Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:5779

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-11-2017
Datum publicatie
10-11-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 594
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WOZ; onroerendezaaksbelasting en rioolheffing. Tarief.

Om huurders te ontzien zijn de tarieven van gemeentelijke heffingen voor eigenaren in enkele jaren sterk gestegen. De rechtbank is van oordeel dat de verordeningen niet in strijd zijn met de wet, hoewel aannemelijk is dat inkomenspolitiek mede een rol heeft gespeeld. Er is in het geval van eiseres geen sprake van een willekeurige of onredelijke heffing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 13-11-2017
FutD 2017-2921
FutD 2017-2922

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 17/594

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 9 november 2017

in de zaak tussen

drs. [X] , te [Z] , eiseres,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Nijmegen , verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [A-straat 1] te [Q] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2015 voor het kalenderjaar 2016 vastgesteld op € 320.000. In het desbetreffende geschrift zijn ook de aanslag onroerendezaakbelasting, eigenaarsgedeelte (hierna: ozb) en de aanslag rioolheffing eigenaarsgedeelte bekendgemaakt. Deze aanslagen bedragen onderscheidenlijk € 1.903,04 en € 265,60.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 december 2016 de WOZ-beschikking en de aanslagen gemeentelijke belastingen gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 27 januari 2017, ontvangen door de rechtbank op diezelfde datum, digitaal beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2017. Eiseres is verschenen. Namens verweerder is [gemachtigde] verschenen.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is eigenaar van de onroerende zaak. Zij verhuurt de onroerende zaak, die door de huurder als café wordt geëxploiteerd.

2. De aanslag ozb is gebaseerd op de Verordening onroerendezaakbelastingen 2016 van de gemeente Nijmegen (hierna: de Verordening ozb). De aanslag rioolheffing is gebaseerd op de Verordening Rioolheffing 2016 (hierna: de Verordening Rioolheffing).

3. Met ingang van 2015 heeft binnen de gemeente Nijmegen een lastenverschuiving plaatsgevonden, waarbij de lasten van de gebruikers (huurders) van woningen en van niet-woningen zijn gedaald, en die van de eigenaren zijn gestegen. De tarieven voor de ozb en de rioolheffing voor de eigenaren van niet-woningen zijn in de periode 2014-2016 gestegen met respectievelijk bijna 73% en bijna 20%. Het tarief voor de ozb voor eigenaren bedraagt in 2016 0,5947% van de WOZ-waarde. Het tarief voor de rioolheffing bedraagt 0,083% van de WOZ-waarde.

Geschil

4. In geschil is of de aanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Het gaat er met name om of de verordeningen in stand kunnen blijven, gelet op de gehanteerde tarieven. De WOZ-waarde is uitdrukkelijk niet in geschil.

5. Eiseres stelt dat er sprake is van een onevenredig hoge belastingstijging voor eigenaren van onroerende zaken, met name wat de ozb betreft. De gemeente kiest ervoor huurders te ontzien en eigenaren zwaarder te belasten. Eiseres is van mening dat sprake is van een onevenredige belastingstijging, die is bedoeld om het vermeende rechtse rijksbeleid te compenseren. Omdat de onroerende zaak langdurig is verhuurd, heeft zij geen mogelijkheid om de buitensporige kostenstijgingen te verhalen op de huurder. Zij verzoekt tevens om nadeelscompensatie.

Beoordeling van het geschil

6. Op grond van artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet kunnen gemeentelijke belastingen worden geheven naar de in de belastingverordening te bepalen heffingsmaatstaven, met dien verstande dat het bedrag van een gemeentelijke belasting niet afhankelijk mag worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen. Het vaststellen van een belastingverordening is op grond van artikel 216 van de Gemeentewet de bevoegdheid van de raad (gemeenteraad). De ozb is gebaseerd op artikel 220 van de Gemeentewet, de rioolheffing op artikel 228a van de Gemeentewet.

7. De vaststelling van de tarieven is een zelfstandige bevoegdheid van de raad. De belastingrechter is in beginsel niet bevoegd om over het in de verordeningen vastgelegde tarief te oordelen, tenzij deze tariefstelling of tariefstijging in strijd is met een hogere wettelijke regeling, leidt tot een willekeurige of onredelijke belastingheffing die de wetgever bij het toekennen van deze bevoegdheid niet op het oog kan hebben gehad, dan wel in strijd is met enig rechtsbeginsel (vergelijk Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 oktober 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:7497). De rechtbank legt de gronden van eiseres zo uit dat deze zich richten op de eerste twee punten: strijd met de Gemeentewet en een willekeurige of onredelijke heffing.

Strijd met een hogere wettelijke regeling

8. Eiseres is van mening dat sprake is van (verkapte) inkomenspolitiek. Daarmee zou de heffing in strijd komen met artikel 219 van de Gemeentewet. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD5477, in een zaak over rioolrecht van de gemeente Nijmegen geoordeeld dat het gemeenten in beginsel vrij staat om in de belastingverordeningen voor de gemeentelijke belastingen die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijk beleid en de praktijk van de belastingheffing. Op grond van artikel 220c van de Gemeentewet is verplicht voorgeschreven dat de heffingsmaatstaf voor de ozb de WOZ-waarde is. Het enkele feit dat het tarief hoger is dan in veel andere gemeenten maakt niet dat sprake is van strijd met de wettelijke uitgangspunten. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de gemeenteraad kosten wenst te besparen bij het uitvoeren van belastingregelingen. Dat heeft ertoe geleid dat de afvalstoffenheffing en de ozb voor gebruikers zijn afgeschaft. Daartegenover is de ozb voor eigenaren verhoogd. Dit leidt tot meer eenvoud en minder belastingplichtigen, waardoor de uitvoeringskosten verminderen. De gemeenteraad heeft hierin ook een methode gezien om leegstand tegen te gaan. Bij hoge huurderslasten zal eerder leegstand ontstaan. Wanneer eigenaren zwaarder belast worden, zullen zij een sterkere prikkel voelen leegstand van hun panden tegen te gaan. De totale opbrengst is niet hoger dan voorheen, aldus verweerder. Met deze uitleg heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat geen sprake is van inkomenspolitiek in strijd met de wet. Aan eiseres kan worden toegegeven dat aannemelijk is dat inkomenspolitiek een element is dat invloed heeft gehad op de keuzes van de gemeenteraad, maar dit is niet de primaire drijfveer voor de keuzes van de gemeenteraad geweest. De verordeningen zijn daarom niet in strijd met de wet.

Willekeurige of onredelijke belastingheffing

9. Verweerder erkent dat sprake is geweest van een hoge stijging van de tarieven. Hij heeft toegelicht dat de opbrengst van de ozb mede wordt gebruikt ter bestrijding van de kosten voor het inzamelen en verwerken van huishoudelijk afval. De afvalstoffenheffing is niet kostendekkend.

10. Naar het oordeel van de rechtbank kan, gegeven de vrijheid die de wetgever aan de gemeentebesturen heeft willen toekennen bij het bepalen van de tarieven, een tarief van 0,5947% van de WOZ-waarde in zijn algemeenheid niet als onredelijk worden beschouwd. Het feit dat Nijmegen een van de hoogste tarieven van Nederland hanteert maakt dit op zich niet anders en de procentuele stijging ten opzichte van vorige jaren evenmin (in vergelijkbare zin voor de gemeente Gemert-Brakel, waar de stijging procentueel nog groter was: Rechtbank Oost-Brabant 6 juni 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:3112). In zijn algemeenheid is daarom geen sprake van een willekeurige of onredelijke heffing.

11. Ook in het geval van eiseres leidt het tarief naar het oordeel van de rechtbank niet tot een willekeurige of onredelijke heffing. Een bedrag van ruim € 1.900 is in de gegeven omstandigheden weliswaar hoog, maar niet buitensporig. Daarbij weegt de rechtbank mee dat eiseres een huur van circa € 32.500 per jaar ontvangt en na aftrek van kosten een positief rendement overhoudt. Dat eiseres in de afgelopen jaren door persoonlijke omstandigheden in hoofdzaak van de huuropbrengst heeft moeten leven, en mede daarom genoegen heeft genomen met een langdurig huurcontract en een lage huur, is niet een omstandigheid die maakt dat jegens haar sprake is van een onredelijke heffing. De gemeenteraad kan niet met elke individuele omstandigheid rekening houden en hoeft dat ook niet.

Nadeelcompensatie

12. Op grond van het voorgaande moet de conclusie luiden dat de aanslagen terecht zijn opgelegd. De rechtbank ziet daarom geen grond voor toewijzing van het verzoek tot nadeelscompensatie.

Conclusie en proceskosten

13. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Het verzoek wordt afgewezen.

14. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om nadeelscompensatie af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. R.A. Eskes , voorzitter, mr. A.M.F. Geerling en mr. A.P. Vaatstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Aalbersberg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 9 november 2017

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.