Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:5427

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-10-2017
Datum publicatie
25-10-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 844 TUS
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Motivering ingangsdatum IVA (Wet WIA) onvoldoende. Door UWV is geen onderzoek verricht wanneer medische eindtoestand werknemer is ingetreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Bestuursrecht

zaaknummer: 17/844

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 oktober 2017

in de zaak tussen

Kwik-Fit Nederland B.V., te Harderwijk, eiseres

(gemachtigde: mr. J.P.M. van Zijl),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Groningen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder met ingang van 27 oktober 2016 de uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) ingevolgde de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van [de werknemer] omgezet in een uitkering in verband inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA).

Bij besluit van 31 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard.

Verweerder heeft daarbij het besluit van 1 november 2016 herroepen en beslist dat de IVA-uitkering van werknemer in zal gaan op 25 augustus 2016 (hierna: datum in geding).

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde mr. L. Smid.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Werknemer is in 2008 bij eiseres in dienst getreden in de functie van monteur. In 2011 is de functie van werknemer omgezet in de functie van APK-keurmeester voor 38,05 uur per week.

Op 20 juni 2012 heeft werknemer zich ziek gemeld bij eiseres in verband met rug- en beenklachten. Na de wachttijd van 104 weken voor de Wet WIA wordt door verweerder aan werknemer per 18 juni 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Daarbij wordt werknemer volledig, maar niet duurzaam volledig, arbeidsongeschikt beschouwd door verweerder. Verweerder acht verbetering van de functionele mogelijkheden mogelijk.

Bij beslissing van 23 april 2015 is de loongerelateerde WGA-uitkering van werknemer beëindigd en is aan hem een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend vanaf 18 juli 2015.

Bij brief van 25 augustus 2016 heeft gemachtigde van eiseres aan verweerder verzocht de arbeidsongeschiktheid van werknemer te beoordelen per 18 juni 2015 en per 25 augustus 2016.

2. Verweerder heeft de herziening van de WIA-uitkering van werknemer gebaseerd op de vaststelling dat werknemer op de datum in geding volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Hieraan ligt een medisch en arbeidskundig onderzoek ten grondslag.

3. Het medisch onderzoek van verweerder is vastgelegd in de rapporten van de verzekeringsarts K.J. Volders van 30 september 2016 en van de verzekeringsarts bezwaar en beroep M. Peerden van 26 januari 2017.

Verzekeringsarts Volders heeft de dossiergegevens bestudeerd, werknemer gezien op het spreekuur van 29 september 2016 en lichamelijk en psychisch onderzoek verricht.

Op basis van de onderzoeksbevindingen concludeert Volders dat de thans verzamelde informatie uit de dossierstudie, het gesprek met werknemer en de observatie/onderzoek geen aanleiding geeft zijn belastbaarheid nu als beter in te schatten als per einde wachttijd. Werknemer onderging onder meer in februari 2016 nog weer een ingreep aan de rug en ook zijn er huidproblemen ontstaan. Volders acht werknemer sterkt beperkt voor statische en dynamische rugbelasting. Terugkijkend komt voor Volders vast te staan dat werknemer nu een aantal jaren onderweg is met zijn klachten/beperkingen (in wezen vanaf begin 2011) zonder dat daarin veel verbetering is gekomen. De kans op toekomstige verbetering schat Volders dan ook in als niet/nauwelijks.

Vervolgens heeft Volders de daaruit, voor werknemer, voortvloeiende medische belastbaarheid verwoord in de zogenaamde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 29 september 2016.

Verzekeringsarts bezwaar en beroep Peerden heeft dossierstudie verricht. Op basis van zijn onderzoeksbevindingen concludeert Peerden dat de mening van de medisch adviseur van eiseres dat nu met kennis achteraf de vastgestelde beperkingen op 18 juni 2015 ook al duurzaam waren als gegeven niet onjuist is. Een claim op een IVA kan, volgens Peerden, echter alleen tot stand komen op basis van een onderbouwde, toekomstgerichte prognose. Het is niet zo, aldus Peerden, dat met kennis van nu in retrospectie achteraf alsnog een IVA onderbouwd kan worden. Eiseres heeft, als belanghebbende partij, niet eerder dan op 25 augustus 2016 aanleiding gezien om een aanvraag te doen voor een herbeoordeling.

Het is, volgens Peerden, voldoende duidelijk dat de op 29 september 2016 vastgelegde belastbaarheid met duurzaam karakter, ook in volle omvang op datum aanvraag van toepassing te achten was. Het ligt dan ook in de rede, als te doen gebruikelijk bij vergelijkbare casuïstiek, om datum aanvraag als ingang IVA-uitkering aan te houden, aldus Peerden.

4. Eiseres is van mening dat verweerder ten onrechte stelt dat achteraf verkregen informatie niet mag worden gebruikt bij de beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid. Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) blijkt, volgens eiseres, juist dat verzekeringsartsen van verweerder alle informatie moeten betrekken die beschikbaar is, mits die informatie iets zegt over de toestand van de verzekerde op de datum waarnaar de beoordeling moet plaatsvinden maar dat de omstandigheid dat achteraf is gebleken dat als gevolg van een behandeling geen dan wel minder verbetering is opgetreden dan verwacht werd, geen rol mag spelen bij de beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen. Verweerder had, naar het oordeel van eiseres, op basis van de beschikbare informatie moeten concluderen dat reeds op (de dag na) 18 juli 2015 een IVA-uitkering had moeten worden toegekend.

Eiseres betwist dat sprake zou zijn van een consequent beleid van verweerder ten aanzien van de dag van ingang van de IVA-uitkering. Eiseres voert aan dat in artikel 56 lid 1 van de Wet WIA is bepaald dat de WGA-uitkering eindigt op de dag waarop de verzekerde niet meer gedeeltelijk arbeidsongeschikt is. Het beleid van verweerder mag, volgens eiseres, niet met deze wettelijke bepaling in strijd zijn.

Eiseres is van oordeel dat verweerder zich niet kan verschuilen achter het feit dat zij niet eerder een herbeoordeling heeft aangevraagd. Het is de wettelijke taak van verweerder om de rechtmatigheid van de betaling van de WIA-uitkeringen vast te stellen.

Verweerder heeft, volgens eiseres, niet voldaan aan de, uit de jurisprudentie van de CRvB voortvloeiende, verplichting de beslissing tot intrekking van de WGA-uitkering (en toekenning van een IVA-uitkering) per 25 augustus 2016 aan werknemer goed onderbouwd en inzichtelijk te motiveren, zodanig dat eiseres de mogelijkheid heeft om overtuigd te raken van de juistheid van de beslissing en eventueel te komen tot een gemotiveerde bestrijding.

5.1.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5.2.

De rechtbank stelt vast dat het geschil zich toespitst op de vraag of verweerder de beëindigingsdatum van de WGA-uitkering van werknemer en daarmee de ingangsdatum van zijn IVA-uitkering terecht heeft vastgesteld op 25 augustus 2016.

5.3.

In de memorie van Toelichting bij de Wet WIA (Tweede Kamer, vergaderjaar 2004-2005, 30 064, nr. 3, p. 34) voor zover hier van belang, is vermeld dat in het nieuwe stelsel geen sprake meer is van wettelijke periodieke herbeoordelingen. Bij iedere claimbeoordeling zal bezien worden wat de datum van een volgende claimbeoordeling, een professionele herbeoordeling, is. Dit hangt af van de prognose van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige met betrekking tot herstel van de gezondheid of van functionele mogelijkheden.

Een professionele herbeoordeling is een herbeoordeling op aangeven van de verzekeringsarts of arbeidsdeskundige, of omdat betrokkene er zelf om verzoekt.

Hieruit volgt, zo leidt de rechtbank af, dat, hoewel op grond van de Wet WIA geen verplichting tot herbeoordeling bestaat, indien een verzekeringsarts of arbeidsdeskundige aangeeft dat op een bepaald moment een herbeoordeling dient plaats te vinden, dit daadwerkelijk dient te leiden tot een professionele herbeoordeling.

5.4.

De rechtbank constateert dat verzekeringsarts K.J. Volders, in het rapport van 29 april 2014, aangeeft dat verbetering verwacht mag worden bij adequate revalidatie. Een termijn waarin deze verbetering te verwachten is geeft Volders echter niet. In het rapport van 12 augustus 2014, dat is opgesteld in het van een onderzoek naar een aanvraag voor een ontslagvergunning, concludeert Volders vervolgens dat er geen argumenten zijn om aan te nemen dat een verbetering van de functionele mogelijkheden binnen nu en 26 weken te verwachten is.

Verzekeringsarts bezwaar en beroep A. van Bruggen geeft in het rapport van 21 november 2014 vervolgens aan dat: “Rekening houdende met de jurisprudentie kan, bij adequate revalidatie, relevante verbetering van de belastbaarheid m.i. in het komende jaar na datum in geding d.d. 18-06-2014 wel worden verwacht”.

Weliswaar geeft Van Bruggen daarmee niet expliciet aan dat een medisch heronderzoek aan de orde was na het verstrijken van een periode van één jaar na 18 juni 2014. Zowel Volders als Van Bruggen heeft, zo stelt de rechtbank vast, geen concrete datum waarop of periode waarna een volgende claimbeoordeling plaats zou dienen te vinden gegeven.

Naar het oordeel van de rechtbank moet er daarom van worden uitgegaan dat Van Bruggen een professionele herbeoordeling na het verstrijken van een periode van één jaar na 18 juni 2014 geïndiceerd achtte.

Dit is ook in overeenstemming met wat daarover in de standaard ‘Professionele herbeoordeling verzekeringsarts’ is opgenomen. Hierin is op pagina 8 onder meer het volgende vermeld: “Cliënt wordt beoordeeld op het moment dat de verzekeringsarts verbetering verwacht. Professionele herbeoordelingen dienen plaats te vinden tot er geen verbetering van de mogelijkheden meer wordt verwacht of als de verwachting is dat het WAO-percentage niet meer verandert”.

Het is de rechtbank niet gebleken dat deze standaard in juni 2015 niet meer van toepassing was.

Het feit dat Van Bruggen in het rapport van 21 november 2014 aangeeft dat de verwachting was dat relevante verbetering van de belastbaarheid, bij adequate revalidatie, in het jaar na 18 juni 2014 wel kan worden verwacht terwijl die verwachting niet is uitgekomen, neemt, naar het oordeel van de rechtbank, niet weg dat de belangen van eiseres als eigenrisicodrager vergden dat verweerder kort na 18 juni 2015 opnieuw zou onderzoeken of werknemer op dat moment al dan niet volledig arbeidsongeschikt was.

Verweerder heeft dan ook onzorgvuldig gehandeld door niet kort na 18 juni 2015 opnieuw de belastbaarheid van werknemer te onderzoeken, maar hiertoe eerst over te gaan nadat gemachtigde van eiseres, middels zijn brief van 25 augustus 2016, hierom had verzocht.

5.5.

De rechtbank overweegt dat verweerder, bij beslissing van 23 april 2015, de loongerelateerde WGA-uitkering van werknemer met ingang van 18 juli 2015 heeft omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. Aangezien dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden staat vast dat werknemer vanaf 18 juli 2015 recht had op een WGA-loonaanvullingsuitkering en de volledige arbeidsongeschiktheid op dat moment niet duurzaam was. Verweerder hoefde derhalve niet de belastbaarheid vóór die datum te onderzoeken.

5.6.

In het kader van de vraag of werknemer na 18 juli 2015 maar voor 25 augustus 2016 als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zou kunnen worden beschouwd, had verzekeringsarts bezwaar en beroep Peerden, naar het oordeel van de rechtbank, niet kunnen volstaan met de stelling dat een claim op IVA alleen tot stand kan komen op basis van een onderbouwde, toekomstgerichte prognose en dat het niet zo is dat met kennis van nu in retrospectie alsnog een IVA onderbouwd kan worden.

Peerden diende het antwoord op deze vraag te onderbouwen door nader onderzoek daarnaar te verrichten, bijvoorbeeld door informatie op te vragen bij de huisarts en/of de behandelend specialisten van werknemer over eventuele behandelingen die werknemer had ondergaan, waaronder de operatieve ingreep op 10 februari 2016, en, indien van toepassing, de doelstellingen van die behandelingen, ook in de periode na 18 juli 2015.

Voor de rechtbank valt niet in te zien, waarom door Peerden geen nader onderzoek naar de inhoud en resultaten van die behandelingen verricht had kunnen worden. Zeker nu gemachtigde van eiseres, in zijn brief van 25 augustus 2016, expliciet verzocht had om onderzoek te verrichten naar de mate van arbeidsongeschiktheid van werknemer op 18 juni 2015 en de opmerking van verzekeringsarts Van Bruggen dat verbetering van de belastbaarheid in het jaar na 18 juni 2014, bij een adequate revalidatie, te verwachten was.

5.7.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 5 volgt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd en daarmee in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

6. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen de onder 5.7 genoemde gebreken te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.

De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

7. Als verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, moet hij dat op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb èn om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk meedelen aan de rechtbank. Als verweerder wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beide gevallen en in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

8. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in tegenwoordigheid van mr. H. Peters, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 19 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.