Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:5625

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
31-10-2017
Datum publicatie
31-10-2017
Zaaknummer
05/840731-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank Gelderland heeft een 36-jarige man veroordeeld voor twee winkeldiefstallen en een poging tot zware mishandeling, overtreding van artikel 5 WVW en het dragen van een wapenstok.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/840731-17

Datum uitspraak : 31 oktober 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1981 te [geboorteplaats] , zonder bekende woon- of verblijfplaats,

thans gedetineerd te P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid te Arnhem.

Raadsman: mr. G.W. Roest, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 oktober 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 03 juli 2017 te Duiven met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkel (te weten [slachtoffer 1] , gelegen aan [adres 1] ) heeft weggenomen drie, althans een of meerdere (mobiele) telefoon(s) (te weten twee Samsung Galaxy A5 en/of een

Sangung Galaxy Xcover 4), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] Duiven, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.

hij op of omstreeks 03 juli 2017 te Roermond met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkel (te weten [slachtoffer 1] , gelegen aan [adres 2] ) heeft weggenomen vier, althans een of meerdere, (mobiele) telefoon(s) (te weten twee Samsung Galaxy J7 2016 en/of een Cat S60 en/of een Cat S40), in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [slachtoffer 1] Roermond, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3.

hij op of omstreeks 03 juli 2017 in de gemeente Arnhem, op de (snel)weg A325, in de richting van Nijmegen, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een (politie)ambtenaar bij/van de politie Eenheid Oost-Nederland, te weten [slachtoffer 2] (brigadier) opzettelijk van het leven te beroven,

- in zijn/een (personen)auto achter een (politie)motor aan is gereden en/of op de uitvoegstrook zijn snelheid heeft verminderd en/of (vervolgens) (voor het puntstuk snelweg en afrit) (extra) gas heeft gegeven en/of (daarbij) rakelings langs die (politie)ambtenaar de snelweg A325 weer is opgereden en/of

- ( vervolgens) (terwijl die (politie)ambtenaar vaart heeft verminderd) met een (hoge/verhoogde) snelheid op die voornoemde (politie)ambtenaar (terwijl hij op de motor zat) is in-/afgereden en/of - heeft getracht die politie(ambtenaar) te raken en/of

- ( vervolgens) heeft afgesneden (waardoor die politieambtenaar gedwongen werd de invoegstrook naar de A15 op te gaan), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 03 juli 2017 in de gemeente Arnhem, op de (snel)weg A325, in de richting van Nijmegen, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een (politie)ambtenaar bij/van de politie Eenheid Oost-Nederland, te weten [slachtoffer 2] (brigadier) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, in zijn/een (personen)auto (met hoge snelheid) op [slachtoffer 2] is af- en/of ingereden terwijl die [slachtoffer 2] zich op een politiemotor (vlak) voor dan wel naast de auto van verdachte bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 03 juli 2017 in de gemeente Arnhem, op de (snel)weg A325, in de richting van Nijmegen, in elk geval in Nederland, een (politie)ambtenaar bij/van de Eenheid Oost-Nederland, te weten [slachtoffer 2] (brigadier) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een (personen)auto (te weten een Peugeot Partner met kenteken [kenteken] ) op die [slachtoffer 2] in te rijden en/of hem (meermalen) af te snijden;

4.

hij op of omstreeks 3 juli 2017 in de gemeente Arnhem, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A325, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, immers is hij, verdachte, met dat door hem bestuurde voertuig met een aanzienlijke snelheid op een voor hem op die weg rijdende bestuurder van een opvallende dienstmotorfiets ingereden/afgereden, waardoor voornoemde bestuurder gas moest bijgeven en/of naar rechts moest uitwijken teneinde een aanrijding en/of botsing met hem, verdachte, te voorkomen en/of (vervolgens), nadat hij voornoemde bestuurder links was gepasseerd, met dat door hem, verdachte, bestuurde voertuig, sterk naar rechts uitgeweken, waarbij hij voornoemde bestuurder heeft afgesneden, waardoor voornoemde bestuurder (wederom) naar rechts moest uitwijken teneinde een aanrijding en/of botsing met hem, verdachte, te voorkomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

5.

hij op of omstreeks 03 juli 2017 te Duiven en/of Arnhem en/of Nijmegen, althans op de (snel)weg van Arnhem naar Nijmegen (te weten de A325) (een) wapenstok, zijnde (een) voorwerp(en) als bedoeld in de categorie IV van de Wet wapens en munitie, heeft gedragen.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Feit 1

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] namens [slachtoffer 1] Duiven, p. 38-39;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 oktober 2017.

Feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [naam 2] namens [slachtoffer 1] Roermond, p. 64;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 oktober 2017.

Feit 3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevraagd van het primair ten laste gelegde, nu sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om te kunnen komen tot een bewezenverklaring. De officier van justitie heeft gesteld dat wel wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde. Verdachte heeft zeer gevaarlijk verkeersgedrag vertoond, was onder invloed en heeft verklaard aan de politie te willen ontkomen. Hij heeft door zijn rijgedrag de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij de politieagent zou aanrijden, dan wel dat de agent zou vallen. Het voorwaardelijk opzet leidt de officier van justitie af uit de uiterlijke verschijningsvorm van het gedrag. De verklaring van verdachte is niet geloofwaardig.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 3 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde, nu de opzet niet bewezen kan worden. Op grond van de bewijsmiddelen kan enkel worden vastgesteld dat verdachte wilde wegkomen. Hij wilde daarbij een botsing vermijden.

Beoordeling door de rechtbank

Primair

De rechtbank is in navolging van de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde, zodat de rechtbank verdachte daarvan zal vrijspreken.

Subsidiair

Verdachte is op 3 juli 2017, na de onder feit 1 en 2 ten laste gelegde diefstallen, in zijn auto over de A325 van Arnhem naar Nijmegen gereden. Meerdere politieambtenaren hebben getracht verdachte aan te houden.2

Politieambtenaar [slachtoffer 2] zat op dat moment op zijn politiemotor en heeft verklaard voor de auto van verdachte te zijn gaan rijden en voor een afrit naar een benzinepomp "volgen politie" aan te hebben gezet. [slachtoffer 2] reed op dat moment met een snelheid van 100 km/h. Hij zag dat verdachte het rechterknipperlicht van zijn auto aan had staan. Toen [slachtoffer 2] bij het puntstuk van de afrit was, zag hij verdachte met snelheid op hem afkomen en zag hij dat verdachte vlak langs [slachtoffer 2] de vluchtstrook op reed. Hij zag dat verdachte een personenauto inhaalde over de vluchtstrook en dat hij vanaf de vluchtstrook naar de linker rijstrook reed. [slachtoffer 2] is vervolgens over de vluchtstrook gereden, heeft zijn blauwe zwaailichten aangezet en heeft het bord met "STOP" aangezet. Verdachte is naar de linker rijstrook gegaan en [slachtoffer 2] is voor verdachte gaan rijden. [slachtoffer 2] heeft het gas langzaam los gelaten, maar zag dat verdachte geen snelheid minderde en dat de auto van verdachte steeds dichter en sneller op [slachtoffer 2] inliep. [slachtoffer 2] heeft daarop gas gegeven en is naar de rechter rijstrook gegaan. [slachtoffer 2] had het idee dat verdachte [slachtoffer 2] zeker had aangereden als hij geen gas gegeven had.

[slachtoffer 2] zag vervolgens, toen [slachtoffer 2] over de rechter rijstrook reed, dat verdachte naast hem kwam rijden. [slachtoffer 2] keek verdachte aan en maakte met zijn linkerarm een gebaar dat verdachte moest stoppen. Hij wees met zijn wijsvinger in de richting van verdachte en wees naar de rechterzijde. [slachtoffer 2] weet zeker dat verdachte [slachtoffer 2] gezien heeft, want verdachte keek hem aan. [slachtoffer 2] zag dat verdachte naar [slachtoffer 2] toestuurde, waardoor [slachtoffer 2] werd gedwongen naar rechts te gaan en de invoegstrook naar de A15 op te gaan, om zo een aanrijding te voorkomen.3

Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte, nadat hij een stopteken van de politie had gekregen, niet is gestopt, maar dat hij is doorgereden, in een poging om aan de politie te ontkomen. Verdachte heeft verklaard te hebben geweten dat hij moest stoppen, maar dat hij aan de politie wilde ontkomen omdat hij zich schaamde voor de diefstallen. Hij heeft verklaard [slachtoffer 2] links te hebben ingehaald4, maar niet op hem af te zijn gereden.

De rechtbank stelt voorop dat zij bij de beoordeling uitgaat van de feitelijke toedracht zoals deze door verbalisant [slachtoffer 2] is beschreven in voormeld op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van bevindingen en in de aangifte. De rechtbank ziet geen reden aan de inhoud van deze processen-verbaal te twijfelen. De lezing van verbalisant [slachtoffer 2] wordt deels bevestigd door de verklaring van verdachte en het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .

De rechtbank acht op grond van vorenstaande bewijsmiddelen bewezen dat verdachte wist dat de politieambtenaar met hoge snelheid op een motor naast hem reed en dat verdachte, terwijl de politieambtenaar op de rechterrijstrook naast hem reed, naar rechts heeft gestuurd, waardoor de politieambtenaar heeft moeten uitwijken om een aanrijding te voorkomen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door op die wijze te handelen, koste wat kost aan een aanhouding heeft willen ontkomen. In geval van een botsing met hoge snelheid tussen een personenauto en een motor op een autoweg met veel overig verkeer is de kans aanmerkelijk dat de politieambtenaar, die extra kwetsbaar was doordat hij op een motor zat, ten val zou komen en zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De gedraging van verdachte kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het gevolg om aan de politieambtenaar ten val te brengen en zodoende zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. De rechtbank acht het subsidiair tenlastegelegde daarmee wettig en overtuigend bewezen.

Feit 4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat op grond van de bewijsmiddelen in het procesdossier wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 4 ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is op grond van de onder feit 3 aangehaalde bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte door zijn handelwijze gevaar op de weg heeft gecreëerd en het verkeer, meer in het bijzonder politieambtenaar [slachtoffer 2] , heeft gehinderd. Daarmee is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 heeft overtreden.

Feit 5

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 35;

- het proces-verbaal van bevindingen (Categorie 4 onder 3 wet wapens en munitie), p. 50;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 oktober 2017.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 subsidiair, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 03 juli 2017 te Duiven met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkel (te weten [slachtoffer 1] , gelegen aan [adres 1] ) heeft weggenomen drie, althans een of meerdere (mobiele) telefoon(s) (te weten twee Samsung Galaxy A5 en/of een

Sangung Galaxy Xcover 4), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] Duiven, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.

hij op of omstreeks 03 juli 2017 te Roermond met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkel (te weten [slachtoffer 1] , gelegen aan [adres 2] ) heeft weggenomen vier, althans een of meerdere, (mobiele) telefoon(s) (te weten twee Samsung Galaxy J7 2016 en/of een Cat S60 en/of een Cat S40), in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [slachtoffer 1] Roermond, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3 subsidiair.

hij op of omstreeks 03 juli 2017 in de gemeente Arnhem, op de (snel)weg A325, in de richting van Nijmegen, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een (politie)ambtenaar bij/van de politie Eenheid Oost-Nederland, te weten [slachtoffer 2] (brigadier) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, in zijn/een (personen)auto (met hoge snelheid) op [slachtoffer 2] is af- en/of ingereden, terwijl die [slachtoffer 2] zich op een politiemotor (vlak) voor danwel naast de auto van verdachte bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op of omstreeks 3 juli 2017 in de gemeente Arnhem, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A325, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, immers is hij, verdachte, met dat door hem bestuurde voertuig met een aanzienlijke snelheid op een voor hem op die weg rijdende bestuurder van een opvallende dienstmotorfiets ingereden/afgereden, waardoor voornoemde bestuurder gas moest bijgeven en/of naar rechts moest uitwijken teneinde een aanrijding en/of botsing met hem, verdachte, te voorkomen en/of (vervolgens), nadat hij voornoemde bestuurder links was gepasseerd, met dat door hem, verdachte, bestuurde voertuig, sterk naar rechts uitgeweken, waarbij hij voornoemde bestuurder heeft afgesneden, waardoor voornoemde bestuurder (wederom) naar rechts moest uitwijken teneinde een aanrijding en/of botsing met hem, verdachte, te voorkomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

5.

hij op of omstreeks 03 juli 2017 te Duiven en/of Arnhem en/of Nijmegen, althans op de (snel)weg van Arnhem naar Nijmegen (te weten de A325) (een) wapenstok, zijnde (een) voorwerp(en) als bedoeld in de categorie IV van de Wet wapens en munitie, heeft gedragen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

diefstal

Ten aanzien van feit 2:

diefstal

Ten aanzien van feit 3 subsidiair:

poging tot zware mishandeling

Ten aanzien van feit 4:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

Ten aanzien van feit 5:

handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Voorts verzoekt de officier van justitie ter zake van feit 3 subsidiair een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden op te leggen. De officier van justitie houdt bij de eis rekening met het gegeven dat verdachte zeer gevaarlijk verkeersgedrag heeft vertoond en dat hij zich heeft gericht jegens een politieagent. Verdachte heeft zijn auto gebruikt als wapen. Ook houdt de officier van justitie er rekening mee dat verdachte ten tijde van de feiten onder invloed van verdovende middelen was.

De officier van justitie verzoekt ten aanzien van feit 4 verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel, nu de feiten 3 en 4 één incident betreffen.

Ten aanzien van feit 5 wordt verzocht verdachte te veroordeelden tot betaling van een geldboete ten bedrage van € 150,-, te vervangen door 3 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf, met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Het voorarrest is een wake-up call geweest voor verdachte. De verdediging verzoekt ten aanzien van feit 4 artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen en refereert zich ten aanzien van feit 5.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 5 september 2017;

- een voorlichtingsrapportage van IrisZorg reclassering, gedateerd 3 oktober 2017.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het volgende. Verdachte heeft zich op één dag schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen, een poging tot zware mishandeling van een politieambtenaar, het in gevaar brengen van de verkeersveiligheid en het bij zich dragen van een wapenstok. Verdachte is nadat hij 7 mobiele telefoons had gestolen, in zijn auto van Arnhem naar Nijmegen gereden en heeft daarbij meerdere stoptekens van de politie genegeerd. Hij is slalommend om politiewagens heen gereden en is tijdens de achtervolging op een motoragent afgereden, waardoor deze moest uitwijken om een aanrijding te voorkomen. Verdachte heeft tijdens de achtervolging meerdere malen over groenstroken en fietspaden gereden waarbij medeweggebruikers ternauwernood aan een aanrijding zijn ontsnapt. Verdachte was onder invloed van GHB, softdrugs en anabolen. Dit zeer onverantwoordelijke rijgedrag van verdachte had ernstige gevolgen kunnen hebben. Verdachte heeft er alles aan gedaan om uit handen te blijven van de politie en heeft zich daarbij niet bekommerd om de veiligheid van anderen. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Ook het feit dat de poging tot zware mishandeling was gericht tegen een gezagsdrager, die zorgt voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid op straat, weegt de rechtbank mee. De rechtbank is daarom van oordeel dat een gevangenisstraf van behoorlijke duur passend en geboden is.

Uit het rapport van de reclassering komt naar voren dat verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en geen vast inkomen. Verdachte heeft schulden en heeft een beperkt sociaal netwerk. Hij gebruikt anabolen, GHB en rookt dagelijks twee joints. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. De reclassering adviseert verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met oplegging van de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht, gedragsinterventie praktische vaardigheden, ambulante behandeling, drugs- en alcoholverbod, en de verplichting mee te werken aan het hebben van een geschikte huisvesting.

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de diefstallen en de poging tot zware mishandeling de oplegging van een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. De voorwaardelijke straf die zal worden opgelegd dient als waarschuwing voor verdachte om zich voortaan van het plegen van delicten te onthouden. De rechtbank ziet, gelet op verdachtes persoonlijke omstandigheden, aanleiding om de proeftijd op 2 jaren te bepalen en aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden. De rechtbank acht het voor een goede terugkeer in de samenleving en de vermindering van de kans op recidive van belang dat verdachte wordt behandeld voor zijn middelengebruik.

Daarnaast acht de rechtbank een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen op haar plaats omdat verdachte de verkeersveiligheid in ernstige mate in gevaar heeft gebracht. De rechtbank acht, in navolging van de officier van justitie, een rijontzegging voor de duur van 12 maanden passend en geboden.

De rechtbank zal verdachte ten aanzien van feit 4 schuldig verklaren zonder strafoplegging, nu het hetzelfde incident betreft als feit 3.

De rechtbank zal ten aanzien van feit 5 een geldboete ten bedrage van € 150,00 opleggen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 9a, 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 23, 24, 24c, 27, 45, 57, 62, 91, 302 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 5, 177, 178, 179 en 179a van de Wegenverkeerswet en de artikelen 2, 27, 54 en 56 van de Wet wapens en munitie.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het onder feit 3 primair ten laste gelegde;

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

ten aanzien van feit 1, 2 en 3 subsidiair:

 een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich uiterlijk binnen 3 dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij de Reclassering IrisZorg (Nieuwe Oeverstraat 65, 6811 JB te Arnhem, telefoonnummer 088-6061311) en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van drugs en alcohol en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek, urineonderzoek of ademonderzoek, indien en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van IrisZorg, of soortgelijke ambulante forensische zorg, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling/deskundige aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn middelengebruik, indien en zolang de reclassering dit nodig acht;

- gedurende de proeftijd zal deelnemen aan een gedragsinterventie, bestaande uit een leefstijltraining, waarbij de veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens voornoemde instelling aan de veroordeelde zullen worden gegeven;

- mee zal werken aan het hebben van een geschikte huisvesting.

- Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 ontzegt verdachte ten aanzien van het onder feit 3 subsidiair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

ten aanzien van feit 4:

 bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd;

ten aanzien van feit 5:

 een geldboete van € 150,00 (honderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.C.P. Goossens (voorzitter), mr. J.J.H. van Laethem en mr. J. Wiersma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Sluijters, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 oktober 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017309997, gesloten op 5 juli 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aanhouding, p. 6-8.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 18 en proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 45.

4 De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 17 oktober 2017.