Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:5688

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-11-2017
Datum publicatie
06-11-2017
Zaaknummer
05/820062-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor veroorzaker verkeersongeval Zelhem in mei 2016

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05/820062-16

Datum uitspraak : 3 november 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 1987 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Raadsman: mr. E.J. Moll, advocaat te Doetinchem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 oktober 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 mei 2016 te Zelhem in de gemeente Bronckhorst, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting Doetinchem, daarmee rijdende op de uit twee rijstroken, bestaande weg, de N315,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

onder invloed van alcohol, althans na het gebruik van een niet onaanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank,

met een snelheid van ongeveer gelegen tussen de 116 en 123 kilometer per uur, althans met een grotere snelheid dan de aldaar ingevolge artikel 21 aanhef onder a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 voor hem, verdachte maximaal toegestane snelheid van 80 kilometer per uur over die weg, de N315 heeft gereden en/of

gekomen in of nabij een in die weg (N315) gelegen, naar rechts verlopende bocht niet of in onvoldoende mate heeft gelet op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg (de N315) en/of

met die hoge snelheid die naar rechts verlopende bocht met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) is ingereden, waarbij de achterzijde van dat motorrijtuig (personenauto) naar links is uitgebroken en/of in een slip is geraakt en/of

in strijd met artikel 3 van voormeld reglement niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of

met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto), naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan en/of geheel of gedeeltelijk op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de N315) is terecht gekomen en/of

in strijd met het gestelde in artikel 76 lid 1 van voormeld reglement , zich aan de linkerzijde van een ter plaatse op het wegdek tussen de rijstroken van die weg (de N315) aangebrachte dubbele doorgetrokken streep, inhoudende: "Een doorgetrokken streep die zich niet langs de rand van de rijbaan-verharding bevindt, mag niet worden overschreden en/of bestuurders mogen zich niet links van en doorgetrokken streep bevinden, indien die streep is aangebracht tussen rijstroken of paden met verkeer in beide richtingen" , heeft bevonden en/of

geheel of gedeeltelijk rijdend op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de N315) is gebotst tegen, in elk geval in aanrijding is gekomen met een op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de N315) rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto, [merk] ) en/of

(vervolgens) met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) tegen twee in die gezien zijn, verdachtes rijrichting rechter berm van die weg (N315) staande bomen is gebotst en/of aangereden en/of aangegleden en/of (vervolgens) op de kop in een in die berm zich bevindende sloot tot stilstand is gekomen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander/en (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

terwijl hij, verdachte verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 en/of

welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

artikel 175 lid 3 WVW94

art 6 Wegenverkeerswet 1994

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 22 mei 2016 te Zelhem in de gemeente Bronckhorst, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting Doetinchem, daarmee over de uit twee rijstroken, bestaande weg, de N315, heeft gereden met een snelheid van ongeveer gelegen tussen de 116 en 123 kilometer per uur, althans met een grotere snelheid dan de aldaar ingevolge artikel 21 aanhef onder a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens

1990 voor hem, verdachte maximaal toegestane snelheid van 80 kilometer per uur en/of

met die hoge snelheid bocht met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) een in die weg (N315) gelegen, naar rechts verlopende bocht, is ingereden, ten gevolge waarvan of waarbij de achterzijde van dat motorrijtuig (personenauto) naar links is uitgebroken en/of in een slip is geraakt en/of

in strijd met artikel 3 van voormeld reglement niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of

met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto), naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan en/of geheel of gedeeltelijk op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de N315) is terecht gekomen en/of

in strijd met het gestelde in artikel 76 lid 1 van voormeld reglement , zich aan de linkerzijde van een ter plaatse op het wegdek tussen de rijstroken van die weg (de N315) aangebrachte dubbele doorgetrokken streep, inhoudende: "Een doorgetrokken streep die zich niet langs de rand van de rijbaan-verharding bevindt, mag niet worden overschreden en/of bestuurders mogen zich niet links van en doorgetrokken streep bevinden, indien die streep is aangebracht tussen rijstroken of paden met verkeer in beide richtingen" , heeft bevonden en/of

geheel of gedeeltelijk rijdend op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de N315) is gebotst tegen, in elk geval in aanrijding is gekomen met een op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de N315) rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto, [merk] ) en/of

(vervolgens) met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) tegen twee in die gezien zijn, verdachtes rijrichting rechter berm van die weg (N315) staande bomen is gebotst en/of aangereden en/of aangegleden en/of (vervolgens) op de kop in een in die berm zich bevindende sloot tot stilstand is gekomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Aanleiding onderzoek

Op 22 mei 2016 heeft een ongeval plaatsgevonden op de rondweg N315 te Zelhem, gemeente Bronckhorst. Er waren twee auto’s bij het ongeval betrokken, te weten een [merk] , bestuurd door verdachte [verdachte] , en een [merk] , bestuurd door [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ). Door het ongeval zijn meerdere personen gewond geraakt, waaronder [slachtoffer 1] en haar dochter [slachtoffer 2] (hierna [slachtoffer 2] ). Er is een onderzoek ingesteld naar de toedracht van het ongeval en [verdachte] is daarbij als verdachte aangemerkt.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit waarbij aan [slachtoffer 1] en haar dochtertje [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht. Voor wat betreft de mate van schuld heeft de officier van justitie betoogd dat sprake is van zeer onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam rijgedrag. De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het tenlastegelegde bestanddeel rijden onder invloed, nu de bloedproef is afgenomen zonder dat een verdenking bestond van rijden onder invloed, de bloedafname daarmee onrechtmatig was en de resultaten van dat onderzoek van het bewijs moeten worden uitgesloten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat onduidelijkheid bestaat over de toestand van het wegdek. [verbalisant] heeft in zijn proces-verbaal gemeld dat de toestand van het wegdek nat of vochtig was. Ook [getuige 1] heeft verklaard over een nat wegdek. Het kan zijn dat het natte wegdek van invloed is geweest op het ontstaan van het ongeluk.

Ten aanzien van het alcoholgebruik deelt de raadsman het standpunt van de officier van justitie dat de bloedproef onrechtmatig is omdat er geen verdenking bestond op grond van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Subsidiair heeft de raadsman ten aanzien van het alcoholgebruik aangevoerd dat het promillage van 0,84 weliswaar teveel is, maar dat dit het op één na lichtste gehalte is wat nog strafbaar is.

Ten aanzien van de snelheid heeft de raadsman aangevoerd dat verschillende snelheden zijn gemeten, te weten 123, 120 en 116 kilometer per uur. Verder zijn ook storingen aangetroffen waarbij de kilometerstand van de auto 524.280 kilometer zou zijn. Dat is evident onjuist. Het uitlezen van het storingsgeheugen is niet voldoende betrouwbaar, nu een dergelijke kilometerwaarde is gevonden terwijl de auto in werkelijkheid 231.000 kilometer heeft gereden.

Bovendien heeft geen van de getuigen de daadwerkelijke snelheid echt vastgesteld.

Verder heeft de raadsman naar voren gebracht dat de getuigen bij hun tweede verhoor tegelijk zijn gehoord op het [adres] , de woning van [getuige 2] , wiens vader politieagent zou zijn. De vier getuigen wisselen daarbij volgens de raadsman allemaal van verklaring ten opzichte van hun eerdere verklaring. Deze later afgelegde verklaringen moeten om die reden niet serieus worden genomen. De verklaring van [getuige 3] is volgens de raadsman gekleurd door het ongeval.

Beoordeling door de rechtbank

Het ongeval en het letsel bij [slachtoffer 1] en haar dochtertje [slachtoffer 2]

Op 22 mei 2016 heeft rond 12.30 uur in Zelhem een ongeval plaatsgevonden waarbij twee personenauto’s betrokken waren, een [merk] en een [merk] . De [merk] reed over de N315 komende uit de richting van Doetinchem. Ter hoogte van hectometerpaal 9.8 raakte de bestuurder van de [merk] , in een flauwe bocht naar rechts, de controle over zijn voertuig kwijt. De [merk] kwam hierdoor op de rijstrook bestemd voor het verkeer uit de tegenovergestelde richting. Op dat moment reed daar de [merk] die een aanrijding niet meer kon voorkomen. De beide voertuigen botsten (half) frontaal tegen elkaar. De [merk] kwam vervolgens in botsing met twee boompjes die stonden in de, gezien zijn rijrichting, rechtergrasberm. Hierna gleed de [merk] in de aldaar gelegen sloot waarbij de [merk] op de kop sloeg en tot stilstand kwam.2 Verdachte was de bestuurder van de [merk] ; hij had vier passagiers. [slachtoffer 1] bestuurde de [merk] ; naast haar toenmalige partner zaten hun twee dochtertjes ( [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedag 2] 2015 en [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 3] 2014) in de auto.

Het verkeersongeval vond plaats op de voor het openbaar verkeer opengestelde weg: de N315. Deze weg is gelegen buiten de als zodanig aangeduide bebouwde kom van Zelhem, gemeente Bronkhorst. De rijbaan was door middel van een dubbele doorgetrokken streep verdeeld in twee rijstroken. Voor personenauto’s bedroeg de ter plaatse toegestane maximumsnelheid 80 km/u.3 Uit het VerkeersOngevallenAnalyse, verder het VOA-rapport, blijkt dat de beide voertuigen in voldoende rij technische staat van onderhoud verkeerden4.

Uit de geneeskundige verklaring, de overgelegde medische informatie en de schriftelijke slachtofferverklaring betreffende [slachtoffer 1] komt naar voren dat het ongeval bij haar zeer ernstig letsel heeft veroorzaakt, waaronder (open) botbreuken over haar hele lichaam (dijbeen, rib, arm, pols, voeten en ruggenwervels) en ander inwendig letsel (zoals een klaplong, scheuren in het middenrif, nier en lever). [slachtoffer 1] heeft maandenlang in een revalidatiecentrum verbleven en heeft meerdere operaties moeten ondergaan. Ook in de toekomst zal zij nog geopereerd moeten worden. Het letsel zal niet restloos genezen. De geschatte duur van genezing is lang, waarbij langdurige medische begeleiding is geïndiceerd.5

Uit de geneeskundige verklaring, de overgelegde medische informatie en de schriftelijke slachtofferverklaring betreffende het dochtertje van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , komt naar voren dat zij tijdens het ongeval onder meer ernstig schedel-hersenletsel heeft opgelopen waardoor (onder meer) haar gezichtsveld blijvend en ernstig is beperkt en er motorisch beperkingen zijn. [slachtoffer 2] heeft intensieve neuro-revalidatie ondergaan en is nog steeds onder behandeling (waaronder logopedie, ergotherapie en fysiotherapie).6

De rechtbank merkt het lichamelijk letsel dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ten gevolge van de aanrijding hebben opgelopen aan als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Overwegingen met betrekking tot het toetsingskader (artikel 6 WVW)

Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt in zijn algemeenheid dat niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en voorts naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

De vraag die de rechtbank, gelet op het voorgaande, dient te beantwoorden is of verdachte schuld heeft aan het ongeval en welke mate van schuld dit oplevert: zeer althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend of onachtzaam verkeersgedrag van de verdachte. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag van verdachte. Daartoe is het volgende van belang, met name het alcoholgebruik en de snelheid.

Het alcoholgehalte in verdachtes bloed

Uit het proces-verbaal rijden onder invloed komt naar voren dat verbalisant [verbalisant] op 22 mei 2016 het eerste directe contact had met de bestuurder van de [merk] , leidend tot de verdenking van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. De bestuurder van de [merk] was betrokken bij een aanrijding met zwaar letsel en verbalisant beschrijft de vermoedelijke toedracht daarbij, namelijk dat deze bestuurder te hard zou hebben gereden. Conform de richtlijn heeft verbalisant onderzoek gedaan naar mogelijk rijden onder invloed. In verband met de gezondheidstoestand is verdachte, die na het ongeval niet zelf het voertuig kon verlaten, direct overgebracht naar het ziekenhuis. Verdachte heeft toestemming gegeven tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994. Na afname van het bloed is door de GGD-arts de verdachte gewezen op het recht op tegenonderzoek.7

In genoemde richtlijn, de aanwijzing verkeersongevallen, wordt in paragraaf 3.1 beschreven dat een politieambtenaar indien mogelijk bij ieder verkeersongeval waarvoor zijn assistentie is ingeroepen door middel van een ademtest dient te controleren of bij de betrokken bestuurders sprake is van mogelijk strafbaar gebruik van alcohol (het zogenaamde botsen is blazen). De aanwijzing beoogt een kader te schetsen voor het Openbaar Ministerie en de politie bij de beoordeling en de behandeling van verkeersovertredingen en -misdrijven, waarbij een verkeersongeval heeft plaatsgevonden.

In artikel 163 eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 is bepaald dat bij verdenking dat de bestuurder van een voertuig heeft gehandeld in strijd met artikel 8, de opsporingsambtenaar hem kan bevelen zijn medewerking te verlenen aan een ademalcoholonderzoek. Op grond van het tweede lid van artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994 is de bestuurder aan wie het in het eerste lid bedoelde bevel is gegeven, verplicht ademlucht te blazen, tenzij het aannemelijk is dat het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is (lid 3). Dan kan de opsporingsambtenaar verdachte vragen of hij mee wil werken aan een bloedonderzoek (lid 4).

Verbalisant [naam] heeft de verdachte gevraagd zijn toestemming te verlenen tot het verrichten van een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994, welke toestemming de verdachte heeft verleend. Op 22 mei 2016 om 15:22 uur heeft een arts, in aanwezigheid van verbalisant [naam] , de verdachte door middel van een venapunctie bloed afgenomen. Uit het rapport alcohol in het verkeer van het NFI komt naar voren dat in het bloed van verdachte een ethanolconcentratie is gemeten van 0,84 mg/ml (= promille).8

Verdachte heeft verklaard dat hij de avond ervoor alcohol heeft gedronken en dat hij zich er niet van bewust was dat er nog alcohol in zijn bloed zat. Verdachte zegt niet meer te weten, hoeveel hij heeft gedronken, tot hoe laat hij heeft gedronken en hoe laat hij in bed lag. Dat hij dit niet meer weet, verklaart hij door zijn alcoholgebruik.9

Ten aanzien van het geconstateerde alcoholpromillage hebben de officier van justitie en raadsman zich op het standpunt gesteld dat de bloedproef is afgenomen zonder dat een verdenking bestond van rijden onder invloed zodat de bloedafname daarmee onrechtmatig is. De resultaten van het bloedonderzoek zouden daarom van het bewijs uitgesloten moeten worden.

Overwogen wordt door de rechtbank dat door de Hoge Raad is bepaald dat een verdenking als bedoeld in artikel 163, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 slechts kan rusten op degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een bij artikel 8 voorzien strafbaar feit voortvloeit. Ook voor het vragen van toestemming voor een bloedonderzoek zoals bedoeld in lid 4, dient sprake te zijn van een verdachte van overtreding van artikel 8 WVW. Indien deze verdenking ontbreekt behoeft dit nog niet zonder meer tot bewijsuitsluiting te leiden (HR 30 mei 1995, NJ 1995/644 en HR 6 september 2005, NJ 2006/447).

De rechtbank overweegt verder dat in voormeld proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] niet is beschreven op welke feiten en omstandigheden hij de verdenking van overtreding van artikel 8 WVW grondde. Niet beschreven wordt bijvoorbeeld dat verbalisant waarnam dat verdachte bloeddoorlopen ogen had of dat zijn adem naar alcohol riekte. Nu niet is beschreven welke concrete feiten en omstandigheden de verdenking van overtreding van artikel 8 WVW rechtvaardigden, komt de rechtbank tot de conclusie dat die verdenking er op dat moment, bij het eerste contact, niet was althans vloeit uit het dossier onvoldoende voort dat die verdenking er op dat moment was. Dit betekent dat er geen bevoegdheid bestond om verdachte te vragen om toestemming tot een bloedonderzoek.

Naar het oordeel van de rechtbank is daarbij echter niet naar willekeur gehandeld, gelet op de ernst van het ongeval en de verdenking ten aanzien van verdachtes betrokkenheid bij het ontstaan daarvan onder meer vanwege de verdenking dat verdachte te hard zou hebben gereden, alsmede gelet op de toestemming die verdachte heeft verleend voor het bloedonderzoek. Van belang bij dit alles is verder dat het een feit van algemene bekendheid is dat alcoholgebruik een ontremmende werking op het (rij)gedrag kan hebben. Een en ander heeft op verdachtes recht op een eerlijk proces geen inbreuk gemaakt. Daarbij dient te worden opgemerkt dat het belang van verdachte dat het alcoholgebruik niet wordt ontdekt, niet kan worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank gezien artikel 359a Sv van oordeel dat weliswaar sprake is van een vormverzuim, maar dat dit niet, gelet op de aard en ernst van het verzuim, tot bewijsuitsluiting moet leiden maar tot strafvermindering (vgl: HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3616).

De omstandigheid dat in het dossier niet expliciet is beschreven dat en waarom een voorlopige ademanalyse niet mogelijk was, kan aan vorenstaand oordeel niet afdoen. Een verdenking van rijden onder invloed had door verbalisanten waarschijnlijk op eenvoudige wijze kunnen worden onderbouwd door medewerking te vragen aan een dergelijk voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht, als verdachtes medische toestand dat al had toegelaten. Bekend is dat verdachte niet zelf het voertuig kon verlaten na het ongeval10, dat hij is overgebracht naar het ziekenhuis, dat hij vanwege zijn (medische) toestand niet kon worden voorgeleid11, dat hij vervolgens 11 dagen in het ziekenhuis heeft verbleven en dat hij aan heup en enkel is geopereerd. De ernst van het verzuim wordt hierdoor gerelativeerd. Een alcoholonderzoek dient bovendien spoedig plaats te vinden omdat alcohol snel kan afbreken in het lichaam.

Het resultaat van het bloedonderzoek betreffende verdachte kan derhalve voor het bewijs gebruikt worden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte onder een strafbare mate van invloed van alcohol heeft gereden.

De door verdachte als bestuurder gevoerde snelheid

In het VOA-rapport is op basis van informatie van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) geconcludeerd dat de [merk] op het moment van de botsing met de [merk] een snelheid heeft gehad van 123 km/u aflopend naar 116 km/u.12

Uit een e-mail van [naam] van het NFI komt in dat verband naar voren dat hij het storingsgeheugen van de [merk] heeft uitgelezen. Bij 3 van de 58 registraties is (snelheids-)informatie opgeslagen. Bij de drie storingen werden de volgende snelheden gegeven: 123 km/u, 120 km/u en 116 km/u. Gezien de botsconfiguratie en de ontstane schade passen de geregistreerde snelheden bij het onderhavige ongeval. Ook zijn storingen aangetroffen met een andere kilometerstand. Dit soort gemaximeerde waarden wordt vaker aangetroffen bij foutregistraties en is niet [merk] -specifiek. Snelheidswaarden bij storingsregistraties zijn voor zover het NFI weet niet door de fabrikant geborgd of gevalideerd. Daarom heeft het NFI verscheidene malen bij zaakonderzoek de nauwkeurigheid getoetst van dergelijke snelheidsregistraties. Bij [merk] -systemen zijn tot op heden geen wezenlijke afwijkingen gevonden. Dit specifieke systeem (de rechtbank begrijpt het systeem van de [merk] van verdachte) is echter niet getoetst.13

Verdachte heeft bij de politie verklaard zich niet te kunnen herinneren dat de auto in de bocht is uitgebroken; hij weet niets meer van slippen met de auto. Geconfronteerd met de bevindingen over de snelheid heeft verdachte bij de politie verklaard daarover niets te willen zeggen. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard zich niet te kunnen voorstellen dat hij te hard heeft gereden.

Ten aanzien van de gereden snelheid heeft de raadsman – kort gezegd – aangevoerd dat het uitlezen van het storingsgeheugen niet voldoende betrouwbaar is omdat er ook een kilometerwaarde van 524.000 km is gevonden terwijl de auto in werkelijkheid 231.000 km heeft gereden, zodat niet kan worden vastgesteld dat verdachte met een snelheid van 123, 120 dan wel 116 km/u heeft gereden.

Dit verweer wordt door de rechtbank verworpen.

In het VOA-rapport komt namelijk voldoende duidelijk naar voren dat de [merk] op het moment van de botsing met de [merk] 123 km/u aflopend naar 116 km/u reed, terwijl door het NFI is uitgelegd hoe deze constatering tot stand is gekomen. Het NFI heeft weliswaar vermeld dat het systeem uit de auto van verdachte niet is getoetst, maar wel vermeld dat bij [merk] -systemen tot op heden geen wezenlijke afwijkingen zijn gevonden. De rechtbank concludeert dat afdoende is beschreven dat het NFI de storingen heeft onderzocht die zijn binnengekomen op het moment van de botsing en dat de kilometerstand die de raadsman heeft benoemd betrekking heeft op – zoals door het NFI beschreven – een andere storing. Door het NFI is uiteengezet dat de kilometerstand 524.280 km getracht is te duiden en dat daarbij is gebleken dat het getal is samen te vatten als 8 x 216: het achtvoud van de maximale waarde van een 16-bits getal. Dit soort gemaximeerde waarden wordt vaker aangetroffen bij foutregistraties en is niet [merk] -specifiek, aldus het NFI. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de constateringen van het NFI, zoals verwerkt in het VOA-rapport, betrouwbaar kunnen worden geacht. Het (gezien die toelichting onvoldoende onderbouwde) verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

Daarbij komt, dat door de inzittenden van de [merk] is verklaard dat verdachte te hard reed. Daarnaast is door hen verklaard over het rijgedrag van verdachte voor het ongeval.

[getuige 4] heeft verklaard dat verdachte te laat op de club was en dat verdachte daarvan baalde. Verdachte reed voorop naar Borculo, maar wist de weg niet. Hij was boos en agressief. Hij reed overal te hard. Hij maakte een paar keer een inhaalmanoeuvre waarvan getuige dacht dat het fout zou gaan en het wel wat minder kon. Tijdens het inhalen, dus toen verdachte op de linker weghelft reed, moest hij een keer gas bijgeven om niet tegen de tegenligger aan te botsen. [getuige 1] zei nog wel een keer tegen verdachte dat hij rustig moest doen. [getuige 2] zei dat hij zijn gordel om deed, omdat hij in de achtbaan ook bang was. Op het moment dat ze de bocht naar rechts naderden, dacht getuige “ow we gaan er wel erg hard op af”. Hij voelde dat de auto naar links ging. Hij zag dat verdachte nog bijstuurde naar rechts om zo een frontale aanrijding proberen te voorkomen. Na het ongeluk hoorde hij dat verdachte die avond ervoor een feestje had gehad.14

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij aanvankelijk had verklaard dat verdachte sportief reed, maar dat was omdat hij verdachte de hand boven het hoofd wilde houden. Verdachte reed op die dag namelijk roekeloos. Hij heeft op veel plekken harder gereden dan toegestaan. Hij heeft meerdere auto’s ingehaald. In het begin zei getuige nog een paar keer “doe eens normaal” al wist hij dat er met die opmerking niets gedaan zou worden. Hij heeft niet op de teller gereden, maar hij had het gevoel dat verdachte 110 km/u reed. Hij rook geen alcohol bij verdachte, maar had wel gehoord dat verdachte de avond ervoor een feestje had gehad.15

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij vond dat verdachte roekeloos reed. Bij het wegrijden bij de parkeerplaats reed hij echt vlot weg, het was niet met piepende banden. Verdachte was een beetje agressief. Onderweg haalde hij een paar keer in over een doorgetrokken streep. Getuige zag zelfs een keer tijdens het inhalen, toen ze op de linker weghelft reden, dat er een auto vanuit de tegenovergestelde richting kwam en dat het maar net goed ging. Hiermee bedoelde getuige dat hij dacht dat ze niet veel langer op de linker weghelft moesten blijven rijden, want dan waren ze op de tegenligger gebotst. Hij dacht: “verdachte blijft maar agressief rijden, ik doe mijn gordel om”. Verdachte was een beetje opgefokt omdat hij geblesseerd was. Hij heeft geen alcohol bij verdachte geroken. Toen ze de bocht naar rechts naderden, dacht getuige nog wel: “oh jee, we gaan wel heel snel op die bocht af”.16

[getuige 5] heeft verklaard dat ze waarschijnlijk harder reden dan 100 km/u. Ter hoogte van Doetinchem keek hij voor het laatst op de kilometerteller en toen reed verdachte 100 km/u. Vanaf het moment dat verdachte ging rijden, ging het al wild en roekeloos. Verdachte was opgefokt. Hij gaf veel gas. Vlak voor een bocht haalde verdachte drie auto’s in die voor hem reden. Tijdens deze inhaalmanoeuvre dacht getuige nog wel even “oei”, vanwege de tegenligger die op dat moment in de bocht reed. Verdachte stuurde nog net op tijd naar rechts om zo weer op de rechterweghelft te komen. Toen de tegenligger voorbij was, haalde verdachte gelijk weer een auto in die voor hen reed. Ongeveer twee seconden voordat de auto weg slipte dacht hij nog, met deze snelheid kan verdachte de bocht naar rechts niet maken.17

Door een andere weggebruiker, getuige [getuige 3] , is verklaard dat zij achter een blauwe auto reed waarin het gezin zat dat bij het ongeval betrokken was. Zij zag dat er uit tegengestelde richting een personenauto al slingerend aan kwam rijden. Zij zag dat de bestuurder van deze auto de bocht naar rechts niet meer kon halen. Zij zag dat de auto begon te slippen. Zij zag dat de auto op de tegengestelde weghelft en rijrichting terecht kwam. Zij zag dat deze auto, half frontaal in botsing kwam met de kleine blauwe gezinsauto die voor haar reed.18

Ten aanzien van de getuigen die bij verdachte in de auto zaten heeft de raadsman aangevoerd dat deze tijdens een later verhoor tegelijk zijn gehoord op het [adres] , de woning van [getuige 2] , wiens vader volgens de raadsman politieagent zou zijn. De vier getuigen wisselen volgens de raadsman ineens allemaal ten opzichte van hun eerdere verklaring. Deze latere verklaringen moeten om die reden niet serieus worden genomen, aldus de raadsman. De verklaring van [getuige 3] zou volgens de raadsman negatief beïnvloed zijn door de nare ervaring van het ongeval.

De rechtbank stelt – met de raadsman – vast dat de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 5] op 9 juni 2016 op het [adres] , de woning van [getuige 2] , zijn gehoord. De rechtbank constateert eveneens op basis van de in de processen-verbaal genoemde tijdstippen dat de verhoren van de drie getuigen na elkaar plaatsvonden en niet tegelijkertijd. [getuige 4] is op 22 juni 2016 op dezelfde locatie gehoord. Dat deze getuigen niet op het politiebureau zijn gehoord doet naar het oordeel van de rechtbank als zodanig niet af aan de geloofwaardigheid van hun getuigenverklaringen. Voor zover zij in hun tweede verklaring zijn afgeweken van hetgeen zij eerder met betrekking tot het ongeval hebben verklaard, hebben zij naar het oordeel van de rechtbank een afdoende uitleg gegeven over de reden waarom zij anders hebben verklaard. Verder hebben alle getuigen verklaringen afgegeven die op onderdelen van elkaar verschillen, zodat deze niet overkomen als op elkaar afgestemd. Tot slot merkt de rechtbank op dat de getuigen niet door ene verbalisant [getuige 2] zijn gehoord, maar door een andere verbalisant en dat deze processen-verbaal op ambtsbelofte zijn opgemaakt. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

De rechtbank ziet evenmin aanleiding, mede gelet op de bevindingen van het VOA-rapport en de hiervoor genoemde getuigen om te twijfelen aan de waarnemingen van getuige [getuige 3] .

Het vorenstaande brengt mee dat de rechtbank te minder aanleiding ziet om te twijfelen aan de bevindingen in het VOA-rapport en de daarin opgenomen onderzoeksresultaten van het NFI. Dit betekent dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte met een snelheid tussen de 116 en 123 km/u heeft gereden; een snelheid die veel hoger is dan de 80 km/u die ter plaatse is toegestaan.

De toestand van het wegdek

Met de raadsman stelt de rechtbank vast dat verschillend is gerelateerd met betrekking tot de toestand van het wegdek: nat of niet. Verbalisant [verbalisant] heeft vlak na het ter plaatse komen gerelateerd dat het wegdek nat/vochtig was. De getuige [getuige 1] heeft ook verklaard dat het wegdek nat was. Uit pagina 9 van het VOA-rapport komt evenwel naar voren dat het wegdek droog was. De VOA-rapporteurs waren ongeveer een half uur na het ongeval ter plaatse.

De rechtbank is met betrekking tot de toestand van het wegdek van oordeel dat van iedere bestuurder mag worden verwacht dat deze anticipeert op verkeerssituaties en dat deze voortdurend in staat is zijn voertuig onder controle te houden om de benodigde verkeershandelingen te verrichten. Deze zorgplicht gold dus ook voor verdachte. Hij had zijn rijgedrag daarop moeten aanpassen, daargelaten of het wegdek nat of droog was.

In elk geval is hier niet gebleken van een zodanige omstandigheid waarop verdachte zelf geen invloed heeft gehad en die de plaatsgevonden verkeersmanoeuvre in de hand heeft gewerkt en verdachte zou kunnen disculperen. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.

De rechtbank stelt alles overziend vast dat verdachte zonder dat daarvoor een verontschuldigbare reden is aan te voeren, direct voorafgaand aan het ongeval met zijn auto op de weghelft bestemd voor het hem tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen en daarbij kennelijk de dubbele doorgetrokken streep heeft overschreden. Verdachte heeft zich dus niet gehouden aan de op hem rustende verplichting om op zijn eigen weghelft te blijven en zoveel mogelijk rechts te houden. Daardoor heeft verdachte een zeer gevaarlijke situatie doen ontstaan.

Slotoverwegingen

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte heeft meerdere verkeersfouten gemaakt: hij reed veel te hard en was onder invloed van alcohol. Verdachte is in een flauwe bocht op de andere weghelft terecht gekomen en heeft de [merk] aangereden.

Gelet op deze verkeersfouten, het geheel van de gedragingen van verdachte en de aard en de ernst daarvan, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich hiermee in een situatie heeft gebracht waar een ongeval, zoals dat heeft plaatsgevonden, voorzienbaar was. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zeer onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam heeft gereden. Het gedrag van verdachte is ook verwijtbaar omdat het ongeval vermijdbaar was. Verdachte had er immers voor kunnen kiezen om geen of minder alcohol te drinken, wetend dat hij de volgende dag rond het middaguur weer zou gaan rijden of om na zijn alcoholconsumptie in de avond/nacht voor het ongeval, de auto te laten staan. Dat er in het om 15.21 uur afgenomen bloed een (te hoog) alcoholpromillage van 0,84 zat, betekent, gezien de gemiddelde afbraaktijd van alcohol door het lichaam, dat verdachte zeer forse hoeveelheden alcohol genuttigd heeft. Daar komt bij dat hij zich aan de maximumsnelheid had moeten en kunnen houden. Dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam heeft gereden volgt ook uit het feit dat uit het ingestelde onderzoek ter plaatse niet is gebleken van enig remspoor en bovendien uit het feit dat verdachte geen andere redengevende verklaring heeft kunnen geven voor het ontstaan van de aanrijding. Het is een feit van algemene bekendheid dat alcoholgebruik door de ontremmende werking de rijvaardigheid negatief beïnvloedt en de kans op een ongeval vergroot, net als overschrijding van de maximum snelheid.

Het ongeval en het zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ten gevolge van de aanrijding zijn niet alleen door het handelen van verdachte veroorzaakt, maar ook aan zijn schuld te wijten in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 22 mei 2016 te Zelhem in de gemeente Bronckhorst, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting Doetinchem, daarmee rijdende op de uit twee rijstroken, bestaande weg, de N315,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

onder invloed van alcohol, althans na het gebruik van een niet onaanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank,

met een snelheid van ongeveer gelegen tussen de 116 en 123 kilometer per uur, althans met een grotere snelheid dan de aldaar ingevolge artikel 21 aanhef onder a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 voor hem, verdachte maximaal toegestane snelheid van 80 kilometer per uur over die weg, de N315 heeft gereden en/of

gekomen in of nabij een in die weg (N315) gelegen, naar rechts verlopende bocht niet of in onvoldoende mate heeft gelet op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg (de N315) en/of

met die hoge snelheid die naar rechts verlopende bocht met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) is ingereden, waarbij de achterzijde van dat motorrijtuig (personenauto) naar links is uitgebroken en/of in een slip is geraakt en/of

in strijd met artikel 3 van voormeld reglement niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of

met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto), naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan en/of geheel of gedeeltelijk op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de N315) is terecht gekomen en/of

in strijd met het gestelde in artikel 76 lid 1 van voormeld reglement, zich aan de linkerzijde van een ter plaatse op het wegdek tussen de rijstroken van die weg (de N315) aangebrachte dubbele doorgetrokken streep, inhoudende: "Een doorgetrokken streep die zich niet langs de rand van de rijbaan-verharding bevindt, mag niet worden overschreden en/of bestuurders mogen zich niet links van en doorgetrokken streep bevinden, indien die streep is aangebracht tussen rijstroken of paden met verkeer in beide richtingen", heeft bevonden en/of

geheel of gedeeltelijk rijdend op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de N315) is gebotst tegen, in elk geval in aanrijding is gekomen met een op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de N315) rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto, [merk] ) en/of

(vervolgens) met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) tegen twee in die gezien zijn, verdachtes rijrichting rechter berm van die weg (N315) staande bomen is gebotst en/of aangereden en/of aangegleden en/of (vervolgens) op de kop in een in die berm zich bevindende sloot tot stilstand is gekomen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander/en (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

terwijl hij, verdachte verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 en/of

welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis van de officier van justitie volstrekt niet in overeenstemming is met de ernst van de fouten die verdachte heeft gemaakt. De verdediging heeft verder verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en aan verdachte een werkstraf met een voorwaardelijk strafdeel op te leggen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 7 september 2017.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstige verkeersfout door onder invloed van alcohol te gaan rijden. Deelname aan het verkeer na het gebruik van meer alcoholhoudende drank dan de toegestane hoeveelheid is over het algemeen genomen onverenigbaar met de mate van concentratie die is vereist. Bovendien heeft verdachte veel te hard gereden; ook dit is gevaarzettend. Hij is in een flauwe bocht met zijn auto op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer terecht gekomen. Verdachte heeft de overige verkeersdeelnemers op die manier in groot gevaar gebracht. De gevolgen van onvoorzichtig, onachtzaam en onoplettend rijgedrag kunnen zeer ernstig zijn, zoals ook in dit geval blijkt. Meerdere personen hebben letsel opgelopen door het ongeval, waaronder verdachte zelf.

Als gevolg van het door verdachte veroorzaakte ongeval hebben [slachtoffer 1] en haar toen tweejarige dochtertje [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel opgelopen; zij zullen hun leven lang de gevolgen van het ongeval moeten dragen. Verdachte heeft door zijn handelen de slachtoffers en hun familie veel leed aangedaan. In de door de zus van [slachtoffer 1] ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring komt op indringende wijze naar voren dat [slachtoffer 1] en haar dochtertje [slachtoffer 2] dagelijks geconfronteerd worden met de gevolgen van hun verwondingen, dat daarin nog geen eindfase is bereikt en dat het (hersen)letsel van [slachtoffer 2] blijvend is. [slachtoffer 1] is bovendien afhankelijk geworden van de mensen om haar heen, nu zij in een rolstoel zit. Naast het moeten omgaan met deze levenslange beperkingen, zullen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ook moeten verwerken dat hen dit leed is toegebracht door een medeweggebruiker die èn te hard èn onder invloed van alcohol reed. Het is bijzonder schrijnend dat hun leven onomkeerbaar en ingrijpend is veranderd, zonder dat zij daaraan ook maar iets konden doen.

Hun verwerking wordt bemoeilijkt door de opstelling van verdachte. Hij zoekt niet of nauwelijks de fout bij zichzelf en een begin van schuldbesef lijkt afwezig. Ook op de zitting kon verdachte niet aangeven of hij zich schuldig voelt aan het ongeval. Verdachte kon wel de gevolgen van het ongeval en de strafzaak voor zich zelf beschrijven maar gaf nauwelijks blijk van doorleefd medeleven in de richting van de slachtoffers die hij heeft gemaakt.

Gelet op de oriëntatiepunten van de rechtbank voor dergelijke feiten, waarbij sprake is van strafbaar alcoholgebruik, een snelheidsovertreding, een zeer hoge mate van schuld en slachtoffers met zwaar lichamelijk letsel, is uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren. Gelet op de ernst van verdachtes verkeersfouten en de gevolgen daarvan is een werkstraf niet aan de orde. Gelet op het voorgaande zou de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in voormelde omvang op zich op zijn plaats achten. In verband echter met het hiervoor beschreven vormverzuim ten aanzien van het bloedonderzoek zal de rechtbank de gevangenisstraf enigszins matigen, namelijk tot de duur van 32 weken. Verdachtes persoonlijke omstandigheden leiden de rechtbank niet tot de keuze voor een andere strafsoort of –maat.

Ten aanzien van de ontzegging van de rijbevoegdheid zal de rechtbank enigszins rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zijn werk in een familiebedrijf en het feit dat hij geen relevante documentatie heeft,. Daarom zal de rechtbank een deel van de ontzegging van de rijbevoegdheid voorwaardelijk opleggen, mede ter voorkoming van recidive.

In deze strafopleggingen is het tijdsverloop verdisconteerd.

Aangezien de rechtbank – anders dan de officier van justitie – ook het rijden onder invloed als onderdeel van het strafrechtelijk verwijt bewezen acht, acht zij oplegging van een langere gevangenisstraf en rijontzegging gerechtvaardigd dan door de officier van justitie is geëist.

Alles overwegende zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 weken en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 30 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd dat verdachte het rijbewijs al kwijt is geweest.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen de artikelen 10, 14a, 14b, 14c en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 (twee en dertig) weken;

 ontzegt verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 30 (dertig) maanden;

 bepaalt, een gedeelte van deze bijkomende straf groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

 bepaalt, dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Mei (voorzitter), mr. E.H.T. Rademaker en mr. B.F.M. Klappe, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. Hoesstee, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 november 2017.

Mrs. Rademaker en Klappe zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] , agent van de politie eenheid Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, basisteam Achterhoek-West, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016251333-1, gesloten op 20 december 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal verkeersongevallenanalyse, p. 4 van 30.

3 Proces-verbaal verkeersongevallenanalyse, p. 6 van 30.

4 Proces-verbaal verkeersongevallenanalyse, p. 18 en 23 van 30.

5 De geneeskundige verklaring, de overgelegde medische informatie en de schriftelijke slachtofferverklaring betreffende [slachtoffer 1] , ongenummerd

6 De geneeskundige verklaring, de overgelegde medische informatie en de schriftelijke slachtofferverklaring betreffende [slachtoffer 2] , ongenummerd

7 Proces-verbaal van rijden onder invloed, ongenummerd.

8 Rapport alcohol in het verkeer, ongenummerd.

9 Verklaring verdachte ter terechtzitting.

10 Proces-verbaal verkeersongevallenanalyse, p. 9 van 30.

11 Proces-verbaal van rijden onder invloed, ongenummerd, blad 2.

12 Proces-verbaal verkeersongevallenanalyse, p. 27 van 30.

13 Schriftelijk bescheid: e-mail van het NFI van 14 juni 2016, ongenummerd.

14 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] , ongenummerd.

15 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , ongenummerd.

16 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , ongenummerd.

17 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5] , ongenummerd.

18 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] , ongenummerd.