Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:5660

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-11-2017
Datum publicatie
15-11-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 5017
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij de beantwoording van de vraag of wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening, moet het project dat is aangevraagd, op zichzelf moet worden beschouwd. Het hierop betrekking hebbende onderzoek dient zich hiertoe beperken. Anders mogen de resultaten van het onderzoek niet worden betrokken bij de beslissing op de aanvraag tot verlening van een omgevingsvergunning voor het project.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/5017

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. J. Ockhuijsen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.

Derde-partij: [belanghebbende]’, te [plaats], vergunninghoudster.

Procesverloop

Per formulier gedateerd 14 juni 2015 (hierna: aanvraag) heeft vergunninghoudster gevraagd om verlening van een omgevingsvergunning voor de interne verbouwing van een pand.

Bij besluit van 22 februari 2016 (hierna: primair besluit) heeft verweerder de aanvraag toegewezen.

Op 4 april 2016 heeft eiser bezwaar tegen het primaire besluit gemaakt.

Bij besluit van 11 juli 2016 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit, met een gewijzigde motivering, in stand gelaten.

Op 19 augustus 2016 heeft eiser beroep tegen het bestreden besluit ingesteld.

Op 29 december 2016 heeft vergunninghoudster een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

Op 28 april 2017 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 28 augustus 2017 is het beroep tijdens een zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig:

- eiser, zijn gemachtigde en J.H.I. van Dijk;

- S.K. Maassen en mr. C.M. Sly namens verweerder;

- N.B.F. van der Doorn, mr. B.W.M. van Hoof en M. van der Plas namens vergunninghoudster

Overwegingen

Inleiding

1.1.

Op het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente Nijmegen, [locatie] – en plaatselijk als [locatie] – staat een pand dat oorspronkelijk fungeerde als [locatie]. Op het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente Nijmegen, [locatie] – en plaatselijk als [locatie] – staat een pand dat oorspronkelijk fungeerde als [locatie].

1.2.

Het voormalig [locatie] is inmiddels intern verbouwd tot een complex met dertien wooneenheden. De omgevingsvergunning die deze verbouwing mogelijk heeft gemaakt, is onherroepelijk.

1.3.

De voormalige [locatie] herbergt momenteel zes ateliers. Vergunninghoudster wil dit pand intern verbouwen tot een complex met vijf ateliers en veertien wooneenheden. De aanvraag strekt tot verkrijging van een omgevingsvergunning om dit bouw- en sloopplan (hierna: project) mogelijk te maken.

Omvang van het geding

2.1.

Eiser woont in een appartementencomplex dat grenst aan het perceel [locatie] en heeft zicht op de voormalige [locatie]. Hij vreest dat het door vergunninghoudster beoogde gebruik van dit gebouw zal leiden tot aantasting van zijn woongenot, in de vorm van extra parkeer- en geluidhinder.

2.2.

Eiser heeft in het (aanvullend) beroepschrift geklaagd over de wijze waarop de aanvraag is gepubliceerd en over de voorbereidingsprocedure die is gevolgd om op de aanvraag te beslissen. Verder heeft hij betoogd dat het project zich niet verdraagt met de in de plaatselijke bouwverordening neergelegde eisen ten aanzien van parkeren en evenmin met de redelijke eisen van welstand. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat het project zonder onrechtmatige staatssteun financieel-economisch niet haalbaar is.

2.3

Ter zitting heeft eiser de beroepsgronden over de gevolgde voorbereidingsprocedure en over de strijd met redelijke eisen van welstand ingetrokken. De andere beroepsgronden heeft hij gehandhaafd.

2.4

Het geding beperkt zich bovendien tot de vraag of verweerder toestemming mocht geven voor activiteiten ‘bouwen’ en ‘gebruiken in strijd met het bestemmingsplan’.

3.1.

De rechtbank komt niet toe aan een onderzoek naar de vraag of het project zonder staatssteun financieel-economisch niet haalbaar is. Daartoe overweegt zij het volgende.

3.2.1.

Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

3.2.2.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat een verband bestaat tussen een beroepsgrond en het belang waarin de eisende partij door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad.

3.3.

Het betoog dat het project zonder onrechtmatige staatssteun – in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) – financieel-economisch niet haalbaar is, kan worden aangemerkt als een beroep op strijdigheid met artikel 108, derde lid, van het VWEU. Ingevolge dit artikel mag een staatssteunmaatregel pas worden uitgevoerd nadat de Europese Commissie op de hoogte is gesteld van een voornemen tot invoering van die maatregel.

3.4.

Eiser exploiteert geen bedrijf en heeft slechts in zijn hoedanigheid van individuele omwonende beroep tegen het bestreden besluit ingesteld. Het belang van eiser bij het tegengaan van het project is gelegen in het beperken van overlast in de vorm van parkeer- en geluidhinder.

3.5.

Naar het oordeel van de rechtbank strekt artikel 108, derde lid, van het VWEU kennelijk niet tot bescherming van de belangen waarin eiser wil worden beschermd. Hieruit concludeert de rechtbank dat strijd met artikel 108, derde lid, van het VWEU in dit geval niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Deze conclusie wordt ondersteund door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2892).

Publicatie van de aanvraag

4.1.

Eiser stelt terecht dat de publicatie van de aanvraag en die van het primaire besluit verwarring konden veroorzaken, aangezien daarin werd gesproken over het perceel [locatie] zonder nadere kadastrale gegevens. De rechtbank verbindt aan die stelling echter niet het door eiser gewenste gevolg. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

4.2.

Zowel de aanvraag als het primaire besluit zijn (ook) digitaal gepubliceerd op www.overheid.nl. De publicatie van de aanvraag bevatte niet alleen het op 14 juni 2015 ingevulde en ondertekende aanvraagformulier, maar ook diverse andere documenten zoals bouwtekeningen en een constructieberekening. Uit die documenten blijkt onmiskenbaar dat de aanvraag (slechts) betrekking heeft op de voormalige [locatie] en niet (ook) op het voormalig [locatie]. Eiser en andere omwonenden hadden dus betrekkelijk eenvoudig, en zonder inzage van het papieren dossier in het gemeentehuis, kunnen vaststellen dat het project de voormalige [locatie] betreft.

4.3.

Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat de omwonenden van de voormalige [locatie] door de in rechtsoverweging 4.1 van deze uitspraak bedoelde wijze van publicatie niet in hun processuele belangen zijn geschaad.

4.4.

De beroepsgrond met betrekking tot de wijze waarop de aanvraag is gepubliceerd, slaagt niet.

Parkeerbehoefte

5.1.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen. Nadere regels hierover zijn onder meer neergelegd in artikel 2.10 van de Wabo, alsmede in de – door de raad van de gemeente Nijmegen vastgestelde – bouwverordening (hierna: Bouwverordening)

5.2.

Artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo bepaalt onder meer dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk moet worden geweigerd indien de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de plaatselijke bouwverordening.

5.3.1.

Artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening bepaalt onder meer dat ten behoeve van het parkeren of het stallen van auto’s, in voldoende mate ruimte is aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft.

5.3.2.

Artikel 2.5.30, vierde lid, van de Bouwverordening bepaalt onder meer dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning in afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan verlenen indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, of voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte wordt voorzien.

5.4.1.

Toen het bestreden besluit werd genomen, golden de door verweerder op 10 mei 2016 vastgestelde Beleidsregels parkeren.

5.4.2.

Onderdeel C van hoofdstuk 2 van dit besluit luidt als volgt: “De (oude) beleidsregels ex artikel 2.5.30 van de Nijmeegse Bouwverordening zoals vastgesteld bij besluit van burgemeester en wethouders van 19 februari 2013 en gepubliceerd in het gemeenteblad GB2013-040, blijven van toepassing op omgevingvergunningsaanvragen die zijn ingediend vóór de datum van inwerkingtreding van onderhavige beleidsregels.”

5.4.3.

Dit betekent dat verweerder bij de beslissing op de aanvraag en de heroverweging van het primaire besluit de door hem op 19 februari 2013 vastgestelde Beleidsregels parkeren (hierna: Beleidsregels) moest betrekken.

5.4.4.

Volgens artikel 1, eerste lid, van de Beleidsregels hoeft bij de beantwoording van de vraag of wordt voorzien in voldoende parkeermogelijkheden, alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van “het project”.

5.4.5.

Bijlage 1 bij de Beleidsregels (hierna: Bijlage) bevat kengetallen – parkeernormen – die moeten worden gehanteerd bij het bepalen van de parkeerbehoefte die “het project” genereert.

5.5.

Verweerder stelt dat het project voldoet aan het bepaalde in artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening. Ter onderbouwing van dit standpunt voert hij aan dat geen reden bestaat om rekening te houden met de nu ter plaatse bestaande parkeerproblemen, en dat de toekomstige parkeerbehoefte zal afnemen. In dit kader verwijst verweerder naar berekeningen die hij op 7 augustus 2015 en 4 juli 2016 heeft laten maken.

5.6.

Eiser is van mening dat wel rekening moet worden gehouden met de nu ter plaatse bestaande parkeerproblemen, met het argument dat – na de realisering van het project –sprake zal zijn van een geheel nieuwe situatie. Daarnaast betoogt eiser dat verweerder de op 7 augustus 2015 en 4 juli 2016 gemaakte berekeningen niet aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen.

5.7.1.

De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of in dit geval wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening, het project dat is aangevraagd – dit wil zeggen: de interne verbouwing van de voormalige [locatie] – op zichzelf moet worden beschouwd. In dit kader constateert de rechtbank dat vergunninghoudster bewust heeft gekozen voor afzonderlijke vergunningaanvragen voor de verbouwing van het voormalig [locatie] en die van de voormalige [locatie], en dat de omgevingsvergunning voor de verbouwing van het voormalig [locatie] onherroepelijk is.

5.7.2.

Gelet hierop mocht en mag verweerder bij de beantwoording van de vraag of het project voldoet aan de eisen die artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening stelt, alleen de parkeerbehoefte en parkeerruimte van de voormalige [locatie] betrekken.

5.7.3.

Dit alles betekent dat verweerder de op 7 augustus 2015 en 4 juli 2016 gemaakte berekeningen ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Die berekeningen houden immers ook rekening met de parkeerbehoefte en parkeerruimte van het voormalig [locatie] toen dit pand als discotheek werd gebruikt.

5.7.4.

Aan de hand van de Bijlage stelt de rechtbank – in navolging van verweerder – vast dat de aangevraagde activiteit leidt tot een extra behoefte van zes parkeerplaatsen. Op het eigen terrein van de voormalige [locatie] zijn echter geen parkeerplaatsen gesitueerd. Ook anderszins voorziet het project niet in extra parkeerplaatsen.

5.7.5.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het project in strijd is met artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening. Nu verweerder voorts het vierde lid van dit artikel niet heeft toegepast, is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 2.5.30 van de Bouwverordening.

Conclusies

6.1.

De rechtbank acht het in rechtsoverweging 5.7.5 van deze uitspraak geconstateerde gebrek te ernstig om te passeren. Daarom zal zij het beroep daarom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb en artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening.

6.2.

De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder – met behulp van de zogeheten ‘bestuurlijke lus’ – nog tijdens deze procedure de gelegenheid tot herstel van het gebrek te bieden. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat nog niet zeker is of verweerder het primaire besluit in stand mag en wil laten na kennisneming van de resultaten van het te verrichten aanvullend parkeeronderzoek.

6.3

Nu de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren, moet verweerder het voor de behandeling van deze zaak betaalde griffierecht aan eiser vergoeden.

6.4

De rechtbank zal verweerder veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die eiser wegens de door mr. Ockhuijsen verleende rechtsbijstand heeft gemaakt. De rechtbank stelt deze kosten – met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht – vast op een bedrag van € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; met een waarde per punt van € 495 en de wegingsfactor 1)

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;

- gelast verweerder het voor de behandeling van deze zaak betaalde griffierecht, groot € 168, aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eiser gemaakte proceskosten, tot een bedrag van € 990.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Koenraad, voorzitter, mr. J.J.W.P. van Gastel en

mr. A.G.A. Nijmeijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Noordam, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.