Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:5757

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-11-2017
Datum publicatie
09-11-2017
Zaaknummer
05/720035-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

overval vrachtwagen – wederrechtelijke toe-eigening – (verlengde) invoer cocaïne

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/720035-17

Datum uitspraak : 7 november 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] [woonplaats] ,

raadsvrouw: mr. L.A. Sjadijeva, advocaat te Rotterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 mei 2017 en 24 oktober 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na vordering nadere omschrijving tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 27 september 2016 te Beneden-Leeuwen, gemeente West Maas en Waal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, op de openbare weg (de Van Heemstraweg), heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid 131 (honderdeenendertig) kilogram cocaïne, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

welk diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededaders (rijdende in twee of meer personenauto’s)

- die [slachtoffer 1] , zijnde de bestuurder van een vrachtauto, (met als lading een zeecontainer) heeft/hebben klemgereden en/of tot stoppen heeft/hebben gedwongen (door de/het door verdachte en/of zijn mededader(s) bestuurde personenauto’s voor die door [slachtoffer 1] bestuurde vrachtauto tot stilstand te brengen) en/of

- die [slachtoffer 1] te verstaan heeft/heeft gegeven dat hij rustig moest blijven en/of

- heeft/hebben gezegd/geroepen tegen die [slachtoffer 1] dat er iets in de zeecontainer zou liggen dan aan hen, verdachte en/of zijn mededader(s) zou toebehoren en/of

- ( vervolgens) die verzegeling/het slot van de zeecontainer heeft hebben verbroken met een (door verdachte en/of zijn mededader(s) meegenomen) betonschaar en/of

- een aantal (zichtbaar zware) (ongeveer 4 (vier) tot 6 (zes)) sporttassen uit de container heeft/hebben gehaald/gepakt en (vervolgens) in de meegenomen personenauto’s heeft/hebben (over)geladen en/of

- heeft/hebben gezegd/geroepen tegen die [slachtoffer 1] , toen die [slachtoffer 1] trachtte een van de tassen uit de hand(en) van verdachte en/of zijn mededader(s) te trekken/grijpen, dat die [slachtoffer 1] de tas moest loslaten anders zouden zij (verdachte en/of zijn mededader(s) hem dood schieten;

en/of

hij op of omstreeks 27 september 2016 te Beneden-Leeuwen, gemeente West Maas en Waal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld op de openbare weg (de Van Heemstraweg) [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een (grote) hoeveelheid 131 (honderdeenendertig) kilogram cocaïne, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededaders (rijdende in twee of meer personenauto’s)

- die [slachtoffer 1] , zijnde de bestuurder van een vrachtauto (met als lading een zeecontainer) heeft/hebben klemgereden en/of tot stoppen heeft/hebben gedwongen (door de/het door verdachte en/of zijn mededader(s) bestuurde personenauto(‘s) voor de door die [slachtoffer 1] bestuurde vrachtauto tot stilstand te brengen), althans de rijbaan te blokkeren met voornoemde personenauto(‘s) en/of

- die [slachtoffer 1] te verstaan heeft/heeft gegeven dat hij rustig moest blijven en/of

- heeft/hebben gezegd/geroepen tegen die [slachtoffer 1] dat er iets in de zeecontainer zou liggen dan aan hen, verdachte en/of zijn mededader(s), zou toebehoren en/of

- ( vervolgens) de verzegeling/het slot van de zeecontainer heeft/hebben verbroken met een (door verdachte en/of zijn mededader(s) meegenomen) betonschaar en/of

- ongeveer 4 (vier) tot 6 (zes), althans een aantal, (zichtbaar zware) sporttassen uit de container heeft/hebben gehaald/gepakt en (vervolgens) in de meegenomen personenauto’s heeft/hebben (over)geladen en/of

- heeft/hebben gezegd/geroepen tegen die [slachtoffer 1] – toen die [slachtoffer 1] trachtte (een van) de tassen uit de hand(en) van verdachte en/of zijn mededader(s) te trekken/grijpen/rukken-, dat die [slachtoffer 1] de tas(sen) moest loslaten anders zouden zij (verdachte en/of zijn mededader(s)) hem dood schieten;

2.

hij op of omstreeks 27 september 2016 te Beneden-Leeuwen, gemeente West Maas en Waal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, althans aanwezig en/of voorhanden heeft gehad, (ongeveer) 131(honderdeenendertig) kilogram cocaïne, in elk geval een of meer (handels)hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 27 september 2016 was aangever [slachtoffer 1] aan het werk als vrachtwagenchauffeur. Omstreeks 12:07 uur kreeg hij de opdracht om een container op te halen bij [slachtoffer 2] op de Maasvlakte bij Rotterdam. Het containernummer van deze container was [nummer 1] . De container moest naar Beneden-Leeuwen gebracht worden.2 De container was afkomstig uit Costa Rica.3

Toen [slachtoffer 1] op de openbare weg (de Van Heemstraweg) te Beneden-Leeuwen was, is uit de container door in ieder geval vier mannen een aantal zwarte sporttassen weggenomen.4 Daaraan voorafgaand is door een van de mannen tegen [slachtoffer 1] gezegd: “Rustig, er is niks aan de hand. Ik wil wat vertellen. In de container ligt iets wat van ons is”.5 De verzegeling van de container is door één van de mannen met een betonijzerschaar geopend. Een van de mannen is in de container van de vrachtwagen gesprongen en heeft de sporttassen gepakt. De sporttassen zijn door andere mannen in twee auto’s gestopt.6 Een Seat, voorzien van kenteken [kenteken 1] , en een BMW, voorzien van kenteken [kenteken 2] . De Seat en de BMW zijn op

27 september 2016 aangetroffen in respectievelijk Wamel en Beneden-Leeuwen.7 In de BMW zijn vier zwarte sporttassen met daarin pakketten aangetroffen. Het netto gewicht van alle pakketten uit de sporttassen was 131,83 kilogram.8 In deze pakketten zat cocaïne.9

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde is de officier van justitie van mening dat de sporttassen, en de inhoud daarvan, aan [slachtoffer 1] toebehoorden. Gelet daarop is volgens de officier van justitie sprake van wederrechtelijke toe-eigening.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde feiten.

Daartoe heeft de verdediging primair aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. Verdachte kan niet op de plaats delict worden geplaatst. Het DNA van verdachte is aangetroffen op verplaatsbare objecten. Niet duidelijk is op welke manier en wanneer deze objecten in de auto’s terecht zijn gekomen.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat geen sprake is geweest van wederrechtelijke toe-eigening, nu niet kan worden bewezen dat de sporttassen aan [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2] toebehoorden.

Daarnaast is de vrachtwagen niet klemgereden en is geen geweld dan wel bedreiging met geweld toegepast jegens [slachtoffer 1] , ook niet in de vorm van het uit handen trekken van een tas. Met uitzondering van getuige [getuige 1] heeft geen van de getuigen gezien dat [slachtoffer 1] een tas pakte welke vervolgens uit zijn handen zou zijn getrokken. Daarbij komt dat getuige [getuige 1] kort na het incident en voorafgaand aan zijn verhoor heeft gesproken met [slachtoffer 1] . Gelet hierop dient de nodige voorzichtigheid te worden betracht bij de verklaring van getuige [getuige 1] . Tot slot kan niet worden vastgesteld dat verdachte wetenschap van de cocaïne had. Aan de buitenkant van de tas is de inhoud niet te zien. Daarnaast kon verdachte niet weten dat de container uit het buitenland kwam.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verdachte één van de mannen is geweest die de sporttassen uit de vrachtwagen heeft weggenomen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Door een getuige zijn foto’s gemaakt van het voorval. Op deze foto’s staan personen afgebeeld. Deze foto’s zijn door de verbalisant beschreven. Op foto [nummer 2] is een Seat, voorzien van kenteken [kenteken 1] , te zien. Aan de bijrijderskant van de Seat staat een man. Deze man is van de voorzijde gefotografeerd en staat duidelijk afgebeeld.10

Aan medeverdachte [medeverdachte 1] is foto [nummer 2] getoond. [medeverdachte 1] herkende de man op de foto die aan de bijrijderskant van de Seat staat als [verdachte] . [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij samen met [verdachte] is opgegroeid en hem goed kent.11

Verdachte heeft verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 1] een goede vriend van hem is.12

De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de door medeverdachte [medeverdachte 1] gedane herkenning van de aan de bijrijderszijde van de Seat zichtbare man als zijnde verdachte. Het betreft een foto van scherpe kwaliteit waarop het gezicht, de haardracht en een deel van het postuur van de man duidelijk zichtbaar zijn. Op die foto heeft medeverdachte [medeverdachte 1] de bij hem goed bekende verdachte dan ook kunnen herkennen. Dat de man op de foto verdachte betreft vindt ondersteuning in het feit dat het DNA van verdachte is aangetroffen op een in de Seat aangetroffen blikje.13 Deze Seat was slechts een dag voor de overval gehuurd door medeverdachte [medeverdachte 2] .14 Verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA op het blikje in deze auto.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de sporttassen met inhoud aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] toebehoorden.

De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. [slachtoffer 1] reed in zijn vrachtwagen waarop een container was geladen waarin, naar later bleek, tassen met cocaïne lagen. Naar het oordeel van de rechtbank had [slachtoffer 1] als verantwoordelijk vervoerder van deze container de zeggenschap over deze container en de inhoud daarvan. Dat de container verzegeld was en dat [slachtoffer 1] niet op de hoogte was van de tassen met cocaïne doet daaraan niet af. Nu [slachtoffer 1] de (tijdelijke) heerschappij had over de container en de inhoud daarvan, dus ook over de zich daarin bevindende tassen met cocaïne, behoorde deze cocaïne hem toe in de zin van artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht. Door de tassen met cocaïne uit de container te halen en in de Seat en de BMW te stoppen, hebben verdachte en de andere mannen zich de cocaïne wederrechtelijk toegeëigend.

De rechtbank ziet zich tot slot voor de vraag gesteld of sprake is geweest van geweld dan wel bedreiging met geweld. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op 27 september 2016 een rotonde in de richting van Beneden-Leeuwen opreed. Hij zag toen dat de BMW, die voor hem reed, een rondje op de rotonde maakte en achter [slachtoffer 1] kwam te rijden. Na de rotonde reed [slachtoffer 1] de Van Heemstraweg op. Op dat moment werd hij ingehaald door een zwarte auto. Deze auto remde af waardoor [slachtoffer 1] moest stoppen. [slachtoffer 1] zag dat er twee mannen uit de zwarte auto stapten en naar hem toe liepen. Eén van de mannen zei tegen [slachtoffer 1] : “Rustig, er is niks aan de hand. Ik wil wat vertellen. In de container ligt iets wat van ons is”. De andere man stond voor de vrachtwagen. Op enig moment hoorde [slachtoffer 1] gerommel aan de achterzijde van de vrachtwagen. [slachtoffer 1] zag vanuit zijn spiegel dat er tassen uit de container werden gehaald. [slachtoffer 1] is toen uitgestapt en naar de achterzijde van de vrachtwagen gelopen. [slachtoffer 1] zag een jongen uit de container komen. [slachtoffer 1] heeft geprobeerd om één van de tassen terug te trekken. Op dat moment werd door één van de mannen gezegd dat [slachtoffer 1] de tas los moest laten, anders zouden zij hem doodschieten.15

Getuige [getuige 2] heeft het volgende verklaard. Op 27 september 2016 reed hij omstreeks 14:45 uur over de Van Heemstraweg uit de richting van Beneden-Leeuwen.16 Op de Van Heemstraweg zag hij op de tegenovergelegen rijbaan een vrachtwagen stil staan. [getuige 2] zag dat voor deze vrachtwagen één personenauto stil stond en dat achter de vrachtwagen twee personenauto’s stil stonden.17

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij op 27 september 2016 omstreeks 14:40/14:45 uur over de Van Heemstraweg uit de richting van Beneden-Leeuwen reed. [getuige 3] zag op de tegenovergelegen rijbaan een vrachtwagen stil staan. Zij zag dat voor de vrachtwagen een auto stil stond.18

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 27 september 2016 omstreeks 14:45 uur over de Van Heemstraweg uit de richting van Beneden-Leeuwen reed.19 Op de Van Heemstraweg zag hij op de tegenovergelegen rijbaan een vrachtwagen stil staan. [getuige 1] zag dat achter de vrachtwagen twee auto’s stil stonden. [getuige 1] zag dat een aantal mannen met zwarte tassen aan het sjouwen was. [getuige 1] zag dat de vrachtwagenchauffeur aan één van de tassen heeft staan trekken en deze even daarna los liet omdat hij zag dat het onbegonnen werk was.20

Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 ten laste gelegde diefstal met geweld.

De rechtbank acht daarbij bewezen dat aangever klem is gereden door drie auto’s en daardoor gedwongen werd om de vrachtwagen tot stilstand te brengen. De verklaring van aangever wordt op dit punt ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] . Zij verklaren dat zij voor de vrachtwagen één auto stil zagen staan.

Ook de handeling zoals ten laste gelegd onder het zesde gedachtestreepje acht de rechtbank bewezen. Daartoe is van belang dat de verklaring van aangever dat hij getracht heeft om een tas terug te trekken bevestiging vindt in de verklaring van getuige [getuige 1] . De enkele omstandigheid dat deze getuige na het incident met [slachtoffer 1] heeft gesproken vormt naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om de betrouwbaarheid van haar verklaring in twijfel te trekken. Deze verklaring is dan ook bruikbaar voor het bewijs. Nu de verklaring van aangever niet alleen wat betreft het trekken aan een tas, maar ook wat betreft de overige ten laste gelegde handelingen, bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van aangever dat – toen hij de tas trachtte terug te trekken – tegen hem gezegd is dat hij de tas los moest laten en dat zij hem anders zouden doodschieten.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte wetenschap had van de cocaïne. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

Zoals hiervoor is overwegen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte bij de overval op de vrachtwagen aanwezig was. Hij was daarbij in het gezelschap van onder anderen medeverdachte [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] heeft bij de politie verklaard dat hij van anderen het verzoek had gekregen om voor hen vier sporttassen met daarin goudstaven uit een container te halen. Hij heeft dat naar zijn zeggen geaccepteerd, waarna hij op een gegeven moment meer info heeft gekregen die inhield dat een transporteur de container zou ophalen bij een haven en naar een bedrijf zou brengen. Het was dus ook de bedoeling om de sporttassen op het bedrijventerrein eruit te halen.21

Medeverdachte [medeverdachte 3] wist dus dat de container vanuit de haven van Rotterdam getransporteerd zou worden. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders dan dat ook verdachte, die gelijktijdig met medeverdachte [medeverdachte 3] bij de vrachtwagen is aangekomen, hiervan op de hoogte was. Dat het goudstaven zou betreffen acht de rechtbank onaannemelijk. Het is een feit van algemene bekendheid dat cocaïne voornamelijk in containers via de haven van Rotterdam met grote regelmaat wordt ingevoerd in Nederland. Evenzeer is het een feit van algemene bekendheid dat cocaïne ingevoerd wordt door deze te verstoppen tussen goederen die legaal worden ingevoerd.

In de gegeven omstandigheden heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de inhoud van de sporttassen cocaïne zou betreffen, welke kans hij heeft aanvaard. Het verweer ten aanzien van het ontbreken van wetenschap dat het om cocaïne ging (en daarmee het ontbreken van opzet) wordt dan ook verworpen.

De rechtbank concludeert dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte opzet

- in voorwaardelijke zin - heeft gehad op de (verlengde) invoer van 131 kilo cocaïne in Nederland. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 tenlastegelegde.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

2016

1.

hij op of omstreeks 27 september 2016 te Beneden-Leeuwen, gemeente West Maas en Waal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, op de openbare weg (de Van Heemstraweg), heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid 131 (honderdeenendertig) kilogram cocaïne, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

welk diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededaders (rijdende in twee of meer personenauto’s)

- die [slachtoffer 1] , zijnde de bestuurder van een vrachtauto, (met als lading een zeecontainer) heeft/hebben klemgereden en/of tot stoppen heeft/hebben gedwongen (door de/het door verdachte en/of zijn mededader(s) bestuurde personenauto’s voor die door [slachtoffer 1] bestuurde vrachtauto tot stilstand te brengen) en/of

- die [slachtoffer 1] te verstaan heeft/hebben gegeven dat hij rustig moest blijven en/of

- heeft/hebben gezegd/geroepen tegen die [slachtoffer 1] dat er iets in de zeecontainer zou liggen dat aan hen, verdachte en/of zijn mededader(s) zou toebehoren en/of

- (vervolgens) die verzegeling/het slot van de zeecontainer heeft hebben verbroken met een (door verdachte en/of zijn mededader(s) meegenomen) betonschaar en/of

- een aantal (zichtbaar zware) (ongeveer 4 (vier) tot 6 (zes)) sporttassen uit de container heeft/hebben gehaald/gepakt en (vervolgens) in de meegenomen personenauto’s heeft/hebben (over)geladen en/of

- heeft/hebben gezegd/geroepen tegen die [slachtoffer 1] , toen die [slachtoffer 1] trachtte een van de tassen uit de hand(en) van verdachte en/of zijn mededader(s) te trekken/grijpen, dat die [slachtoffer 1] de tas moest loslaten anders zouden zij (verdachte en/of zijn mededader(s) hem dood schieten;

en/of

hij op of omstreeks 27 september 2016 te Beneden-Leeuwen, gemeente West Maas en Waal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld op de openbare weg (de Van Heemstraweg) [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een (grote) hoeveelheid 131 (honderdeenendertig) kilogram cocaïne, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededaders (rijdende in twee of meer personenauto’s)

- die [slachtoffer 1] , zijnde de bestuurder van een vrachtauto (met als lading een zeecontainer) heeft/hebben klemgereden en/of tot stoppen heeft/hebben gedwongen (door de/het door verdachte en/of zijn mededader(s) bestuurde personenauto(‘s) voor de door die [slachtoffer 1] bestuurde vrachtauto tot stilstand te brengen), althans de rijbaan te blokkeren met voornoemde personenauto(‘s) en/of

- die [slachtoffer 1] te verstaan heeft/hebben gegeven dat hij rustig moest blijven en/of

- heeft/hebben gezegd/geroepen tegen die [slachtoffer 1] dat er iets in de zeecontainer zou liggen dat aan hen, verdachte en/of zijn mededader(s), zou toebehoren en/of

- (vervolgens) de verzegeling/het slot van de zeecontainer heeft/hebben verbroken met een (door verdachte en/of zijn mededader(s) meegenomen) betonschaar en/of

- ongeveer 4 (vier) tot 6 (zes), althans een aantal, (zichtbaar zware) sporttassen uit de container heeft/hebben gehaald/gepakt en (vervolgens) in de meegenomen personenauto’s heeft/hebben (over)geladen en/of

- heeft/hebben gezegd/geroepen tegen die [slachtoffer 1] – toen die [slachtoffer 1] trachtte (een van) de tassen uit de hand(en) van verdachte en/of zijn mededader(s) te trekken/grijpen/rukken-, dat die [slachtoffer 1] de tas(sen) moest loslaten anders zouden zij (verdachte en/of zijn mededader(s)) hem dood schieten;

2.

hij op of omstreeks 27 september 2016 te Beneden-Leeuwen, gemeente West Maas en Waal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, althans aanwezig en/of voorhanden heeft gehad, (ongeveer) 131 (honderdeenendertig) kilogram cocaïne, in elk geval een of meer (handels)hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

‘diefstal, voorafgegaan en vergezeld met geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen’

Ten aanzien van feit 2:

‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod’

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

Ingeval de rechtbank toekomt aan een bewezenverklaring en strafoplegging heeft de verdediging verzocht een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 18 september 2017 en een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 3 april 2017.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan het plegen van een overval op een vrachtwagen op de openbare weg op klaarlichte dag. De vrachtwagenchauffeur vervoerde op 27 september 2016 nietsvermoedend een zeecontainer toen hij plots door auto’s klem werd gereden en tot stoppen werd gedwongen. De zeecontainer is vervolgens opengebroken met een betonijzerschaar en uit de zeecontainer zijn een aantal sporttassen weggenomen. Toen de vrachtwagenchauffeur één van de sporttassen probeerde terug te pakken, is hij bedreigd met geweld. In de sporttassen bleek 131 kilo cocaïne te zitten.

Dergelijke misdrijven veroorzaken gevoelens van angst en onveiligheid bij slachtoffers en in de samenleving, zeker nu de feiten zijn gepleegd op de openbare weg en op klaarlichte dag en veel omstanders hiervan getuige zijn geweest. Vrachtwagenchauffeurs brengen een groot deel van hun tijd door in hun vrachtwagen en zij moeten zich daar veilig kunnen voelen. De vrachtwagenchauffeur is erg geschrokken van de overval en vond het moeilijk om weer in zijn vrachtwagen te stappen. Vanwege de aanhoudende klachten volgt hij nu EMDR-therapie. Verdachte heeft zich kennelijk geen moment bekommerd om de gevolgen van zijn handelen voor de vrachtwagenchauffeur.

Daarnaast heeft verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de (verlengde) invoer van een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit.

De rechtbank is van oordeel dat voor afdoening van deze zaak geen andere straf in aanmerking komt dan een vrijheidsbenemende straf. Het vrijwel blanco strafblad van verdachte, maakt dat de rechtbank een lagere straf zal opleggen dan door de officier van justitie geëist. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren passend en geboden.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.200,44.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] geheel toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de vordering niet betwist.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de gebezigde bewijsmiddelen komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen tot € 1.200,44 schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is voor toewijzing vatbaar.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 27 september 2016.

De rechtbank zal verdachte hoofdelijk veroordelen tot betaling aan de benadeelde partij van de toewijsbare schadevergoeding. Dit betekent dat de verdachte niet meer tot vergoeding gehouden is indien en voor zover de toegewezen schadevergoeding door zijn mededader(s) is of wordt voldaan.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot

betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 47, 57, 91, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 13 van de Opiumwet.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaar;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van € 1.200,44 (twaalfhonderd euro en vierenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededader(s) het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] een bedrag te betalen van € 1.200,44 (twaalfhonderd euro en vierenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 22 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.A.M. van Hoof (voorzitter), mr. C. van Linschoten en

mr. M.C. Gerritsen, rechters, in tegenwoordigheid van D. Waizy, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 november 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost- Nederland, districtsrecherche Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017207641, gesloten op 8 mei 2017, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van aangifte, p. 47.

3 Vrachtbrief, p. 52 en 53.

4 Het proces-verbaal van aangifte, p. 48, en de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 oktober 2017.

5 Het proces-verbaal van aangifte, p. 48.

6 Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 79 en 80.

7 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 115.

8 Het proces-verbaal sporenonderzoek, p. 266 t/m 270.

9 Het NFI-rapport d.d. 14 februari 2017, p. 347.

10 Het proces-verbaal overeenkomsten tussen NN’s, p. 163 en 164.

11 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 793 en foto, p. 796.

12 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 oktober 2017.

13 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 115, het proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 217 en 218, en het NFI-rapport d.d. 29 juni 2017, p. 823 en 824.

14 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 126 en het autoverhuurcontract, p. 127.

15 Het proces-verbaal van aangifte, p. 48.

16 Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 69.

17 Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 70.

18 Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 85.

19 Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 72.

20 Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 73.

21 Het proces-verbaal verhoor medeverdachte [medeverdachte 3] , pd02-048.