Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:5826

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
14-11-2017
Datum publicatie
14-11-2017
Zaaknummer
05/740137-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor plegen van ontuchtige handelingen, mede bestaande uit het seksueel binnendringen, met een persoon tussen de twaalf en zestien jaren. Ontkennende verdachte. Steunbewijs voor de aangifte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/740137-16

Datum uitspraak : 14 november 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] 1977 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,

raadsman: mr. A. Winters, advocaat te Boxmeer.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 januari 2017, 7 maart 2017, 27 juni 2017 en 31 oktober 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij (op één of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 15

augustus 2015 tot en met 15 oktober 2016 te Groesbeek, in ieder geval in

Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] , buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , door geslachtsgemeenschap met haar te hebben en/of met haar te tongzoenen, terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij (op één of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 15 augustus 2015 tot en met 15 oktober 2016 te Groesbeek, in ieder geval in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] , buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd door met die [slachtoffer] te tongzoenen, terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

In de periode van 15 augustus 2015 tot en met 15 oktober 2015 hebben verdachte en [slachtoffer] meerdere keren met elkaar getongzoend in de horecagelegenheid van verdachte in Groesbeek.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primaire feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte en aangeefster geslachtsgemeenschap met elkaar hebben gehad. De verklaring van aangeefster is niet betrouwbaar en wordt niet gesteund door ander bewijs.
De raadsman heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het tongzoenen geen seksueel binnendringen, zoals primair ten laste gelegd, kan opleveren maar hoogstens het subsidiair tenlastegelegde plegen van ontuchtige handelingen.

Beoordeling door de rechtbank

De beoordeling van zedenmisdrijven kenmerkt zich door het feit dat in de regel slechts twee personen aanwezig zijn bij de veronderstelde seksuele handeling: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader. Indien deze veronderstelde dader de seksuele handeling ontkent, zoals in deze zaak ten dele het geval is, is als direct bewijs in de regel slechts de verklaring van het veronderstelde slachtoffer beschikbaar. De enkele verklaring van één getuige is echter onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen ingevolge artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in de zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

In deze zaak verklaart aangeefster dat het in de avond, rond 15 september 2015, verder is gegaan dan tongzoenen tussen haar en verdachte. Zij verklaart daarover dat zij eten moest brengen naar de persoon die boven het café van verdachte woont, waar zij toen werkzaam was. Verdachte had aan haar eerder op die avond al signalen gegeven dat hij meer van haar wilde. Toen aangeefster het eten boven had gebracht stond verdachte ineens achter haar en vanaf dat moment ging het heel snel. Verdachte wenkte haar mee richting de badkamer, terwijl zij zoenden. Eenmaal in de badkamer deed hij haar broek omlaag en ging zijn piemel in haar vagina. Daarbij stond verdachte achter haar. Dat duurde twee minuten en verdachte was niet klaargekomen. Ze hadden geen condoom gebruikt. Verdachte had al twee keer eerder geprobeerd om seks te hebben met haar. Verder verklaart aangeefster dat ze van verdachte tegen niemand mocht zeggen dat ze seks hadden gehad en dat ze bij confrontatie alleen zouden zeggen dat ze hadden gekust. Aangeefster heeft het verhaal uiteindelijk wel verteld tegen haar ouders en tegen haar ex-vriend. De reden dat zij als datum 15 september 2015 inschat als de datum waarop het is gebeurd is dat zij 10 september ongesteld was en dat meestal vier of vijf dagen duurt. De dag dat ze seks hadden, was zij niet meer ongesteld.3

De ex-vriend van aangeefster is als getuige gehoord. Hij verklaart dat aangeefster tegen hem gezegd heeft dat verdachte al twee keer had aangedrongen tot seks, maar dat zij dat had afgeslagen. De keer dat ze wel seks hadden gehad, was zij boven het café eten gaan brengen. Verdachte was toen achter haar aangegaan en had haar meegenomen naar de badkamer. Daar had aangeefster de seks laten gebeuren. Het was “broek uit, er in en er uit en broek aan”. Het is één keer gebeurd, midden september 2015. Ze hadden geen condoom gebruikt.4

De vader van aangeefster is ook als getuige gehoord. Hij verklaart dat de ex-vriend van aangeefster had verteld dat zij en verdachte een relatie hadden. Op een gegeven moment heeft de getuige een gesprek met aangeefster gevoerd waarbij aangeefster vertelde dat er naast een kus ook seks was geweest. Zij vertelde daarover dat de seks plaats had gevonden op 15 september 2015, één dag na haar ongesteldheid. Die dag was zij al twee keer benaderd door verdachte, wat zij had afgewezen. Later moest aangeefster eten brengen naar de persoon die boven het café woont. Verdachte had haar opgewacht en haar de badkamer in gewenkt. Ze moest zich omdraaien en toen heeft hij haar geneukt . Dit was zonder condoom gebeurd.5

Aan het dossier zijn ook afdrukken van WhatsApp-conversaties toegevoegd die tussen verdachte en aangeefster hebben plaatsgevonden.

Uit deze afdrukken volgt dat verdachte op 15 september 2015 vraagt of aangeefster de volgende dag wil komen werken. Zij spreken dan af dat zij op 16 september 2015 komt werken.6

Op 17 september 2015 stuurt aangeefster een bericht naar verdachte met de volgende inhoud: “Heb je er spijt van [verdachte] ”? Verdachte antwoordt daarop: “Het is de leeftijd [slachtoffer] ”.7
Aangeefster stuurt op 21 september 2015 naar verdachte: “Maar hoe moet ik nou weten of dat ene wel tussen ons blijft [verdachte] ?”. Daar antwoordt verdachte op: “Geloof me dat hou ik bij me”.8

In een andere schermafdruk is het volgende te lezen dat is gezegd door verdachte:
“ [naam 1] en ik gaan het weer probere”
“Sorry”
(…)
“En ik heb het vertelt”
“Maar ze zegt verder niks”
(…)
“Maar dat we half sex hebben gehad heb ik ni gezegd”9

De rechtbank overweegt als volgt.
Door de getuigen wordt het verhaal van aangeefster op essentiële punten bevestigd: de datum waarop de geslachtsgemeenschap plaats zou hebben gevonden, de situatie die aan de seks vooraf ging, de twee eerdere pogingen die verdachte zou hebben ondernomen om seks te hebben met aangeefster, de duur en aard van de seks en het feit dat er geen condoom is gebruikt. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaringen weliswaar op zich niet voldoende zijn om als aanvaardbaar steunbewijs te kunnen dienen nu het gaat om verklaringen van horen zeggen, maar deze zijn wel mede dragend voor het betrouwbaarheidsoordeel dat de rechtbank dient te geven ten aanzien van de verklaring van aangeefster.

De rechtbank vindt wel aanvaardbaar direct steunbewijs in de aangehaalde WhatsApp-conversaties. Deze conversaties bevestigen de aangifte naar het oordeel van de rechtbank op delen die zien op de kern van de tenlastelegging om de volgende redenen:

- aangeefster geeft aan dat het ongeveer 15 september 2015 moet zijn geweest dat zij werkte bij verdachte en zij seks hebben gehad. Volgens de WhatsApp-conversatie heeft zij op

16 september 2015 gewerkt;

- de dag daarna, op 17 september 2015, is er voor de verdachte blijkens de WhatsApp-conversatie een reden om ergens spijt van te hebben dat volgens hem met de leeftijd van aangeefster te maken heeft. Het leeftijdsverschil tussen hem en aangeefster is 23 jaar;

- een paar dagen daarna, op 21 september 2015 spreken verdachte en aangeefster over dat “dat ene” wel tussen hun moet blijven waarbij verdachte zegt dat hij daarvoor wel zorgt. In haar aangifte verklaart aangeefster dat zij hadden afgesproken dat zij niet zouden vertellen dat zij seks hadden gehad, maar alleen zouden zeggen dat zij elkaar een kus hadden gegeven;

- op de schermafdrukken is leesbaar dat verdachte een bericht stuurt dat hij zijn toenmalige vriendin niet heeft verteld dat hij en aangeefster “halve seks” hebben gehad. Dit strookt allereerst met de afspraak waar aangeefster over verklaart, dat zij niet zouden vertellen over de seks, alleen over kussen, en ten tweede strookt dit met de omschrijving van aangeefster over de seks: dat het maar even duurde en dat verdachte niet klaar is gekomen.


Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en voldoende wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal. De rechtbank verwerpt het betrouwbaarheidsverweer van de raadsman dus.

Dit betekent dat de rechtbank het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen acht. Ook de ten laste gelegde tongzoen plaatst de rechtbank binnen het primair tenlastegelegde. Ieder lichamelijk binnendringen met een seksuele strekking valt daaronder en in deze zaak is dat met een afgedwongen tongzoen – afgedwongen vanwege het gezag dat verdachte over aangeefster had nu zij zijn werknemer was die 23 jaar jonger was – aan de orde.
De rechtbank gaat in haar bewezenverklaring uit van een kortere periode dan aan verdachte ten laste is gelegd.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij (op één of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 15

augustus 2015 tot en met 15 oktober 2015 te Groesbeek, in ieder geval in

Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] , buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , door geslachtsgemeenschap met haar te hebben en/of met haar te tongzoenen, terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van

2 jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandelverplichting voor verdachtes verslavingsproblematiek en persoonlijkheidsproblematiek, een opname in een instelling voor begeleid wonen, een contactverbod met aangeefster en

[naam 2] en het meewerken aan een zinvolle dagbesteding en budgetbeheer.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandelverplichting en een contactverbod met aangeefster, in combinatie met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur dat verdachte heeft vastgezeten.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 21 september 2017;

- een reclasseringsadvies van IrisZorg, gedateerd 28 oktober 2016.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met het slachtoffer. Deze ontuchtige handelingen hebben eruit bestaan dat verdachte het slachtoffer meerdere keren heeft getongzoend en één keer geslachtsgemeenschap met haar heeft gehad. Door zijn handelen heeft de verdachte de lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer ernstig geschonden. De verdachte heeft daarbij misbruik gemaakt van de kwetsbare positie waarin het slachtoffer zich bevond en de verantwoordelijkheid die hij had moeten nemen volkomen genegeerd. Zij was zijn werkneemster en bovendien 23 jaar jonger dan verdachte. Het slachtoffer heeft dit als zeer ingrijpend ervaren, zoals ook is gebleken uit de door haar ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring.

Met dit als seksuele ervaring, die zonder het gebruik van een condoom en dus ook nog eens onveilig plaatsvond, heeft verdachte een vrijelijke psychoseksuele ontwikkeling van het slachtoffer geschaad. Dit neemt de rechtbank verdachte bijzonder kwalijk.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank enkel een gevangenisstraf van 12 maanden passend. De rechtbank zal deze straf voor een gedeelte van 9 maanden voorwaardelijk opleggen. De rechtbank zal daar de standaard proeftijd van 3 jaren aan verbinden, nu zij geen reden ziet om daarvan af te wijken.

Ten aanzien van de bijzondere voorwaarden zal de rechtbank enkel overgaan tot het opleggen van de meldplicht, de ambulante behandelverplichting bij zowel de verslavingskliniek als de psychiatrische kliniek en het contactverbod met aangeefster. De rechtbank laat het aan de reclassering over of en zo ja, in hoeverre, de bijzondere voorwaarden van het verlenen van medewerking aan een dagbesteding en budgetbeheer noodzakelijk zijn. Ten aanzien van de bijzondere voorwaarde van opname in een instelling voor begeleid wonen is de rechtbank niet gebleken van de noodzaak en zij ziet van oplegging van die voorwaarde dan ook vanaf.

De rechtbank zal de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht in mindering brengen op de op te leggen straf.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezen verklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 23.270,05 bestaande uit € 15.770,05 aan materiële schade (gederfde inkomsten en studievertraging) en € 7.500,= aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 136 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat het causaal verband tussen de materiële schade en het tenlastegelegde niet vast te stellen is en dat de vordering wat dat betreft moet worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat het beoordelen van de vordering voor zover het de materiële schade betreft een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en de benadeelde partij daarom in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De raadsman heeft verder gesteld dat de gevraagde vergoeding voor immateriële schade aanzienlijk moet worden gematigd.

Beoordeling door de rechtbank

De raadsman heeft gesteld dat het causaal verband tussen het bewezenverklaarde en het tenlastegelegde niet vast te stellen is, nu meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de opname van de benadeelde partij waardoor zij niet meer kon werken.

De rechtbank overweegt daarover als volgt. Uit het dossier komt naar voren dat er, zoals de verdediging met juistheid heeft aangevoerd, mogelijk ook andere omstandigheden zijn - dan het bewezen verklaarde feit - die ten grondslag liggen aan de opname van aangeefster in centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie [naam 3] te [plaatsnaam] gedurende negen maanden (in in welke periode de benadeelde partij niet heeft kunnen werken). De aangifte en het onderzoek door de politie van het ten laste gelegde – en bewezen verklaarde – handelen van verdachte zijn echter de directe aanleiding geweest voor de opname. Op dat moment begint de schade te ontstaan en dat is voor de rechtbank leidend. Voor deze schade acht de rechtbank verdachte dan ook naar burgerlijk recht aansprakelijk.

De materiële schade
Ten aanzien van de schadepost [naam 4] van € 375,05 betekent dit dat de rechtbank deze post zal toewijzen. Die schade vloeit rechtstreeks voort uit het bewezen misdrijf en is daaraan ook geheel toe te rekenen.

Ten aanzien van de schadepost [naam 5] betekent dit het volgende. De benadeelde partij heeft bij de vordering een termijn van 9,5 maanden gehanteerd. Nu het restaurant na januari 2016 is gesloten, zal de rechtbank een termijn van 3,5 maanden aanhouden. De toe te wijzen vergoeding komt dan neer op € 735,- (3,5 maanden x 60 werkuren per maand x € 3,50 uurloon).

Voor het meer gevorderde ten aanzien van deze schadepost zal de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk worden verklaard.


De schadepost die ziet op studievertraging acht de rechtbank voldoende onderbouwd en daarmee aannemelijk.

De rechtbank zal vergoeding van deze schade tot een bedrag van € 13.400,- dan ook toewijzen.

Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Aan de wettelijke vereisten voor toekenning van smartengeld is voldaan. Gelet op de aard en de ernst van de door verdachte teweeggebrachte schadeveroorzakende gedragingen en de gevolgen daarvan voor benadeelde partij – getuige haar slachtofferverklaring en wat in de vordering met bijlagen is vermeld – kent de rechtbank naar billijkheid een bedrag van € 2.500,00 aan smartengeld toe. Hierbij heeft de rechtbank rekening gehouden met bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen en zich beperkt tot (voor zover thans in te schatten) het deel van de schade dat in elk geval aan verdachte valt toe te rekenen.

Wat betreft het meer of anders gevorderde aan immateriële schadevergoeding zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering, nu voor de behandeling van dat deel van de vordering een nadere onderbouwing nodig is. Dit levert een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 15 september 2015, zijnde de datum die in het midden van de bewezen verklaarde periode gelegen is.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 57 en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het feit, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 9 (negen) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich uiterlijk binnen 3 werkdagen na het onherroepelijk worden

van dit vonnis zal melden bij Reclassering IrisZorg aan de Tarweweg 20 te Nijmegen en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect –

contact zal opnemen, zoeken of hebben met mw. [slachtoffer] ,

geboren op [geboortedatum 2] ;

- indien de reclassering dit nodig acht, gedurende de proeftijd zich onder behandeling zal laten stellen van polikliniek Iriszorg Nijmegen, of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, in het kader van een verslavingsbehandeling/FACT, waarbij de veroordeelde zich

zal houden aan de aanwijzingen van de instelling/behandelaar. Ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek behoort een kortdurende klinische opname tot de mogelijkheden gedurende het eerste jaar van de proeftijd. Deze korte klinische opname kan plaatsvinden binnen het behandeltraject, met een maximale duur van 7 weken;

- indien de reclassering dit nodig acht, gedurende de proeftijd zich onder behandeling zal laten stellen van forensische psychiatrische polikliniek Kairos, of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, voor zijn

persoonlijkheidsproblematiek en/of het afnemen van een delictanalyse, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen van de instelling/behandelaar, ook indien dit inhoudt het meewerken aan diagnostiek en de daaruit voortvloeiende behandeling;

- indien de reclassering het nodig acht,

medewerking zal verlenen aan budgetbeheer en/of dagbesteding.

- Geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

  • -

    verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 17.010,05 (zeventienduizend tien euro en vijf eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] een bedrag te betalen van €17.010,05 (zeventienduizend tien euro en vijf eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 111 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.C.P. Goossens (voorzitter), mr. K.A.M. van Hoof en mr. E.G.J. Broekhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Diebels, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 november 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost- Nederland, Dienst Regionale Recherche, afdeling Thematische Opsporing, Team Zeden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015585955, gesloten op 17 februari 2016, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 37, en het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 118.

3 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 37-41.

4 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 6] , p. 92.

5 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 7] , p. 85-86.

6 De bijgevoegde WhatsApp chatconversaties, p. 66.

7 De bijgevoegde WhatsApp chatconversaties, p. 67 en 68.

8 De bijgevoegde WhatsApp-chatconversaties, p. 74.

9 De bijgevoegde schermafdruk van WhatsApp chatconversatie, p. 46.