Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:5772

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-11-2017
Datum publicatie
09-11-2017
Zaaknummer
05/881936-15 (ontn.)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een vrouw uit Breda veroordeeld voor het oplichten van twee verzekeringsmaatschappijen, één poging daartoe en het doen van valse aangiftes bij de politie, wetende dat het feit niet gepleegd is. De vrouw kreeg hiervoor een werkstraf. Tevens moet de vrouw een schadevergoeding betalen aan een verzekeringsmaatschappij.

Daarnaast moet de vrouw het wederrechtelijk verkregen voordeel dat zij genoten heeft door het plegen van deze feiten, terugbetalen aan de Staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/881936-15 (ontneming)

Datum zitting : 26 oktober 2017

Datum uitspraak: 9 november 2017

tegenspraak

Uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [veroordeelde] (hierna te noemen: veroordeelde),

geboren op : [geboortedatum] 1987 te Harderwijk,

adres : [adres 1] ,

plaats : [adres 2] .

Raadsman: mr. E. Steller, advocaat te Amsterdam.

1 De inhoud van de vordering

De officier van justitie vordert dat de rechtbank, conform artikel 36 e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel voorlopig wordt geschat op € 11.313,25.

2 De procedure

Ter terechtzitting van 26 oktober 2017 heeft de officier van justitie de ontnemingsvordering aanhangig gemaakt.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 26 oktober 2017 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is veroordeelde verschenen. Veroordeelde is bijgestaan door mr. E. Steller, advocaat te Amsterdam.

De officier van justitie, M. Rasing, heeft ter terechtzitting de vordering aangepast tot het ontnemen van het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 4.948,50. Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet namelijk volgens de officier van justitie het bedrag dat als vordering door de benadeelde partij is ingediend in de strafprocedure, afgetrokken worden van het totale benadelingsbedrag. Dit omdat eerst het slachtoffer gecompenseerd moet worden en daarna pas de Staat.

Daarnaast heeft de officier van justitie aangegeven dat de kosten die de veroordeelde heeft gemaakt voor het afsluiten van de verzekeringen niet van het ontnemingsbedrag dienen te worden afgetrokken.

Veroordeelde en haar raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd en aangegeven zich te kunnen vinden in de berekening van de officier van justitie, behalve voor wat betreft de kosten die veroordeelde heeft gemaakt voor het afsluiten van de verzekeringen. Die kosten dienen wel te worden afgetrokken.

4 De beoordeling van de vordering

Bij de beoordeling van de onderhavige vordering heeft de rechtbank kennisgenomen van het op 9 november 2017 tegen veroordeelde gewezen vonnis.

De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten. De beslissing dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.1

Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel door veroordeelde is uitgegaan van het volgende.

Veroordeelde heeft –zakelijk weergegeven- omstreeks de periode van 24 mei 2015 tot en met 11 juni 2015 te Assen, de verzekeringsmaatschappij N.V. Univé Schade opgelicht voor een bedrag van € 6.405,95. Daarnaast heeft zij omstreeks de periode van 2 oktober 2014 tot en met 28 oktober 2014 te Hoogeveen de verzekeringsmaatschappij [naam] opgelicht voor een bedrag van € 4.948,50. Zij heeft dit gedaan door schadeclaims in te dienen waarbij zij in strijd met de waarheid heeft aangegeven dat er van haar elektrische fietsen zijn gestolen. De verzekeringsmaatschappijen hebben de geclaimde bedragen aan veroordeelde uitgekeerd.

De rechtbank volgt de berekening van verbalisant [verbalisant]2. Veroordeelde heeft op 29 oktober 2014 een bedrag van € 4.948,50 via verzekeringsmaatschappij [naam] ontvangen op haar bankrekening. Op 12 juni 2015 heeft zij een bedrag van € 6.405,95 via verzekeringsmaatschappij N.V. Univé Schade op haar bankrekening ontvangen. In totaal heeft zij daarom € 11.313,25 ten onrechte uitgekeerd gekregen.

Veroordeelde moet volgens de uitspraak van deze rechtbank van 9 november 2017 een bedrag van € 6.405,95 aan schadevergoeding aan de benadeelde partij betalen. Ondanks de vordering van de officier van justitie en het verzoek van de raadsman hiertoe, zal de rechtbank dit bedrag niet in mindering brengen op het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel. Artikel 36e lid 9 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt namelijk sinds 1 januari 2014 dat bij de bepaling van de omvang waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, de aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen en schadevergoedingsmaatregelingen ten behoeve van het slachtoffer, in mindering worden gebracht, voor zover die zijn voldaan. Zolang de veroordeelde niet aan zijn of haar betalingsverplichting heeft voldaan, kunnen de bevoegdheden tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel daarom onverkort worden ingezet.

Veroordeelde heeft in dit geval (nog) niet voldaan aan haar betalingsverplichting ten opzichte van N.V. Univé Schade, zodat de rechtbank niet tot mindering zal overgaan.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de kosten die veroordeelde heeft gemaakt voor het afsluiten van de fietsverzekeringen moeten worden afgetrokken van het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit zijn immers redelijke kosten die in directe relatie hebben gestaan tot de voltooiing van de strafbare feiten. De rechtbank volgt ook hier de berekening van verbalisant [verbalisant]3.

De rechtbank zal, gelet op het vorenstaande, vaststellen dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op € 11.313,25. De rechtbank stelt de verplichting tot betaling aan de Staat vast op dit bedrag.

5 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

6 De beslissing

Stelt vast het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 11.313,25 (zegge: elfduizend driehonderd en dertien euro en vijfentwintig eurocent).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 11.313,25 (zegge: elfduizend driehonderd en dertien euro en vijfentwintig eurocent).

Aldus gegeven door mr. A. Zuil (voorzitter),

mr. M.G.J. Post en mr. M.P. Bos, rechters,

in tegenwoordigheid van L.J.M. Visser, griffier en

uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 november 2017.

mr. M.P. Bos is buiten staat dit vonnis te ondertekenen

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de eenheid Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015322031, gesloten op 6 januari 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, waaronder het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, p. 5

3 Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, p. 6