Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:5449

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-10-2017
Datum publicatie
30-10-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2813
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2018:8067, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

WOZ. Objectafbakening, waarde. Art. 16, aanhef en sub d, Wet WOZ.

Verweerder heeft in de loop van het jaar een nieuwe WOZ-beschikking afgegeven voor één object, dat voordien als twee objecten werd beschouwd. Objectafbakening door verweerder is thans juist op grond van de samenstelbepaling.

De waarde is hoger dan de opgetelde waarde van de twee oude beschikkingen. Dit is gedeeltelijk in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Verder is het aantal kubieke meters niet voldoende aannemelijk gemaakt. Waardebepaling in goede justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2017/469 met annotatie van L.J. Boone
V-N Vandaag 2017/2575
Viditax (FutD), 31-10-2017
FutD 2017-2787
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RechtbanK gelderland

Team belastingrecht

zaaknummer: AWB 17/2813

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2017

in de zaken tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van Gemeentelijk Belastingkantoor Twente, verweerder.

Procesverloop

De rechtsvoorganger van verweerder heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) met dagtekening 28 februari 2015 de waarde van de objecten [A-straat 1] en [A-straat 2] , beide te [Z] , per waardepeildatum 1 januari 2014 vastgesteld op respectievelijk € 67.000 en € 216.000. In het desbetreffende geschrift zijn ook de aanslagen onroerendezaakbelasting (hierna: ozb) bekendgemaakt.

Bij beschikking met dagtekening 30 september 2015 heeft de rechtsvoorganger van verweerder de waarde van het object [A-straat 2] te [Z] per waardepeildatum 1 januari 2014 vastgesteld op € 344.000.

Op 11 februari 2016 heeft verweerder de beschikking van 30 september 2015 aan eiser toegezonden.

Bij brief van 20 februari 2016 heeft eiser bezwaar gemaakt.

Met dagtekening 3 februari 2017 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan.

Eiser heeft daartegen bij brief van 7 februari 2017 bezwaar gemaakt.

Met dagtekening 3 februari 2017, opgesteld op 21 februari 2017, heeft verweerder opnieuw uitspraak op bezwaar gedaan. Vervolgens heeft verweerder het bezwaar van eiser van 7 februari 2017 als beroepschrift doorgezonden aan de rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2017. Eiser is verschenen. Namens verweerder zijn mr. [gemachtigde] en [A] verschenen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    stelt de WOZ-waarde van de onroerende zaak [A-straat 2] te [Z] voor het kalenderjaar 2015 vast op € 295.000;

  • -

    vermindert de aanslag ozb dienovereenkomstig;

  • -

    bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser dient te vergoeden.

Overwegingen

1. Eiser is eigenaar van een onroerende zaak aan de [A-straat] te [Z] . Het betreft een landgoed, zijnde een voormalige T-boerderij, waaraan door de gemeente in totaal drie huisnummers zijn toegekend. [A-straat 2] betreft de woning waar eiser zelf woont. [A-straat 1] is de helft van het voorhuis. Dit deel wordt door eiser als kantoor ten behoeve van het landgoed gebruikt. [A-straat 3] betreft de andere helft van het voorhuis en de deel die in de lengte haaks op het voorhuis staat. Dit deel wordt door eiser verpacht. [A-straat 1] en [A-straat 2] zijn intern via een deur verbonden.

2. In de beschikking van 28 februari 2015 is verweerder ervan uitgegaan dat sprake is van drie afzonderlijke objecten voor de WOZ. Hij is nadien tot een ander inzicht gekomen. Dit is de reden dat één nieuwe WOZ-beschikking is afgegeven voor de [A-straat 1 & 2] . Deze is omschreven als [A-straat 2] . Ter zitting is tussen partijen komen vast te staan dat de oorspronkelijke beschikkingen voor de [A-straat 1 & 2] op 31 maart 2015 zijn vernietigd, dus voorafgaand aan de vaststelling van de waarde voor het nieuw afgebakende object.

3. In de brief van 20 februari 2016 heeft eiser verwezen naar de aanslag van 28 februari 2015 en de aanslag van 30 september 2015. Hij heeft ter zitting verklaard dat hij geen bezwaar had tegen de oorspronkelijke waarden en dat hij van mening is dat sprake is van twee objecten. Het bezwaar richt zich dus alleen tegen de beschikking van 30 september 2015. Eiser maakt bezwaar tegen de samenvoeging van de [A-straat 1 & 2] en tegen het feit dat de waarde nu hoger is dan de opgetelde waarde van de oorspronkelijke beschikkingen.

4. Verweerder heeft op 3 februari 2017 uitspraak op bezwaar gedaan. Daarin is uitspraak gedaan op het bezwaar van 20 februari 2016, over de waarde van het samengevoegde object. Dit betekent dat daarmee is beslist op het bezwaar tegen de WOZ-beschikking en de aanslag van 30 september 2015. Dat in de uitspraak op bezwaar is verwezen naar de aanslag van 28 februari 2015 maakt dat niet anders.

5. Met het doen van uitspraak op bezwaar is de bezwaarfase geëindigd. Het is dan voor het bestuursorgaan niet mogelijk - zonder tussenkomst van de rechter - een gewijzigde, verbeterde of aanvullende uitspraak op bezwaar te doen (zie Hoge Raad 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT1516). De tweede brief, gedateerd 3 februari 2017, feitelijk opgesteld op 21 februari 2017, en genoemd “Verbetering Uitspraak WOZ-bezwaarschrift d.d. 21 februari 2017 n.a.v. uw reactie d.d. 7 februari 2017” is dus geen uitspraak op bezwaar.

Ontvankelijkheid bezwaar

6. Verweerder heeft het bezwaar ontvankelijk geacht, hoewel dit meer dan zes weken na de dagtekening van de aanslag is ingediend. Verweerder heeft verklaard dat hij - als gevolg van de toetreding van de gemeente Bronckhorst tot het Gemeentelijk Belastingkantoor Twente - de verzending van de WOZ-beschikking van 30 september 2015 niet aannemelijk kan maken. Daarmee is niet aannemelijk geworden dat bekendmaking op dat moment heeft plaatsgevonden. Eiser heeft gebeld met verweerder toen er invorderingsmaatregelen werden genomen. Verweerder heeft op 11 februari 2016 een kopie van de beschikking aan eiser toegezonden. Op 23 februari 2016 heeft verweerder het bezwaarschrift ontvangen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat sprake is van een tijdig ingediend bezwaarschrift.

Inhoudelijke beoordeling

7. Hoewel eiser dit niet uitdrukkelijk naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank aanleiding eerst in te gaan op de procedurele gang van zaken. Met dagtekening 28 februari 2015 is een WOZ-beschikking opgelegd aan eiser voor onder meer het object [A-straat 2] te [Z] . Met dagtekening 30 september 2015 heeft verweerder opnieuw een WOZ-beschikking opgelegd voor het object [A-straat 2] te [Z] . Weliswaar is dit object anders (groter) afgebakend dan het oude object, maar het oude object maakt hier volledig deel van uit en de omschrijving is gelijk. Uit Hoge Raad 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4147, leidt de rechtbank af dat het verweerder - gelet op de voorafgaande vernietiging van de oude beschikking - toegestaan was een nieuwe beschikking te nemen en een daarop gebaseerde aanslag ozb op te leggen.

8. Eiser bestrijdt de juistheid van de objectafbakening. Ter zitting is duidelijk geworden dat het belang van eiser met name buiten de Wet WOZ is gelegen. Er is weliswaar een koppeling tussen de Basisadministratie Gebouwen (BAG) en de WOZ-beschikkingen, maar verweerder heeft verklaard dat hij enkel probeert voor de omschrijving van een object aan te sluiten bij de omschrijving in de BAG. Wanneer een WOZ-object in de BAG meer dan één huisnummer heeft, kiest hij één huisnummer uit. Dit heeft niet tot gevolg dat de andere huisnummers komen te vervallen in de BAG. De objectaanduiding als [A-straat 2] heeft dus voor eiser buiten de WOZ geen gevolgen, aldus verweerder.

9. Objectafbakening staat niet ter vrije bepaling van de heffingsambtenaar. Op basis van de feitelijke situatie dient beoordeeld te worden of sprake is van één of twee objecten (dat [A-straat 3] een los object is zolang dit verpacht wordt is niet in geschil en laat de rechtbank dus verder buiten beschouwing; zij beperkt zich tot [A-straat 1 & 2] ).

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht de [A-straat 1 & 2] aangemerkt als één onroerende zaak. Blijkens verklaring van eiser ter zitting bevindt zich in het deel dat [A-straat 1] heeft een kantoor, een toilet en op de bovenverdieping twee slaapkamers. Er is binnendoor een verbinding naar [A-straat 2] , het woonverblijf van eiser en zijn echtgenote. De rechtbank gaat ervan uit dat deze deur afsluitbaar is, gelet op de afzonderlijke huisnummers. [A-straat 1] heeft wat dat betreft voldoende zelfstandigheid om als uitgangspunt als afzonderlijk object te kunnen gelden. Echter, voor de Wet WOZ geldt vervolgens een bijzondere bepaling, die is opgenomen in artikel 16, letter d, van de Wet WOZ. Dat bepaalt - samengevat - dat verschillende gebouwde eigendommen of gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren, voor de toepassing van deze wet als één onroerende zaak worden aangemerkt. Dit heet de samenstelbepaling. Ook als ervan wordt uitgegaan dat de [A-straat 1 & 2] voldoende zelfstandigheid hebben, is voor de Wet WOZ deze bepaling van toepassing. Het kantoor heeft alleen een functie ten behoeve van het landgoed en moet naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden worden beschouwd bij de woning van eiser te horen als bedoeld in artikel 16, letter d, van de Wet WOZ. Terecht heeft verweerder het object aangemerkt als één onroerende zaak, maar hieruit vloeit voort dat dit - uitgaand van de feiten die partijen ter zitting hebben geschetst - alleen voor de Wet WOZ geldt.

11. Verweerder heeft de waarde van het object bepaald op € 344.000. Eiser voert aan dat de waarde niet hoger kan zijn dan de waarde van de afzonderlijke onderdelen. Verweerder heeft daarover opgemerkt dat hij de nieuwe beschikking heeft aangegrepen om naast de objectafbakening ook enkele andere fouten te herstellen. Dit betreft het ontbreken van de wagenloods en de garage/berging op de oorspronkelijke beschikking en het feit dat gebleken is dat het gehele deel dat [A-straat 2] draagt wordt gebruikt voor bewoning. Verweerder is er in de eerste beschikking van uitgegaan dat alleen het voorste deel van het desbetreffende gebouw werd bewoond en het achterste deel als opslag diende.

12. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1956 is het in het algemeen toegestaan om in een nieuwe WOZ-beschikking die volgt op een wijziging in de objectafbakening ook andere fouten te herstellen. Wel kan dit onder omstandigheden leiden tot strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Naar het oordeel van de rechtbank brengt het rechtszekerheidsbeginsel mee dat fouten binnen hetzelfde kalenderjaar alleen nog hersteld kunnen worden als eiser redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de oorspronkelijke beschikking onjuist was. Dit is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak maar ten dele het geval.

13. Op de oorspronkelijke taxatiekaart - die door eiser kon worden geraadpleegd via internet - zijn wel degelijk twee bergingen opgenomen, een met bouwjaar 1970 en een met bouwjaar 2003. Dit betreffen voor zover de rechtbank kan vaststellen respectievelijk de wagenloods en de garage/berging. Er mag dan ook van worden uitgegaan dat deze in de oorspronkelijke waardering zijn betrokken. Dat de oppervlakten thans door verweerder iets groter zijn vastgesteld, acht de rechtbank hierbij van ondergeschikt belang. De afwijkingen zijn ook niet zodanig dat eiser zich ervan bewust had moeten zijn dat de waarde mogelijk onjuist was, te meer nu op de taxatiekaart geen afzonderlijke waarden voor de diverse onderdelen zijn vermeld.

14. Wat het gebruik als woonhuis betreft, heeft verweerder erop gewezen dat de inhoud op de taxatiekaart slechts 452 m³ bedraagt. Eiser had moeten begrijpen dat dit niet juist was, aldus verweerder. Hij heeft de inhoud thans bepaald op 1.500 m³. De wijze waarop die inhoud in het specifieke geval is bepaald, weet verweerder niet zeker; dit kan op basis van bouwtekeningen of bij gebreke daarvan door een berekening aan de hand van luchtfoto’s zijn gebeurd. Eiser betwist de juistheid van die inhoud en stelt dat deze ca. 800 m³ bedraagt. Hij verwijst hiervoor naar het door hem ter zitting overgelegde taxatierapport van ing. [B] . Een duidelijke verklaring voor het verschil in inhoud is ter zitting niet gekomen, maar de rechtbank is van oordeel dat ook ten opzichte van 800 m³ de inhoud van 452 m³ zeer afwijkend is. Eiser moest begrijpen dat van een te klein woondeel werd uitgegaan. Dat verweerder hiervoor corrigeert komt dan ook niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Ook andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur verzetten zich hier in dit geval niet tegen.

15. De bewijslast van de juistheid van de beschikte waarde rust op verweerder. De rechtbank kan niet volstaan met het simpelweg in mindering brengen van de waarde van de garage/berging en de wagenloods op het totaalbedrag, omdat niet uitgesloten kan worden dat daaraan eerder al een waarde is toegekend en niet duidelijk is hoe hoog die waarde was. Ook heeft verweerder de inhoud van 1.500 m³ niet aannemelijk gemaakt tegenover de gemotiveerde betwisting van die inhoud door eiser. Daarom is de door verweerder beschikte waarde niet aannemelijk geworden.

16. Eiser wenst terug te gaan naar de oorspronkelijke waarde van in totaal € 283.000. Omdat daarin in elk geval met te weinig kubieke meters wooninhoud rekening is gehouden, en verweerder daarvoor heeft mogen corrigeren, is die waarde naar het oordeel van de rechtbank te laag.

17. Omdat geen van beide partijen de door hen bepleite waarde aannemelijk heeft gemaakt, heeft de rechtbank die schattenderwijs, met inachtneming van al het voorgaande, bepaald op € 295.000. De aanslag ozb dient dienovereenkomstig te worden verminderd.

18. Het beroep is dus gegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in aanwezigheid van J. Rhebergen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.