Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:5814

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
13-11-2017
Datum publicatie
28-11-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 83
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wajong hoofdstuk 1a. Stappenplan volgens het Compendium Participatiewet. Verweerder heeft in beroep pas inzichtelijk gemaakt dat eiser in de toekomst basale werknemersvaardigheden kan ontwikkelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Bestuursrecht

zaaknummer: 17/83

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2017

in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: M.B.M. Buitenhuis),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Zwolle, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) afgewezen.

Bij besluit van 1 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2017. Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde, vergezeld van [naam 1] en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door E. van den Brink.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser, geboren op [geboortedatum] 1998, heeft autisme, subtype MCDD en een disharmonisch ontwikkelingsprofiel (significant verschil tussen verbale en performale intelligentie). Eiser woonde onder begeleiding samen met vijf andere jongeren in een woongroep van [zorggroep] te [plaats] . Vanuit daar is eiser in september/oktober 2016 verhuisd naar een studio, alwaar hij alleen woont en aanspraak kan maken op zorg vanuit [zorggroep] . Eiser gaat voor dagbesteding via [zorggroep] regelmatig naar de [bedrijf] , een groenbedrijf. Daar verricht hij onder begeleiding hovenierswerkzaamheden. Voor eiser is op 7 april 2016 een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering. Vervolgens heeft de besluitvorming plaatsgevonden, zoals weergegeven in het procesverloop van deze uitspraak.

2. Verweerder heeft eiser geen Wajong-uitkering toegekend. Verweerder heeft aan de weigering ten grondslag gelegd dat eiser niet beschikt over duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen). Verweerder erkent dat eiser thans geen arbeidsvermogen heeft omdat hij niet beschikt over basale werknemersvaardigheden, maar volgens verweerder is het mogelijk dat eiser dit in de toekomst nog kan ontwikkelen door training en begeleiding. Aan dit standpunt ligt een medisch en arbeidskundig onderzoek ten grondslag.

3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij duurzaam geen arbeidsvermogen heeft en dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel.

Eiser betwist dat hij basale werknemersvaardigheden in de toekomst nog kan ontwikkelen. Hij is daartoe niet in staat. Hij stelt dat zijn gedrag niet deels leeftijd gerelateerd is (adolescente gedrag), maar geheel voortkomt uit zijn medische problematiek. Dat geldt ook voor het niet op tijd kunnen komen en geen hand geven. Verweerder heeft niet onderbouwd welke mogelijkheden hij heeft tot ontwikkeling van basale werknemersvaardigheden in de toekomst.

4. In geschil is of bij eiser op de dag dat hij achttien jaar werd, [datum] 2016, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek duurzaam geen sprake was van arbeidsvermogen. Hierbij is niet in geschil dat eiser ten tijde van de beoordeling door de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen en op het moment van zijn achttiende jaar geen arbeidsvermogen had, omdat hij niet beschikt over basale werknemersvaardigheden. Alleen de duurzaamheid van de afwezigheid van arbeidsvermogen houdt partijen verdeeld.

5. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong wordt onder jonggehandicapte verstaan, degene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Op grond van het vierde lid van dit artikel wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen. De beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie wordt op grond van het zesde lid van dit artikel gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en voor zover nodig een arbeidskundig onderzoek.

6. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) heeft betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in de artikelen 1a:1, eerste lid, 2:4, eerste lid, en 3:8a, eerste lid, van de Wajong, indien hij:

a. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;

b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;

c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of

d. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.

7. Bij de beoordeling van de duurzaamheid van geen arbeidsvermogen zijn de voorwaarden, vermeld in artikel 1a, eerste lid, onder a tot en met d, van het Schattingsbesluit van belang. Wordt aan één van de vier voorwaarden door een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling niet voldaan, dan is geen sprake van arbeidsvermogen en moet vervolgens de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen worden beoordeeld. Het duurzaam niet hebben van arbeidsvermogen betekent dat het arbeidsvermogen noch door medisch herstel noch door training (bijvoorbeeld scholing) kan verbeteren (ontwikkelen).

8. Niet in geschil is dat de medische situatie van eiser stabiel is en dus niet zal verbeteren. Het geschil in deze zaak is beperkt tot de vraag of eiser in de toekomst arbeidsvermogen zal kunnen ontwikkelen door het ontwikkelen van de thans ontbrekende basale werknemersvaardigheden.

9. Het medisch onderzoek van verweerder is vastgelegd in de rapporten van de verzekeringsarts J.G. Waanders van 26 mei 2016 en 14 juni 2016 en van de verzekeringsarts bezwaar en beroep M. Bakker van 16 november 2016. Het arbeidskundig onderzoek van verweerder is vastgelegd in de rapporten van arbeidsdeskundige G. Daniëls van 21 juni 2016 en van arbeidsdeskundige bezwaar en beroep I.J.M. IJsseldijk van 28 november 2016.

10. Op basis van voormelde onderzoeken heeft verweerder geconcludeerd dat geen sprake

is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen, omdat nog ontwikkeling wordt verwacht ten aanzien van het kunnen beschikken over basale werknemersvaardigheden.

11. De rechtbank stelt voorop dat verweerder besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen en arbeidskundigen, wanneer deze rapporten op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende begrijpelijk zijn. De rapportages en de daarop gebaseerde besluiten zijn in beroep wel aanvechtbaar. Gelet op artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het echter aan eiser om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapportages niet aan de genoemde eisen voldoen of de medische beoordeling onjuist is.

Dit kunnen ook niet medisch geschoolden doen, maar voor het aannemelijk maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapportage van een arts noodzakelijk.

De rechtbank verwijst naar de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zoals de uitspraak van 29 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4449.

12. De verzekeringsartsen hebben in het onderzoek vastgesteld dat eiser op medische gronden wel arbeidsvermogen heeft, omdat hij ondanks zijn medische beperkingen op mentaal en sociaal emotioneel gebied 4 uur per week belastbaar is en 1 uur aaneengesloten kan werken.

Zij hebben in overleg met de arbeidsdeskundigen vastgesteld dat eiser op arbeidskundige gronden geen arbeidsvermogen heeft, omdat hij thans niet beschikt over basale werknemersvaardigheden om een taak te kunnen uitvoeren in een arbeidsorganisatie. Hij is niet in staat om afspraken met de werkgever na te komen. Hij kan niet op tijd komen en kan iemand geen hand geven. Hij is aangewezen op adequate en zeer intensieve persoonlijke begeleiding die hem op een begripvolle en tactvolle manier aanstuurt. Volgens de verzekeringsartsen en de arbeidsdeskundigen kan eiser met training en begeleiding de basale werknemersvaardigheden wel verder ontwikkelen in de toekomst en daardoor een taak uitvoeren binnen een arbeidsorganisatie. Zij zijn die mening toegedaan omdat eiser een adolescente man is, waarbij een deel van zijn gedrag toe is te schrijven aan leeftijd gerelateerd gedrag, naast het gedrag dat voortkomt uit zijn aandoeningen. Hij is door zijn jonge leeftijd (18 jaar) nog niet volledig ontwikkeld en nog lerende. Hij kan daardoor nog verder groeien en rijpen, zodat er geen sprake is van een duurzame situatie.

13. Daartegenover voert eiser aan dat het ontbreken van basale werknemersvaardigheden, zoals het niet op tijd kunnen komen en geen hand geven niet zijn toe te schrijven aan adolescente gedrag, maar geheel hun oorzaak vinden in zijn medische problematiek en dan met name zijn autisme. Door zijn autisme kan hij anderen niet aanraken. Daarin speelt ook de smetvrees van eiser en het niet vertrouwen van andere mensen een rol. Het niet op tijd komen is geen adolescente gedrag, omdat eiser altijd al moeite heeft gehad met tijdigheid zoals blijkt uit navraag bij zijn ouders. Een typisch fenomeen bij autisme is dat zich problemen in de planning kunnen voordoen. Planning van activiteiten is een groot probleem voor eiser omdat hij andere prioriteiten heeft door zijn autisme. In zijn dagelijkse leven heeft eiser moeite met het inschatten van tijd. Door verweerder wordt erkend dat eisers medische situatie niet wezenlijk zal veranderen. Hierdoor is hij niet in staat om basale werknemersvaardigheden in de toekomst te ontwikkelen naar mate hij ouder wordt. Eiser heeft zijn standpunt onderbouwd met praktijkvoorbeelden van zijn gedrag, de zienswijze van zijn begeleiders en behandelaars, algemene informatie over autisme en verschillende medische onderzoeksrapporten naar zijn autisme. In beroep heeft eiser informatie van zijn werkbegeleider [naam 3] bij de [bedrijf] ingebracht. De werkbegeleider heeft kort samengevat het volgende verklaard: eiser kan door zijn autisme moeilijk uit bed komen. Door autisme is eiser vatbaar voor verslaving. Eiser heeft een gameverslaving. Eiser heeft geen besef van tijd. Hij gaat tot midden in de nacht door met games spelen en is dan de volgende ochtend te moe om op te staan. Constante begeleiding en aanpassen van de werkzaamheden zijn vereist om eiser een zinvolle dagbesteding te gunnen. In de tijd (1,5 jaar) dat eiser bij [bedrijf] werkzaam is, is weinig of geen groei in zijn vermogen tot arbeid te zien.

14. Naar het oordeel van de rechtbank ligt aan het bestreden besluit een voldoende zorgvuldig onderzoek ten grondslag. Hierbij is van belang dat het besluit gebaseerd is op zowel een medisch als arbeidskundig onderzoek naar het arbeidsvermogen van eiser, waarbij alle beschikbare (medische) informatie over eiser op een deugdelijke en kenbare wijze is betrokken bij de beoordeling. Dat geldt zowel voor de informatie van de begeleiders van eiser als voor de aanwezige informatie uit de behandelend sector. Ook is eiser zelf onderzocht door de primaire verzekeringsarts en zijn de onderzoeksbevindingen door de verzekeringsartsen bij hun beoordeling betrokken. Er is geen reden om aan te nemen dat de verzekeringsartsen aspecten van de gezondheidstoestand van eiser hebben gemist. Ook is niet gebleken dat de arbeidsdeskundigen bepaalde arbeidskundige informatie ten onrechte niet hebben betrokken en is evenmin gebleken dat het onderzoek anderszins onzorgvuldig is geweest. De beroepsgrond faalt.

15. Vervolgens dient beoordeeld te worden of in de rapporten van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd dat de afwezigheid van arbeidsvermogen bij eiser niet duurzaam is, omdat hij in staat wordt geacht in de toekomst de thans nog ontbrekende basale werknemersvaardigheden te ontwikkelen door middel van training en begeleiding.

16. Voor de beoordeling of iemand voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van een Wajong-uitkering op grond van hoofdstuk 1a van de Wajong maakt verweerder gebruik van de Sociaal Medische Beoordeling Arbeidsvermogen (SMBA)-systematiek. Voor de toepassing van de SMBA-systematiek heeft verweerder het ‘Compendium Participatiewet’ (Compendium) ontwikkeld. Blijkens de toelichting betreft dit Compendium deels een werkinstructie/naslagwerk en deels een beschrijving van verweerders beleid. In Bijlage 1 (‘Duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen’) van het Compendium is het beoordelingskader van het aspect duurzaamheid opgenomen. Volgens de inleiding van deze Bijlage 1 betreft het een hulpmiddel voor verzekeringsarts en arbeidsdeskundige om te bepalen of er al dan niet sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. Bij de oordeelsvorming wordt het volgende stappenplan gebruikt.

Stap 1: De verzekeringsarts stelt vast of er sprake is van een progressief ziektebeeld.

Als het antwoord bevestigend is, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.

Stap 2: De verzekeringsarts stelt vast of de situatie van cliënt aan beide volgende voorwaarden voldoet:

- er is sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden;

- de aandoening is zodanig ernstig dat geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht.

Als aan deze beide voorwaarden wordt voldaan, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam.

De beoordeling is afgerond.

Stap 3: De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige stellen in gezamenlijk overleg vast of het ontbreken van arbeidsvermogen van de cliënt duurzaam is. Zij betrekken daarbij tenminste de volgende aspecten in onderlinge samenhang:

- het al dan niet ontbreken van mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid;

- het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot verdere ontwikkeling;

- het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot toename van bekwaamheden.

Op grond van hun gezamenlijk overleg concluderen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige of het arbeidsvermogen al dan niet duurzaam ontbreekt. De beoordeling is afgerond.

In de toelichting bij stap 3 wordt opgemerkt dat indien niet aan de voorwaarden van de stappen 1 en 2 wordt voldaan, niet uitsluitend op verzekeringsgeneeskundige gronden een uitspraak over het al dan niet duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen kan worden gedaan. In dat geval zal ook een arbeidsdeskundig oordeel over de vraag of verdere ontwikkeling van bekwaamheden mogelijk is, bij de oordeelsvorming moeten worden betrokken. Het gaat daarbij om het samenspel van (de ontwikkeling van) de belastbaarheid en de bekwaamheden. Voorts is op bladzijde 73 van het Compendium vermeld dat de verzekeringsarts en/of de arbeidsdeskundige hun bevindingen met betrekking tot het al dan niet duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen vastleggen in hun rapportage en dat zij daarin inhoudelijk verwijzen naar de stappen zoals beschreven in dit beoordelingskader.

17. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit (en de daaraan ten grondslag liggende rapportages) onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd waarom het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is. De verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen hebben slechts in algemene zin overwogen dat eiser met training en begeleiding basale werknemersvaardigheden in de toekomst verder kan ontwikkelen. Volgens hen is eiser daartoe in staat omdat hij door zijn jonge leeftijd nog niet volledig is uit ontwikkeld en daardoor nog verder kan groeien en rijpen. Uit deze overweging blijkt in de eerste plaats niet dat zij het stappenplan uit het Compendium hebben gevolgd en welke de conclusies waren bij de afzonderlijke stappen. Uit het stappenplan volgt dat de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen bij het zetten van de derde stap in kaart hadden moeten brengen over welke bekwaamheden eiser ten tijde van belang beschikte en welke ontwikkeling daarin eventueel te verwachten was. In het bijzonder had verweerder moeten onderbouwen waarom hij van oordeel is dat eiser in de toekomst kan beschikken over basale werknemersvaardigheden. Hierbij is van belang dat eiser aanvoert dat hij vanwege zijn beperkingen blijvend niet beschikt over basale werknemersvaardigheden. Dat in het algemeen een 18-jarige nog niet volledig is ontwikkeld en lerende is en dat daardoor verdere groei en rijping is te verwachten, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet toegesneden op de situatie van eiser. Dit betekent niet zonder meer dat ook eiser, met zijn specifieke medische problematiek, zich verder kan ontwikkelen wat betreft het aanleren van basale werknemersvaardigheden.

18. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Dit betekent dat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb wordt vernietigd. De rechtbank ziet echter aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten.

19. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de aanvullende rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep Bakker van 16 februari 2017 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep IJsseldijk van 6 maart 2017 er in is geslaagd het motiveringsgebrek te herstellen. In deze aanvullende rapportages, in reactie op de aangevoerde beroepsgronden, is voldoende geconcretiseerd waarom niet is uit te sluiten dat eiser in de toekomst wel over basale werknemersvaardigheden zal kunnen beschikken.

20. Volgens Bakker komen in de beroepsgronden en de bijlagen geen nieuwe medische gegevens naar voren om af te wijken van het eerdere medische oordeel ten aanzien van de prognose over een termijn van 10 jaar. IJsseldijk heeft aangegeven dat zij in overleg met Bakker tot het oordeel is gekomen dat eiser nu geen arbeidsvermogen heeft omdat hij niet beschikt over basale werknemersvaardigheden, maar dat niet uitgesloten kan worden dat hij die in de toekomst kan ontwikkelen door training en begeleiding. Een werknemer die over basale werknemersvaardigheden beschikt, is in staat instructies van de werkgever te begrijpen, te onthouden en uit te voeren en is ook in staat afspraken met de werkgever na te komen. Uit de primaire arbeidskundige rapportage blijkt uit het gesprek met eiser en zijn woonbegeleidster dat eiser diverse taken heeft aangeleerd en dat hij begrijpt en onthoudt wat hij moet doen. Tijdens zijn werk bij [bedrijf] kwam hij zijn afspraken na. Hij zette plantjes in de grond, wiedde onkruid, haalde molshopen weg en veegde en ruimde op. Eiser versliep zich echter veelvuldig en ondanks dat de begeleiding hem op tijd wakker maakte, kwam hij toch te laat op zijn werk. Uit de informatie vanuit de werkbegeleider van eiser in beroep blijkt dat eiser grovere werkzaamheden en taken verrichtte bij de [bedrijf] . Hij heeft die dus aangeleerd. Wel is vereist dat eiser intensief begeleid wordt door mensen die met hem begaan zijn en passend bij zijn problematiek zijn opgeleid. Volgens IJsseldijk blijkt uit het voorgaande dat hoewel eiser nu niet beschikt over werknemersvaardigheden, de verwachting is dat hij die in de toekomst door middel van training en begeleiding wel kan ontwikkelen naar een voldoende niveau, ook rekening houdende met zijn autisme en intelligentieniveau.

21. Ter zitting is naar voren gekomen dat eiser thans geen indicatie heeft op grond van de Wet langdurige zorg en bijna een jaar niet meer in een woongroep met 24-uurs zorg woont, maar vrij zelfstandig in een studio met weinig begeleiding. Ook zou eiser feitelijk gestopt zijn met zijn werkzaamheden bij [bedrijf] .

De gemachtigde van eiser heeft ter zitting toegelicht dat eiser in de praktijk twee uur per week begeleiding krijgt. Eiser wijst meer begeleiding af omdat hij denkt dat hij dat niet nodig heeft. De rechtbank volgt verweerders standpunt dat het weigeren van begeleiding door eiser niet betekent dat hij zich niet kan ontwikkelen door middel van meer begeleiding en training. Verweerder verwijst in dit kader terecht naar de door eiser in het verleden structureel uitgevoerde werkzaamheden bij [bedrijf] , alwaar eiser met intensieve begeleiding in staat bleek om eenvoudige werkzaamheden en taken te verrichten en werkafspraken na te komen. Uit de concrete invulling van de werkzaamheden van eiser bij [bedrijf] blijkt dat hij tijdens dat werk diverse taken heeft aangeleerd, dat hij begrijpt en onthoudt wat hij moet doen en dat hij afspraken nakomt. Daarmee heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat eiser heeft laten zien dat hij met de juiste begeleiding bepaalde vaardigheden heeft kunnen aanleren, zodat niet uitgesloten is dat hij in de toekomst ook basale werknemersvaardigheden kan ontwikkelen. Daarbij acht de rechtbank tevens van belang dat namens eiser erkend wordt dat er geen medische informatie beschikbaar is waarin staat dat eiser in de toekomst geen basale werknemersvaardigheden kan ontwikkelen.

22. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 1 december 2016;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht groot € 46 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in tegenwoordigheid van mr. H. Siragedik, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 13 november 2017

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.