Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:5675

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-11-2017
Datum publicatie
02-11-2017
Zaaknummer
05/840677-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het opzettelijk en wederrechtelijk beschadigen van een garagedeur en een muur door te schieten met een vuurwapen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/840677-16

Datum uitspraak : 2 november 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1980 te Dordrecht, verblijvende aan de [adres 1] ,

raadsman: mr. G.W. Roest, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 19 oktober 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 26 t/m 27 juni 2016 te Driel, gemeente Overbetuwe, opzettelijk en wederrechtelijk (met een (vuur-)wapen) eenmaal of meermalen heeft geschoten in/op een (garage-)deur van een garage/schuur van de woning [adres 2] aldaar, waardoor een of meer gaten en/of beschadigingen in die deur en/of in een of meer muur/muren van die garage/schuur zijn ontstaan, en aldus die deur en/of die muur/muren, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

2.

hij in of omstreeks de periode van 26 t/m 27 juni 2016 te Driel, gemeente Overbetuwe, een vuurwapen van categorie II aanhef en onder 3, althans een vuurwapen van categorie III aanhef en onder 1, te weten een geweer (met afgezaagde kolf) (kaliber .22) en/of een geluiddemper en/of twee, althans een of meer magazijn(en) geschikt voor dit geweer en/of munitie van categorie III, te weten 55 patronen (kaliber .22), voorhanden heeft gehad.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Ten aanzien van feit 1

Er is sprake van een bekennende verdachte - met uitzondering van de opzet van verdachte - als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 23 en 24;

- het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , p. 27 en 28;

- het proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 44;

- het proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte, p 105 en 106.

Ten aanzien van de opzet van verdachte

In de tuin van verdachte lag een leeg plastic flesje en dat wilde hij op een container zetten en er af schieten.2 Achter de container had hij tegen de heg aan een houten plank van ongeveer 2,5 à 3 centimeter dik geplaatst. Toen verdachte de houten plank had neergezet, heeft hij nog wel gekeken of achter de heg de auto van de buren stond.3 Hieruit blijkt dat verdachte kennelijk heeft ingezien dat hij, door te schieten, mogelijk een goed toebehorend aan een ander kon beschadigen. Verdachte heeft vervolgens geschoten met het geweer.4 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte daarbij, zo blijkt uit het voorgaande, de aanmerkelijke kans op het beschadigen van andermans spullen bewust aanvaard. Bovendien is verdachte militair geweest5 en geldt daarom te meer dat hij moet hebben geweten dat het schieten met geweren in algemene zin gevaarlijk is en dat het nemen van adequate veiligheidsmaatregelen dan ook geboden is.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk en wederrechtelijk de garagedeur en muur heeft beschadigd.

Ten aanzien van feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 10 en 11;

- het proces-verbaal van onderzoek wapen, p. 29-32;

- het proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte, p 105 en 107.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 26 t/m 27 juni 2016 te Driel, gemeente Overbetuwe, opzettelijk en wederrechtelijk (met een (vuur-)wapen) eenmaal of meermalen heeft geschoten in/op een (garage-)deur van een garage/schuur van de woning [adres 2] aldaar, waardoor een of meer gaten en/of beschadigingen in die deur en/of in een of meer muur/muren van die garage/schuur zijn ontstaan, en aldus die deur en/of die muur/muren, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

2.

hij in of omstreeks de periode van 26 t/m 27 juni 2016 te Driel, gemeente Overbetuwe, een vuurwapen van categorie II aanhef en onder 3, althans een vuurwapen van categorie III aanhef en onder 1, te weten een geweer (met afgezaagde kolf) (kaliber .22) en/of een geluiddemper en/of twee, althans een of meer magazijn(en) geschikt voor dit geweer en/of munitie van categorie III, te weten 53 patronen (kaliber .22), voorhanden heeft gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen.

Ten aanzien van feit 2:

Handelen in strijd met art. 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij art. 55 lid 1 van de Wet wapens en munitie.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, en tot het verrichten van 180 uren werkstraf, te vervangen door 90 dagen hechtenis en met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zijnde 2 uren of 1 dag.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte de kostwinner is van zijn gezin en dat hij een dochter heeft van vier maanden oud met gezondheidsproblemen. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is daarom volgens de raadsman niet passend. Ook heeft de raadsman aangevoerd dat de meewerkende houding van verdachte dient te worden meegewogen bij de bepaling van de strafmaat. De raadsman heeft verzocht om een werkstraf van 120 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden op te leggen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 6 juli 2017.

Verdachte heeft een vuurwapen, een demper en munitie voorhanden gehad. Verdachte heeft, na het drinken van bier, het wapen uitgetest. Hierbij heeft verdachte geen adequate veiligheidsmaatregelen genomen, waardoor een zeer gevaarlijke situatie is ontstaan. Verdachte mag van geluk spreken dat alleen de garagedeur en de muur van zijn buurvrouw beschadigd zijn en er geen gewonden zijn gevallen. Het betreffen ernstige feiten, waarop volgens de richtlijnen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf staat.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met het feit dat hij kostwinner is en de vader van een jonge dochter met gezondheidsproblemen. Tevens houdt de rechtbank in zijn voordeel rekening met het feit dat verdachte zich heeft gerealiseerd dat hij een grote fout heeft begaan. Feit blijft echter wel dat verdachte een wapen in het buitenland heeft gekocht en hiermee heeft geschoten. De rechtbank acht daarom een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden passend, zij het in voorwaardelijke vorm, als stok achter de deur. De rechtbank zal de proeftijd op twee jaar stellen, in verband met de inmiddels verstreken tijd sinds het plegen van de feiten. Ook zal de rechtbank de geëiste werkstraf opleggen. Naast de voorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank verdachte veroordelen tot het verrichten van 180 uren werkstraf, te vervangen door 90 dagen hechtenis, en met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zijnde 2 uren of 1 dag.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.458,31.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot betaling van het bedrag van € 1.458,31 toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 24 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het (onder 1) bewezen verklaarde handelen tot het gevorderde bedrag schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is voor toewijzing vatbaar. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 26 juni 2016.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 27, 36f, 91 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 26, 55 en 56 van de Wet wapens en munitie.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

 bepaalt, dat deze gevangenisstraf, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

- dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een werkstraf gedurende 180 (honderdtachtig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen;

 beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de werkstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van € 1.458,31 (veertienhonderdachtenvijftig euro en éénendertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 1.458,31 (veertienhonderdachtenvijftig euro en éénendertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 24 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.A.M. van Hoof (voorzitter), mr. G. Noordraven en mr. E.G.J. Broekhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Langstraat, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 november 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant J.J.H. van Dalen van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016317340, gesloten op 28 juli 2016, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte, p. 105.

3 Het proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte, p 106.

4 Het proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte, p 105.

5 Justitiële documentatie van 6 juli 2017, p. 2.