Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:5668

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-11-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2383; 17_2688
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor de activiteit “gebruik in strijd met het bestemmingsplan” voor een herontwikkelingslocatie met recreatie en horeca (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo en artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo).

Een van de eisers is woonachtig in het plangebied. Zij hebben een tijdelijke intentie-overeenkomst gesloten met vergunninghoudster waarin – onder meer – is afgesproken dat zij geen zienswijze indienen tegen het plan. In ruil daarvoor heeft vergunninghoudster de toezegging gedaan om haar uiterste best te doen een vergelijkbaar perceel en opstallen te vinden en verwerven, waarna dit perceel met eisers geruild kan worden tegen hun perceel. Eisers hebben daarom geen zienswijze ingediend. Vervolgens is de uitruil niet van de grond gekomen.

Artikel 6:13 Awb. Het afstand doen van hun beroepsrecht dient in beginsel voor eigen risico van eisers te blijven. Naar het oordeel van de rechtbank is de met vergunninghoudster afgesloten overeenkomst echter zodanig onredelijk dat in dit geval daarop een uitzondering moet worden gemaakt. Het beroep is daarom ontvankelijk.

Het beroep is gegrond omdat niet is gebleken dat het plan uitvoerbaar is, aangezien vergunninghoudster niet beschikt over alle gronden in het plangebied of overeenkomsten om deze te verkrijgen. Daarnaast zijn de gevolgen op het woon- en leefklimaat van eisers niet onderzocht.

Ook het beroep van de omwonenden is gegrond. Verweerder heeft onvoldoende onderbouwd hoeveel van de 6400 extra motorvoertuigenbewegingen plaatsvinden in de richting van het kruispunt Deventerweg/Leuvenumseweg. In de NIBM-berekening m.b.t. luchtkwaliteit wordt voorts niet gemotiveerd waarom is uitgegaan van een toename van slechts 3200 motorvoertuigbewegingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2017-0210
JOM 2017/1239
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/2383 en 17/2688

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaken tussen

[eiser 1] , [eiseres 1] , [eiser 2] , [eiseres 2] , [eiseres 3] , [eiser 3] , [eiseres 4] , [eiseres 5] , [eiser 4] , [eiseres 6] en [eiser 5] ,

allen te [woonplaats] , (hierna: eisers 1); en

[eiser 6] en [eiseres 7] , beiden te [woonplaats] , (hierna: eisers 2),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de vennootschap ‘Veluwe Transferium Boekhorst B.V.’ gevestigd te Heerhugowaard, vergunninghoudster

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan de derde-partij een omgevingsvergunning verleend.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het beroep van eisers 1 staat bekend onder zaaknummer 17/2383. Het beroep van eisers 2 staat bekend onder zaaknummer 17/2688.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2017. Namens eisers 1 zijn verschenen [eiser 1] , [eiseres 3] en [eiser 4] . Namens eisers 2 zijn verschenen [eiser 6] en [eiseres 7] , vergezeld door [naam] .

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, ir. C. van den Bedem en G. Maatkamp. Namens derde-partij zijn verschenen mr. J.R. Dobbelsteijn-Bisschops, ing. E. Jongenotter en ing. M. Bosman.

Overwegingen

Inleiding

1. De derde-partij heeft op 20 september 2016 bij verweerder gevraagd om verlening van een omgevingsvergunning voor het herontwikkelen van diverse percelen aan de [adres 1] voor recreatie en horeca.

Het project bestaat uit vijf deelgebieden:

  • -

    Deelgebied 1 omvat de bestaande carpoolplaats, de P-Veluwe, een camperplaats, een fietsenstalling en een uitkijktoren van Van der Valk;

  • -

    Deelgebied 2 “Nature” omvat een pedal-plaza met een oppervlakte van 300 m² met daarin faciliteiten voor onderhoud van fietsen, een sportvoorziening voor spinnen, fitness en andere indoor sporten, alsmede fietsgerelateerde detailhandel. En verder een vijftal boomhutten met daarin overnachtingsfaciliteiten, een picknickplek met speeltuin en ziplines;

  • -

    Deelgebied 3 “Horeca” omvat een familierestaurant van 800 m² en twee fastfoodrestaurants van ieder 400 m², alsmede een boerderijwinkel van 100 m²;

  • -

    Deelgebied 4 “Duurzaam mobiliteitspunt” omvat een tankstation met overkapping, shop, wasboxen en boedelbak en (elektrische) autoverhuur, met bijbehorende laadpunten, met een oppervlakte van in totaal 3.000 m²;

  • -

    Deelgebied 5 “Adventure en informatie” heeft betrekking op het perceel Boekhorstlaan 1 en voorziet in een informatiecentrum van 200 m² met recreatieve voorzieningen in de vorm van onder meer een tokkelbaan / zipline. Daarnaast wordt aan de noordwestzijde van het plangebied een leisure-room van 150 m² voorzien, evenals een verwijstoren met een hoogte van 30 meter.

De derde-partij heeft ervoor gekozen om de omgevingsvergunning gefaseerd aan te vragen met toepassing van artikel 2.5, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo. De voorliggende eerste fase heeft uitsluitend betrekking op het met het bestemmingsplan strijdige gebruik op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. In de tweede fase zullen de omgevingsvergunningen voor de activiteiten “uitvoeren van een werk”, “bouwen”, “slopen” en “kappen” worden aangevraagd.

Verweerder heeft in het bestreden besluit een omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo. Deze omgevingsvergunning is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De ontwerp-omgevingsvergunning heeft vanaf 27 oktober 2016 gedurende 6 weken terinzage gelegen. Eisers 1 hebben een zienswijze ingediend.

Ontvankelijkheid van het door eisers 2 ingestelde beroep

2.1.

Eisers 2 zijn woonachtig op het perceel [adres 1] in deelgebied 5 van het herontwikkelingsplan. Het herontwikkelingsplan voorziet in de wijziging van het gebruik van hun woning naar een informatiecentrum.

Eisers 2 hebben geen zienswijze ingediend tegen de omgevingsvergunning. Zij stellen dat dit hun redelijkerwijs niet kan worden verweten omdat zij in een overeenkomst met vergunninghouder afgesproken hebben geen bezwaar te maken tegen de ontwikkeling.

In ruil hiervoor heeft vergunninghouder de toezegging gedaan om haar uiterste best te doen een vergelijkbaar perceel en opstallen te vinden en verwerven, waarna dit perceel met eisers uitgeruild kan worden tegen hun perceel. Deze uitruil van percelen is niet van de grond gekomen, en het vervangende bod van de derde-partij is volgens eisers 2 onvoldoende om een vergelijkbare woning terug te kunnen kopen. Zij hebben daarom alsnog beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.2.

Artikel 8:1 van de Awb luidt als volgt: “Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.”

Artikel 6:13 van de Awb luidt als volgt: “Geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.”

2.3.

De rechtbank stelt vast dat eisers 2 en vergunninghouder twee intentie-overeenkomsten hebben afgesloten. De eerste overeenkomst had een looptijd van 12 september 2014 tot 12 september 2015. Vervolgens hebben partijen op 3 oktober 2016 een tweede – vergelijkbare – overeenkomst afgesloten. Deze is geldig voor de duur van drie maanden en overlapt de termijn van terinzagelegging van de ontwerp-omgevingsvergunning.

2.4.

In de intentie-overeenkomsten staat het volgende:

“Als gevolg van de wens tot herontwikkeling zijn partijen exclusief in gesprek geraakt. Daaruit zijn de volgende intenties voort gekomen: VTB zal haar uiterste best doen een vergelijkbaar perceel en opstallen te vinden en verwerven waarna deze met [eiser 6] “uitgeruild” kan worden met het perceel en de opstallen aan de [adres 1] te [woonplaats] . Uitruil betekent dat [eiser 6] ook niet geconfronteerd wordt met notaris-, verhuis- en afsluitkosten etc. Deze komen voor rekening van VTB. Alles nader te bepalen en afhankelijk van de te vinden uitruilopties. Zowel [eiser 6] als VTB zullen alles in het werk stellen een passend alternatief te vinden voor het huidige perceel en opstallen aan de [adres 1] en uitruil mogelijk te maken. Uitgangspunt is een vergelijkbare woning (binnen een straal van 5 km van Harderwijk), vergelijkbare eigenschappen en kenmerken, van vergelijkbare kwaliteit, vergelijkbare klus- en stallingsruimte en een vergelijkbare ligging en grootte perceel. Dit alles tegen een vergelijkbare waarde in het economisch verkeer, zoals bedoeld in de wet m.b.t. de overdrachtsbelasting. Een uitruil komt pas definitief tot stand wanneer VTB definitief tot ontwikkeling, bouw, verhuur en verkoop van de ontwikkeling is gekomen.

De exclusiviteit tussen beide partijen loopt totdat een definitieve uitruil plaats vindt of de ontwikkeling voor VTB niet haalbaar is gebleken, docht uiterlijk tot 3 maanden na datum ondertekening van deze intentie overeenkomst. VTB zal gedurende de looptijd van deze intentie overeenkomst minimaal maandelijks aan [eiser 6] rapporteren over de voortgang van de ontwikkeling.

[eiser 6] verklaart als onderdeel van deze intentie geen bezwaar te zullen maken tegen de plannen van VTB, in welke fase dan ook en in de breedste zin van het woord of aanspraak te maken op planschade. (…).”

2.5.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) heeft overwogen in rechtsoverweging 4 van de uitspraak van 9 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2849) vormt het resultaat van reeds lopende onderhandelingen met de initiatiefnemer geen omstandigheid die het niet indienen van een zienswijze verschoonbaar maakt.

In het voorliggende geval hebben eisers 2 er zelf voor gekozen om afstand te doen van hun mogelijkheid om bezwaren in te dienen tegen de omgevingsvergunning. Deze keuze dient in beginsel voor hun eigen risico te blijven.

2.6.

Naar het oordeel van de rechtbank is de met vergunninghouder afgesloten overeenkomst echter zodanig onredelijk dat in dit geval daarop een uitzondering moet worden gemaakt.

De overeenkomst is bijzonder onevenwichtig ten aanzien van eisers 2, aangezien op de ontwikkelaar slechts een tijdelijke inspanningsverplichting rustte om een vergelijkbare woning te vinden, terwijl eisers afstand doen van hun bezwaar- en beroepsrecht. Dit kan voor hun verstrekkende gevolgen hebben, aangezien een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo als grondslag voor onteigening kan dienen. Daarnaast kan op grond van artikel 3:10 van de Wro ook geen zienswijze tegen het toekomstige ontwerp-bestemmingsplan voor hun perceel worden ingediend.

Gelet op het voorgaande kan het eisers 2, naar het oordeel van de rechtbank, redelijkerwijs niet worden verweten dat zij geen zienswijze hebben ingediend tegen de omgevingsvergunning.

2.7.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eisers 2 ontvankelijk is.

Ladder duurzame verstedelijking

3. In de ruimtelijke onderbouwing en de daarbij behorende bijlage “Onderbouwing Ladder duurzame verstedelijking” is verweerder ingegaan op de Ladder voor duurzame verstedelijking. In de onderbouwing wordt geconcludeerd dat het initiatief zowel aan de eerste trede (regionale behoefte) als de tweede trede (transformatie) voldoet.

Eisers 2 hebben in hun beroepschrift slechts in algemene zin gesteld dat het onderzoek niet voldoet en dat het plan in strijd is met de eerste en tweede trede van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Deze niet onderbouwde stelling is onvoldoende voor het oordeel dat de omgevingsvergunning in strijd is met de Ladder voor duurzame verstedelijking.

De beroepsgrond faalt.

Uitvoerbaarheid en goed woon- en leefklimaat

4.1.

Eisers 2 betogen dat de ontwikkeling niet uitvoerbaar is omdat vergunninghouder hun perceel niet in eigendom heeft. Volgens eisers 2 is verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet ingegaan op de gevolgen van de ontwikkeling op hun woon- en leefklimaat.

4.2.

Artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) luidt als volgt “Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd:

[…];

f. de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan.”

Op grond van artikel 5:20 van het Besluit omgevingsrecht is deze bepaling ook van toepassing op de voorliggende omgevingsvergunning.

4.3.

In de uitspraak van 21 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1662) heeft de Afdeling in het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan overwogen dat een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financiële uitvoerbaarheid is begrepen, slechts kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan of plandeel niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

Naar het oordeel van de rechtbank is deze jurisprudentie van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo.

4.4.

In de ruimtelijke onderbouwing bij de omgevingsvergunning heeft verweerder in hoofdstuk 5 overwogen dat de percelen [adres 1] ( [kadestraal] ), [adres 2] ( [kadestraal] , [adres 3] ( [kadestraal] , [adres 4] [kadestraal] , [adres 5] [kadestraal] en [kadestraal] . [kadestraal] in particulier bezit zijn. De overige percelen in het plangebied zijn in eigendom bij de gemeente Harderwijk.

Met de gemeente Harderwijk heeft derde-partij een anterieure overeenkomst gesloten over de herontwikkeling van het gebied. Volgens de ruimtelijke onderbouwing zijn met de eigenaren van de overige percelen ontwikkelovereenkomsten aangegaan waarin toestemming wordt gegeven voor het doorlopen van de planologische procedure.

4.5.

De rechtbank stelt vast dat derde-partij weliswaar een overeenkomst met de gemeente heeft gesloten over de herontwikkeling van het gebied, maar dat zij niet beschikt over het eigendom van (alle) gronden in het plangebied. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was ook geen sprake van een ontwikkelovereenkomst met eisers 2 over de verkoop van hun gronden, aangezien de looptijd van deze overeenkomst reeds was verstreken. Bovendien was slechts sprake van een intentie-overeenkomst.

Nu geen sprake was van een overeenkomst tussen partijen – terwijl de ruimtelijke onderbouwing ervan uitgaat dat deze gronden wel noodzakelijk zijn voor de herontwikkeling – heeft verweerder onvoldoende inzichtelijk gemaakt of het plan uitvoerbaar is.

Met betrekking tot het betoog van de derde-partij op de zitting dat het plan ook uitvoerbaar is zonder het eigendom van eisers 2 overweegt de rechtbank dat dit standpunt niet nader is onderbouwd, en bovendien, als dat juist zou zijn, moet worden vastgesteld dat verweerder dan onderzoek had moeten verrichten naar de ruimtelijke gevolgen van de ontwikkeling op het woon- en leefklimaat van eisers 2. En dat is niet gedaan.

De beroepsgrond slaagt.

Verkeer

5.1.

Bij de ruimtelijke onderbouwing is als bijlage de door M. Bosman en M. Corsel opgestelde memo “Verkeersintensiteiten en verkeersgeneratie bij visie stadsentree [adres 1] van 6 september 2015 (hierna: Memo) gevoegd. In deze memo wordt ingegaan op de toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de nieuwe functies. In de bijlage bij de memo is aangegeven hoeveel verkeersbewegingen elke nieuwe activiteit veroorzaakt. Volgens de gecombineerde berekening van de nieuwe functies leidt de herontwikkeling tot minimaal 6.138,95 extra motorvoertuigbewegingen per etmaal (mvt/etmaal) en maximaal 7.137,1 mvt/etmaal. Aan de hand van deze berekening wordt uitgegaan van een verkeersgeneratie van circa 6.400 mvt/etmaal.

Volgens de memo bedraagt de verhouding in verkeersintensiteit tussen de N302 (17.740 mvt/etmaal) en de A28 (60.8481 mvt/etmaal) 1 staat tot 3,4. Als de verkeersgeneratie met deze verhouding over het wegennet wordt verdeeld houdt dat in dat van de 6.400 extra mvt/etmaal 1.454 motorvoertuigen uit de richting van het kruispunt Ceintuurbaan en Deventerweg/Leuvenumseweg aan komen rijden en vertrekken en 4.945 motorvoertuigen via de afslag met de A28 aan de noordoostzijde.

Aan het bestreden besluit is voorts het “onderzoek verkeerseffecten Veluwetransferium” van Witteveen+Bos van 9 maart 2017 ten grondslag gelegd. In dit onderzoek wordt als uitgangspunt genomen dat 70 % van de verkeersafwikkeling plaatsvindt via de afslag A28 en 30 % via het kruispunt Ceintuurbaan en Deventerweg/Leuvenumseweg.

5.2.

Op de zitting heeft Bosman toegelicht dat de berekening van de verkeersgeneratie is gebaseerd op de publicatie “Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie” van het CROW (Kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte).

Eisers 1 hebben in reactie daarop op de zitting aangegeven de verkeerstoename niet te bestrijden. Zij bestrijden echter dat het meeste verkeer de locatie via de afslag van de A28 (afslag Harderwijk/Lelystad) zal benaderen, en geven aan dat de ontwikkeling een aanzuigende werking heeft. Deze verkeerstoename leidt tot geluidsoverlast voor omwonenden en problemen in de verkeersdoorstroming op de kruising Ceintuurbaan en Deventerweg/Leuvenumseweg, aldus eisers 1.

5.3.

De rechtbank stelt vast dat beide onderzoeken ervan uitgaan dat een meerderheid van het verkeer vanuit de richting van de A28 aankomt en vertrekt.

De onderzoeken leiden wel tot verschillende resultaten voor wat betreft de verkeerstoename in de richting van het kruispunt Ceintuurbaan en Deventerweg/Leuvenumseweg. De memo komt tot 1.454 mvt/etmaal, en het onderzoek van Witteveen+Bos komt – uitgaande van 30 % van 6.400 mvt/etmaal– tot 1.920 mvt/etmaal.

Dit is een aanzienlijk verschil en voor beide aannames geldt dat deze onvoldoende zijn onderbouwd. In het onderzoek van Witteveen+Bos wordt slechts aangegeven dat deze verdeling als uitgangspunt is genomen en dat deze globaal aansluit op de eerder gehanteerde verhouding. In het midden blijft echter waarom de verdeling van 70/30 als uitgangspunt is genomen.

Ook de verhouding in de memo is onvoldoende onderbouwd. De enkele verhouding in het aantal motorvoertuigbewegingen tussen de N302 en de A28 acht de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat het merendeel van de verkeersbewegingen - in deze verhouding - in de richting van de afslag van de A28 plaats zal vinden.

De beroepsgrond slaagt.

5.4.

Omdat de verkeerstoename in de richting van het kruispunt Ceintuurbaan en Deventerweg/Leuvenumseweg onvoldoende is onderbouwd, en deze verkeerstoename ten grondslag heeft gelegen aan de berekeningen met betrekking tot de verkeerscirculatie op dit kruispunt in het onderzoek van Witteveen+Bos, slaagt de beroepsgrond ook op dit onderdeel.

Het aantal verkeersbewegingen bepaalt voorts in hoeverre omwonenden geluidsoverlast in verband met een toename van verkeer ondervinden, zodat ook in zoverre de beroepsgrond slaagt.

Luchtkwaliteit

6.1.

Eisers 1 betogen dat door de toename van het aantal verkeersbewegingen de normen voor fijnstof nog verder zullen worden overschreden.

6.2.

In paragraaf 4.5.6 van de ruimtelijke onderbouwing heeft verweerder berekend of de ontwikkeling al dan niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit met behulp van de NIBM-rekentool. Uit deze berekening blijkt dat de maximale bijdrage van 3.200 motorvoertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) voor stikstofdioxide (NO2) 4,45 microgram/m³ bedraagt. De bijdrage voor fijnstof (PM10) bedraagt 0,71 microgram/m³. De grens voor NIBM is 1,2 microgram/m³, zodat nader onderzoek noodzakelijk is. Volgens verweerder ligt de achtergrondconcentratie op maximaal 25 microgram per m³, zodat de grenswaarde niet wordt overschreden.

6.3.

Ter zitting heeft Bosman aangegeven dat voor de berekening in de NIBM-tool is uitgegaan van 3.200 mvt/etmaal in plaats van 6.400 mvt/etmaal omdat slechts 50 % van de motorvoertuigbewegingen zich expres naar het plangebied begeven. De overige motorvoertuigbewegingen zijn autonome voertuigbewegingen die zich ook zonder deze ontwikkeling zouden begeven op de N302.

6.4.

De rechtbank kan deze redenering niet volgen. Indien in de ruimtelijke onderbouwing wordt uitgegaan van 6.400 extra mvt/etmaal als gevolg van de ontwikkeling, dan dient in het kader van het onderzoek naar de gevolgen van deze verkeerstoename op de luchtkwaliteit ook van dit aantal te worden uitgegaan. Verweerder heeft daarom onvoldoende gemotiveerd waarom slechts van een toename van 3.200 mvt/etmaal kan worden uitgegaan.

De beroepsgrond slaagt.

Stemgeluid klimbos

7.1.

Eisers 1 betogen dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet is ingegaan op stemgeluid van het klimbos.

7.2.

Verweerder heeft voor de aan te houden richtafstand van de nieuwe functies ten opzichte van de woningen in de omgeving aansluiting gezocht bij de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering”. Deze VNG-brochure geeft indicatieve afstanden aan tussen rustige woonwijken en bedrijven met betrekking tot de aanvaardbaarheid van een plan vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Uit de VNG-brochure volgt dat de maximale richtafstand voor wat betreft het aspect “geluid” in dit geval 50 meter bedraagt.

Deze afstand acht de rechtbank niet onredelijk, zeker niet gelet op de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV5126). In deze uitspraak werd een richtafstand van 50 meter voor een natuurbelevingspark en klimbos aanvaardbaar geacht.

7.3.

Nu de omwonenden woonachtig zijn op ongeveer 150 meter van het plangebied heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het stemgeluid vanuit het klimbos niet leidt tot een onevenredige aantasting van hun woon- en leefklimaat.

De beroepsgrond faalt.

8. Voor zover eisers 1 hebben verwezen naar hun zienswijze overweegt de rechtbank dat verweerder in het bestreden besluit op deze zienswijze is ingegaan. Eisers hebben niet nader gemotiveerd waarom deze beantwoording onjuist is.

De beroepsgrond faalt.

Conclusie

9. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

De rechtbank ziet gelet op de geconstateerde gebreken geen aanleiding voor finale geschillenbeslechting. Op dit moment valt namelijk niet te overzien welke gevolgen verweerder aan de geconstateerde gebreken wil verbinden.

9.1.

Nu de rechtbank de beroepen gegrond zal verklaren, moet verweerder de voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierechten aan eisers vergoeden.

9.2.

De rechtbank zal verweerder veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die eisers 2 hebben gemaakt.

Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor eisers 2 vast op € 53,10 in verband met reiskosten (drie maal retour 2e klasse Harderwijk-Arnhem á € 17,70).

Door eisers 1 is geen verzoek om vergoeding van proceskosten ingediend. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die eisers 1 hebben gemaakt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers 2 tot een bedrag van € 53,10;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168 aan eisers 1 te vergoeden;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168 aan eisers 2 te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Jue, voorzitter, mr. L.M. Koenraad en mr. H.J.M. Besselink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Mengerink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.