Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:5587

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-10-2017
Datum publicatie
10-11-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3419
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het rechtstreeks beroep dat de rechtbank hier dient te behandelen voldoet niet aan de eisen die art. 7:1a Awb stelt. Uit artikel 8:54a van de Awb en de parlementaire geschiedenis bij die bepaling volgt echter dat de wet voor terugwijzing van een beroep in een erg laat stadium van de procedure bij de bestuursrechter geen ruimte meer biedt. De rechtbank dient daarom, overeenkomstig de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 november 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AZ2283) en van 10 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:302), in dit geval wel tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak over te gaan.

Daarmee ligt de vraag voor of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat op de toegekende Wmo-voorzieningen krachtens de geldende regels de oplegging van een bijdrage in de kosten (waarvan op een later moment de hoogte door het CAK nog dient te worden bepaald) van toepassing is. Voor de beantwoording van deze vraag dient allereerst te worden vastgesteld of de mededeling dat de eigenbijdrageplicht van toepassing is al dan niet een als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht kan worden beschouwd. De rechtbank is van oordeel dat dit inderdaad het geval is. Daartoe verwijst zij naar de uitspraak van de CRvB van 7 augustus 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1321). Dat deze uitspraak is gedaan onder de vigeur van de Wmo (2007) maakt dit oordeel niet anders, aangezien de redactie van het huidige pgb-artikel in de Wmo 2015 niet wezenlijk afwijkt van die van de vergelijkbare bepaling in de Wmo (2007).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Bestuursrecht

zaaknummers: 16/3419

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2017

in de zaken tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. F.E. van Nisselrooij),

en

het Dagelijks bestuur van Het Plein te Zutphen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2015 (het primaire besluit I ) heeft verweerder eisers verzoek om een vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) afgewezen.

Bij besluit van 25 april 2016, verzonden op 28 april 2016, (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser deels gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij beslist dat aan eiser een scootmobiel als vervoersvoorziening wordt toegekend in de vorm van een persoonsgebonden budget (verder: pgb) ter hoogte van in totaal € 2.455,42. Verder heeft verweerder een airco in de slaapkamer als woonvoorziening toegekend en de gevraagde verhuiskostenvergoeding afgewezen op grond van artikel 10, lid 2, onder f, van de Verordening individuele Wmo-voorzieningen gemeente Zutphen.

Bij aanvullend besluit van 26 mei 2016, verzonden op 30 mei 2016 (het primaire besluit II), heeft verweerder eiser een onroerende woonvoorziening in natura toegekend, bestaande uit het leveren, plaatsen en/of installeren van een airco in de slaapkamer. Tevens is bepaald dat zowel voor het pgb voor de scootmobiel als voor de airco in natura de verplichting tot betaling van een eigen bijdrage geldt. In een bijlage is nader ingegaan op de maximale hoogte en de beoogde maximale duur van de door het CAK te bepalen eigen bijdrage.

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2017. Eiser is verschenen, vergezeld van zijn moeder en bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde J. de Poot.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiser, geboren op [geboortedatum] 1986, is bekend met anhidrosis en is in 2009 behandeld wegens teelbalcarcinoom en heeft ten gevolge van de chemobehandeling weinig energie en is snel moe. Daarnaast heeft eiser een angst- en paniekstoornis en heeft hij vanwege een ammoniakvergiftiging een ernstige infectie opgelopen. Eiser is deels adl-afhankelijk en wordt daarbij geholpen door zijn moeder, met wie hij woont in een appartement op de eerste etage, waarbij de slaapvertrekken zich op de bovenverdieping bevinden. Eiser is in juli 2015 vanuit [plaats] ( [provincie] ) verhuisd naar [woonplaats] , omdat in de vorige woning ernstige vervuiling was ontstaan door een lekke riolering in de kruipruimte. Eiser heeft op 29 juli 2015 een aanvraag ingediend voor een vervoersvoorziening, airconditioning in de slaapkamer en een verhuiskostenvergoeding voor het verhuizen naar een voor hem adequate woning.

2. Verweerder heeft in het bestreden besluit I het bezwaar tegen de afwijzing van de vergoeding voor een scootmobiel gegrond verklaard en het verzoek om verstrekking van een voorziening in de vorm van airco in de slaapkamer toegewezen. Verweerder heeft de afwijzing van het verzoek om toekenning van een verhuiskostenvergoeding gehandhaafd, omdat eiser enkele maanden geleden verhuisd is naar de huidige, voor hem niet adequate, woning. Eiser was reeds verhuisd op het moment dat hij om de woningaanpassing verzocht en is naar een ongeschikte woning verhuisd zonder daarover vooraf contact op te nemen met “het Plein”.

3.1

Eiser heeft aangevoerd dat er dringende redenen zijn om de gevraagde verhuisvergoeding toe te kennen. De verhuurder nam eisers klachten over stankoverlast in zijn (voormalige) woning niet serieus, terwijl achteraf bleek dat zich al jarenlang een dikke laag drek in de kruipruimte onder de woning bevond. Vanwege zijn gezondheid was het voor eiser niet raadzaam om nog langer in de woning te wonen, waarin de verhuurder de gebreken niet volledig had verholpen. De verhouding tussen eiser en verhuurder was dusdanig verstoord dat er voor eiser niets anders op zat om de vaststellingsovereenkomst te tekenen. De voormalige verhuurder van eiser heeft in eerste instantie ten onrechte een foutieve verhuurdersverklaring verstrekt, waardoor eiser voor een aantal woningen is afgewezen. Pas na tekening van de vaststellingsovereenkomst werd een correcte verhuurdersverklaring opgesteld. Eiser is van mening dat de gemeente ten onrechte niet heeft meegewogen dat de verhuurder van de voormalige woning de gebreken aan de woning niet volledig had verholpen en de tijd voor het zoeken naar een woning zeer beperkt werd. Eiser stelt te zijn verhuisd naar een woning die op het moment van het accepteren passend leek, maar dit uiteindelijk toch niet bleek te zijn. Eiser meent dat als hij, als hij thans een passende woning vindt en daarnaartoe verhuist, een verhuisvergoeding behoort te ontvangen.

3.2

Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat uit de vaststellingsovereenkomst van 21 mei 2015 blijkt dat de verhuurder betwist dat de problemen niet waren verholpen. Het gevoel van eiser dat er geen andere mogelijkheid was dan het aangaan van de overeenkomst is voor verweerder geen omstandigheid om het besluit op bezwaar te herzien. De financiële gevolgen van het willens en wetens aangaan van de overeenkomst en het verhuizen naar een niet-passende woning dient niet voor risico van verweerder te komen. Verder is volgens verweerder niet aannemelijk dat de betrokken woning in [woonplaats] bij verhuizing passend leek. Verweerder wijst er daarbij op dat de melding voor de Wmo-maatwerkvoorzieningen in [woonplaats] al op 24 juni 2015 is gedaan, terwijl eiser per 1 juli 2015 is ingeschreven. De afstand tot de lift en de inpandige trap was eiser bekend, terwijl de beperkingen van eiser en de eisen waaraan de woning zou moeten voldoen als destijds bekend mogen worden beschouwd. Verweerder is van mening dat het aan eiser zelf is te wijten dat hij nu woont in een niet-passende woning en wijst daarbij op artikel 10, lid 2, onder f, van de Verordening individuele Wmo-voorzieningen gemeente Zutphen.

3.3

Op grond van artikel 1.1.1. van de Wmo 2015 wordt onder maatwerkvoorziening verstaan een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen.

Op grond van artikel 2.3.1 van de Wmo 2015 draagt het college er zorg voor dat aan personen, die daarvoor in aanmerking komen, een maatwerkvoorziening wordt verstrekt.

Op grond van artikel 2.3.2, vierde lid aanhef en onder a, van de Wmo 2015 onderzoekt het college de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt.

Op grond van artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 beslist verweerder tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

De gemeenteraad van de gemeente Zutphen heeft de Verordening individuele Wmo-voorzieningen gemeente Zutphen 2015 (Verordening) vastgesteld.

Op grond van artikel 10, eerste lid, onder f, van de Verordening wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten.

Op grond van artikel 10, tweede lid, onder q, van de Verordening wordt geen woonvoorziening verstrekt, indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college.

3.4

De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de woning aan de [adres] op zichzelf beschouwd ongeschikt is voor eiser. Het geschil ziet op de vraag of verweerder eiser in aanmerking dient te brengen voor een verhuisvergoeding om te verhuizen naar een passender woning.

3.5

Met betrekking tot de afwijzing van de woonvoorziening heeft het college zich op het standpunt gesteld dat eiser niet is verhuisd naar de op dat moment beschikbare meest geschikte woning. De rechtbank gaat er derhalve vanuit dat verweerder abusievelijk heeft verwezen naar artikel 10, tweede lid, onder f, van de Verordening, aangezien f niet bestaat. De rechtbank neemt aan dat verweerder heeft bedoeld de woonvoorziening af te wijzen op grond van artikel 10, tweede lid, onder q, van de Verordening.

3.6.1

Eiser heeft niet bestreden dat geen schriftelijke toestemming als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder q, van de Verordening is verleend. Deze toestemming is ook niet gevraagd. Uitgaande van het ontbreken van toestemming moet beoordeeld worden of eiser is verhuisd naar de op dat moment beschikbare meest geschikte woning, gelet op zijn beperkingen. Vast staat dat eiser in zijn huidige woning wegens de afstand tot de lift en de slaapkamer op de verdieping beperkingen ondervindt in het normale gebruik van zijn woning. De lift bevindt zich in het hoofdgebouw en het is niet mogelijk om met de scootmobiel bij de eigen woning te komen. Om de scootmobiel te bereiken kan eiser de trap nemen in het aangrenzende trappenhuis of moet hij via de galerij naar de lift en vervolgens diezelfde afstand weer teruglopen om bij de berging te komen. Deze beperkingen waren voor eiser bekend. Eiser woonde voorheen in een gelijkvloerse woning en is derhalve verhuisd naar een niet passende woning. Het betoog van eiser dat er geen andere geschikte woningen beschikbaar waren, omdat de tijd voor het zoeken naar een woning zeer beperkt was, slaagt niet. Hoewel het niet onvoorstelbaar is dat eiser snel wenste te verhuizen, had het toch op zijn weg gelegen om zich tot verweerder te wenden, zodat in samenspraak bezien had kunnen worden welke woning de meest adequate was voor eiser, dan wel om eventueel toestemming te vragen om naar de beschikbare (maar niet geschikte) woning aan de [adres] te verhuizen.

3.6.2

Gelet op het bepaalde in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder q, van de Verordening is afwijzing van de aanvraag voor een financiële tegemoetkoming in de verhuiskostenkosten naar een passende woning in dat geval aangewezen, indien ook is voldaan aan de voorwaarde dat er geen sprake was van een overmachtsituatie waardoor eiseres genoodzaakt was om te verhuizen. De vraag of al of niet van een overmachtsituatie sprake is, moet worden beoordeeld op basis van een weging van alle van belang zijnde feiten en omstandigheden. Voorts volgt uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 mei 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW6810) dat alleen sprake is van een overmachtsituatie die aanleiding geeft voor toewijzing van de gevraagde woonvoorziening, als de aanvrager geen in redelijkheid van hem te vergen mogelijkheden heeft om zelf voor een passende oplossing te zorgen. Op grond van vaste rechtspraak, zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 juni 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:776), is hiervan geen sprake als de betrokkene in de omstandigheden van het geval de mogelijkheden heeft om zelf voor een oplossing te zorgen. Daarvan is in het geval van eiser sprake. Het had op zijn weg gelegen om de kosten die gemoeid zijn met het aanpassen van zijn woning in de vaststellingsovereenkomst met zijn voormalige [verhuurder] te verdisconteren. Dat het daarmee gemoeide geld, zoals eiser heeft gesteld, daartoe niet voldoende is omdat het geheel is opgegaan aan de aanschaf van een scootmobiel en de verhuizing naar de [adres] , maakt dit, gezien de eigen verantwoordelijkheid van eiser voor het naar vermogen zelf regelen van een oplossing voor de noodzakelijke woningaanpassing, niet anders.

3.6.3

Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser niet naar de meest geschikte woning is verhuisd. Verweerder heeft de aanvraag voor een woonvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding dan ook terecht afgewezen. De rechtbank is voorts niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerder gehouden zou zijn om toch tot toekenning over te gaan, temeer nu eiser al op 21 mei 2015 een vaststellingsovereenkomst met [verhuurder] heeft getekend, waarin hij is overeengekomen dat hij uiterlijk op 31 juli 2015 de huur van zijn vorige woning zou opzeggen.

4. Het beroep is ongegrond.

Het beroep gericht tegen besluit II

5.1

Eiser heeft te kennen gegeven tevens beroep in te stellen tegen de beslissing van 25 mei 2016. Het college is in het gesprek van 14 juni 2016 met eiser overeengekomen de bezwaarfase over te slaan en gebruik te maken van de mogelijkheid van rechtstreeks beroep.

5.2

Volgens artikel 7:1a, eerste lid, van de Awb kan de indiener van het bezwaarschrift aan het bestuursorgaan verzoeken in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. Die mogelijkheid is niet gegeven aan het bestuursorgaan. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 7:1a en 8:54a (Kamerstukken II, 2000/01, 27 563, nr. 3, blz. 5), waaruit volgt dat de wetgever ervoor heeft gekozen alleen de indiener van het bezwaarschrift de mogelijkheid te geven rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter in te stellen en niet het bestuursorgaan de mogelijkheid heeft gegeven een voorstel te doen om de bezwaarfase over te slaan. Dat de procedurele gang van zaken daarmee niet in lijn is met artikel 7:1a, eerste lid, van de Awb leidt evenwel in dit geval niet tot niet-ontvankelijkheid van het rechtstreeks beroep. Daartoe is van belang dat in de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 7:1a en 8:54a (Kamerstukken II, 2000/01, 27 563, nr. 3, blz. 13) is vermeld dat de rechter zo terughoudend mogelijk zal moeten zijn bij het hanteren van zijn terugwijzingsbevoegdheid, in aanmerking nemend dat terugwijzing naar het bestuursorgaan vrijwel altijd zal leiden tot enige vertraging in de afhandeling van de zaak. De Memorie van Toelichting bij artikel 8:54a van de Awb (TK 2000-2001, 27 563, nr. 3, p. 12) bepaalt: "Om lichtvaardig gebruik van de mogelijkheid van rechtstreeks beroep tegen te gaan, wordt voorgesteld om de rechter de bevoegdheid te geven om een zaak naar het bestuursorgaan terug te wijzen (art. 8:54a, eerste lid). Daartoe wordt, in het tweede lid, als nieuwe uitspraakmodaliteit geïntroduceerd dat de rechtbank bepaalt dat het beroepschrift – alsnog – als bezwaarschrift dient te worden behandeld. De rechtbank kan de zaak terugwijzen indien zij van oordeel is dat de zaak ongeschikt is om als (rechtstreeks) beroep te worden behandeld, bijvoorbeeld omdat de feiten of de standpunten over en weer nog niet duidelijk zijn, of dat nog onvoldoende blijkt van inspanningen om het geschil op te lossen. (…) Bij de vormgeving van de nieuwe uitspraakmodaliteit is met name van belang dat een rechterlijke terugwijzingsbeslissing in een zo vroeg mogelijk stadium wordt gegeven. Daartoe wordt voorgesteld om de nieuwe uitspraakmodaliteit uitsluitend mogelijk te maken in het kader van de vereenvoudigde behandeling (afdeling 8.5.4). Gekozen is voor opneming in een artikel 8:54a. Een apart artikel verdient de voorkeur om de parallellie tussen de artikelen 8:54 en 8:70 Awb niet te verstoren." Uit artikel 8:54a van de Awb en de parlementaire geschiedenis bij die bepaling, zoals hiervoor aangehaald, volgt dat de wet voor terugwijzing van een beroep in dat stadium van de procedure en op deze wijze geen ruimte meer biedt. De rechtbank dient daarom, overeenkomstig de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 november 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AZ2283) en van 10 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:302), in dit geval wel tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak over te gaan.

Eigen bijdrage

6.1

In het bestreden besluit heeft verweerder eiser een onroerende woonvoorziening toegekend in de vorm van een airco (wandsysteem) in de slaapkamer. Verder heeft verweerder in het besluit aangegeven dat eiser hiervoor een eigen bijdrage dient te betalen op grond van artikel 14 van de Verordening en artikel 3.5 van de Beleidsregels. In de bijlage is vermeld dat de eigen bijdrage, na een controle van de inkomensgegevens bij de Belastingdienst, zal worden opgelegd en geïnd door het CAK. De gemeente heeft het CAK laten weten dat de aan eiser verstrekte woonvoorziening een kostprijs heeft van € 1.635,75. Gedurende 39 perioden wordt voor deze voorziening een eigen bijdrage gevraagd, waarvoor naar de inschatting van verweerder maximaal € 41,94 per periode van vier weken dient te worden betaald.

6.2

Eiser stelt zich op het standpunt dat hij niet goed is geïnformeerd over de eigen bijdrage bij de voorbereiding van de beschikking van 26 mei 2016 en dat hierover ook niets is vermeld in de beslissing van 25 april 2016. Eiser stelt zich op het standpunt dat hem geen, dan wel onjuiste informatie over de eigen bijdrage is verstrekt.

6.3

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eerst per aanvullend besluit van 26 mei 2016 de aanvraag en het bezwaar van eiser compleet zijn afgehandeld. Eiser is in het keukentafelgesprek en in een gesprek op 14 juni 2016 uitgelegd dat een eigen bijdrage verschuldigd is. Verweerder stelt dat eiser in de gelegenheid is gesteld af te zien van de maatwerkvoorziening(en), indien hij de eigen bijdrage te hoog vindt of principieel onacceptabel. Verder is eiser gewezen op de gemeentelijke extra voorzieningen die de gemeente Zutphen biedt als bijdrage in de kosten van een chronische ziekte of iemand met een beperking en kan de geplaatste airco bij een eventuele verhuizing meegenomen worden.

6.4

In de Verordening is in artikel 14, eerste lid, onder b, bepaald dat de cliënt voor het gebruik van een maatwerkvoorziening in natura dan wel een persoonsgebonden budget een bijdrage in de kosten is verschuldigd. In artikel 14, vijfde lid, van de Verordening is bepaald dat de bedragen die gelden voor een bijdrage in de kosten gelijk zijn aan de bedragen opgenomen in het Besluit maatschappelijke ondersteuning. In artikel 14, negende lid, van de Verordening is bepaald dat het college bij nadere regeling bepaalt op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening en een pgb wordt bepaald. In artikel 14, tiende lid, van de Verordening is bepaald dat het CAK de bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening vaststelt en int.

De rechtbank stelt vast dat de in bovengenoemde regelgeving opgenomen bepalingen dwingendrechtelijk van aard zijn (vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1321).

Van dwingendrechtelijke bepalingen kan alleen worden afgeweken in uitzonderlijke gevallen, als strikte toepassing van de wet in die mate in strijd is met ongeschreven recht dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Daarbij geldt dat de rechter ingevolge artikel 11 van de wet algemene bepalingen de innerlijke waarde of billijkheid van de wet niet mag beoordelen.

Van een uitzonderlijk geval kan sprake zijn, indien vanwege het tot beslissen bevoegde orgaan ten aanzien van een belanghebbende uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd onjuiste of onvolledige inlichtingen zijn verschaft die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt (zie onder andere een uitspraak van de CRvB van 6 juni 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AX9256).

Voordat de rechtbank toekomt aan een beoordeling van deze vraag, die neerkomt op een beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel, zal zij echter eerst de vraag moeten beantwoorden of verweerder op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat de plicht tot betaling van een bijdrage in de kosten in de hier ter beoordeling voorliggende kwestie ten principale van toepassing is. Ook dat wordt door eiser namelijk betwist. Daartoe overweegt zij als volgt, waarbij naast de term ‘bijdrage in de kosten’ ook de ingeburgerde (zij het niet wettelijke) term ‘eigen bijdrage’ wordt gebruikt.

7. Ter beoordeling ligt derhalve de vraag voor of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat op de toegekende Wmo-voorzieningen krachtens de geldende regels de oplegging van een bijdrage in de kosten (waarvan op een later moment de hoogte door het CAK nog dient te worden bepaald) van toepassing is.

Voor de beantwoording van deze vraag dient allereerst te worden vastgesteld of de mededeling dat de eigenbijdrageplicht van toepassing is al dan niet een als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht kan worden beschouwd. De rechtbank is van oordeel dat dit inderdaad het geval is. Daartoe verwijst zij naar de uitspraak van de CRvB van 7 augustus 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1321). Dat deze uitspraak is gedaan onder de vigeur van de Wmo (2007) maakt dit oordeel niet anders, aangezien de redactie van het huidige pgb-artikel in de Wmo 2015 niet wezenlijk afwijkt van die van de vergelijkbare bepaling in de Wmo (2007).

Nu deze voorvraag bevestigend is beantwoord, dient de rechtbank te beoordelen of verweerder terecht en op goede gronden in deze situatie tot de eigenbijdrageplicht heeft besloten. Ook deze vraag wordt bevestigend beantwoord. De ter zake geldende regels zijn, zoals eerder reeds is aangegeven, dwingendrechtelijk van aard. Op beide voorzieningen – een roerende woonvoorziening en een pgb voor een scootmobiel – is de plicht tot betaling van een bijdrage in de kosten van toepassing verklaard. Dat eiser van mening is dat hij zelf de scootmobiel heeft aangeschaft en dat op zijn eigendom door verweerder geen eigen bijdrage van toepassing mag worden verklaard miskent dat de eigen bijdrage rechtstreeks van toepassing is op het pgb. Wat betreft de airco is sprake van een verstrekking in natura via een bruikleenconstructie en ook daarop is de eigenbijdrageplicht onverkort van toepassing.

Van een kennelijke hardheid als bedoeld in de hardheidsclausule is de rechtbank voorts niet gebleken. Dat de precieze kostenspecificatie eiser onbekend was, is daartoe onvoldoende. Overigens heeft eiser op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat verweerder een onjuiste kostprijs hanteert, nog los van het feit dat het hier geen element betreft dat ziet op de vraag of de eigenbijdrageplicht ten principale van toepassing is.

Het voorgaande houdt in dat verweerder met juistheid heeft besloten tot oplegging van de verplichting tot betaling van een bijdrage in de kosten.

8. Daarmee resteert ter beantwoording door de rechtbank nog de eerder reeds geformuleerde vraag of het vertrouwensbeginsel in weerwil van het voorgaande tot een andere conclusie leidt. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat hij onjuist is geïnformeerd is de rechtbank van oordeel dat dit beroep op het vertrouwensbeginsel geen doel treft, nu niet gebleken is dat er van de kant van verweerder uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan. Eiser wist dat er naar aanleiding van het huisbezoek nog een besluit moest worden genomen en mocht aan de tijdens het huisbezoek gemaakte opmerkingen niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat er geen dan wel een eenmalige eigen bijdrage van hem zou worden gevraagd.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Gezien het voorgaande is er geen reden voor enige schadevergoeding.

11. Of verweerder al dan niet tot kwijtschelding van de eigen bijdrage dient over te gaan is een vraag die zich uitstrekt buiten de grenzen van het hier ter beoordeling voorliggende geschil (artikel 8:69 Awb).

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De rechtbank wijst het verzoek van eiseres om schadevergoeding af.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I ongegrond;

- verklaart het rechtstreeks beroep tegen besluit II ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.C.A. Bruggeman, rechter, in tegenwoordigheid van M. Bordeaux-Stoel, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 27 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.