militair bij het beroepspersoneel van de krijgsmacht aangesteld. Op grond van artikel 2 van de Wet militaire strafrechtspraak is de meervoudig militaire kamer bevoegd tot kennisneming in eerste aanleg van strafbare feiten, begaan door militairen. Ingevolge het bepaalde in het vierde lid van dit artikel strekt deze rechtsmacht zich eveneens uit over de strafbare feiten omschreven in de WED.

De meervoudige militaire kamer is dan ook bevoegd tot kennisneming van het onder 1 ten laste gelegde.

1B. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 30 november 2016, in de gemeente Veenendaal, al dan niet opzettelijk,

een hoeveelheid professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, te weten:

- ( ongeveer) 4 stuks, althans een aantal, flowerbeds (aangeduid als Triplex TXB694 en/of TXB919 en/of TXB679 en/of Kometa P7969), voorhanden heeft gehad in één of meer personenauto's op een parkeerterrein van de Mc.Donalds gelegen aan of nabij de A12 te Veenendaal;

2.

hij op of omstreeks 01 december 2016 in de gemeente Arnhem (een) wapen(s) van categorie II onder 5°, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

3.

hij op of omstreeks 01 december 2016 in de gemeente Arnhem een of meer wapens van categorie I, onder 1, te weten een vlindermes, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

4.

hij op of omstreeks 01 december 2016 in de gemeente Arnhem opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 22,01 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Ten aanzien van feit 1

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 46;

- het proces-verbaal van onderzoek aan in beslag genomen vuurwerk, p. 49-63;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting.

Ten aanzien van feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 80;

- het proces-verbaal van expertise, p. 107;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting.

Ten aanzien van feit 3

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 79;

- het proces-verbaal van expertise, p. 107;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting.

Ten aanzien van feit 4

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 1 december 2016 lag in de woning van verdachte in Arnhem in de bovenste la van de vriezer een plastic zakje met een hoeveelheid amfetamine.2

Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie en de verdediging hebben verzocht verdachte vrij te spreken. Verdachte wist niet dat de amfetamine in zijn diepvries lag en hij ontkent dat de amfetamine van hem is. Aldus kan – bij gebrek aan andere bewijsmiddelen – niet worden bewezen dat verdachte de amfetamine opzettelijk voorhanden heeft gehad. Het is niet uit te sluiten dat een ander de amfetamine in de vriezer heeft gelegd, aldus de verdediging en de officier van justitie.

Beoordeling door de militaire kamer

De in de woning van verdachte aangetroffen amfetamine lag in de bovenste la van zijn vriezer. Deze vriezer stond niet in de keuken, maar in een aparte ruimte.3 De vriendin van verdachte heeft verklaard dat verdachte zijn eten doorgaans voor een week klaar maakte en altijd in de vriezer bewaarde.4 Verdachte heeft verklaard dat hij alleen in de woning woonde. Enkel zijn vriendin en zijn ouders hadden de sleutel van zijn woning.5

Gelet op deze feiten en omstandigheden acht de militaire kamer de verklaring van verdachte, dat hij niet wist van de amfetamine in zijn vriezer en dat de amfetamine niet van hem is, ongeloofwaardig.

Daarbij gaat de militaire kamer er allereerst van uit dat er geen aanwijzingen zijn dat de amfetamine in de vriezer is geplaatst door de vriendin of de ouders van verdachte. Voorts overweegt de militaire kamer dat - blijkens verdachte’s verklaring - kennelijk geen anderen in de woning van verdachte aanwezig waren zonder dat hijzelf ook aanwezig was. Verdachte heeft weliswaar aangegeven dat er wel eens anderen, in zijn aanwezigheid, bij hem in de woning kwamen, die de amfetamine wellicht in zijn vriezer hebben neergelegd, maar hij heeft niet meer duidelijkheid willen geven over wie die anderen zijn of van wie de amfetamine dan afkomstig zou kunnen zijn. Bovendien acht de militaire kamer niet aannemelijk dat een vreemde - zonder dat verdachte als bewoner daarvan op de hoogte is - een hoeveelheid (kostbare) amfetamine verbergt in een vriezer, die nota bene in een aparte ruimte staat, en het daar achterlaat.

Verdachte heeft voorts verklaard dat hij de bovenste lade van de vriezer nooit opende. Ook zijn vriendin heeft verklaard dat hij zijn maaltijden alleen maar in de twee onderste laden van zijn vriezer deed. Maar de militaire kamer overweegt dat verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het buiten gebruik laten van die ene lade waarin de amfetamine was verborgen. De militaire kamer acht ook dit onderdeel van de verklaring van verdachte niet geloofwaardig.

Naar het oordeel van de militaire kamer kan het dan ook niet anders zijn dan dat verdachte wist dat de amfetamine in zijn vriezer lag. De militaire kamer heeft dan ook op basis van de wettige bewijsmiddelen de overtuiging dat verdachte opzettelijk amfetamine voorhanden heeft gehad.

Nu de bewijsmiddelen over het precieze gewicht van de amfetamine onduidelijkheden laten bestaan, zal de militaire kamer slechts bewezen achten dat verdachte een hoeveelheid amfetamine voorhanden heeft gehad.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 30 november 2016, in de gemeente Veenendaal, al dan niet

opzettelijk, een hoeveelheid professioneel vuurwerk bestemd voor particulier

gebruik, te weten:

(ongeveer) 4 stuks, althans een aantal, flowerbeds (aangeduid als Triplex TXB694 en/of TXB919 en/of TXB679 en/of Kometa P7969), voorhanden heeft gehad in één of meer personenauto's op een parkeerterrein van de Mc Donalds gelegen aan of nabij de A12 te Veenendaal;

2.

hij op of omstreeks 01 december 2016 in de gemeente Arnhem (een) wapen(s) van

categorie II onder 5°, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische

stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden

toegebracht, voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 01 december 2016 in de gemeente Arnhem een of meer wapens

van categorie I, onder 1, te weten een vlindermes, voorhanden heeft gehad;

4.

hij op of omstreeks 01 december 2016 in de gemeente Arnhem opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 22,01 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1. van de Wet Milieubeheer, opzettelijk begaan.

Ten aanzien van feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie.

Ten aanzien van feit 3:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie.

Ten aanzien van feit 4:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de gevolgen voor verdachte groot zijn geweest. Verdachte dreigt zijn baan te verliezen bij defensie. Verdachte is onder andere daardoor erg angstig geworden en heeft veel zorgen gehad. Het is voor hem van belang dit af te kunnen sluiten. Verdachte is wel bezig met zijn leven weer op de rit te krijgen. De verdediging heeft in overweging gegeven om een lagere werkstraf op te leggen dan is geëist door een deel van de werkstraf voorwaardelijk op te leggen.

Beoordeling door de rechtbank

De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 14 september 2017.

De militaire kamer overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft voor zichzelf en voor anderen een grote hoeveelheid illegaal, zwaar vuurwerk gekocht. Verdachte heeft het vuurwerk vervolgens in zijn auto meegenomen en heeft op een parkeerplaats een deel van het vuurwerk aan een andere man gegeven. De militaire kamer neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij illegaal zwaar vuurwerk heeft gekocht, vervoerd en afgeleverd. Dat geldt temeer omdat verdachte zelf brandweerman is en – zoals hij ter zitting ook heeft aangegeven – kennis draagt van de gevaren van dit soort vuurwerk en de regels daaromtrent. Het vuurwerk dat verdachte heeft gekocht was zelfs zo zwaar dat het letsel zou kunnen veroorzaken, vergelijkbaar met explosieven. Verdachte heeft ook bijgedragen aan de verspreiding van dergelijk gevaarlijk vuurwerk. Verder blijkt uit de verklaring van verdachte dat dit niet de eerste keer was dat hij zich heeft ingelaten met dergelijk illegaal vuurwerk. Daarnaast had verdachte wapens en drugs in huis gehad. De militaire kamer is van oordeel dat het bezit van met name het stroomstootwapen ernstig is, nu het hier ging om een wapen dat was vermomd als zaklamp. Amfetamine is een harddrug waarvan algemeen bekend is dat het gebruik ervan ernstige gevolgen voor de volksgezondheid meebrengt. De militaire kamer neemt het verdachte kwalijk dat hij dergelijke gevaarlijke voorwerpen en stoffen in zijn bezit had. Daar komt nog bij dat verdachte, als militair, weet wat de gevolgen van het bezit van dergelijke wapens en de drugs kunnen zijn.

De militaire kamer houdt er ten gunste van verdachte rekening mee dat verdachte het vuurwerk niet thuis heeft bewaard. Ware dat wel zo geweest dan hadden de gevolgen wellicht veel groter geweest. De militaire kamer houdt er ook rekening mee dat de verdachte zijn baan bij defensie zal verliezen en dat hij niet eerder voor een strafbaar feit door een rechter is veroordeeld. De militaire kamer vindt dan ook, alles afwegend, een werkstraf voor de duur van 180 uren passend en geboden. Dit is een hogere straf dan is geëist door de officier van justitie, maar de militaire kamer acht ook feit vier wettig en overtuigend bewezen. Bovendien is de militaire kamer van oordeel dat voor het voorhanden hebben van een dergelijke hoeveelheid zwaar en illegaal vuurwerk een hogere straf passend is dan geëist.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op

  • -

    de artikelen 22c, 22d, 27, 91 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    de artikelen 2, 13, 26, 55 en 56 van de Wet wapens en munitie;

  • -

    de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

  • -

    artikel 9.2.2.1. van de Wet milieubeheer;

  • -

    artikel 1.2.2. van het Vuurwerkbesluit;

  • -

    de artikelen 2, 10 en 13 van de Opiumwet.

9 De beslissing

De militaire kamer:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot het verrichten van een werkstraf gedurende 180 (honderdtachtig) uren.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 90 (negentig) dagen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht, te weten 2 (twee) uren, zijnde 1 (één) dag hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Quak (voorzitter), mr. J. Barrau, rechter, en kapitein ter zee logistieke dienst mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. M.G.A. Luijckx, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op

13 november 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] , wachtmeester der Koninklijke Marechaussee, district West, Brigade Utrecht, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL27WU/17-000231, gesloten op 9 maart 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 80; proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 117; schriftelijke bescheid, inhoudende een rapport douane laboratorium d.d. 5 januari 2017, p. 120.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 80.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 121.

5 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.