Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:5312

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-08-2017
Datum publicatie
11-10-2017
Zaaknummer
310439
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over de oorzaak van een kaakblessure van een paard en de vraag of de blessure en operatie nadelige gevolgen hebben gehad voor de prestaties van het paard en de (verkoop)waarde. In conventie afwijzing van de vorderingen van eiser en in reconventie opheffing van het beslag op de bankrekening van gedaagde

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/310439 / HA ZA 16-548 / 167

Vonnis van 9 augustus 2017

in de zaak van

1 [eiser in conventie sub 1] ,

2. [eiseres in conventie sub 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. S.A. Wensing te Coevorden,

tegen

[gedaagde in conventie] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaten mr. L.M. Schelstraete en mr. B.E.J. Loeffen te Oisterwijk.

Partijen zullen hierna [eisers in conventie] (mannelijk enkelvoud) en [gedaagde in conventie] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 4 januari 2017

- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte wijziging van eis en akte overlegging producties

- het proces-verbaal van comparitie van 1 juni 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn in mei 2013 overeengekomen dat [eisers in conventie] het aan hem in eigendom toebehorende paard “ [paard X ] ” (hierna te noemen: [paard X ] bij [gedaagde in conventie] zou stallen, om daar door [gedaagde in conventie] te worden verzorgd en getraind, met de bedoeling het paard op enig moment te verkopen. Daarbij is overeengekomen dat [gedaagde in conventie] een 50% eigendomsaandeel in [paard X ] zou krijgen en dat de kosten voor stalling, verzorging en training voor zijn rekening zouden komen. De kosten voor de tandarts, hoefsmid en dierenarts zouden door partijen gezamenlijk worden gedragen.

2.2.

Eind 2014 hebben [eisers in conventie] en [gedaagde in conventie] overeenstemming bereikt met een koper voor [paard X ] voor een bedrag van € 375.000,00. Deze koop is niet doorgegaan omdat de sponsor van de koper zich heeft teruggetrokken.

2.3.

Op 3 maart 2015 heeft drs. [naam deskundige 1] van Veterinair Centrum Someren [paard X ] onderzocht in verband met een blessure aan de linker onderkaak. In de door drs. [naam deskundige 1] vastgelegde patiëntgegevens van [paard X ] staat, voor zover hier van belang:

03/03/2015 (…)

Circa 8 weken geleden na een ongewenste training een dikke onderkaak en pijnlijk aan de linkerzijde.

Sindsdien problemen en bij röntgencontrole een fragmentatie vastgesteld

Kliniek:

Pijnlijke onregelmatigheid in de lagen van de linkeronderkaak.

Röntgen:

Een wat langwerpige sequester die diep de lagen in lijkt te lopen en mogelijk tot bijna bij de alveole van P2. De rechterlagen lijkt wat botverdichting te hebben maar wat meer opnames gemaakt dit lijkt verder niet verontrustend.

Plan:

Chirurgische benadering onder algemene narcose, dit met de eigenaren besproken.

04/03/2015 (…)

Plan:

Bitrust voor minimaal 6 weken en dan eerst terug voor controle

05/03/2015 (…)

Defect is mooi rustig en geen zwelling of pijn.

Paard mag naar huis geen verdere specifieke nazorg nodig.

16/04/2015 (…)

Paard mag gewerkt worden maar nog geen bit in

28/05/2015 Paard doet het goed. (…)

Röntgen bot is mooi rustig en defectje is nog amper te zien.

Paard mag weer normaal in het werk en ook gewoon een bitje in, wel er voor zorgen om niet een te scherp bit te gebruiken.

2.4.

In een e-mailbericht van 24 maart 2016 heeft [gedaagde in conventie] aan [eisers in conventie] , voor zover hier van belang, bericht:

“(…) Ik heb aangegeven dat ik een klant heb voor [paard X ] voor een bedrag van € 500.000,-. (…) We zouden als de tijd rijp was het paard verkopen voor een vraagprijs waar we beiden akkoord mee zouden zijn. Die afspraak hadden we mijns inziens dus ook met de prijs van € 500.000,-. Jullie geven nu aan niet te willen verkopen en te willen wachten tot hij Grand Prix loopt, maar ik wil nu er interesse voor [paard X ] is, zeker mijn helft wel verkopen, ook om uit de kosten te zijn en het steeds hoger wordende risico niet meer te lopen. (…)”

2.5.

Tussen partijen is begin april 2016 middels e-mailberichten gecorrespondeerd over de voorwaarden waaronder [paard X ] zou kunnen worden verkocht. [eisers in conventie] heeft deze voorwaarden in een e-mailbericht van 4 april 2016 opgesomd en als bijlage bij zijn

e-mailbericht van 5 april 2016 aan [gedaagde in conventie] toegestuurd. In de bijlage heeft [eisers in conventie] , voor zover hier van belang, de volgende verkoopvoorwaarden opgesomd:

“Bij de verkoop van [paard X ] ( [paard X ] , toevoeging rechtbank) moeten beide partijen een goed gevoel hebben bij de kopende partij.

Beide partijen ontvangen een gelijk deel van de opbrengst.

Iedere nieuwe potentiele koper moet gemeld worden, zodat beide partijen de gelegenheid hebben om informatie over deze koper in te winnen. (…)

Beide partijen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het door hen te ontvangen financiële deel. (…)

Kopende partij wordt voorafgaand aan een eventuele veterinaire keuring op de hoogte gesteld van [paard X ] zijn kaakoperatie in 2015. (…)

Transport van [paard X ] zal altijd gedaan worden door één of beide partijen, maar nooit door derden.

Het minimumbedrag waar [paard X ] voor verkocht zal worden is € 500.000 (…) Dit bedrag geldt tot aan de halve finale van de WK selecties (14 juli 2016). Na deze datum zal er eventueel een nieuwe waarde bepaald worden.

(…)

Ter promotie van [paard X ] is afgesproken dat hij deel zal nemen aan de tweede en derde WK selectie (en eventueel de (halve) finale. Tevens zal hij deelnemen aan de voorselecties voor het zomerkampioenschap Lichte Tour.”

2.6.

In antwoord op voormeld e-mailbericht schrijft [gedaagde in conventie] diezelfde dag per

e-mailbericht onder meer dat hij de minimumprijs van vijf ton graag zou veranderen in een vraagprijs van vijf ton. [eisers in conventie] antwoordt daarop bij e-mailbericht van 6 april 2016 en schrijft onder meer:

“(…) Wat de prijs betreft, we hebben zondag duidelijk afgesproken dat [paard X ] verkocht kan worden voor 500.000 euro. We hebben het niet over een vraagprijs gehad, sterker nog wij hadden zelf een veel hogere prijs in gedachten. Om jou tegemoet te komen hebben we ingestemd met de voor ons minimale prijs van 500.000 euro.

(…)

De in juni 2014 en afgelopen zondagmiddag gemaakte afspraken zijn naar mijn mening hiermee nog verder verduidelijkt. Rest ons niets anders als het verkoopcontract naar derden op te laten maken en de zaak in gang te zetten.”

2.7.

In een brief van 16 juni 2016 heeft de advocaat van [eisers in conventie] [gedaagde in conventie] onder meer het volgende bericht:

“(…) Zoals u genoegzaam bekend heeft u een aandeel van 50% eigendomsrechten verworven in het paard [paard X ] . Cliënten hebben meermalen aangegeven het paard ten behoeve van de sport te willen behouden en wel ter promotie van hun fokkerij activiteiten. U heeft daarentegen aangegeven het paard te willen verkopen vanwege uw penibele financiële situatie.

Ook is gebleken dat het paard door uw toedoen een zware operatie aan de kaak heeft moeten ondergaan en u verder cliënten niet bepaald correct en zorgvuldig op de hoogte heeft gehouden omtrent de ontwikkelingen van het paard. Zo heeft u verzwegen dat het paard behept is met een chip en eerder een verkoop is afgestuit op veterinaire bezwaren.

Ter zake van het vorenstaande behouden cliënten zich nog alle rechten voor.

Op 4 april jongstleden hebben cliënten u laten weten dat zij instemmen met een verkoop, mits:

  1. Openheid verstrekt wordt over de potentiële koper, eventuele commissionairs en commissies;

  2. De minimum koopprijs een bedrag ad 500.000,00 zal belopen,

  3. De koop uiterlijk 14 juli 2016 is gesloten (na deze datum vervalt elk aanbod en zal de koopsom opnieuw worden vastgesteld);

  4. Partijen overeenstemming bereiken over de inhoud van de koopovereenkomst, en

  5. Het paard deel zal blijven nemen aan de WK selecties en indien geselecteerd aan de finale(s) alsmede de voorselecties voor het Zomerkampioenschap Lichte Tour.

(…)”

2.8.

Eind juni 2016 is [paard X ] voor een bedrag van € 500.000,00 verkocht aan de op Bermuda gevestigde vennootschap “ [vennootschap Y] ” ten behoeve van de heer [persoon A] , een Spaanse dressuurruiter (hierna: [persoon A] ). In de op schrift gestelde en door de heer [eiser in conventie sub 1] (mede namens zijn echtgenote) als [gedaagde in conventie] als verkopers en [vennootschap Y] als koper op respectievelijk 23 juni 2016 en 22 juni 2016 ondertekende “Sale and Purchase Agreement” staat onder ‘Specifics’, voor zover hier van belang:

“c. the horse’s jaw and bars have been damaged by unwanted training, as a result of which the horse had to undergo surgery”.

2.9.

Op 23 juni 2016 heeft ingenieur [persoon B] , Register Taxateur Paarden & Pony’s (hierna: [persoon B] ), op verzoek van de advocaat van [eisers in conventie] een verklaring opgesteld. Daarin staat:

Waardevermindering van paarden als gevolg van een eerder opgelopen blessure

De waarde van sportpaarden wordt voor het grootste gedeelte bepaald door de prestaties die geleverd worden.

Ook de gezondheid en leeftijd spelen een grote rol.

Het is zeer aannemelijk dat een eerder opgelopen blessure bij een paard een negatief effect heeft op de verkoopwaarde in een later stadium ondanks het feit dat de blessure inmiddels genezen is.

Een koper zal dit, als hij in kennis wordt gesteld van een eerder opgelopen blessure, in de aankoopprijs mee laten wegen.

De kans op herhaling of reacties op een eerdere behandeling blijven namelijk aanwezig.”

2.10.

Bij de stukken bevindt zich een verklaring van de heer [persoon C] , van “ [persoon C] Horses”, opgesteld naar aanleiding van een vraag van de advocaat van [eisers in conventie] naar de waardebepaling van [paard X ] . [persoon C] heeft bij e-mailbericht van 28 juni 2016 (verzonden op 29 juni 2016) aan de advocaat van [eisers in conventie] onder meer geschreven:

“(…) [paard X ] is erg succesvol met [voornaam] [gedaagde in conventie] in de jonge rijpaarden rubrieken en ook in de nationale dressuur. [paard X ] behoord tot een van de beste paarden in zijn leeftijdscategorie. Ik heb het paard meerdere malen op wedstrijden gezien waar de combinatie keer op keer imponeert. Het paard toont aanleg voor de hogere dressuuroefeningen. Ik heb het paard zelf nooit uitgeprobeerd of uit laten proberen. (…) Ook kan ik niets zeggen aangaande de gezondheid van [paard X ] , maar gezien de prestaties en het gemak waarmee hij dit niveau haalt lijken er geen veterinaire problemen te zijn.

Paarden die dusdanig presteren en de “look” hebben van [paard X ] zijn erg kostbaar. Als ze daarnaast ook nog “rittig” en goed gezond zijn is een waarde van 1 miljoen euro geen uitzondering. (…)”

2.11.

Dierenarts [persoon D ] , die [paard X ] op 19 mei 2016 heeft onderzocht in het kader van de aankoopkeuring voor [persoon A] , heeft in een emailbericht aan [gedaagde in conventie] , gedateerd 12 december 2016, onder meer geschreven:

“(…) De heer [voornaam] [gedaagde in conventie] heeft inderdaad toen verteld dat [paard X ] een accidentje had gehad aan zijn kaak en daarvoor geopereerd was.

Dit leek voor mij zeer goed genezen en heb ik met mijn klant [persoon A] besproken dat dit geen extra risico factor inhield.

De heer [persoon A] leek zich hierover dan ook geen zorgen te maken. (…)”

2.12.

Bij de stukken bevindt zich een verklaring van [persoon A] , gedateerd 11 december

2016. Daarin staat, voor zover van belang:

“(…)

[voornaam] told me about the jaw injury which the horse suffered from in 2015. This was never an issue for me and did not influence the offer I made to purchase the horse. (…)

I am very satisfied with [paard X ] . He is performing well and we achieved good results including a first place at the Spanisch championschips for 7-year old horses”.

2.13.

[persoon B] heeft, dit keer op verzoek van de advocaat van [gedaagde in conventie] , op 11 december 2016 opnieuw een verklaring opgesteld. Daarin staat:

“Op of omstreeks 22 juni 2016 ben ik telefonisch benaderd door mevr. Mr. Weda met het verzoek om een verklaring op te stellen voor Mr. Wensing met betrekking tot de effecten welke oude blessures op de waarde van een paard zouden kunnen hebben.

Bij het verstrekken van de telefonische opdracht zijn geen gegevens genoemd van een paard, zoals naam, africhtingsgraad, wedstrijdniveau, aard van een blessure, huidige gezondheidstoestand, eventuele aan- of verkoopkeuringen. Ook betrokken partijen als eigenaren en ruiters zijn niet genoemd.

Bij de telefonische opdracht is enkel gemeld dat het om een paard ging wat in 2015 door een blessure de WK jonge paarden gemist had.

Zowel in het beslagrekest als in de dagvaarding wordt gesteld dat ik uitvoerig geïnformeerd zou zijn over de achtergronden van het paard. Dat is geen juiste weergave van wat ik in mijn verklaring van 23 juni 2016 heb geschreven.”

En in een tweede verklaring van diezelfde datum, naar aanleiding van twee vragen van de advocaat van [gedaagde in conventie] , schrijft [persoon B] :

“De volgende vragen worden hierbij beantwoord:

1. Als een eerdere veterinaire ingreep bij een paard al relevant zou zijn voor de verkoopwaarde, is het dan voor een juiste waardevaststelling en dito koopprijs indicatie van dit paard niet van doorslaggevend belang of het paard na die ingreep is hersteld als vast te stellen bij (a) een aankoopkeuring en (b) aan de hand van zijn wedstrijdresultaten?

Antwoord: Bij een waardevaststelling van een paard worden alle relevante factoren meegenomen.

Een eerdere veterinaire ingreep kan van invloed zijn op de waarde van een paard als deze ingreep niet goed gelukt is of als de kans op herhaling aanwezig is. Een veterinaire rapportage geeft daarover uitsluitsel. De aangeleverde verklaring van het veterinair centrum Someren geeft aan dat het paard [paard X ] op 5 maart 2015 geopereerd is aan de kaak. Volgens het rapport is de operatie goed gelukt en tijdens controles op 16 april 2015 en 28 mei 2015 zijn verder geen bijzonderheden geconstateerd.

Als er geen kans is op herhaling en de ingreep is goed gelukt heeft dat geen invloed op de waarde.

Ook de wedstrijdresultaten geven aan of een ingreep succesvol is geweest.

2. Bent u van mening dat een verkoopopbrengst ad € 500.000,- voor een paard gelijkwaardig als [paard X ] ook zonder een eerder gelijkwaardige operatie aan de kaak hoog is te noemen?

Antwoord: [paard X ] is geboren [dag en maand] -2009. In november 2015 is al gestart in het ZZZ met zeer goede resultaten. In april 2016, dus op 7 jarige leeftijd, is de overgang gemaakt naar de Licht Tour met ook hier scores boven 70%.

Dit zijn voor een paard van die leeftijd zeer goede resultaten en het geeft aan dat het hier een zeer getalenteerd paard betreft. Voor deze paarden worden hoge prijzen betaald.

Een verkoopprijs van € 500.000,- voor een paard van deze leeftijd en met deze prestaties is hoog te noemen.”

2.14.

[eisers in conventie] heeft op 30 juni 2016 verlof gekregen van de voorzieningenrechter te Rotterdam tot het leggen van conservatoir derdenbeslag op de bankrekeningen van [gedaagde in conventie] , met begroting van de vordering op € 275.000,00, inclusief rente en kosten. Op 6 oktober 2016 is derdenbeslag gelegd onder de Rabobank. Uit de verklaring derdenbeslag van de Rabobank d.d. 4 november 2016 blijkt dat het beslag, na verrekening van € 70,00 aan kosten voor de verwerking van het beslag, doel heeft getroffen voor een bedrag van € 225,19.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eisers in conventie] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair voor recht zal verklaren dat [gedaagde in conventie] jegens [eisers in conventie] toerekenbaar tekort is geschoten ex art. 6:74 BW dan wel onrechtmatig heeft gehandeld ex art. 6:162 BW en [gedaagde in conventie] zal veroordelen tot betaling van de schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet dan wel in goede justitie te bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2016,

II. subsidiair voor recht zal verklaren dat [gedaagde in conventie] jegens [eisers in conventie] op grond van art. 3:166 jo. 6:2 BW [naar de rechtbank begrijpt: schadeplichtig is en] [gedaagde in conventie] zal veroordelen tot betaling van de schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet dan wel in goede justitie te bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2016,

III. meer subsidiair voor recht zal verklaren dat [gedaagde in conventie] jegens [eisers in conventie] op grond van art. 6:203 BW c.q. 6:212 BW [naar de rechtbank begrijpt: schadeplichtig is en] [gedaagde in conventie] zal veroordelen tot betaling van de schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet dan wel in goede justitie te bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2016,

IV. [gedaagde in conventie] zal veroordelen in de buitengerechtelijke kosten,

V. [gedaagde in conventie] zal veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[eisers in conventie] baseert zijn vordering, samengevat, op de stelling dat [gedaagde in conventie] [paard X ] heeft blootgesteld aan een ongewenste, hardhandige training, waardoor het paard een kaakblessure heeft opgelopen en een operatie heeft moeten ondergaan. Zonder deze kaakblessure en operatie had [paard X ] verder opgeleid kunnen worden naar het hoogste dressuurniveau (Grand Prix), waardoor hij een aanzienlijk hogere waarde zou hebben vertegenwoordigd dan het bedrag waarvoor hij in juni 2016 is verkocht. Nu heeft [paard X ] vanwege de kaakblessure en de operatie een half jaar stil gestaan en moeten revalideren en heeft hij een WK moeten missen. [paard X ] is verkocht voor € 500.000,00, terwijl de geschatte waarde van een zeer getalenteerd paard als [paard X ] zonder blessure € 1.000.000,00 zou (kunnen) zijn geweest, aldus [eisers in conventie] Op grond van primair toerekenbare tekortkoming (art. 6:74 BW) dan wel onrechtmatige daad (art. 6:162 BW), subsidiair schadeplichtigheid van een deelgenoot (art. 3:166 BW jo. 3:188 BW) en meer subsidiair onverschuldigde betaling (6:203 BW) dan wel ongerechtvaardigde verrijking (6:212 BW) dient [gedaagde in conventie] daarom de door [eisers in conventie] de geleden schade te vergoeden.

3.3.

[gedaagde in conventie] voert, samengevat, aan dat de kaakblessure van [paard X ] niet is ontstaan als gevolg van een ondeugdelijke of hardhandige training en dat dat ook niet blijkt uit het rapport van drs. [naam deskundige 1] . [paard X ] had vermoedelijk een wondje in de mond dat was gaan ontsteken. Met de term “ongewenste training” wordt bedoeld dat het paard de training, meer in het bijzonder het bit in zijn mond, niet meer accepteerde vanwege de pijn in zijn kaak. [gedaagde in conventie] betwist dan ook dat sprake is van een (toerekenbare) tekortkoming of onrechtmatig handelen, als gevolg waarvan hij schadeplichtig zou zijn jegens [eisers in conventie] Datzelfde geldt voor de overige door [eisers in conventie] aangevoerde grondslagen. [gedaagde in conventie] betwist verder dat [paard X ] enige hinder en/of nadeel ondervindt van de kaakblessure en de operatie in 2015 en betwist ook dat [paard X ] meer waard zou zijn dan het bedrag waarvoor hij is verkocht. Mocht geoordeeld worden dat er wel sprake is van een toerekenbare tekortkoming of onrechtmatig handelen, dan heeft [eisers in conventie] niet voldaan aan de op hem rustende plicht om binnen bekwame tijd te klagen en heeft hij daarmee zijn rechten verwerkt, aldus [gedaagde in conventie] .

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

[gedaagde in conventie] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    het op 6 oktober 2016 in opdracht van [eisers in conventie] ten laste van [gedaagde in conventie] onder de Rabobank gelegde conservatoire beslag zal opheffen,

  • -

    voor recht zal verklaren dat [eisers in conventie] uit hoofde van onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW jegens [gedaagde in conventie] aansprakelijk is uit hoofde van onrechtmatige beslaglegging en misbruik van procesbevoegdheid, met veroordeling van [eisers in conventie] tot vergoeding van de dientengevolge door [gedaagde in conventie] geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

  • -

    [eisers in conventie] in conventie en in reconventie hoofdelijk zal veroordelen in de proceskosten, waaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten indien deze kosten niet binnen vijf dagen na betekening aan [eisers in conventie] van het in deze te wijzen vonnis volledig aan [gedaagde in conventie] zijn voldaan.

3.6.

[gedaagde in conventie] baseert zijn vordering op de stelling dat geen sprake is geweest van een toerekenbare tekortkoming of onrechtmatige daad, zodat de vordering in conventie moet worden afgewezen. Dit brengt gelet op art. 705 lid 2 Rv mee dat het door [eisers in conventie] gelegde conservatoir beslag moet worden opgeheven en [eisers in conventie] onrechtmatig jegens [gedaagde in conventie] heeft gehandeld. Daarnaast heeft [eisers in conventie] zich schuldig gemaakt aan misbruik van procesbevoegdheid ex art. 3:13 jo. 3:15 BW.

3.7.

[eisers in conventie] betwist dat hij onrechtmatig jegens [gedaagde in conventie] heeft gehandeld door beslag te (laten) leggen. Verder heeft het beslag geen doel getroffen, aldus [eisers in conventie]

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

De rechtbank overweegt dat de stelling van [eisers in conventie] dat [gedaagde in conventie] ermee bekend was dat [eisers in conventie] hem verantwoordelijk hield voor de kaakblessure en de operatie van [paard X ] en dat [gedaagde in conventie] dat heeft erkend (punt 21 van de dagvaarding), wordt gepasseerd. [eisers in conventie] verwijst naar de koopovereenkomst, waarbij de rechtbank er vanuit gaat dat [eisers in conventie] doelt op de “Sale and Purchase Agreement”, waarin onder ‘Specifics’ ad c. staat: “the horse’s jaw and bars have been damaged by unwanted training, as a result of which the horse had to undergo surgery”. Daargelaten dat gesteld noch gebleken is dat [eisers in conventie] eerder dan in de brief van 16 juni 2016 van zijn advocaat (rov. 2.7) aan [gedaagde in conventie] kenbaar heeft gemaakt dat [eisers in conventie] de mening is toegedaan dat [paard X ] door toedoen van [gedaagde in conventie] een zware operatie aan de kaak heeft moeten ondergaan en daargelaten dat uit de overgelegde e-mailcorrespondentie (productie 10 bij conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie) blijkt dat [gedaagde in conventie] bezwaar heeft gemaakt tegen de hiervoor aangehaalde zinssnede in de koopovereenkomst, kan uit deze zinssnede geen erkenning van enige aansprakelijkheid door [gedaagde in conventie] worden afgeleid.

4.2.

[eisers in conventie] stelt dat sprake is van een ongewenste (hardhandige) training van [paard X ] door [gedaagde in conventie] , waardoor een kaakblessure is ontstaan waaraan [paard X ] geopereerd moest worden. Het paard heeft daardoor niet alleen lang moeten revalideren, maar is daardoor ook beschadigd. Dat heeft volgens [eisers in conventie] een zeer groot waardedrukkend effect gehad. Zonder kaakblessure en operatie zou [paard X ] aanzienlijk meer, mogelijk het dubbele, waard zijn geweest dan het bedrag waarvoor hij in juni 2016 is verkocht aan [persoon A] .

4.3.

De rechtbank overweegt dat [eisers in conventie] met zijn stellingen allereerst miskent dat hij in juni 2016 heeft ingestemd met de verkoop van [paard X ] en dat hij zonder voorbehoud akkoord is gegaan met een verkoopprijs van € 500.000,00. Indien hij van mening was dat die prijs te laag was, zoals hij suggereert in zijn emailbericht van 6 april 2016 (rov. 2.6), dan had hij niet akkoord moeten gaan met voormelde verkoopprijs.

4.4.

[eisers in conventie] verwijst verder naar de verklaringen van [persoon B] (van 23 juni 2016, rov. 2.9) en [persoon C] (van 28 juni 2016, rov. 2.10), maar deze verklaringen bieden geen enkele steun voor zijn stelling dat hij als gevolg van de verkoop van [paard X ] schade heeft geleden. [persoon B] heeft naar aanleiding van een telefonisch verzoek van de advocaat van [eisers in conventie] een verklaring opgesteld met betrekking tot de effecten die oude blessures op de waarde van een paard zouden kunnen hebben, zonder dat hem daarbij de gegevens zijn genoemd van een paard, zoals naam, africhtingsgraad, wedstrijdniveau, aard van een blessure, huidige gezondheidstoestand en eventuele aan- of verkoopkeuringen. Deze verklaring is niet toegespitst op [paard X ] en in zijn latere verklaringen (van 11 december 2016, rov. 2.13) komt [persoon B] tot hele andere bevindingen en verklaart hij een verkoopprijs van € 500.000,00 voor een 7-jarig paard met scores boven 70% op dressuurniveau Lichte Tour hoog te vinden. [persoon C] -van wie overigens verder niets bekend is- verklaart slechts in algemene positieve bewoordingen over [paard X ] , maar kan niets zeggen over de gezondheid van het paard. Waar [persoon C] een waarde van 1 miljoen euro op baseert, is volstrekt onduidelijk en daarom slechts zuiver speculatief.

4.5.

Dan de kwestie van het bit. In de patiëntgegevens van [paard X ] (rov. 2.3) staat op 28 mei 2015 genoteerd dat [paard X ] weer rustig aan het werk kan en een gewoon, niet te scherp, bit in mag. Ter gelegenheid van de comparitie heeft [gedaagde in conventie] verklaard dat hij in overleg met de dierenarts [paard X ] na verloop van tijd weer met een stang en trensbit is gaan rijden, dat het paard ook door [persoon A] zonder problemen met dat bit wordt gereden, dat [persoon A] met [paard X ] inmiddels op het dressuurniveau Prix St. George rijdt en dat het zeker niet ondenkbaar is dat hij kan doorgroeien naar Grand Prix niveau. Dat alles is door [eisers in conventie] niet, althans niet gemotiveerd betwist.

Wat precies de relevantie is van het door [eisers in conventie] als productie 9 bij conclusie van antwoord in reconventie (tevens akte wijziging van eis en akte overlegging producties) overgelegde algemene, theoretische verslag van mevrouw [persoon E] over verkeerd bitgebruik in het kader van haar studie osteopathie, is niet duidelijk. Datzelfde geldt voor de als productie 10 overgelegde verklaring van mevrouw [persoon F] , internationaal jurylid en Grand Prix ruiter, over de noodzaak van het dragen van een stang en trenshoofdstel in de hogere klassen van de dressuursport en op internationaal niveau. Daargelaten de vraag waar mevrouw [persoon F] haar verklaring op baseert dat bij de operatie van [paard X ] aan zijn onderkaak nog beschadigingen zijn achtergebleven die niet zijn verwijderd, gaat zij er ook ten onrechte vanuit dat [paard X ] geen stang en trensbit meer kan en mag dragen.

4.6.

[eisers in conventie] stelt ook nog dat [paard X ] als gevolg van de kaakblessure en de operatie een half jaar uit de running is geweest en een WK heeft moeten missen, onder verwijzing naar een emailbericht van de afdeling Evenementen & Competities van de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie (KNHS) van 1 juli 2015 (productie 14). [eisers in conventie] concludeert daaruit dat als vaststaand kan worden aangenomen dat sprake is van een waardedaling, omdat een paard dat stil staat, waarde verliest. Daargelaten dat [gedaagde in conventie] een en ander gemotiveerd betwist, blijkt uit het overgelegde emailbericht van de KNHS slechts dat [paard X ] heeft deelgenomen aan de derde selectieronde voor het WK Jonge Dressuurpaarden en dat de selectiecommissie heeft besloten om [paard X ] niet uit te nodigen voor de laatste selectie. Enig verband met de kaakblessure en operatie van [paard X ] blijkt daar niet uit.

4.7.

De stellingen van [eisers in conventie] worden bovendien ook weersproken door de verklaring van dierenarts [persoon D ] , die [paard X ] heeft onderzocht in het kader van de aankoopkeuring voor [persoon A] (rov. 2.11), en de verklaring van [persoon A] (rov. 2.12), die verklaard dat de kaakblessure geen invloed heeft gehad op het bod dat hij op [paard X ] heeft uitgebracht.

4.8.

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat [eisers in conventie] , in het licht van het gemotiveerde verweer van [gedaagde in conventie] , niet voldoende onderbouwd heeft gesteld dat de kaakblessure en de operatie die [paard X ] in 2015 heeft ondergaan enig blijvend effect heeft gehad op de prestaties van het paard en op de (verkoop)waarde van het paard, en dus daarmee ook niet dat sprake is van schade. Bewijslevering is in dat geval niet aan de orde. De rechtbank voegt daar aan toe dat, ook al heeft [paard X ] enige tijd gerevalideerd na zijn blessure en operatie in 2015, daardoor geen sprake is van schade of onverschuldigde betaling aan de zijde van [eisers in conventie] dan wel ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van [gedaagde in conventie] . Overeenkomstig de afspraken tussen partijen diende [gedaagde in conventie] de kosten voor stalling, verzorging en training van [paard X ] te betalen. Het bedrag dat hij als mede-eigenaar heeft gekregen bij de verkoop van [paard X ] is weliswaar mede ter derving van die kosten, maar staat daarmee niet in een zodanig verband, dat wanneer [paard X ] enige tijd niet wordt getraind, daar een vergoedingsplicht jegens [eisers in conventie] tegenover komt te staan.

4.9.

De slotsom van het voorgaande is dat de vorderingen van [eisers in conventie] zullen worden afgewezen. In dat geval behoeft de vraag of de kaakblessure van [paard X ] al dan niet door toedoen van [gedaagde in conventie] is ontstaan en of [gedaagde in conventie] daarvoor aansprakelijk is, geen bespreking meer.

4.10.

[eisers in conventie] zal als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde in conventie] worden begroot op:

- griffierecht € 288,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.192,00

4.11.

De door [gedaagde in conventie] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met ingang van de 14e dag na betekening van dit vonnis.

in reconventie

4.12.

[gedaagde in conventie] vordert opheffing van het door [eisers in conventie] gelegde beslag onder de Rabobank. Nu de vordering van [eisers in conventie] in conventie wordt afgewezen en [eisers in conventie] heeft volstaan met te stellen dat het ten laste van [gedaagde in conventie] gelegde beslag onder de Rabobank geen doel heeft getroffen, maar zich niet heeft verzet tegen opheffing van het beslag, zal de rechtbank het beslag opheffen.

4.13.

[gedaagde in conventie] vordert een verklaring voor recht dat [eisers in conventie] aansprakelijk is uit hoofde van onrechtmatige beslaglegging en misbruik van procesbevoegdheid, met veroordeling van [eisers in conventie] tot vergoeding van de schade en verwijzing naar de schadestaatprocedure.

4.14.

Degene die een beslag legt en handhaaft handelt op eigen risico en dient, bijzondere omstandigheden daargelaten, de door het beslag geleden schade te vergoeden, indien het beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd, zulks ook in het geval dat hij op verdedigbare gronden van zijn vordering overtuigd is en niet lichtvaardig heeft gehandeld.

[gedaagde in conventie] heeft niet betwist dat het beslag slechts doel heeft getroffen tot een bedrag van € 225,19 (rov. 2.14) en hij heeft verder volstaan met de kale stelling dat door het gelegde beslag de aankoop van een onroerende zaak is belemmerd althans ernstig is vertraagd, zonder enige toelichting. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde in conventie] aldus de mogelijkheid van schade als gevolg van de beslaglegging niet aannemelijk heeft gemaakt, zodat geen aanleiding bestaat de zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure. Dat [gedaagde in conventie] kosten voor rechtsbijstand heeft gemaakt voor het voeren van de onderhavige procedure, is geen schade als gevolg van het gelegde beslag.

De rechtbank is verder van oordeel dat geen sprake is van misbruik van procesbevoegdheid aan de zijde van [eisers in conventie] door de beslaglegging en het aanhangig maken van de onderhavige procedure. Dat [eisers in conventie] in het beslagrekest en in de inleidende dagvaarding feiten en omstandigheden heeft gesteld en standpunten heeft ingenomen, die in het kader van de beoordeling van het onderhavige geschil door de rechtbank zijn weerlegd en/of onjuist zijn geoordeeld, rechtvaardigt niet de conclusie dat sprake is van misbruik van bevoegdheid.

4.15.

De slotsom van het voorgaande is dat de door [gedaagde in conventie] gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen, evenals de gevorderde verwijzing naar de schadestaat-procedure.

4.16.

Aangezien elk van partijen in reconventie als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten in reconventie worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eisers in conventie] hoofdelijk, met dien verstande dat indien en voor zover de één betaalt, ook de ander daardoor zal zijn bevrijd, in de kosten van de procedure in conventie, aan de zijde van [gedaagde in conventie] tot op heden begroot op € 1.192,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de 14e dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.4.

heft het op 6 oktober 2016 door [eisers in conventie] ten laste van [gedaagde in conventie] gelegde conservatoire beslag onder de Coöperatieve Rabobank U.A. op,

5.5.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

compenseert de kosten van de procedure in reconventie tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen en in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2017.