Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:5588

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-10-2017
Datum publicatie
27-10-2017
Zaaknummer
326553
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

gelegd executoriaal beslag is niet in strijd met hetgeen tussen partijen is overeengekomen. Geen grond voor het verbieden van executoriale verkoop

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/326553 / KZ ZA 17-239

Vonnis in kort geding van 2 oktober 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PROJEKTONTWIKKELING EN BOUWBEDRIJF [naam B.V.],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. P.J.G. van der Donck te Houten,

tegen

KAMKA HOLDING B.V.,

gevestigd te Eerbeek, gemeente Brummen,

gedaagde,

advocaat mr. A.M. Takkenberg te Loenen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Kamka genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiseres]

  • -

    de pleitnota van Kamka.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald en is in de vorm van een kop-staartvonnis uitspraak gedaan. Die uitspraak is gebaseerd op de navolgende overwegingen.

2 De feiten

2.1.

Kamka heeft als projectontwikkelaar op 15 juli 2010 met [eiseres] als bouwer een samenwerkingsovereenkomst gesloten betreffende de ontwikkeling en bouw van woningen op het terrein Methusalemlaan en omgeving te Ugchelen, gemeente Apeldoorn (hierna te noemen: het project). Bij deze overeenkomst is in aanmerking genomen dat Kamka koopovereenkomsten is aangegaan voor de aankoop van percelen binnen het plangebied.

2.2.

Bij leningsovereenkomst van 15 juli 2010 heeft [eiseres] € 500.000,00 in de vorm van een rekening courant krediet aan Kamka verstrekt voor te maken kosten en te betalen voorschotten. Daarbij is overeengekomen dat Kamka het bedrag in ieder geval voor 1 juli 2012 dient af te lossen.

De aan te kopen percelen binnen het plangebied zijn op het moment van het sluiten van deze overeenkomsten eigendom van verschillende eigenaren: onder meer van de gemeente Apeldoorn en van de heer [naam 1] , mevrouw [naam 2] en [naam 3] (hierna te noemen: [namen 1,2,3] ).

2.3.

Bij leningsovereenkomst van 12 juli 2011 heeft [eiseres] in aanvulling op de eerdere lening € 210.000,00 aan Kamka geleend ten behoeve van de aanbetaling van een grondpositie op het terrein van het project. Daarbij is opgenomen dat de overeenkomst een onlosmakelijk geheel vormt met de overeenkomst van 15 juli 2010 en dat genoemd bedrag in ieder geval voor 31 december 2012 dient te worden afgelost.

2.4.

Op 20 december 2012 hebben partijen wederom een samenwerkingsovereenkomst gesloten (hierna: de samenwerkingsovereenkomst). Daarin is onder meer het volgende opgenomen:

“In aanmerking nemende dat:

(…)

- Dat Kamka tot op heden niet in staat is gebleken tot aankoop een deel van de percelen ( [namen 1,2,3] ) en daarom de ontwikkeling als geheel belemmerd wordt

- Dat [eiseres] in overleg en met goedkeuring van Kamka pogingen onderneemt tot het overeenkomen van een samenwerking met [namen 1,2,3]

- Dat partijen nadere afspraken wensen te maken ter bevordering van de voortgang en uitvoering van het project “31 woningen Groene Hart Ugchelen, Methusalemlaan”

- Dat onderhavige overeenkomst een aanvullende afspraak is op bestaande afspraken en overeenkomsten tussen partijen

Definities:

- Het project: de realisatie van 31 woningen, naam van het plan Groene Hart Ugchelen, tussen Methusalemlaan en Marten Orgeslaan”

(…)

Verklaren het navolgende te zijn overeengekomen:

1. Exploitatie en regie plangebied en project:

Kamka zal de exploitatie van het plangebied voortzetten. Partijen spreken nadrukkelijk af dat [eiseres] niet in de plaats treedt van Kamka (…) De regie en coördinatie van de bouwwerkzaamheden voor realisatie van totaal 16 woningen met de bouwnummers D6 t/m D9;C1 t/m C4 en A1 t/m A6, 2 percelen aan de M. Orgeslaan en de werkzaamheden met betrekking bouw- en woonrijp maken op en nabij deze bouwnummers zal door [eiseres] ter hand worden genomen.

Aangezien er thans geen overeenstemming tot samenwerking is tussen [eiseres] en [namen 1,2,3] betreffende het andere deel van het plangebied, valt dit deel nadrukkelijk buiten de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van [eiseres] . [eiseres] zal pogingen ondernemen tot het maken van nadere afspraken tot samenwerking met [namen 1,2,3] met betrekking tot onder andere de regie m.b.t. bouwnummer D5, aanleg bouwwegen e.d.

(…)

7. Aflossing van leningsovereenkomsten

Zoals bij partijen bekend heeft Kamka een schuld aan [eiseres] , afgerond en gefixeerd op

€ 820.000. Deze schuld wordt in twee delen onderverdeeld en wel;

* deel 1 ad € 320.000,= Per verkochte en geleverde kavel wordt een bedrag ter grootte

van € 20.000 als aflossing aangemerkt. In de bijlage staan de 16 kavels opgenomen.

* deel 2 ad € 500.000,=. Dit bedrag is destijds door Kamka gebruikt ten behoeve van het

verkrijgen van het andere deel van het plangebied.

Kamka is thans in conflict met de eigenaren van dit andere gedeelte van het plangebied hetgeen zou kunnen leiden tot een juridische procedure.

Overeengekomen wordt, dat zolang een eventuele juridische procedure duurt – aangaande dit deel van het plangebied, dit deel (2) van de schuld buiten invordering blijft.

Mocht het geschil beslecht worden (in hoogste ressort) en Kamka of haar rechtsopvolgers ontvangt een (schade-)vergoeding, dan wordt de volgende verdeling van de totale vergoeding c.q. opbrengst toegepast;

- 2/3 deel wordt als aflossing aan [eiseres] betaalbaar gesteld (…)

- 1/3 deel wordt als vergoeding voor Kamka aangemerkt en aan Kamka betaalbaar gesteld. Deze vergoeding zal niet worden verrekend met overige (rest)schulden die uit leningsovereenkomsten tussen partijen voorvloeien.

Indien het 2/3 deel van [eiseres] meer is dan € 500.000, wordt het meerdere aangemerkt

als vergoeding voor rente en risico.

Indien het 2/3 deel van [eiseres] minder is dan € 500,000 wordt de restschuld van dit deel(2) voor onbepaalde tijd buiten invordering gesteld, op voorwaarde dat;

- [eiseres] expliciete toestemming heeft gegeven om akkoord te gaan met de (schade) vergoeding, dan wel schriftelijk te kennen heeft gegeven hiervan geheel of gedeeltelijk af te zien

- [eiseres] eveneens de conclusie deelt, dat hoger beroep of vervolg procedures tegen een

bepaalde (gerechtelijke) uitspraak geen zin heeft.

- Kamka zich voldoende heeft ingespannen om deze procedure en het project tot een goed einde te brengen.

Ter beoordeling van bovenstaande krijgt [eiseres] dan ook (vooraf) inzage in alle processtukken.

Partijen komen overeen dat zij nadat de restschuld voor onbepaalde tijd buiten invordering is gesteld, zij binnen 1 jaar tot overeenstemming komen tot beëindiging van alle verplichtingen over en weer en finale kwijting. (…)

Kamka verplicht zich om geen juridische acties te ondernemen richting [namen 1,2,3]

die de voortgang van het project kunnen beïnvloeden. Alle juridische acties worden

vooraf met [eiseres] kortgesloten en [eiseres] kan gemotiveerd aangeven waarom [eiseres]

vindt dat een bepaalde actie de voortgang belemmerd. Kamka mag deze actie dan niet

doorvoeren. (…)”

2.5.

Omdat er tussen Kamka en [namen 1,2,3] problemen waren waardoor de koopovereenkomsten betreffende percelen in het gebied van het project tussen hen niet konden worden nagekomen, zijn die koopovereenkomsten op enig moment buitengerechtelijk ontbonden. Over die buitengerechtelijke ontbinding en de schade op grond van wanprestatie hebben partijen geprocedeerd bij de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen.

2.6.

In de procedure tussen Kamka en [namen 1,2,3] is bij vonnis van 24 februari 2016 van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, onder meer (voor zover hier van belang) uitvoerbaar bij voorraad beslist dat [namen 1,2,3] wordt veroordeeld om aan Kamka een bedrag van € 500.000,00 te betalen.

2.7.

Tegen het vonnis van 24 februari 2016 heeft Kamka hoger beroep ingesteld. In de appelprocedure zal op 6 juni 2018 een comparitie plaatsvinden.

2.8.

Kamka heeft op 12 mei 2016 uit kracht van het vonnis van 24 februari 2016 executoriaal beslag gelegd op (onder meer) een aan [namen 1,2,3] toebehorend perceel, kadastraal bekend Apeldoorn, sectie V nummer 5088 (hierna te noemen: het perceel).

2.9.

In mei 2017 heeft [namen 1,2,3] het perceel verkocht aan de heer [naam 4] en mevrouw [naam 5] (hierna te noemen: [namen 4 en 5] ). In diezelfde tijd heeft [eiseres] met [namen 4 en 5] een aannemingsovereenkomst gesloten waarin [eiseres] de verplichting op zich heeft genomen om op het perceel een huis te bouwen. In artikel 14 van de aannemingsovereenkomst is het volgende bepaald:

“Deze aannemingsovereenkomst vormt tezamen met de tussen (… [namen 4 en 5] , vzr) en (… [namen 1,2,3] , vzr) gesloten koopovereenkomst een onverbrekelijk geheel. Bij ontbinding op grond van de in deze akte genoemde ontbindende voorwaarden dan wel het niet tot stand komen op grond van eventuele opschortende voorwaarden van de ene overeenkomst is de andere overeenkomst eveneens en automatisch ontbonden dan wel niet tot stand gekomen. (…)”

2.10.

De executoriale verkoop van het perceel door middel van een openbare veiling is gepland op 3 oktober 2017.

2.11.

[namen 1,2,3] heeft een kortgeding aanhangig gemaakt tegen Kamka waarin hij onder meer vorderde het executoriaal beslag op het perceel op te heffen of de executie te staken. Bij vonnis van 28 september 2017 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, de vorderingen van [namen 1,2,3] afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1a. Kamka te veroordelen tot nakoming van het bepaalde in artikel 7 van de samenwerkingsovereenkomst, (o.m.) inhoudende dat Kamka geen juridische acties mag ondernemen richting [namen 1,2,3] , die de voortgang van het project kunnen beïnvloeden, dat alle juridische acties vooraf met [eiseres] worden kortgesloten, dat [eiseres] gemotiveerd kan aangeven waarom zij vindt dat een bepaalde actie de voortgang belemmert en dat Kamka deze actie dan niet mag doorvoeren;

1b. Kamka te verbieden om het perceel, plaatselijk bekend Methusalemlaan [kadastrale gegevens] te (doen) veilen;

2a. aan de veroordeling onder 1a een dwangsom te koppelen van € 50.000,00, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom, te verbeuren per dag of dagdeel, dat Kamka in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen, tot een maximum van € 500.000,00;

2b. aan het verbod onder 1b een dwangsom te koppelen van € 50.000,00, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom, te verbeuren per dag of dagdeel, dat Kamka in gebreke blijft om aan dit verbod te voldoen, tot een maximum van € 500.000,00;

3. primair: het gelegde executoriale beslag op het perceel bouwterrein, plaatselijk bekend Methusalemlaan [kadastrale gegevens] op te heffen;

3. subsidiair: Kamka te gebieden om het gelegde executoriale beslag op het perceel, plaatselijk bekend [kadastrale gegevens] voor 3 oktober 2017, althans 9 november 2017, althans 29 november 2017, dan wel een door de voorzieningenrechter te bepalen tijdstip op te heffen c.q. mee te werken aan de levering van dit perceel aan de heer [naam 4] en mevrouw [naam 5] ;

4. aan het gebod vermeld onder 3 subsidiair een dwangsom te koppelen van € 50.000.00, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom, te verbeuren per dag of dagdeel, dat Kamka in gebreke blijft om aan dit gebod te voldoen, tot een maximum van € 500.000.00;

6. met veroordeling van Kamka in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat Kamka zich in de samenwerkingsovereenkomst heeft verplicht geen juridische acties richting [namen 1,2,3] te ondernemen die de voortgang van het project (dat wil zeggen realisatie van 31 woningen) kunnen beïnvloeden. Met executie van het vonnis van 24 februari 2016 door veiling van het perceel, handelt Kamka volgens [eiseres] in strijd met die verplichting. [eiseres] heeft met redenen omkleed aan Kamka kenbaar gemaakt dat zij de veiling moest stoppen en het executoriaal beslag moest opheffen maar Kamka heeft dat niet gedaan. Als Kamka de veiling van het perceel laat doorgaan, zal [namen 1,2,3] het perceel niet aan [namen 4 en 5] kunnen leveren en wordt de voortgang van het project volgens [eiseres] belemmerd. [eiseres] stelt dat zij daardoor schade zal leiden omdat zij al de nodige kosten heeft gemaakt in het kader van de aannemingsovereenkomst. De aannemingsovereenkomst vormt volgens [eiseres] een onlosmakelijk geheel met de koopovereenkomst die [namen 4 en 5] met [namen 1,2,3] heeft gesloten. Als de koopovereenkomst tussen [namen 4 en 5] en [namen 1,2,3] wordt ontbonden, heeft dat tot gevolg dat de aannemingsovereenkomst eveneens zal zijn ontbonden. Dat betekent volgens [eiseres] dat, zelfs als [namen 4 en 5] via de veiling alsnog het perceel verwerft, hij niet langer gebonden is aan de aannemingsovereenkomst en met een andere bouwer in zee kan gaan. [eiseres] stelt daarnaast dat zij vreest dat Kamka en/of de heer Kraa (bestuurder van Kamka) zal meebieden bij de veiling en aldus in strijd met artikel 3:13 BW zal handelen.

3.3.

Kamka voert ten verwere aan dat zij altijd heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 7 van de samenwerkingsovereenkomst. Kamka betwist dat het leggen van executoriaal beslag op het perceel is aan te merken als een juridische actie in de zin van dat artikel. Daarbij stelt Kamka dat [eiseres] bij Kamka steeds heeft aangedrongen op een juridische procedure tegen [namen 1,2,3] omdat [eiseres] wilde dat Kamka het bedrag van € 500.000,00 zou ophalen bij [namen 1,2,3] , het bedrag dat Kamka aan [namen 1,2,3] had betaald als voorschot voor de verkoop van percelen en dat als gevolg van de ontbinding van de koopovereenkomsten door [namen 1,2,3] terugbetaald moesten worden. Een en ander heeft geleid tot de procedure waarin op 24 februari 2016 vonnis is gewezen. Kamka stelt dat zij [eiseres] op 14 maart 2016 op de hoogte heeft gebracht van het vonnis, dat [eiseres] haar op 18 maart 2016 vroeg om executiemaatregelen te treffen en dat Kamka op 30 maart 2016 aan [eiseres] mededeelde dat die maatregelen waren opgestart maar dat [eiseres] nooit heeft aangegeven dat zij het niet eens was met executie van het vonnis. Het beslag op het perceel is al op 12 mei 2016 gelegd en is op 16 mei 2016 aan [namen 1,2,3] overbetekend. [namen 1,2,3] was dus op de hoogte van het beslag en Kamka stelt dat [eiseres] dat ook heeft moeten zijn. Daarom kan [eiseres] nu niet stellen dat zij spoedeisend belang heeft bij haar vordering.

Kamka betwist daarnaast dat [eiseres] schade zal lijden als gevolg van de executoriale verkoop. Dat de aannemingsovereenkomst wordt ontbonden is niet zeker. Ten slotte betwist Kamka dat de voortgang van het project in gevaar komt door de veiling.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Vast staat dat Kamka heeft geprocedeerd tegen [namen 1,2,3] en dat dit heeft geresulteerd in het vonnis van 24 februari 2016, waarin [namen 1,2,3] onder meer is veroordeeld om € 500.000,00 aan Kamka te betalen. Kamka heeft uit kracht van dit vonnis (onder meer) executoriaal beslag gelegd op het perceel. Beoordeeld dient te worden of Kamka het vonnis mag executeren door executoriale verkoop van het perceel of dat er gronden zijn om Kamka te verbieden die executie voort te zetten. Gelet op de aard van de vordering en het feit dat de executieveiling op 3 oktober 2017 is gepland, is het spoedeisend belang van [eiseres] bij haar vordering evident.

4.2.

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat Kamka het executoriale beslag op het perceel in strijd met het bepaalde in artikel 7 van de samenwerkingsovereenkomst heeft gelegd en dat (voortzetting van) die executie daarom moet worden verboden. [eiseres] stelt zich daarbij op het standpunt dat Kamka zich niet heeft gehouden aan haar verplichting om geen juridische acties richting [namen 1,2,3] te ondernemen die de voortgang van het project kunnen beïnvloeden en dat Kamka vooraf met [eiseres] had moeten overleggen over de executie, zodat [eiseres] had kunnen aangeven waarom die executie de voortgang van het project belemmert en het Kamka dan verboden zou zijn geweest die executie door te zetten.

4.3.

Niet in geschil is dat [eiseres] op de hoogte was van de procedure die Kamka tegen [namen 1,2,3] heeft gevoerd en die heeft geresulteerd in het vonnis van 24 februari 2016. Uit de stellingen van partijen blijkt zelfs dat [eiseres] er bij Kamka op heeft aangedrongen die procedure te starten, om te bewerkstelligen dat de lening van € 500.000,00 terugbetaald zou kunnen worden. Die procedure heeft Kamka dan ook niet in strijd met het bepaalde in artikel 7 van de samenwerkingsovereenkomst gevoerd. De vraag is of de executie van het vonnis van 24 februari 2016 dan wél is aan te merken als een juridische actie die Kamka niet – zonder overleg met [eiseres] – had mogen ontplooien. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dat niet het geval is. De juridische actie was de procedure die tot het vonnis van 24 februari 2016 heeft geleid. De executie van het vonnis is daarvan een uitvloeisel, en geen aparte juridische actie waarvoor op grond van artikel 7 (weer) overleg met en/of toestemming van [eiseres] vereist is.

4.4.

Nu de executie niet als (afzonderlijke) juridische actie is aan te merken waarover Kamka vooraf in overleg met [eiseres] had moeten treden, is de executie niet in strijd met artikel 7 van de samenwerkingsovereenkomst. Daar komt nog bij dat [eiseres] naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de voortgang van het project wordt belemmerd door executoriale verkoop van het perceel. Voorshands is niet duidelijk of die verkoop tot gevolg zal hebben dat [namen 4 en 5] het perceel niet zal verkrijgen en/of dat [eiseres] niet meer zal worden ingeschakeld als aannemer om het perceel te bebouwen. Voor zover dat wél duidelijk zou zijn, kan evenmin gesteld worden dat de voortgang van het project wordt belemmerd. Gelet op de definities in de samenwerkingsovereenkomst bestaat het project uit de realisatie van 31 woningen. Dat sprake is van belemmering van het project indien één van die 31 woningen niet door [eiseres] maar door een andere aannemer wordt gebouwd, heeft [eiseres] echter niet aannemelijk gemaakt.

4.5.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het executoriale beslag op het perceel niet in strijd met het bepaalde in artikel 7 van de samenwerkingsovereenkomst is te beschouwen. Voor het verbieden van de (voortzetting van) die executie is daarom geen grond. Het onder 1b, 2b, 3 en 4 gevorderde is dan ook niet toewijsbaar. De vordering onder 1a (en daarmee samenhangend onder 2a) is evenmin toewijsbaar omdat onvoldoende aannemelijk is dat Kamka zich niet aan het bepaalde in artikel 7 van de samenwerkingsovereenkomst houdt en daarom niet valt in te zien wat het belang van [eiseres] bij toewijzing van die – algemeen geformuleerde – vordering is.

4.6.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Kamka worden begroot op:

- griffierecht € 618,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.434,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Kamka tot op heden begroot op € 1.434,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2017.

jo/db