Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:5758

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-11-2017
Datum publicatie
09-11-2017
Zaaknummer
05/740233-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een man uit Winterswijk veroordeeld voor het bedreigingen van vijf agenten met een mes. De man kreeg hiervoor een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Tevens moet de man een schadevergoeding betalen aan de vijf agenten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/740233-17

Datum uitspraak : 9 november 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] .

Raadsman: mr. M.P.T. Peters, advocaat te Zutphen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 26 oktober 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 07 juni 2017 te Winterswijk

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , allen ambtenaren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening,

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door

- met een mes, althans een op een mes gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] af te lopen en op

zeer korte afstand hen te naderen en/of

- met een mes, althans een op een mes gelijkend voorwerp, in de lucht te

zwaaien en/of deze (dreigend) te tonen en/of

- met een mes, althans een op een mes gelijkend voorwerp, steekbewegingen te

maken naar en/of in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3]

en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] ;

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte stond op 7 juni 2017 op de [straatnaam] te Winterswijk met een mes in zijn hand.2 Agenten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] hadden die dag dienst en zijn daar heen gegaan.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

Aangever [slachtoffer 5] (verder: [slachtoffer 5] ) heeft verklaard dat hij samen met collega [slachtoffer 4] (verder: [slachtoffer 4] ) ter plaatse kwam. [slachtoffer 5] zag dat verdachte een mes trok en op hen richtte, met de punt van het mes schuin omhoog en woorden riep als “ik ga mensen neersteken”.4 [slachtoffer 5] zag dat verdachte met het mes op hen gericht bleef staan, op hen inliep en dat bleef doen, ook nadat zij pepperspray gebruikten om hem af te stoppen.5 [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] hebben om assistentie verzocht. [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] hebben hun wapen getrokken en waarschuwingsschoten gelost. Verdachte bleef op hen aflopen met het mes in zijn handen. Hij schreeuwde, onder meer “schiet maar, schiet maar, dan krijg ik tenminste hulp”, en bewoog met zijn armen, het mes bewoog dan telkens mee.6

[slachtoffer 5] was bang neergestoken te worden omdat verdachte een mes trok van twintig tot vijfentwintig centimeter, hij wist in welke toestand verdachte was en omdat de afstand tussen hen en verdachte maar twee meter was. Daarbij kwam ook dat verdachte zei dat hij mensen ging neersteken omdat hij geen hulp kreeg. 7

Aangever [slachtoffer 3] (verder: [slachtoffer 3] ) kwam ter plaatse met collega [slachtoffer 2] en zag collega’s [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] met getrokken wapen staan. Hij zag dat verdachte een mes in zijn rechterhand vast hield.8 Hij zag dat verdachte agressief was, alsof hij buiten zinnen was. Verdachte stond in een dreigende houding met het mes. [slachtoffer 3] trok zijn vuurwapen en riep dat verdachte zijn mes moest laten vallen. Verdachte reageerde niet. [slachtoffer 3] zag dat verdachte een stekende beweging maakte in zijn richting.9

Verbalisant [slachtoffer 1] (verder [slachtoffer 1] ) kwam aanrijden en [slachtoffer 3] zag dat verdachte zijn aandacht richtte op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 5] . Hij liep met versnelde pas met de punt van het mes horizontaal gericht op hen af. Op een gegeven moment gooide verdachte het mes weg in de richting van zijn collega’s.10

Aangever [slachtoffer 2] (verder [slachtoffer 2] ) zag bij aankomst dat verdachte een mes vasthad.

[slachtoffer 2] zag dat verdachte erg heen en weer bewoog en met het mes continu zwaaiende bewegingen maakte, van links naar rechts. Ook zag hij dat verdachte stekende bewegingen maakte in de richting van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] .11 Nadat een schot was gelost zag [slachtoffer 2] dat verdachte zijn aandacht op hem richtte en stekende bewegingen naar hem maakte. Ook stapte verdachte in zijn richting.12

De rechtbank is gelet op de gebezigde bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de agenten [slachtoffer 5] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] opzettelijk heeft bedreigd door met een mes op hen af te lopen en hen op korte afstand te naderen, met dit mes te zwaaien en dit te tonen en steekbewegingen in hun richting te maken. De rechtbank is van oordeel dat hierdoor bij de agenten in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij op zijn minst zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 07 juni 2017 te Winterswijk

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , allen ambtenaren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening,

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door

- met een mes, althans een op een mes gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] af te lopen en op

zeer korte afstand hen te naderen en/of

- met een mes, althans een op een mes gelijkend voorwerp, in de lucht te

zwaaien en/of deze (dreigend) te tonen en/of

- met een mes, althans een op een mes gelijkend voorwerp, steekbewegingen te

maken naar en/of in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3]

en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] ;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

“Bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd”

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met aftrek van de tijd doorgebracht in voorlopige hechtenis.

De officier van justitie heeft gevorderd dat het inbeslaggenomen mes dient te worden onttrokken aan het verkeer.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de zaak kan worden afgedaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van de door verdachte ondergane voorlopige hechtenis.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 11 augustus 2017;

- een voorlichtingsrapportage van reclassering Nederland, 19 oktober 2017;

- een rapport van drs. H.E.W, Koornstra, psycholoog, gedateerd 19 juli 2017.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling van een vijftal agenten door hen te bedreigen met een mes. Nadat de agenten vele malen verdachte gesommeerd hadden het mes te laten vallen, voelden zij zich genoodzaakt pepperspray te gebruiken. Verdachte is desondanks niet gestopt met dreigen met het mes. De agenten voelden zich daarop genoodzaakt hun dienstwapen te gebruiken. Er zijn meerdere waarschuwingsschoten gelost en er is een aantal keren gericht geschoten op de benen van verdachte. Verdachte is daarbij één keer geraakt. Zelfs toen is verdachte niet gestopt met dreigen met het mes. De agenten dachten dat verdachte hen zodanig aan het uitdagen was dat zij hem zouden moeten neerschieten, waarbij verdachte mogelijk het leven zou kunnen laten.

Uit de verklaringen, zowel in de aangiftes als de schriftelijke slachtofferverklaringen, blijkt dat de agenten veel angst hebben gehad en hebben gedacht dat verdachte hen werkelijk zou aanvallen.

De rechtbank vindt dit een zeer ernstig feit en gelet op de omstandigheden waaronder dit feit is gepleegd zal de rechtbank een hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf, dan door de officier van justitie geëist, opleggen, namelijk voor de duur van 3 maanden.

De rechtbank acht daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

De rechtbank is gebleken dat verdachte erg boos is op de hulpverlenende instanties en geen hulp wil van de reclassering; hij heeft dat zo bij de reclassering en tijdens de zitting verklaard. Hulpverlening en drang door reclasseringscontact zullen daardoor naar verwachting niet of nauwelijks bijdragen aan het terugdringen van de kans op herhaling van het plegen van strafbare feiten. Dit weegt voor de rechtbank zwaar omdat aannemelijk is dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan onder invloed van psychische problemen. Waar verdachte zegt dat de samenleving zijn handelen moet zien als een schreeuw om aandacht, weigert hij echter de in het kader van deze strafzaak aangeboden hulp te aanvaarden omdat de vorm en inhoud daarvan hem niet bevallen. In die omstandigheden ziet de rechtbank in deze zaak geen aanleiding om bij het voorwaardelijke strafdeel bijzondere voorwaarden op te leggen.

De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, een proeftijd van twee jaar toereikend.

Gelet op vorenstaande zal de rechtbank verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal hier op in mindering worden gebracht.

De geschorste voorlopige hechtenis dient te worden opgeheven.

Ten aanzien van het beslag

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het inbeslaggenomen mes onttrokken dient te worden aan het verkeer.

7a. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen [slachtoffer 4] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 1] hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Door [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] wordt een bedrag gevorderd van € 550. Door [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] wordt een bedrag gevorderd van € 440.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen kunnen worden tot het door hen gevorderde bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van de benadeelde partijen alle afgewezen dienen te worden, nu er aan de hand van objectieve maatstaven geen psychische schade kan worden vastgesteld. Zij wijst erop dat niet is gesteld of gebleken dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en wat verder ter terechtzitting over de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partijen als gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade hebben geleden en dat verdachte daarvoor naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

Ondanks het feit dat door de benadeelde partijen niets is overgelegd waaruit nader blijkt van een psychiatrisch erkend ziektebeeld of van de oorzaak daarvan, is de rechtbank van oordeel dat niettemin sprake is van een zodanig ernstig en beangstigend feit dat psychisch van zodanige invloed moet zijn geweest op de politieagenten in kwestie, dat hieruit rechtstreeks (immaterieel) nadeel is voortgevloeid. De omvang van de daaruit voorvloeiende schadevorderingen stelt de rechtbank in het geval van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] vast telkens op een bedrag van € 440 zoals gevorderd, en in het geval van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] telkens op een bedrag van € 550. De rechtbank zal verdachte tot betaling daarvan aan de benadeelden veroordelen. Verder ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partijen.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 7 juni 2017.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 36b, 36c, 36f, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

  • -

    bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

  • -

    dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

 beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1 mes, kleur rood, merk Zyliss;

 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de navolgende benadeelde partijen van de hierna genoemde bedragen, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2017 tot aan de dag van volledige betaling en vermeerderd met de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden steeds begroot op nihil:

Benadeelde partij Bedrag

1. [slachtoffer 4] € 550,-

2. [slachtoffer 2] € 440,-

3. [slachtoffer 3] € 440,-

4. [slachtoffer 5] € 440,-

5. [slachtoffer 1] € 550,-

 Legt aan veroordeelde tevens de verplichting op aan de Staat ten behoeve van de navolgende benadeelde partij(en) te betalen, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal hechtenis zal kunnen worden toegepast van na te melden duur zonder dat de betalingsverplichting vervalt:

Benadeelde partij Bedrag Vervangende hechtenis

1. [slachtoffer 4] € 550,- 11 dagen

2. [slachtoffer 2] € 440,- 8 dagen

3. [slachtoffer 3] € 440,- 8 dagen

4. [slachtoffer 5] € 440,- 8 dagen

5. [slachtoffer 1] € 550,- 11 dagen

 Bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de hoofdsom aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Tegelaar (voorzitter),

mr. D.S.M. Bak en mr. A. Zuil, rechters,

in tegenwoordigheid van L.J.M. Visser, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 november 2017.

mr. D.S.M. Bak en mr. A. Tegelaar zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017260049-18, gesloten op 17 juli 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] , p. 31; proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] , p. 55 en verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 26 oktober 2017.

3 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] , p. 29-36; proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 43-47; proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] , 52-58; proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , p. 65-70 en proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 76-82.

4 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] , p. 31

5 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] , p. 32

6 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] , p. 33

7 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] , p. 32

8 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , p. 67/68

9 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , p. 68

10 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , p. 68

11 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 45

12 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 46