Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:5605

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-10-2017
Datum publicatie
30-10-2017
Zaaknummer
05/740183-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geslaagd beroep op noodweer steekpartij Ulft.

Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. Op 25 april 2017 heeft er op een bootje nabij de Dru Cultuurfabriek in Ulft een steekpartij plaatsgevonden, waarbij het slachtoffer levensgevaarlijk werd verwond.

Verdachte heeft, anders dan de aangever, vanaf het begin in essentie consistent verklaard over de feitelijk toedracht van de steekpartij, te weten dat hij, verdachte, in een kleine ruimte door aangever werd aangevallen met een mes, dat hij geen kant op kon en dat hij zichzelf daarom wel moest verdedigen. Zijn lezing wordt op onderdelen ook ondersteund door objectieve gegevens. De rechtbank is van oordeel dat de lezing van verdacht niet onaannemelijk kan worden geacht en dat bij gebrek aan betrouwbaar bewijsmateriaal dat in een andere richting wijst, van die lezing dient te worden uitgegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/740183-17

Datum uitspraak : 30 oktober 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

raadsman: mr. J.H. Hofstede, advocaat te Doetinchem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 20 juli 2017

en 16 oktober 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering nadere omschrijving tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 april 2017 te Ulft, althans in Nederland, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer]

opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet éénmaal met een mes in de

borst, in elk geval in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 25 april 2017 te Ulft, althans in Nederland, aan [slachtoffer]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een (diepe) steekwond

in de borst (met als gevolg een wond in het hartzakje en/of een wond aan de

lever, waarbij een operatie noodzakelijk was met een te verwachten

herstelperiode van meerdere maanden), heeft toegebracht, door die [slachtoffer] met

een mes te steken;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 25 april 2017 te Ulft, althans in Nederland, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer]

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, éénmaal met een mes in de

borst, althans in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Aanleiding onderzoek

Op 25 april 2017 omstreeks 14.50 uur kwam er een melding binnen bij de meldkamer van de politie dat er zojuist een man de Dru Cultuurfabriek (DRU) aan de Hutteweg te Ulft binnen kwam lopen. De man was met een mes gestoken. Het steekincident had plaatsgevonden op een bootje en de dader was weggefietst.

Bij de politie is bekend dat in de Oude IJssel nabij de baileybrug bij de DRU een bootje ligt van [slachtoffer] .

Als de politie ter plaatse gaat worden ze vlak bij het bootje aangesproken door twee jongens. Deze jongens geven aan dat de man die is gestoken bij de DRU binnen is. De jongen die de man heeft gestoken, genaamd [verdachte] , was weggefietst richting Silvolde. Bij de DRU werd vervolgens genoemde [slachtoffer] aangetroffen. Hij zat op een stoel en hield zijn handen tegen zijn borstkas gedrukt. De politie zag dat er onder de handen van de man langzaam wat bloed wegstroomde. [slachtoffer] verklaarde dat hij was gestoken door [verdachte] , verdachte.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht aan de hand van haar schriftelijk requisitoir. De officier heeft gevorderd dat verdachte hiervoor een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, zal worden opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging dan wel dient te worden vrijgesproken, nu er sprake is van noodweer / noodweerexces. Ter terechtzitting heeft de raadsman het standpunt van de verdediging toegelicht aan de hand van zijn pleitnotities.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft bekend op 25 april 2017 het slachtoffer met een mes te hebben gestoken.

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] , doorgenummerde dossierpag. 32 t/m 36;

- de geneeskundige verklaring d.d. 5 mei 2017, doorgenummerde dossierpag. 44

- de letselrapportage d.d. 3 augustus 2017, opgemaakt door drs. J.G.M. Hoefnagel, forensisch arts FMG2;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 oktober 2017.

Verdachte heeft verklaard éénmaal willekeurig op het slachtoffer te hebben ingestoken, waarbij het slachtoffer in de borst is geraakt. Door dit handelen van verdachte is de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] ontstaan. Het beschreven handelen is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op de dood van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 25 april 2017 te Ulft, althans in Nederland, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer]

opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet éénmaal met een mes in de

borst, in elk geval in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op: poging tot doodslag.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen beroep op noodweer toekomt. Het door verdachte geschetste scenario wordt niet aannemelijk geacht nu - samengevat - er te veel onduidelijkheden zijn over het mes dat [slachtoffer] in handen zou hebben gehad en waarmee hij verdachte zou hebben bedreigd.

De verdediging heeft gesteld dat er sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, doordat verdachte in de beperkte ruimte op de boot van [slachtoffer] in een hoek was gedreven en [slachtoffer] dreigend met getrokken mes stekende bewegingen maakte richting verdachte en verbale bedreigingen uitte richting verdachte.

De rechtbank stelt vast dat het onderzoek van de politie niet heeft geleid tot een eenduidige conclusie over de feitelijk toedracht. De rechtbank heeft haar oordeel dan ook met name te baseren op de verklaringen van de bij het incident betrokken personen in combinatie met aangetroffen forensisch bewijs, zoals het aantreffen van messen op de boot.

Het slachtoffer [slachtoffer] heeft een verklaring afgelegd die aantoonbaar onjuist is op het punt van de tijdsduur van het incident, nu zijn verklaring niet klopt met het tijdsverloop zoals uit de camerabeelden ter beschikking gesteld door de DRU valt op te maken. Ook het telefoongesprek dat hij op die dag zou hebben gevoerd met [getuige] , wordt door [getuige] ontkend en blijkt niet uit de telefoon van [slachtoffer] . Verder is de ‘buurman’, die [slachtoffer] zou hebben begroet op het moment dat verdachte op zijn boot stapte, niet traceerbaar gebleken.

Verdachte heeft vanaf het begin in essentie consistent verklaard over de feitelijke toedracht. Zijn lezing wordt op onderdelen ook ondersteund door objectieve gegevens.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 25 april 2017 een app kreeg van [slachtoffer] - verdachte noemt [slachtoffer] ‘ [slachtoffer] ’ - of hij voor 50 euro wiet kon kopen. Hij is daarop op de fiets naar de boot van [slachtoffer] gegaan. [slachtoffer] zegt: “kom maar in de boot”. Om in de boot te komen moet je aan de achterzijde op de boot stappen via de zijplank. Hij stapte op de boot via de zijplank. Hij stapte vervolgens naar beneden in de boot en had zijn mobiele telefoon in zijn handen. [slachtoffer] zat rechts op de bank onder de overkapping op de boot. Bij het in de boot stappen zag verdachte dat [slachtoffer] een mes pakte uit een rode tas die naast hem op de bank lag. [slachtoffer] pakte verdachte zijn mobiele telefoon af. [slachtoffer] kwam met het mes naar hem toe, onderhands, het mes ter hoogte van de heup. Dat mes heeft [slachtoffer] altijd bij zich. Hij hoorde dat [slachtoffer] zei dat verdachte eerlijk moest zeggen dat hij de radio kapot heeft gemaakt. Hij ontkende dit. Hij duwde [slachtoffer] van zich af, maar [slachtoffer] kwam weer op een intimiderende manier op hem af. [slachtoffer] maakte met het mes tweemaal zwaaiende, stekende bewegingen in zijn richting. Hij - verdachte - stond in een hoekje tegen de wand bij het afgesloten gedeelte van de boot, ter hoogte van het stuurwiel. Ze stonden vrijwel neus aan neus. Om naar buiten te komen zou hij langs [slachtoffer] moeten. Hij stond te janken omdat hij bang was. Hij hoorde [slachtoffer] zeggen: “Ik snij je tong er af, ik steek je in je ribben en ik gooi je in het water”. Hij wist niet meer wat hij moest doen. Hij haalde het mes uit zijn binnenzak en stak, zonder te kijken waar. Hij stak [slachtoffer] één keer en liet het mes gelijk los (Verdachte doet bij de politie voor hoe hij met zijn linkerhand achter zijn blouse gaat en daar het mes vandaan haalt. Zijn hand komt uit zijn blouse met de pinkzijde naar voren. Hij maakt een stekende beweging naar voren. Hij gebruikt zijn ellenboog als scharnier). [slachtoffer] trok het mes zelf uit zijn borst, liep naar buiten, ging de kade op en liep richting de DRU. Hij nam ook de mobiele telefoon mee van verdachte. Hij heeft [slachtoffer] nog van zich weggedrukt naar buiten de kade op.

Verdachte verklaarde dat hij het mes, een groot slagersmes “Le Chef”, had meegenomen uit de keuken van zijn woongroep. Hij had het mes meegenomen omdat hij het niet vertrouwd vond, hij weet dat er wel meer dingen daar gebeuren. Het mes had hij meegenomen omdat hij het niet helemaal vertrouwde, omdat hij al eerder een conflict had gehad (met [slachtoffer] ).

De verklaring van verdachte wordt qua tijdsverloop ondersteund door de veiliggestelde opnamen van de camera van de DRU-fabriek.

De verklaring wordt verder onder meer ondersteund door de bevindingen van de politie inzake de bij verdachte en aangever [slachtoffer] in gebruik zijnde mobiele telefoons, zowel voor wat betreft de 25e april 2017, als voor wat betreft de periode van 8 april 2017 t/m 25 april 2017. Daaruit blijkt dat er veelvuldig contacten zijn geweest die duiden op verhandeling van drugs, hetgeen ook de aanleiding was voor verdachte om de 25e april 2017 naar de boot te gaan. [slachtoffer] legt op dat punt een niet aannemelijke verklaring af over zijn mogelijke betrokkenheid.

Uit de telefoongegevens inzake de onder [slachtoffer] in beslag genomen Iphone (pag. 96) blijkt verder dat [slachtoffer] boos was op verdachte. [slachtoffer] stuurt onder meer het volgende bericht (dat gaat over verdachte) aan een van zijn contacten: “en nu moet hij klappen krijgen”. Uit de berichten blijkt zoals gezegd ook dat [slachtoffer] verdachte op 25 april 2017 vraagt naar de boot te komen in verband met ‘klanten’.

Over een rode tas op zijn boot heeft [slachtoffer] op 30 april 2017 verklaard dat het de enige rode tas is die hij heeft en dat hij die op dat moment (30 april 2017) ook bij zich had. Er zat een grijs mes in die tas, maar hij weet niet waar dat mes nu (30 april 2017) is.

Door de politie is in een open bak bij de ingang van de boot een zilverkleurig uitgeklapt mes aangetroffen.

Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de lezing van verdachte over de feitelijke toedracht niet valt uit te sluiten. Bij die stand van zaken en bij gebrek aan betrouwbaar bewijsmateriaal dat in een andere richting wijst, is de rechtbank van oordeel dat, nu de lezing van verdachte niet onaannemelijk kan worden geacht, bij de beantwoording van de vraag of er sprake is geweest van een noodweersituatie, van die lezing van verdachte dient te worden uitgegaan.

Dat betekent dat de rechtbank ervan uit gaat dat verdachte in de beperkte ruimte van het kleine bootje van [slachtoffer] door [slachtoffer] is belaagd met een mes. [slachtoffer] kwam op verdachte af en maakte stekende bewegingen met het mes in de richting van verdachte. De rechtbank is op basis hiervan van oordeel dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

De rechtbank is tevens van oordeel dat is voldaan aan het vereiste van subsidiariteit, omdat er geen sprake was van een gemakkelijke, verstandige en voor de hand liggende vluchtmogelijkheid, nu verdachte vanuit zijn positie - in een hoek tegen het afgesloten gedeelte van de kajuit - zich in de beperkte ruimte van het kleine bootje langs de - met het mes gewapende - [slachtoffer] zou hebben moeten wringen, om de ruimte te kunnen verlaten. Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat gelet op de aanval met een mes en het gebrek aan redelijke alternatieven, verdachte zich heeft mogen verweren op de wijze als hij heeft gedaan. Derhalve is tevens voldaan aan het vereiste van proportionaliteit.

Het beroep op noodweer slaagt.

Het bewezenverklaarde feit levert derhalve geen strafbaar feit op, zodat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6 De beoordeling van het beslag

Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van de onder verdachte danwel de na te noemen rechthebbende in beslag genomen kleding, met ingang van het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is.

7 De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde [slachtoffer] , bijgestaan door mr. P.M. Breukink, advocaat te Arnhem, heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding in verband met het aan verdachte tenlastegelegde. Gevorderd wordt een bedrag van € 22.447,28 aan materiële en immateriële schade.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering aangezien aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart het bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte voor dit feit van alle rechtsvervolging;

 gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven kleding/schoeisel voor zover inbeslaggenomen onder verdachte danwel [slachtoffer] ;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering;

 bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.C. Henniphof, voorzitter, mr. C.J.M. van Apeldoorn en

mr. M.J.M. Krabbe, rechters, in tegenwoordigheid van L.E.M. van Bun, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 oktober 2017.

Mr. Krabbe voornoemd is buiten staat mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant brigadier [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte (relaas)proces-verbaal nummer PL0600-2017187635, gesloten op 16 juni 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Letselrapportage GGD Gelderland Zuid d.d. 3 augustus 2017, PL-nummer 2017 187635, opgemaakt door drs. J.G.M. Hoefnagel