Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:5751

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-11-2017
Datum publicatie
09-11-2017
Zaaknummer
05/860121-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, heeft op 9 november 2017 een 29-jarige man uit Epe veroordeeld voor een tragisch verkeersongeval op 30 juni 2015 op de A50 bij Apeldoorn. De man is met een snelheid van ongeveer 120 kilometer per uur op een file ingereden en raakte daarbij twee auto’s. De man in de eerste auto is overleden als gevolg van het ongeval. De vier mensen in de andere auto raakten gewond, waarvan twee ernstig. Ook andere auto’s liepen schade op en het ongeval leidde tot een grote chaos op de A50.

De man kreeg een werkstraf van 200 uren en mag een jaar lang niet rijden in een motorvoertuig (ontzetting van de rijbevoegdheid). Ook kreeg de man een ontzegging van de rijbevoegdheid van 12 maanden. Dat betekent dat hij 12 maanden geen motorvoertuigen mag besturen. Als hij binnen 2 jaren na dit vonnis opnieuw een strafbaar (verkeers)feit pleegt, dan kan het zijn dat hij nog eens 6 maanden geen motorvoertuigen mag besturen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/860121-16

Datum uitspraak : 9 november 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Raadsman: mr. T. Deckwitz, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 oktober 2017.

1 Inleiding

Dit vonnis heeft een andere indeling en opzet dan anders. Dat is omdat deze zaak gaat om het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij een persoon is gedood en meerdere mensen ernstig gewond zijn geraakt. Dat betekent dat deze zaak veel emoties oproept bij onder andere de nabestaanden van het dodelijk slachtoffer, de slachtoffers en anderen. De rechtbank vindt het daarom belangrijk dat het vonnis voor alle betrokkenen goed leesbaar is en te begrijpen is.

De rechtbank zal beginnen met het noemen van de straf die aan de verdachte wordt opgelegd. Daarna zal worden uitgelegd wat de verdachte wordt verweten, wat hiervan bewezen is, dat dat een strafbaar feit oplevert en dat sprake is van een strafbare dader. Pas wanneer sprake is van een strafbaar feit en een strafbare dader kan een straf en/of een strafrechtelijke maatregel worden opgelegd. De redenen voor de strafoplegging worden daarom als één van de laatste onderwerpen in het vonnis behandeld.

2 De opgelegde straf

De rechtbank zal aan de verdachte een taakstraf van 200 uren opleggen. Als verdachte die taakstraf niet verricht, moet hij 100 dagen vervangende hechtenis uitzitten.

Verder krijgt de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid van 12 maanden. Dat betekent dat hij 12 maanden geen motorvoertuigen mag besturen. Als de verdachte binnen 2 jaren na dit vonnis opnieuw een strafbaar (verkeers)feit pleegt, dan kan het zijn dat hij nog eens 6 maanden geen motorvoertuigen mag besturen.

Naast de straf moet de rechtbank beslissen over de inbeslaggenomen Seat [type] . Die Seat [type] zal worden teruggegeven aan de rechthebbende.

3. De inhoud van de tenlastelegging 1

De officier van justitie maakt de verdachte één verwijt. Dit verwijt heeft hij opgedeeld in een ernstige variant (het primaire verwijt) en een iets minder ernstige variant (het subsidiaire verwijt).

Het primaire verwijt is dat het de schuld is van verdachte dat op 30 juni 2015 op de Rijksweg A50 een ongeval is veroorzaakt waardoor de heer [slachtoffer 1] is overleden. De officier van justitie vindt dat mevrouw [slachtoffer 2] en haar dochter, mevrouw [slachtoffer 3] , hierbij (zwaar) gewond zijn geraakt doordat verdachte ook tegen hun auto is aangereden.

Wanneer de rechtbank zou oordelen dat verdachte geen schuld heeft aan het ongeval dan vindt de officier van justitie dat de verdachte in elk geval gevaar of hinder op de weg heeft veroorzaakt. Dit is het subsidiaire verwijt.

4. Overwegingen over het bewijs 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat het ernstigste verwijt kan worden bewezen. De schuld van verdachte bestaat eruit dat hij zijn snelheid niet op een goede manier heeft aangepast aan de verkeersituatie op dat moment. Verdachte heeft namelijk te laat geremd voor de langzaam rijdende file voor hem. Verdachte is achterop een auto gereden en de bestuurder van die auto, de heer [slachtoffer 1] , is daardoor overleden. Verder is verdachte op nog een andere auto gebotst en daardoor zijn meerdere inzittenden van die auto gewond geraakt. Zo heeft mevrouw [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel opgelopen en kon mevrouw [slachtoffer 2] tijdelijk haar normale bezigheden niet uitoefenen.

De officier van justitie vindt verder dat de mate waarin verdachte schuld heeft aan het ongeval bestaat uit “aanmerkelijk onvoorzichtig” rijden.

Standpunt van de verdediging

De verdediging vindt niet dat verdachte onoplettend is geweest in het verkeer. Verdachte heeft verklaard dat hij heeft geremd toen hij zag dat er voor hem werd geremd. Uit het dossier is niet gebleken dat deze verklaring niet zou kunnen kloppen. Het enkel niet op tijd remmen, is niet voldoende om te komen tot “aanmerkelijk onoplettend en/of onachtzaam verkeersgedrag”. Verdachte moet volgens de verdediging voor het primaire feit worden vrijgesproken.

De verdediging vindt ook dat verdachte voor het subsidiaire feit moet worden vrijgesproken, omdat verdachte geen gevaar heeft veroorzaakt. Verdachte heeft namelijk alles gedaan wat van hem mocht worden verwacht en heeft niet of nauwelijks verwijtbaar gehandeld.

Beoordeling door de rechtbank

Het ernstigste verwijt ziet op overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (artikel 6 WVW). Hierin staat kort gezegd dat een verkeersdeelnemer zich niet zo mag gedragen dat hij daarmee een dodelijk ongeval of een ongeval met zwaar lichamelijk letsel als gevolg mag veroorzaken.

Voor een veroordeling voor artikel 6 WVW moet daarom worden bewezen dat de verkeersdeelnemer schuld heeft gehad aan het veroorzaken van het ongeval. Het begrip schuld in het strafrecht is niet hetzelfde als het begrip schuld in het normale taalgebruik. In het normale taalgebruik wordt sneller gezegd dat iemand schuld heeft aan een ongeval dan in het verkeersstrafrecht. De drempel om te zeggen dat iemand schuld heeft in het verkeerstrafrecht ligt dus hoger. Er is pas schuld in het verkeersstrafrecht als sprake is van een “ten minste aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid”. Dat betekent dat de verdachte meer dan één moment van onoplettendheid moet hebben gehad of meer dan één kleine verkeersfout moet hebben gemaakt. Daarbij mogen alle omstandigheden die van belang zijn geweest voor het ontstaan van het ongeval worden meegenomen.

In de rechtspraak is bovendien bepaald dat de ernst van de gevolgen van een ongeval, zoals een dodelijk slachtoffer, op zichzelf niet genoeg is om meteen aan te nemen dat sprake is van deze mate van schuld.

Om te kunnen vaststellen dat sprake is van schuld zoals bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet, moet worden gekeken naar de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst van die gedragingen en naar de omstandigheden van het geval. Er zijn daarbij vier niveaus van schuld mogelijk.

Het laagste niveau is aanmerkelijke schuld, daarna komt ernstige schuld, vervolgens een zeer hoge mate van schuld en het hoogste niveau van schuld is roekeloosheid.

De rechtbank zal moeten beoordelen of de verdachte schuld heeft gehad aan het veroorzaken van het ongeval en zo ja, welk niveau van schuld van toepassing is. De rechtbank vindt daarbij de volgende bewijsmiddelen van belang en stelt op basis van die bewijsmiddelen een aantal zaken vast.

Over de plaats van het ongeval

Verdachte reed op 30 juni 2015 op de Rijksweg A50 te Apeldoorn. Hij reed uit de richting van de Rijksweg A1 (knooppunt Beekbergen) en ging in de richting van de Rijksweg A28 (knooppunt) Hattemmerbroek.3 De toegestane maximum snelheid op de A50 was 120 kilometer per uur. Het was zonnig, helder weer en de weg was droog.4

Over het verloop van de botsing

Verdachte reed rond 17:17 uur in een bestelbus op de rechterrijbaan. Hij is met zijn bestelbus eerst tegen de achterzijde van de Peugeot van de heer [slachtoffer 1] gereden. Daarna is hij tegen de achterkant van de Peugeot van de familie [slachtoffer 3] - [slachtoffer 2] gereden. De beide auto’s die zijn geraakt, werden oncontroleerbaar en raakten daarop verschillende andere auto’s.5

Over het ontstaan van de file

Meerdere getuigen die waren betrokken bij het ongeval zijn door de politie gehoord.

Getuige [getuige 1] (die achter verdachte reed) verklaarde dat hij ongeveer 100 kilometer per uur reed en dat voor hem ‘een trein met auto’s’ reed. Hij reed mee in die trein.6

Getuige [getuige 2] (die op de linker rijbaan vijf auto’s voor verdachte reed) verklaarde dat het vrij druk was op de weg. Hij reed in een langzaam rijdende file.7

Getuige [getuige 3] (die op de linker rijbaan drie auto’s voor verdachte reed) verklaarde dat hij 80 kilometer per uur reed. Hij zag dat de auto’s voor hem alarmlichten aanzetten.8

Getuige [getuige 4] (die in de derde auto voor verdachte reed) verklaarde dat hij verderop meerdere auto’s zag met remlichten en een paar met waarschuwingslichten. Hij liet zijn gas los en ontstak zijn waarschuwingslichten. Hij keek in de spiegel en zag dat andere auto’s dit ook deden.9

Over het zicht van verdachte en zijn oplettendheid

Verdachte reed in een bestelbus; een Mercedes-bus.10 Op een foto die de politie na het ongeval vanuit de bestelbus heeft genomen, is te zien dat de bestuurder van de bestelbus hoger zit dan de bestuurder van de personenauto rechts op de foto en dat de bestuurder van de bestelbus daardoor over die personenauto kan heenkijken.11

Verdachte heeft zelf verklaard dat hij niet was afgeleid tijdens het rijden, dat hij goed zicht had en goed oplette.12 De rechtbank gaat van deze verklaring van verdachte uit. Het dossier geeft de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen dat verdachte kort voor het ongeval afgeleid is geweest en daarmee onoplettend is geweest.

Over de snelheid van verdachte

Verdachte heeft in zijn eerste verhoor bij de politie verklaard dat hij kort voor het ongeval ongeveer 120 tot 125 kilometer per uur reed. Hij zag dat ter hoogte van het viaduct auto’s begonnen te remmen. Hij remde wat af omdat hij dacht dat het nog wel wat doorreed. In een flits zag hij dat het stil stond. Hij probeerde vol te remmen, maar dat lukte niet.13

Verdachte appte na het ongeval een berichtje naar zijn familie dat hij met 120 kilometer per uur inreed op een stilstaande file.14

Verdachte heeft in zijn tweede verhoor bij de politie verklaard dat hij 120-130 kilometer per uur reed en nagenoeg niet heeft geremd.15

Ter zitting heeft verdachte ongeveer hetzelfde verklaard als bij de politie, maar verdachte antwoordde op de meeste vragen van de rechtbank dat hij het niet meer zo goed wist16.

Het Nederlands Forensisch Instituut heeft geconstateerd dat een snelheid van 120 kilometer per uur bij de eerste botsing plausibel is te noemen.17 De rechtbank begrijpt dit zo dat - op grond van de gegevens die beschikbaar zijn over het ongeval - het inderdaad mogelijk is dat verdachte 120 kilometer per uur reed op het moment dat hij tegen de Peugeot van de heer [slachtoffer 1] is aangereden.

Uit onderzoek van de politie is gebleken dat verdachte ‘in het ongeval’ ongeveer 104 kilometer per uur moet hebben gereden. Dit kon worden bepaald aan de hand van toerentallen die zijn aangetroffen in de regelcomputer automatische versnellingsbak van de bestelbus van verdachte. Daarop wordt opgemerkt dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat, mede gelet op de schade, de snelheid voor het ongeval hoger is geweest dan de berekende snelheid ‘in het ongeval’.18

Conclusie rechtbank

De rechtbank gaat, op grond van wat hiervoor is vastgesteld, ervan uit dat verdachte kort voor het ongeval ruim 120 kilometer per uur heeft gereden en dat verdachte ook met ongeveer die snelheid tegen de Peugeot van de heer [slachtoffer 1] is aangereden. De teruggang in snelheid naar 104 kilometer per uur ‘in het ongeval’ is daarmee naar het oordeel van de rechtbank ontstaan door de aanrijding met de Peugeot van [slachtoffer 1] . En dus niet doordat verdachte zelf heel hard op de rem heeft getrapt.

De rechtbank constateert vervolgens dat verdachte de file moet hebben gezien op het moment dat deze voor hem ontstond. Hij was niet afgeleid en hij had een goed uitzicht. Omdat hij in zijn bestelbus wat hoger zat, moet hij ook goed zicht over de auto’s hebben gehad en in ieder geval de remlichten van verschillende auto’s hebben gezien. Dit alles maakt dat verdachte bij de eerste aanblik van remmende auto’s in staat moet zijn geweest om te handelen zoals een zorgvuldig bestuurder dat normaal zou doen. Namelijk zijn snelheid zo snel mogelijk (zo nodig gefaseerd) fors terug te brengen door hard te remmen. Verdachte heeft echter niet of nauwelijks geremd. Uit het feit dat hij tegen zijn voorganger is aangereden, volgt ook dat hij te weinig afstand heeft gehouden.

De rechtbank vindt bewezen dat dit schuld oplevert in de zin van artikel 6 WVW. Daarbij zijn de volgende omstandigheden van belang.

Verdachte reed op de snelweg rond 17:17 uur, spitsuur, en uit de getuigenverklaringen volgt dat het redelijk druk was, dat er ‘in een trein’ werd gereden en dat er 80 kilometer per uur of 100 kilometer per uur werd gereden. Verdachte had zich er gelet daarop bewust van moeten zijn dat het in deze situatie niet ongebruikelijk is dat het verkeer plotseling langzaam gaat rijden of zelfs plotseling stil komt te staan. Wie met een snelheid van 120 kilometer per uur rijdt in deze situatie moet continue alert reageren. Wie dan onder die omstandigheden in de verte meerdere remlichten ziet oplichten, moet rekening houden met de mogelijkheid dat er voor hem een file ontstaat. In die situatie is de enige juiste reactie van een zorgvuldige weggebruiker zoveel af te remmen als nodig is om tijdig stil te staan. Door in het geheel niet of nagenoeg niet te remmen bij een snelheid van 120 kilometer per uur heeft verdachte dusdanig verwijtbaar gehandeld dat de rechtbank dit aanmerkt als “aanmerkelijk onvoorzichtig” rijden.

Over de gevolgen van het ongeval

Als gevolg van het ongeval is de heer [slachtoffer 1] overleden.19

Mevrouw [slachtoffer 3] had haar bekken op vier plaatsen gebroken, is hieraan geopereerd en verbleef enkele weken in het ziekenhuis.20 De rechtbank vindt dat dit zwaar lichamelijk letsel is. Mevrouw [slachtoffer 2] had een gebroken rechterpols en gekneusde ribben. Zij heeft daarvan bij haar dagelijks leven een aantal weken (ernstige) hinder gehad.21 De rechtbank vindt daarom dat bij mevrouw [slachtoffer 3] sprake is van “zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijk ziekte of verhindering in de uitoefening genaamd van de normale bezigheden is ontstaan”.

5. Bewezenverklaring 22

De rechtbank vindt bewezen dat de verdachte artikel 6 WVW heeft overtreden en aanmerkelijke onvoorzichtig heeft gereden. Hij heeft daarmee schuld aan het ontstaan van een verkeersongeval. Hij heeft met zijn bestelbus op 30 juni 2015 op de Rijksweg A50 een ongeluk veroorzaakt waardoor andere motorvoertuigen met elkaar in aanrijding zijn gekomen. Daardoor is de heer [slachtoffer 1] overleden. Mevrouw [slachtoffer 3] heeft daardoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen en mevrouw [slachtoffer 2] heeft daardoor tijdelijk haar normale bezigheden niet kunnen uitoefenen.

6 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het primaire verwijt:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht

7 De strafbaarheid van het feit en van de verdachte

Het staat dus vast dat verdachte een strafbaar feit heeft begaan. Om een straf te kunnen opleggen, moet de verdachte strafbaar zijn. De rechtbank vindt dat de verdachte in dit geval strafbaar is. Er zijn namelijk geen omstandigheden genoemd of gebleken die maken dat de verdachte niet strafbaar is (zoals bijvoorbeeld dat de verdachte geheel ontoerekeningsvatbaar zou zijn).

8 Overwegingen over de straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat de verdachte voor het bewezen feit wordt veroordeeld tot een werkstraf van 200 uren. Als deze werkstraf niet verricht wordt door de verdachte, dan moet hij 100 dagen naar de gevangenis ter vervanging van de werkstraf. Ook wil de officier van justitie dat de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid krijgt voor 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De inbeslaggenomen Seat [type] moet worden teruggegeven aan de rechthebbende.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid passend zou kunnen zijn in het geval dat de rechtbank tot een strafoplegging komt. De proeftijd dient dan beperkt te worden tot 1 jaar. Over de inbeslaggenomen Seat [type] is de verdediging het eens met de officier van justitie.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank kijkt bij het bepalen van de (hoogte van de) straf naar verschillende factoren. Van belang is welk feit bewezen is verklaard, hoe ernstig dat is en onder welke omstandigheden het feit is gepleegd. Daarnaast wordt gekeken naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en eventuele eerdere veroordelingen voor een soortgelijk feit (recidive).

Aard en ernst van het bewezen verklaarde feit

Het ongeval dat op 30 juni 2015 plaatsvond was zeer ernstig. Meerdere auto’s botsten met hoge snelheid op elkaar en er ontstond een grote ravage. Het ongeval had zeer tragische gevolgen.

De verdachte heeft dit ongeval niet opzettelijk veroorzaakten en heeft dit ook zeker niet gewild. Dat neemt niet weg dat de heer [slachtoffer 1] door toedoen van de verdachte is overleden en dat de leden van de familie [slachtoffer 3] (ernstig) letsel hebben opgelopen.

De familie [slachtoffer 3] ondervindt nog dagelijks de gevolgen van het ongeval. Zowel vader als zoon raakten (licht) gewond. Mevrouw [slachtoffer 2] raakte ook gewond en brak haar pols waardoor zij lange tijd beperkt was in het dagelijks leven. De dochter van de familie [slachtoffer 3] is ernstig gewond geraakt. Zij brak haar bekken op meerdere plaatsen, onderging een operatie en lag meerdere weken in het ziekenhuis. Zij heeft nog lang pijn gehad. Zij had net haar eindexamen gehaald en zou gaan studeren in België. Door het ongeluk heeft zij hier tot op heden niet mee kunnen beginnen.

Mevrouw [slachtoffer 2] heeft ter zitting verteld dat zij nog dagelijks denken aan het ongeval. Het is niet meer vanzelfsprekend dat wanneer een familielid van huis gaat, deze weer veilig thuis komt.

De broer van de heer [slachtoffer 1] heeft op zitting aangrijpend verklaard hoezeer zij hun broer en zoon missen. Zij ervaren dit gemis dagelijks. Nooit meer is het mogelijk een gesprek te voeren of van gedachten te wisselen over belangrijke zaken in het leven en telkens weer worden zij met het gemis geconfronteerd.

Een straf voor verdachte zal hun broer en zoon niet terugbrengen, zo verklaarde de familie [slachtoffer 1] zelf al. Maar zij hadden graag meer inzicht willen krijgen in het ontstaan van het ongeval en ook in de emoties van de verdachte. De zitting heeft hieraan maar beperkt kunnen bijdragen, zo bleek de rechtbank. Verdachte leek zich weinig te kunnen herinneren van het ontstaan van het ongeval. Verdachte leek ook niet goed in staat zich te uiten over het ongeval en met name niet over de emoties die dit bij hem heeft teweeggebracht. Hoewel verdachte hier vanwege zijn eigen persoonlijkheid misschien niet zoveel aan kan doen, kan de rechtbank zich indenken dat dit voor de beide getroffen families onbevredigend moet zijn.

De persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De verdachte heeft niets op zijn strafblad staan. Dit betekent dat hij nog nooit is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Verdachte heeft zelf aan het ongeval fysiek niets overgehouden. Wel heeft verdachte verklaard dat hij zijn baan is kwijtgeraakt als gevolg van het ongeval. Hij heeft inmiddels wel ander werk gevonden als servicemonteur. Voor dit werk heeft hij zijn rijbewijs nodig, omdat hij door het hele land werkt.

De redenen voor de op te leggen straf

Bij een dodelijk verkeersongeluk en dit laagste niveau van schuld wordt vaak, volgens de richtlijn, een maximale taakstraf van 240 uren opgelegd. Daarnaast wordt dan een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 1 jaar opgelegd.

De rechtbank zal verdachte een taakstraf opleggen van 200 uren, zoals is geëist door de officier van justitie. Dit is iets lager dan de richtlijn. Dat komt omdat er sinds het ongeval al veel tijd is verstreken voordat de zaak voor de rechter is gekomen. Dit tijdsverloop komt niet door verdachte en daarom wordt er in zijn voordeel rekening mee gehouden.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verdachte een tijdlang geen motorvoertuigen mag besturen, zoals de richtlijn dit ook aangeeft. De officier van justitie had geëist, dat kon worden volstaan met een waarschuwing (een voorwaardelijke rijontzegging) vanwege het tijdsverloop en vanwege het werk van verdachte. Maar de rechtbank vindt alleen een waarschuwing onvoldoende. Hiervoor is het volgende van belang.

Ter zitting bleek dat verdachte weinig kon verklaren over de toedracht van het ongeval. De rechtbank neemt het verdachte zeker niet kwalijk dat hij zijn gevoelens niet makkelijk kan delen. Wat de rechtbank echter zorgen baart, is dat verdachte niet goed heeft kunnen verklaren waarom het ongeval is ontstaan en hoe dit zijn huidige rijgedrag in positieve zin heeft beïnvloed. Daar komt bij dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij nog steeds wel eens zijn telefoon gebruikt tijdens het rijden.

Dit betekent dat de rechtbank er niet gerust op is dat verdachte ook in de toekomst voldoende alert en adequaat reageert in het verkeer. En dat raakt de kern van deze zaak, want om veilig thuis te kunnen komen, zijn verkeersdeelnemers nu éénmaal mede afhankelijk van het adequate rijgedrag van de andere verkeersdeelnemers.

Dit is voor de rechtbank de reden om over te gaan tot het opleggen van een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van één jaar. Daarnaast krijgt verdachte een proeftijd van twee jaar. Dit betekent dat hij zijn rijbevoegdheid nog eens zes maanden kan kwijtraken als hij in de proeftijd opnieuw de fout ingaat.

De rechtbank realiseert zich dat verdachte daardoor waarschijnlijk zijn baan kwijt raakt, maar is van oordeel dat de verkeersveiligheid voor gaat.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 91 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 6, 175, 176, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 5, heeft begaan, de volledige bewezenverklaring is opgenomen in bijlage 2 bij dit vonnis;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 6;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een taakstraf gedurende 200 (tweehonderd) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen;

 ontzegt verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 (achttien) maanden;

 bepaalt, dat deze bijkomende straf, 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

 gelast de teruggave aan de rechtmatige eigenaar van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp aan de rechthebbende, te weten: Seat [type] , kenteken [kenteken] , kleur [kleur] .

Dit vonnis is gewezen door mr. M.G.J. Post (voorzitter), mr. M.P. Bos en mr. A. Zuil, rechters,

in tegenwoordigheid van L.J.M. Visser, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 november 2017.

Bijlage 1 – de inhoud van de tenlastelegging

hij op of omstreeks 30 juni 2015 in de gemeente Apeldoorn als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(bedrijfsauto), komende uit de richting van de Rijksweg A1 (knooppunt

Beekbergen)en/of gaande in de richting van de Rijksweg A28 (knooppunt

Hattemmerbroek), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A50 (rechts),

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft

gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl voor hem, verdachte uit op die weg,(de Rijksweg A50)zich een file,

bestaande uit langzamer rijdende en/of stilstaande andere motorrijtuigen

bevond en/of

terwijl in verband met die ontstane file, van diverse voor hem, verdachte uit

op die weg (de Rijksweg A50) zich bevindende andere motorrijtuigen de

alarm/waarschuwingslichten waren ontstoken en/of

terwijl hij, verdachte voor zich uit op die weg rijdende andere motorrijtuigen

had zien remmen,

niet, althans in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het

direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg, de Rijksweg A50

en/of

in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde

motorrijtuig (bedrijfsauto) op zodanige wijze heeft geregeld dat hij,

verdachte in staat was dat motorrijtuig (bedrijfsauto) tot stilstand te

brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg, de Rijksweg A50 kon

overzien en waarover deze vrij was en/of

met een snelheid van ongeveer 120 kilometer per uur, althans met nagenoeg die

snelheid, de voor hem, verdachte zich op die weg, de Rijksweg A50 bevindende

file is ingereden en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met één of meer van die

langzamer rijdende en/of stilstaande andere motorrijtuigen en/of

waarbij, door de kracht en/of de inwerking van die botsing/aanrijding met dat

door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto) een aantal van die

andere motorrijtuigen met elkaar in botsing en/of aanrijding is gekomen

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn, verdachtes schuld te

wijten verkeersongeval/len heeft/hebben plaatsgevonden, waardoor een ander

( [slachtoffer 1] ) werd gedood en/of waardoor een ander/en ( [slachtoffer 3] en

[slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd

toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening

genaamd van de normale bezigheden is ontstaan;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 30 juni 2015 in de gemeente Apeldoorn, als bestuurder van

een motorrijtuig (bedrijfsauto), komende uit de richting van de Rijksweg A1

(knooppunt Beekbergen)en/of gaande in de richting van de Rijksweg A28

(knooppunt Hattemmerbroek), daarmede heeft gereden over de weg, de Rijksweg

A50 (rechts) en

terwijl voor hem, verdachte uit op die weg,(de Rijksweg A50)zich een file,

bestaande uit langzamer rijdende en/of stilstaande andere motorrijtuigen

bevond en/of

terwijl in verband met die ontstane file, van diverse voor hem, verdachte uit

op die weg (de Rijksweg A50)zich bevindende andere motorrijtuigen de

alarm/waarschuwingslichten waren ontstoken en/of

met een snelheid van ongeveer 120 kilometer per uur, althans met nagenoeg die

snelheid, de voor hem, verdachte zich op die weg, de Rijksweg A50 bevindende

file is ingereden en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met één of meer van die

langzamer rijdende en/of stilstaande andere motorrijtuigen en/of

waarbij, door de kracht en/of de inwerking van die botsing/aanrijding met dat

door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto) een aantal van die

andere motorrijtuigen met elkaar in botsing en/of aanrijding is gekomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

Bijlage 2 – de bewezenverklaring

hij op of omstreeks 30 juni 2015 in de gemeente Apeldoorn als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), komende uit de richting van de Rijksweg A1 (knooppunt Beekbergen) en/of gaande in de richting van de Rijksweg A28 (knooppunt

Hattemmerbroek), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A50 (rechts),

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft

gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl voor hem, verdachte, uit op die weg,(de Rijksweg A50) zich een file, bestaande uit langzamer rijdende en/of stilstaande andere motorrijtuigen bevond en/of

terwijl in verband met die ontstane file, van diverse voor hem, verdachte uit op die weg (de Rijksweg A50) zich bevindende andere motorrijtuigen de alarm/waarschuwingslichten waren ontstoken en/of

terwijl hij, verdachte voor zich uit op die weg rijdende andere motorrijtuigen had zien remmen,

niet, althans in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg, de Rijksweg A50

en/of

in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto) op zodanige wijze heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (bedrijfsauto) tot stilstand te

brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg, de Rijksweg A50 kon

overzien en waarover deze vrij was en/of

met een snelheid van ongeveer 120 kilometer per uur, althans met nagenoeg die snelheid, de voor hem, verdachte zich op die weg, de Rijksweg A50 bevindende file is ingereden en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met één of meer van die langzamer rijdende en/of stilstaande andere motorrijtuigen en/of

waarbij, door de kracht en/of de inwerking van die botsing/aanrijding met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto) een aantal van die andere motorrijtuigen met elkaar in botsing en/of aanrijding is gekomen

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn, verdachtes schuld te wijten verkeersongeval/len heeft/hebben plaatsgevonden, waardoor een ander ( [slachtoffer 1] ) werd gedood en/of waardoor een ander/en ( [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel en zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening genaamd van de normale bezigheden is ontstaan;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 30 juni 2015 in de gemeente Apeldoorn, als bestuurder van

een motorrijtuig (bedrijfsauto), komende uit de richting van de Rijksweg A1

(knooppunt Beekbergen)en/of gaande in de richting van de Rijksweg A28

(knooppunt Hattemmerbroek), daarmede heeft gereden over de weg, de Rijksweg

A50 (rechts) en

terwijl voor hem, verdachte uit op die weg,(de Rijksweg A50)zich een file,

bestaande uit langzamer rijdende en/of stilstaande andere motorrijtuigen

bevond en/of

terwijl in verband met die ontstane file, van diverse voor hem, verdachte uit

op die weg (de Rijksweg A50)zich bevindende andere motorrijtuigen de

alarm/waarschuwingslichten waren ontstoken en/of

met een snelheid van ongeveer 120 kilometer per uur, althans met nagenoeg die

snelheid, de voor hem, verdachte zich op die weg, de Rijksweg A50 bevindende

file is ingereden en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met één of meer van die

langzamer rijdende en/of stilstaande andere motorrijtuigen en/of

waarbij, door de kracht en/of de inwerking van die botsing/aanrijding met dat

door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto) een aantal van die

andere motorrijtuigen met elkaar in botsing en/of aanrijding is gekomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

De kennelijke taal- en/of schrijffouten in datgene wat verdachte wordt verweten zijn verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders wordt verweten aan verdachte dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

1 De volledige tenlastelegging is als bijlage 1 aan het vonnis gehecht.

2 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de politie Oost- Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015317033-1, gesloten op 14 april 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. Een aanvullend proces-verbaal matrix-borden, d.d. 5 april 2017 en een aanvullend proces-verbaal Whatsapp, d.d. 2 maart 2017. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

3 Proces-verbaal aanrijding misdrijf, p. 2.

4 Verkeersongevallenanalyse, p. 24-25.

5 Verkeersongevallenanalyse, p. 19 en 25.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 264

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 270.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 272. De rechtbank merkt voor de goede orde op dat deze getuige toevallig dezelfde achternaam heeft als het overleden slachtoffer de heer [slachtoffer 1] .

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 266.

10 Verklaring verdachte ter zitting 26 oktober 2017.

11 Verkeersongevallenanalyse, p. 40, foto 12b.

12 Verklaring verdachte ter zitting 26 oktober 2017.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 256.

14 Afdruk van een screenshot van de telefoon van verdachte, behorend bij aanvullend proces-verbaal d.d. 2 maart 2017 van verbalisant [verbalisant 1] .

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 261.

16 Verklaring verdachte ter zitting 26 oktober 2017.

17 Rapport Nederlands Forensisch Instituut opgemaakt door ir. A.C.E. Spek en gedateerd 27 september 2016.

18 Bijlage proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , p. 116.

19 Akte van overlijden [slachtoffer 1] , p. 284.

20 Geneeskundige verklaring, p. 296 en verklaring slachtoffer [slachtoffer 3] ter zitting.

21 Geneeskundige verklaring, p. 287 en verklaring slachtoffer [slachtoffer 2] ter zitting.

22 De volledige bewezenverklaring is als bijlage 2 aan het vonnis gehecht.