Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:5607

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-11-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
AWB - 17_2788
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afvalstoffenheffing. Onredelijke en willekeurige belastingheffing. Gemeente zamelt

-in strijd met artikel 10.21 van de Wet milieubeheer- in de wijk waar eiser woont het gft-afval niet apart in. In die wijk moet het gft-afval daarom, ongescheiden van restafval, worden aangeboden via een ondergrondse container. In de rest van de gemeente wordt het gft-afval wel afzonderlijk ingezameld en de minicontainer (kliko) voor gft-afval wordt gratis geledigd. In de tarieven voor de afvalstoffenheffing is hier geen rekening mee gehouden. De inwoners die hun afval moeten aanbieden via een ondergrondse container betalen een hoger tarief per liter dan de overige inwoners van de gemeente. Omdat zij bovendien zijn gedwongen meer liters afval aan te bieden via de ondergrondse container dan het geval zou zijn indien het gft-afval afzonderlijk zou worden ingezameld, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een onredelijke en willekeurige belastingheffing die er in het onderhavige geval toe leidt dat de tariefstelling in de Verordening partieel onverbindend is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 09-11-2017
FutD 2017-2858
NLF 2017/2736 met annotatie van Rogier Froentjes

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

Zaaknummer: AWB 17/2788

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 6 november 2017

in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Duiven, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser een aanslag afvalstoffenheffing 2017 (aanslagnummer [000] ) opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 april 2017 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen op digitale wijze beroep ingesteld, ontvangen door de rechtbank op 30 mei 2017.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft voorafgaand aan de zitting nadere stukken ingediend, deze zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden ter zitting van de enkelvoudige belastingkamer op 5 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn partner. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde] , bijgestaan door [A] , beleidsadviseur van de gemeente Duiven. De rechtbank heeft na de zitting het onderzoek gesloten. Na de sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. Partijen hebben ter zitting reeds verklaard geen bezwaar te hebben tegen een verwijzing naar de meervoudige kamer zonder nadere zitting.

In een telefonisch verzoek van verweerder om (schriftelijk) nog iets te mogen toevoegen aan hetgeen ter zitting is verklaard, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om tot heropening van het onderzoek over te gaan.

Overwegingen

Feiten

1. Verweerder heeft eiser bij beschikking van 31 januari 2017, met betrekking tot de woning [A-straat 1] te [Z] (de woning), voor het belastingjaar 2017 een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd naar een vastrecht van € 165,40 en een bedrag van

€ 17,68 voor 17 stortingen.

2. De woning is gelegen in de wijk [B] . Daar zijn de meeste grondgebonden woningen aangesloten op een ondergrondse container waar groente-, fruit-, en tuinafval (gft-afval) en restafval ongescheiden worden gestort. Voor deze woningen is het niet mogelijk om afval aan te bieden in een minicontainer.

3. In 2016 heeft de gemeente Duiven Diftar ingevoerd. Per huishouden wordt op basis van de Verordening afvalstoffenheffing 2017 (hierna: de Verordening) een vastrecht afvalstoffenheffing geheven naast een variabel deel. Het variabele deel wordt in rekening gebracht voor het aantal ledigingen van de minicontainer (kliko) voor restafval, dan wel het aantal stortingen in de ondergrondse container. De minicontainers bestemd voor gft-afval worden kosteloos geledigd.

4. Het vastrecht bedraagt volgens de tarieventabel per perceel per belastingjaar € 165,40. Daarnaast bedraagt het tarief per lediging voor een container van 140 liter, bestemd voor huishoudelijke afvalstoffen, anders dan gft-afval, per container € 2,01. Het tarief voor het aanbieden bij een ondergrondse container bedraagt per keer € 1,04.

Geschil

5. In geschil is of de aanslag afvalstoffenheffing tot het juiste bedrag aan eiser is opgelegd. Het geheven vastrecht is niet in geschil, het geschil spitst zich toe op de heffing per storting.

6. Eiser heeft - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de Wet milieubeheer wordt overtreden, omdat in artikel 10.21, tweede lid, van deze wet staat dat gft-afval gescheiden moet worden opgehaald. Dit gebeurt niet in de wijk waar eiser woont. Dit leidt er bovendien toe dat het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden, nu andere bewoners van de gemeente Duiven hun gft-afval wel afzonderlijk en bovendien gratis kunnen aanbieden. Echter ook binnen de wijk [B] wordt onderscheid gemaakt. Een aantal woningen in de wijk beschikt namelijk wél over een minicontainer voor gft-afval, die gratis wordt geleegd.

7. Voorts stelt eiser dat er sprake is van onredelijke en willekeurige belastingheffing. Eiser betaalt per storting in de ondergrondse container. Per keer kan maximaal 60 liter worden aangeboden. Omdat eiser ook verplicht het groente- en fruitafval en een groot deel van het tuinafval (het snoeiafval wordt in [B] wel gratis opgehaald) moet aanbieden in de ondergrondse container moet hij dus vaker een storting doen. Er wordt hier in het tarief geen rekening mee gehouden. Voor de lediging van een minicontainer van 140 liter bedraagt het tarief € 2,01. Eiser bepleit een tarief van 60/140 maal het tarief voor de lediging van een minicontainer, zijnde € 0,86 per storting in de ondergrondse container, omdat bij dit tarief de ongelijkheid is weggenomen.

8. Verweerder stelt dat artikel 10.26 van de Wet milieubeheer een mogelijkheid biedt om van artikel 10.21 van deze wet af te wijken. Dat is in dit geval voor de bewoners van de wijk [B] gebeurd vanuit het oogpunt van veiligheid. De voertuigen voor het ophalen van minicontainers kunnen in de wijk niet goed rijden door de indeling van de straten. Er is daarom geen sprake van gelijke gevallen in vergelijking tot inwoners van andere wijken en in vergelijking tot de woonhuizen aan de rand van de wijk [B] , die wel bereikbaar zijn voor het ophaalvoertuig. Het plaatsen van aparte ondergrondse containers is geen optie vanwege hygiëne en risico op ongedierte. Het ophalen van minicontainers aan het begin van de wijk was ook geen optie, omdat er normen zijn hoe ver mensen met een minicontainer mogen lopen. Overigens is er met ingang van 1 januari 2018 optioneel een mogelijkheid dat bewoners van [B] tóch een minicontainer voor gft-afval krijgen die bij de ingang van de wijk moet worden aangeboden.

Beoordeling van het geschil

9. Op grond van artikel 2, tweede lid, van de Verordening wordt de afvalstoffenheffing bedoeld in de Verordening en de tarieventabel geheven naar afzonderlijke grondslagen ter zake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

10. Ten aanzien van eisers stelling dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen overweegt de rechtbank als volgt. Jegens al haar inwoners die afvalstoffen produceren heeft de gemeente dezelfde verplichtingen voortvloeiend uit artikel 10.21 van de Wet milieubeheer. De plek binnen de gemeente waar mensen wonen is hierbij in beginsel geen relevant criterium. Er is daarom voor toepassing van de afvalstoffenheffing wel degelijk sprake van gelijke gevallen. De rechtbank stelt vast dat de gemeente Duiven ten aanzien van een deel van haar inwoners (zoals de meeste bewoners van de wijk [B] ) handelt in strijd met de verplichting uit artikel 10.21 van de Wet milieubeheer om het GFT-afval afzonderlijk in te zamelen. Anders dan verweerder meent, biedt artikel 10.26 van de Wet milieubeheer geen steun voor de opvatting dat de gescheiden inzameling van gft-afval volledig achterwege mag blijven. Een schending van artikel 10.21 van de Wet milieubeheer kan leiden tot het onverbindend verklaren van de Verordening indien de schending naar het oordeel van de belastingrechter voldoende zwaarwegend is (zie Hoge Raad 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:694).

11. Eiser stelt dat dit het geval is omdat de Verordening en de bijbehorende tarieventabel, gelet op de verschillende tarieven voor aanbieding aan een ondergrondse container of in een minicontainer, leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing. Verweerder stelt zich op het standpunt dat van een onredelijke en willekeurige belastingheffing geen sprake is. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de kosten per afvalstroom, oftewel de kosten voor het ledigen van de ondergrondse afvalcontainers en de kosten voor het ledigen van de minicontainers, worden omgeslagen over het aantal huishoudens dat het betreft. Aldus zijn de tarieven bepaald.

12. De rechtbank stelt vast dat er niet voor is gekozen de totale kosten van het verwerken van afvalstromen te verdelen over het totaal aantal huishoudens. Doordat de begrote kosten voor het ledigen van de ondergrondse containers enkel worden omgeslagen over de bewoners die gebruik maken van een ondergrondse container betalen zij een hoger tarief per liter dan de overige inwoners van de gemeente. Omdat de eerstgenoemde inwoners, voor zover woonachtig in [B] , bovendien als gevolg van de schending van artikel 10.21 van de Wet milieubeheer zijn gedwongen meer liters afval aan te bieden via de ondergrondse container dan het geval zou zijn indien het gft-afval afzonderlijk zou worden ingezameld, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een onredelijke en willekeurige belastingheffing die er in het onderhavige geval toe leidt dat de tariefstelling in de Verordening partieel onverbindend is. Eisers stelling dat bij een tariefstelling van € 0,86 per storting in de ondergrondse container geen sprake meer is van een onredelijke en willekeurige belastingheffing is door verweerder niet bestreden. De rechtbank zal daarom het variabele deel van de aanslag afvalstoffenheffing verminderen tot € 14,62, zijnde 17 ledigingen maal € 0,86.

13. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond.

14. Nu het beroep gegrond is, vindt de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Eiser heeft verzocht om vergoeding van een bedrag aan reiskosten tot een bedrag van € 5,46 en een bedrag aan verletkosten van € 59,07 (drie uren). Verweerder heeft deze bedragen niet bestreden, zodat deze bedragen voor toewijzing in aanmerking komen. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding vast op € 64,53.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag afvalstoffenheffing tot een vastrecht van € 165,40 vermeerderd met een variabel deel tot bedrag van € 14,62;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser vergoedt;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 64,53.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Germs-de Goede, voorzitter, mr. R.A. Eskes en mr. W.W. Monteiro, rechters, in tegenwoordigheid van M.I.M. Geraerts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 6 november 2017

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.