Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:5677

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-11-2017
Datum publicatie
03-11-2017
Zaaknummer
05/840604-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrouw voor brandstichting Winterswijk naar psychiatrisch ziekenhuis

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/840604-17

Datum uitspraak : 3 november 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1973 te [geboorteplaats] , wonende te [adres]

thans verblijvende [adres] ,

raadsman: mr. E.A.C. Sandberg, advocaat te Vorden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van
8 september 2017, 6 oktober 2017 en 20 oktober 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 26 mei 2017 te Winterswijk opzettelijk brand heeft gesticht in/op het terras van de woning gelegen aan [adres] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met een vlam van een aansteker een krant en/of (meerdere) (stokjes) bamboe in brand gestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die krant en/of (meerdere) (stokjes) bamboe en/of een of meerdere (tuin)meubel(en) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor
- het (gehele) appartementencomplex aan de [adres] en/of een of meerdere mu(u)r(en) en/of ra(a)m(en) (van voornoemd appartementencomplex) en/of een of meerdere (tuin)meubel(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of
- levensgevaar voor een of meerdere bewoner(s) in/van voornoemd appartementencomplex, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of
- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor die voornoemde bewoners in/van het appartementencomplex, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

zij op of omstreeks 26 mei 2017 te Winterswijk grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam meerdere stokjes bamboe en/of stukken hout en/of een krant en/of (tuin)meubel(en), in brand heeft gestoken, althans open vuur in aanraking heeft doen komen met die stokjes bamboe en/of stukken hout en/of een krant en/of (tuin)meubel(en), welke zich bevonden in de (directe) nabijheid van de (tuin)meubel(en) waaronder een of meerdere tuinstoel(en), een tuinbank, kussens en een tafel en/of de pui van het appartementencomplex [adres] en/of een ruit in de pui van het voornoemde appartementencomplex en/of een balkon van een bovenliggend appartement, (mede) ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat het de voornoemde (tuin)meubel(en) (gedeeltelijk) is/zijn verbrand en/of de pui van voornoemd appartementencomplex en/of een ruit in de pui van het appartementencomplex en/of een balkon van een bovenliggend appartement is vernield dan wel beschadigd dan wel tijdelijk onbruikbaar is geraakt, in elk geval, dat er brand is ontstaan, terwijl daardoor gemeen gevaar voor het voornoemde appartementencomplex en/of een of meerdere mu(u)r(en) en/of ra(a)m(en) van voornoemd appartementencomplex en/of een of meerdere (tuin)meubel(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten dan wel ontstond.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht. Verdachte had voorwaardelijk opzet op het ontstaan van de brand. Juridisch gezien is niet hard te maken dat er door de brand levensgevaar voor anderen te duchten was.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat volgens verdachte de brand zich vanaf de vuurkorf heeft uitgebreid naar het tuinmeubilair. De verdediging heeft uitdrukkelijk betwist dat er meerdere brandhaarden waren. Verder heeft de verdediging de deskundigheid van verbalisant [naam 1] betwist. Alleen een deskundigenadvies van een deskundige uit het Nederlands register van gerechtelijk deskundigen, dan wel het NFI is acceptabel. Verbalisant [naam 1] staat echter niet in dat register en is niet van het NFI. Nergens uit blijkt dat verbalisant [naam 1] over de benodigde kwalificaties beschikt en conform de richtlijnen werkt. Het aanvullend proces-verbaal van 21 september 2017 kan dientengevolge niet als bewijs worden geaccepteerd.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte geen brandversneller(s) heeft gebruikt en dat er naar algemene ervaringsregels geen aanmerkelijke kans was dat er brand zou uitbreken. Verdachte heeft vaker op die plek de vuurkorf aangestoken. Tevens was er geen gemeen gevaar voor goederen, nu het niet aannemelijk is dat er door deze brand een werkelijk gevaarlijke situatie kon ontstaan. Daarnaast was er geen levensgevaar te duchten, gelet op het tijdstip van de brand.
Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte vaker vuurtjes heeft gestookt in de vuurkorf en dat dat altijd goed is gegaan. Deze keer liep het volgens verdachte kennelijk uit de hand, omdat er onbekende brandbare spullen in de vuurkorf waren gestopt door derden. Daaromtrent is te weinig duidelijk, waardoor vrijspraak moet volgen.

Beoordeling door de rechtbank

Op 26 mei 2017 was er rond 17.00 uur brand op het terras van een woning gelegen aan de [adres] in Winterswijk. Ter plaatse zagen verbalisanten dat er op de begane grond aan de voorzijde van het appartementencomplex diverse spullen in brand stonden, dat er meerdere brandhaarden waren en dat de vlammen ongeveer anderhalf à twee meter hoog waren.2 Verdachte woonde in die woning, die eigendom is van woonstichting [naam 1] . Door de brand is schade ontstaan aan het terras, de muur en het raam van de woning.3 Tevens zijn verschillende tuinmeubels geheel of gedeeltelijk verbrand.4

De rechtbank stelt voorop dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de deskundigheid van verbalisant [naam 1] , gelet op zijn beroep en hetgeen hij geverbaliseerd heeft in zowel het proces-verbaal sporenonderzoek als het aanvullend proces-verbaal van 21 september 2017. Verbalisant [naam 1] is brigadier van politie en als forensisch onderzoeker werkzaam bij de afdeling forensische opsporing van de Landelijke Eenheid van het Korps Landelijke Politiediensten. Het sporenonderzoek heeft hij verricht met behulp van detectie middelen. Dit alles maakt dat de rechtbank vaststelt dat verbalisant [naam 1] voldoende opleiding en ervaring heeft om te gelden als deskundige in dit kader. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het proces-verbaal van zijn hand de dato 7 juni 2017 alsmede het aanvullend proces-verbaal van 21 september 2017 als bewijsmiddel kan worden gebruikt.

Verdachte heeft verklaard dat zij met een aansteker stukken hout, bamboe en een krant heeft aangestoken in een vuurkorf.5 Het vuur laaide volgens verdachte hoog op door de rieten tuinstoelen die naast de vuurkorf stonden. Het vuur moet zijn overgeslagen van de vuurkorf naar de tuinset, aldus verdachte.

In het aanvullend proces-verbaal van 21 september 2017 heeft verbalisant [naam 1] twee hypothesen voor het brandverloop onderzocht. Hypothese A houdt in dat het een brand betreft met één primaire brandhaard en dat de overige brandhaarden zijn ontstaan door overslag. Hypothese B houdt in dat het een brand betreft met drie separate primaire brandhaarden. Gelet op het door verbalisant verrichte sporenonderzoek zal bij deze brand hypothese B meer waar zijn dan hypothese A, aldus verbalisant [naam 1] . Ten slotte stelt de deskundige onomwonden dat de brandhaarden geen relatie hebben en apart van elkaar moeten zijn ontstaan door het inbrengen van vuur.6

De rechtbank overweegt dat hypothese A aansluit bij de hiervoor beschreven verklaring van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring niet aannemelijk is geworden, gelet op hetgeen geverbaliseerd is in het aanvullend proces-verbaal van 21 september 2017. De brand in de tuin van verdachte bestond uit meerdere primaire brandhaarden en is niet ontstaan door overslag vanuit de vuurkorf naar de tuinset.

Op basis van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat er meerdere primaire separate brandhaarden waren, wat tot de vaststelling leidt dat verdachte meerdere branden in haar tuin heeft aangestoken. Hieruit kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat verdachte de brand opzettelijk heeft gesticht. Daaraan doet niet af dat de rechtbank, zoals hierna zal blijken, verdachte niet toerekeningsvatbaar acht.

Getuige [naam 1] , bevelvoerder van de brandweer Winterswijk, heeft verklaard dat als de buurtbewoners niet direct waren begonnen met blussen of als de brand later ontdekt was, dat de brand door had kunnen slaan naar de binnenzijde van de woning of naar de daarboven gelegen woning.7 Verbalisant [naam 1] heeft gesteld dat het, gelet op het door hem verrichte sporenonderzoek, niet geheel onmogelijk was dat door warmteoverdracht en/of rookontwikkeling brand en/of rookschade had kunnen ontstaan op en/of aan nabij gelegen woningen.8 Gelet op deze verklaringen is de rechtbank van oordeel dat door de brand gemeen gevaar voor goederen te duchten was. De brand woedde overdag, rond 17.00 uur. Buurtbewoners ontdekten de brand al vroeg en hebben de brand gedeeltelijk geblust. De rechtbank is dan ook van oordeel dat door de brand geen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. De bewoners konden immers hun woningen tijdig verlaten.

Op grond van het bovenstaande concludeert de rechtbank dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht op het terras van de woning die zij huurde van [naam 1] . Verdachte heeft meerdere branden aangestoken op het terras en daardoor was gemeen gevaar voor goederen te duchten. Het primair ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

zij op of omstreeks 26 mei 2017 te Winterswijk opzettelijk brand heeft gesticht in/op het terras van de woning gelegen aan [adres] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met een vlam van een aansteker een krant en/of (meerdere) (stokjes) bamboe in brand gestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die krant en/of (meerdere) (stokjes) bamboe en/of een of meerdere (tuin)meubel(en) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor
- het (gehele) appartementencomplex aan de [adres] en/of een of meerdere mu(u)r(en) en/of ra(a)m(en) (van voornoemd appartementencomplex) en/of een of meerdere (tuin)meubel(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of
- levensgevaar voor een of meerdere bewoner(s) in/van voornoemd appartementencomplex, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of
- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor die voornoemde bewoners in/van het appartementencomplex, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht, omdat de gedragingen van verdachte niet volledig werden beheerst door haar psychische gesteldheid.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht en dientengevolge moet worden ontslagen van rechtsvervolging.

De rechtbank heeft kennis genomen van een psychiatrisch onderzoek, gedateerd 19 juni 2017, opgemaakt door dr. [naam 1] . Dit rapport houdt onder meer in als conclusie, zakelijk weergegeven:

“Betrokkene lijdt zowel aan een ziekelijke stoornis (bipolaire stemmingsziekte) alsook aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens (ander of nader gespecificeerde-gemengde persoonlijkheidsstoornis). Dit was ook zo ten tijde van het ten laste gelegde. Vanuit deze pathologische stemmingsstoornis, in combinatie met de disfunctionele persoonlijkheidstrekken van betrokkene, was er sprake van een toenmalig aanwezige nadelige beïnvloeding van betrokkene haar gedrag, haar gedragskeuzes, haar denkprocessen (cognitie) en haar vermogen tot zelfsturing. Vanuit emotionele over-stimulatie en overprikkeldheid met verhoogde impulsiviteit en verminderd zelfkritisch vermogen kwam betrokkene op impulsieve en onvoorzichtige wijze tot de ten laste gelegde gedragingen. Daarbij had zij desondanks nog wel enig vermogen tot reflectie, oriëntatie en risico inschatting behouden, maar kon haar wil van daaruit onvoldoende bepalen. Zij wordt vanuit psychiatrisch gedragskundig oogpunt als verminderd toerekeningsvatbaar aangemerkt.”

De rechtbank heeft ook kennis genomen van een psychologisch onderzoek, gedateerd 15 juli 2017, opgemaakt door drs. [naam 1] , GZ-psycholoog. Dit rapport houdt onder meer in als conclusie, zakelijk weergegeven:

“Betrokkene lijdt aan een bipolaire-I-stoornis met psychotische kenmerken. Dit was ten tijde van het ten laste gelegde hetzelfde. Tijdens het ten laste gelegde was sprake van een hypomanische episode. Ten tijde van het ten laste gelegde lijkt, op grond van het relaas van betrokkene over het ten laste gelegde en zoals blijkt uit de klachten die haar buren voorafgaand aan het ten laste gelegde over haar hadden, sprake te zijn geweest van een manische periode en van psychotische belevingen. Betrokkene was prikkelbaar, was erg actief, sliep amper, kon haar gedachten niet ordenen. Betrokkene had geen controle over haar gedachten, gevoelens en gedrag. De hypomanie en de psychotische belevingen lijken het gedrag van betrokkene voorafgaand en tijdens het ten laste gelegde volledig te hebben beïnvloed. Gezien de toestand waarin betrokkene verkeerde, was ze niet in staat risico’s adequaat in te schatten en haar plan adequaat uit te voeren. Op grond hiervan adviseert rapporteur betrokkene het ten laste gelegde geheel niet toe te rekenen. Betrokkene liet zich bij mederapporteur minder “psychotisch” uit over het ten laste gelegde. Dit het zich wisselend uitlaten over bepaalde zaken, past binnen het chaotische denken en chaotische gedrag van betrokkene, passend bij haar ziektebeeld.”

De rechtbank verenigt zich voor wat betreft de stoornis met voormelde conclusies en maakt die tot de hare. Voor wat betreft het oordeel over de toerekeningsvatbaarheid, verenigt de rechtbank zich met de conclusie van de psycholoog, mede gelet op de andere in het procesdossier opgenomen Pro Justitia-rapportages en de recente opname van verdachte vóór de ten laste gelegde feiten en de omstandigheid dat de psychiater diens andersluidende conclusie op dit punt na melding van het overleg met mede-rapporteur niet nader toelicht.

De rechtbank is derhalve van oordeel, dat het hiervoor bewezen verklaarde niet aan verdachte kan worden toegerekend. Verdachte is aldus niet strafbaar en dient te worden ontslagen van rechtsvervolging.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar, met als bijzondere voorwaarden een klinische behandeling in [naam 1] of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, een ambulante behandeling indien nodig en een meldplicht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft in het geval van een bewezenverklaring de rechtbank gevraagd om aan verdachte de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op te leggen, gelet op de volledige ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur van de voorlopige hechtenis en verder een geheel voorwaardelijk straf in combinatie met bijzondere voorwaarden.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen sanctie gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 15 september 2017;

- voorlichtingsrapportages van Reclassering Nederland, gedateerd 28 augustus 2017 en 20 oktober 2017;

- een multidisciplinair rapport van drs. [naam 1] , GZ-psycholoog, gedateerd 15 juli 2017 en van dr. [naam 1] , psychiater, gedateerd 19 juni 2017.

De rechtbank heeft bij de sanctieoplegging in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht op het terras van de woning die zij huurde. Verdachte mag van geluk spreken dat de schade beperkt is gebleven tot het terras en de buitenzijde van het appartement en niet naar binnen in de woning is geslagen. Dankzij alerte buurtbewoners is erger voorkomen. Met haar handelen heeft verdachte de bewoners veel schrik aangejaagd.

Zoals hierboven reeds is overwogen, kan het bewezen geachte feit verdachte wegens een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens niet worden toegerekend. Dientengevolge kan op grond van artikel 39 Wetboek van Strafrecht geen straf aan verdachte worden opgelegd. Wel acht de rechtbank de oplegging van een maatregel geïndiceerd. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

Uit het bovengenoemde rapport van de psycholoog komt naar voren dat verdachte vaker manische periodes heeft en dan ontremd en ontoelaatbaar gedrag vertoont. Het is daarom ook goed voorstelbaar dat er opnieuw sprake zal zijn van delictgedrag. Ook volgens de psychiater is de kans op recidive groot bij onvoldoende herstel, dan wel bij het terugkeren van de ziekelijke symptomen. Beide rapporteurs achten het wenselijk dat verdachte behandeling zal ontvangen op een forensisch psychiatrische afdeling (FPA). De psychiater heeft geadviseerd om deze behandeling als bijzondere voorwaarde te koppelen aan een voorwaardelijk(e) straf(gedeelte). De psycholoog daarentegen heeft geadviseerd om verdachte te plaatsen in een psychiatrisch ziekenhuis, conform artikel 37 Wetboek van Strafrecht.

Volgens de reclassering geniet behandeling middels een artikel 37-plaatsing de voorkeur, gelet op de forse problematiek en de noodzaak voor medicamenteuze behandeling zodat een stabiel toekomstbeeld bereikt kan worden. In dat geval kan de behandeling gecontinueerd worden als verdachte wederom ontregelt. Als de behandeling als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd en verdachte raakt ontregeld, dan wordt zij teruggeplaatst in een gevangenis en komt de behandeling stil te staan.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis eist. Daarom zal tot het opleggen van deze maatregel worden overgegaan. Na de periode van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis zijn er civielrechtelijke maatregelen om indien nodig (verdere) gedwongen behandeling van verdachte te waarborgen.

De rechtbank zal derhalve gelasten dat verdachte overeenkomstig het bepaalde in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor een termijn van één jaar.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 37, 39 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor niet strafbaar;

 ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

 gelast dat verdachte wordt geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van 1 (één) jaar;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Mei (voorzitter), mr. B.F.M. Klappe en
mr. M.W. Stoet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.R. van Damme, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 november 2017.

Mr. Stoet en mr. Van Damme zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [naam 1] van de politie
Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017239095, gesloten op 28 mei 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 29.

3 Het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] namens [naam 1] , p. 3,

4 Het proces-verbaal sporenonderzoek, PL0600-2017239095-24, blad 2.

5 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 8 september 2017.

6 Het aanvullend proces-verbaal, PL0600-2017239095-29, blad 2.

7 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 1] , p. 14.

8 Het proces-verbaal sporenonderzoek, PL0600-2017239095-24, blad 3.