Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:5637

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-10-2017
Datum publicatie
31-10-2017
Zaaknummer
05/840891-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Meervoudige strafkamer voor kinderstrafzaken geeft jongere herkansing om zijn taakstraf goed uit te voeren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 77p
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team jeugdrecht

Zittingsplaats: Arnhem

Parketnummer : 05/840891-15

beschikking van de meervoudige kamer voor kinderstrafzaken

op het bezwaarschrift van

[naam]

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , wonende aan [adres] .

De procedure

Op 2 januari 2017 heeft de rechtbank een bewaarschrift van [veroordeelde] gekregen. [veroordeelde] maakt bezwaar tegen de omzetting van 148 uur taakstraf in 74 dagen vervangende jeugddetentie, die de officier van justitie bij hem heeft aangekondigd.

Naast het bezwaarschrift van [veroordeelde] heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen: de kennisgeving van omzetting van de officier van justitie, het afloopbericht taakstraf van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) van 18 november 2016 en een e-mailbericht van de jeugdreclasseerder H. Drost van 5 oktober 2017.

Op 14 februari 2017 is de zaak voor de eerste keer op een zitting besproken. Onder meer

omdat [veroordeelde] en zijn advocaat de eindrapportage van de Raad niet hadden ontvangen, is de zitting toen geschorst en aangehouden tot 10 oktober 2017.

Op de zitting van 10 oktober 2017 is de zaak inhoudelijk besproken. Daarbij waren [veroordeelde] en zijn advocaat mr. R. van de Beek uit Bennekom aanwezig. Daarnaast waren [veroordeelde] ’s moeder en zijn vriendin bij de zitting, net als mevrouw G. Bergenhenegouwen van de Raad, en de officier van justitie.

De feiten

Op 26 januari 2016 heeft de meervoudige kamer voor kinderstrafzaken [veroordeelde] een werkstraf opgelegd. [veroordeelde] moest 190 uur werken (daarbij was ook de tenuitvoerlegging van een eerdere door de kinderrechter opgelegde werkstraf van 50 uur inbegrepen), met aftrek van 8 uur wegens voorarrest, dus in totaal 182 uur. De rechtbank heeft verder bepaald dat als [veroordeelde] zijn werkstraf niet of niet goed uitvoert, hij in de plaats van die werkstraf (in totaal) 91 dagen jeugddetentie moet uitzitten.

Op 18 november 2016 heeft de Raad aan het Openbaar Ministerie geschreven dat [veroordeelde] maar een deel van zijn werkstraf heeft uitgevoerd. Van de aan [veroordeelde] opgelegde werkstraf heeft hij 34 uur gewerkt, en staat nog 148 uur open.

De officier van justitie heeft, op basis van artikel 77p eerste lid van het Wetboek van

Strafrecht, [veroordeelde] bij kennisgeving van 13 december 2016 op de hoogte gebracht van het

bevel tot tenuitvoerlegging van 74 dagen vervangende jeugddetentie. [veroordeelde] heeft daartegen bezwaar gemaakt met een bezwaarschrift gedateerd 22 december 2016.

De standpunten

[veroordeelde] heeft, kort gezegd, gevraagd om een herkansing. Het ging medio vorig jaar niet goed met hem. Hij dreigde zijn huis uit te worden gezet en hij had veel lichamelijke klachten. Als hij de gevangenis in moet, raakt hij zijn huis kwijt. Ook zal hij zijn hond kwijtraken, want die kan nergens anders wonen. De advocaat vraagt de rechtbank een eindbeslissing te nemen. Ook zij vindt dat [veroordeelde] nog een kans verdient; hij ís vorig jaar nu eenmaal veel ziek geweest. Zij wijst erop dat een deel van de werkstraf wél goed is gegaan. Misschien gaat het beter met strakke begeleiding en nieuwe werkafspraken.
De Raad vindt [veroordeelde] niet geschikt om een werkstraf te verrichten. Als gevolg van oplopende stress gaat het telkens mis. Hij meldt zich vaak ziek en gedraagt zich soms ronduit respectloos. Recent is een andere werkstraf ook voortijdig beëindigd, na een heftig incident. De heer Drost heeft aan de rechtbank geschreven dat een werkstraf lastig te voltooien lijkt voor [veroordeelde] . Maar opsluiting is schadelijk voor [veroordeelde] ’s ontwikkeling. Een Penitentiaire Inrichting voor volwassenen (PI) zou in dat geval nog beter zijn dan een justitiële jeugdinrichting omdat daar meer structuur en rust heerst.

De officier van justitie heeft gevraagd de zaak een paar maanden aan te houden, ook gezien de indicatie van [veroordeelde] voor nieuwe huisvesting in [plaats] . Misschien staan [veroordeelde] , en de jeugdreclassering mét hem, er over een paar maanden anders in.

De beoordeling door de rechtbank

Over de tijdigheid van het indienen van het bezwaarschrift merkt de rechtbank het volgende op. [veroordeelde] heeft in zijn bezwaarschrift geschreven dat hij de kennisgeving van de officier van justitie d.d. 13 december 2016 pas op 22 december 2016 heeft gekregen. Zijn bezwaarschrift is gedateerd op dezelfde datum. De rechtbank gaat daarmee uit van de tijdigheid van indiening van het bezwaar.

[veroordeelde] vraagt een tweede kans. Hij erkent dat hij maar 34 uur heeft gewerkt en wil het resterende deel van zijn werkstraf, 148 uur, afmaken. De rechtbank vindt het een lastige beslissing en heeft er goed over moeten nadenken of zij [veroordeelde] die kans nog wil geven.

Er zijn twee opties. Óf [veroordeelde] krijgt de kans zijn werkstraf te voltooien, óf hij gaat de gevangenis in. Dat laatste betekent concreet: jeugddetentie. De rechtbank heeft dat in haar vonnis namelijk zo bepaald. Het staat de rechtbank op dit moment niet meer vrij de straf om te zetten naar gevangenisstraf in de PI (zoals de heer Drost heeft geopperd). Evenmin heeft de rechtbank op dit moment enige andere bewegingsruimte. Aanhouding van de zaak, zoals de officier van justitie heeft voorgesteld, vindt de rechtbank onwenselijk. Nog los van de vraag of de situatie over, pakweg, vier tot zes maanden drastisch zal zijn gewijzigd, geeft de rechtbank de voorkeur aan duidelijkheid voor alle betrokkenen, vooral voor [veroordeelde] .

Als wordt geluisterd naar de mening van de reclassering en de Raad, en gekeken naar [veroordeelde] ’s eigen houding – ook op de zittingen bij de rechtbank! – ligt voor de hand dat [veroordeelde] de vervangende jeugddetentie gaat uitzitten. Het gaat om 74 dagen dus verlies van woning lijkt vooralsnog geen reëel risico. Wel zal [veroordeelde] ’s hond dan ergens anders heen moeten.
De eindrapportage van de Raad is bovendien helder. In een periode van ongeveer twee maanden heeft [veroordeelde] zich, in ieder geval, zes keer ziek gemeld zonder dat later duidelijk is geworden dat [veroordeelde] iets (ernstigs) mankeerde. Op zich kan dat natuurlijk gebeuren maar het vervelende is dat [veroordeelde] , als werd gezocht naar oplossingen, vaak niet meewerkte. Hij werd boos, ging schelden en gedroeg zich respectloos naar de taakstrafcoördinator (vooral de tijdelijke coördinator heeft het moeten ontgelden). Op 9 en 22 augustus 2016 is hij zo boos geworden dat hij überhaupt niet meer aanspreekbaar was, waarbij hij op 22 augustus 2016 op het raam heeft gestompt en is weggelopen.

Op de zitting van 10 oktober 2017 heeft de Raad verteld over een nieuw incident in september jongstleden, bij het vervullen van een andere taakstraf: [veroordeelde] zou zó boos zijn geworden dat hij uiteindelijk fysiek zijn woede tot bloedens toe heeft afgereageerd op een keet. Die taakstraf is op 5 oktober 2017 negatief teruggemeld.

Dat de Raad zegt dat de situatie onwerkbaar is, begrijpt de rechtbank heel goed.

De heer Drost heeft het dilemma helder beschreven: Onduidelijkheid en nieuwe situaties roepen bij [veroordeelde] angst op, en angst uit zich bij [veroordeelde] in (verbale) agressie. Dat is [veroordeelde] ’s overlevingsmechanisme. Deze problemen doen zich ook voor bij werkstraffen: hij wíl het wel graag goed doen maar komt al snel in stress en spanning terecht waarmee anderen onvoldoende rekening (kunnen) houden. [veroordeelde] is dus eigenlijk ongeschikt een werkstraf te doen, en zéker een werkstraf van zo’n lange duur, aldus de heer Drost. Het afbreukrisico is te groot.

Het alternatief is jeugddetentie. Nu [veroordeelde] zijn werkstraf niet goed heeft uitgevoerd, lijkt dat eigenlijk de enige optie. Daarbij komt ook dat de rechtbank [veroordeelde] ’s houding op zitting niet heeft gewaardeerd: zo heeft hij zich ronduit beledigend geuit naar de parketpolitie en gebruikt hij vaak en hartgrondig het “kk-woord”; iets wat mensen over het algemeen kwetsend vinden. Hij is daar door de rechtbank tijdens de zitting ook op aangesproken.

De rechtbank heeft echter besloten [veroordeelde] toch een laatste kans te geven de werkstraf te voltooien. Daar is een aantal redenen voor.

In de eerste plaats een negatieve reden: De rechtbank verwacht dat [veroordeelde] niets zal leren van opsluiting. Hij zal, zoals de heer Drost beschreef, eerder nog meer verharden. [veroordeelde] is een jongen die vanaf zijn 7e jaar uit huis geplaatst is geweest. Het zal schadelijk zijn voor zijn ontwikkeling: contra-indicatief dus, gezien het karakter van het jeugdrecht.
In de tweede plaats hebben [veroordeelde] en zijn moeder op de zitting een toelichting gegeven op de reden waarom [veroordeelde] zich vorig jaar vaak ziek meldde. Het komt de rechtbank voor dat [veroordeelde] nu enig inzicht heeft in zijn (fysieke) problemen: veel hangt samen met opbouw van spanning in zijn lichaam. [veroordeelde] heeft de rechtbank duidelijk gemaakt dat hij hulp heeft gezocht. De rechtbank hoopt en rekent erop dat [veroordeelde] die hulp daadwerkelijk gaat aannemen, en zoveel mogelijk zal toepassen.
Het derde, en hiermee samenhangende, punt is dat er een indicatie is gekomen voor een woning in [plaats] , via [naam zorginstelling] . Dat is een organisatie die complexe casuïstiek aankan in een beschermd wonen-omgeving, inclusief dagbesteding. De heer Drost heeft benadrukt dat [veroordeelde] juist bij dagbesteding veel baat kan hebben; het geeft hem structuur en houdt hem (daarmee) ook weg van cannabisgebruik.

Ten vierde: Niet staat ter discussie dat de uren die [veroordeelde] wél heeft gewerkt, goed zijn verlopen.
Ten slotte: [veroordeelde] heeft op de zitting verteld dat hij het komende jaar vader wordt. Hij heeft beaamd dat hij een goed voorbeeld voor zijn kind wil zijn.

De rechtbank zal het bezwaarschrift daarom gegrond verklaren en geeft [veroordeelde] de gelegenheid zijn taakstraf af te ronden. De rechtbank realiseert zich dat het een zware klus zal worden, voor de mensen die [veroordeelde] begeleiden, maar vooral voor [veroordeelde] zelf. De rechtbank beseft dat er een afbreukrisico is maar hoopt dat met de nodige voorwaarden [veroordeelde] het tot een goed einde kan brengen. Voorwaarden zouden kunnen zijn: twee vaste begeleiders waarbij voorafgaand aan het feitelijke werk wordt afgestemd of de “klik” er is, heldere afspraken, het betrekken van [veroordeelde] ’s moeder bij de uitvoering, en het werk opdelen in kleine brokjes (bijvoorbeeld niet meer dan drie dagdelen per week). Dit is uiteraard aan de jeugdreclassering.

De rechtbank benadrukt naar [veroordeelde] dat dit wat haar betreft zijn allerlaatste kans is. De rechtbank heeft op de zitting de onmacht en frustratie van [veroordeelde] gezien en vindt, juist omdat het hier een beslissing binnen het jeugdrecht is, dat de hoop op een positieve wending vóór moet gaan op afstraffing. Maar [veroordeelde] is inmiddels volwassen en zal zich daarom temeer moeten realiseren dat hij de enige is die zijn toekomst die positieve draai kan geven.

De rechtbank zal beslissen als hierna te melden en neemt daarbij artikel 77p van het Wetboek van Strafrecht in aanmerking.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart het bezwaar gegrond;

vernietigt het bevel tenuitvoerlegging vervangende jeugddetentie gedateerd 13 december 2016 betreffende de werkstraf opgelegd bij het vonnis van deze rechtbank van 26 januari 2016.

Deze beschikking is gegeven door mr. E. de Boer, kinderrechter als voorzitter, mr. W. Bruins, kinderrechter, en mr. A. Rietveld, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. W. van de Graaff-Eggink, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 oktober 2017.