Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:5310

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-10-2017
Datum publicatie
11-10-2017
Zaaknummer
05/720143-17, 05/720064-17 en 05/038872-13 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 26-jarige man uit Wageningen veroordeeld in verband met twee geweldsincidenten in het uitgaansleven van Arnhem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummers : 05/720143-17, 05/720064-17 en 05/038872-13 (TUL)

Datum uitspraak : 11 oktober 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,

raadsman: mr. B.J. Schadd, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 14 juni 2017 en 27 september 2017.

1. De inhoud van de tenlastelegging 1

Aan verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:

  • -

    het samen met een ander of anderen plegen van openlijk geweld tegen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] op 28 oktober 2016 (parketnummer: 05/720143-17); en

  • -

    het samen met een ander of anderen dan wel alleen plegen van een poging doodslag, dan wel poging zware mishandeling, mishandeling of openlijk geweld door [slachtoffer 4] met kracht een of meermalen tegen het hoofd en/of lichaam te slaan en vervolgens – terwijl [slachtoffer 4] roerloos dan wel kwetsbaar op de grond lag – een of meermalen tegen zijn hoofd en/of lichaam te trappen/schoppen (parketnummer: 05/720064-17).

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Met betrekking tot parketnummer 05/720143-17 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich op 28 oktober 2016 schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweld.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Verdachte heeft verklaard dat er over en weer is geslagen, hij heeft zichzelf verdedigd. Verder verklaart verdachte dat hij niet bij het geweld op het Centraal Station betrokken is geweest.

Beoordeling door de rechtbank

Aangiftes

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij in de nacht van 28 oktober 2016 met zijn vrienden [slachtoffer 2] en [voornaam 1] (rechtbank: [slachtoffer 3]) op de Korenmarkt in Arnhem was. Toen zij na het uitgaan in de Hoogstraat (Arnhem) stonden, liep er een groep jongens voorbij die naar hen schreeuwde. Vervolgens kwam er één jongen echt voor hem staan. Toen [slachtoffer 1] zich omdraaide om weg te lopen, kreeg hij een klap op zijn achterhoofd. [slachtoffer 1] zag dat de jongen hierna achter de andere jongens van zijn groep ging staan. Kort daarna kwam de hele groep op hen af en werden hij, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] door de groep geslagen. Ze kregen alle drie klappen en trappen. [slachtoffer 1] verklaart dat hij vervolgens op de grond viel, waar hij nog aantal klappen op zijn gezicht heeft gehad. Hierna is hij met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] door de groep in de richting van de blikkenbioscoop gedreven. Vanaf de blikkenbioscoop is [slachtoffer 1] een andere kant op gegaan dan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] .3

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] in de Hoogstraat te Arnhem was. Daar hoorde hij van een persoon die buiten bij ‘Kebab Delight’ stond dat hij [voornaam 2] (rechtbank: [slachtoffer 1]) in de gaten moest houden. Vervolgens zag hij dat [slachtoffer 1] een klap kreeg van een jongen. [slachtoffer 2] probeerde [slachtoffer 1] en de jongen uit elkaar te halen. Toen dit lukte, begon echter de hele groep zich ermee te bemoeien. [slachtoffer 2] kreeg van alle kanten klappen op zijn hoofd en viel op de grond. Daar werd hij vervolgens door meerdere personen op zijn hoofd geschopt en geslagen.

[slachtoffer 2] verklaart dat het een grote chaos was. [slachtoffer 3] en hij hebben het op een lopen gezet naar het Centraal Station. Ze waren ondertussen [slachtoffer 1] kwijtgeraakt. Op het station kwam het – nadat zij door ongeveer vier personen waren gevolgd – weer tot een confrontatie. Terwijl één van de jongens [slachtoffer 2] probeerde te slaan met een riem, werd [slachtoffer 3] ondertussen door de andere drie jongens aangevallen. [slachtoffer 3] lag op de grond en werd geslagen door een jongen die op hem zat. Kort daarop kwam de beveiliging en gingen de jongens ervandoor. Als gevolg van het feit heeft [slachtoffer 2] blauwe plekken op zijn achterhoofd opgelopen.4

[slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij in de nacht van 28 oktober 2016 met [voornaam 3] (rechtbank: [slachtoffer 2] ) en [voornaam 2] (rechtbank: [slachtoffer 1] ) in de richting van ‘Kebab Delight’ liep. Daar werden hij en [slachtoffer 2] aangesproken door een jongen die zei dat ze hun vriend in de gaten moesten houden. Vervolgens zag [slachtoffer 3] dat de stemming omsloeg en [slachtoffer 1] een duw kreeg. Nadat hij [slachtoffer 1] en de jongen uit elkaar haalde, kreeg ook [slachtoffer 3] een paar klappen op zijn gezicht – waaronder zijn neus – en nek. Verder kreeg hij ter hoogte van de blikkenbioscoop een stoel in zijn nek. Hij werd daar vervolgens ook door één van de jongens bij zijn jas vastgepakt en naar de grond getrokken.

[slachtoffer 3] verklaart dat ze [slachtoffer 1] hierna zijn kwijtgeraakt. [slachtoffer 3] is met [slachtoffer 2] achterwaarts – zij werden nog altijd belaagd door vijf tot zes personen – in de richting van ‘De Blauwe Golven’ gelopen. Nadat hij vervolgens met [slachtoffer 2] het station in ging, zag hij dat één van de jongens een riem pakte en in de richting van [slachtoffer 2] liep. De andere twee jongens kwamen op hem af. Hij werd door één van de jongens naar de grond getrokken. Daar werd hij vervolgens door twee jongens op zijn hoofd, schouders en ribben geschopt. Nadat er twee meiden tussen kwamen, stopte het gevecht en renden de jongens weg. Uiteindelijk kwam [slachtoffer 1] weer aanlopen. [slachtoffer 3] zag dat hij twee blauwe ogen had, zijn hand kapot was en zijn gezicht er gehavend uit zag. [slachtoffer 3] voelde zelf de dag na de vechtpartij pijn aan zijn knie en schouder.5

Verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij in de nacht van 28 oktober 2016 met zijn vrienden betrokken is geweest bij een vechtpartij in de Hoogstraat te Arnhem. Hij heeft tijdens deze vechtpartij ook geslagen. Verder heeft hij met een stoel gegooid.6

Beelden

Van de vechtpartij in de Hoogstraat te Arnhem zijn camerabeelden beschikbaar. Verdachte verklaart dat hij de persoon is die wordt aangeduid als NN2.7

Op de beelden is te zien dat naar aanleiding van een woordenwisseling tussen aangever [slachtoffer 1] en NN3 een vechtpartij tussen beide groepen ontstaat. Hierbij doet verdachte, aldus de beelden, onder meer het volgende:

- het geven van twee vuistslagen met zijn rechterhand aan één van de aangevers;

- het geven van drie vuistslagen aan één van de aangevers op de grond;

- het geven van een vuistslag op het gezicht van één van de aangevers;
- het aannemen van een uitdagende gevechtshouding;
- het geven van een rechter vuistslag aan één van de aangevers;

- het geven van een rechter schop aan één van de aangevers;

- het pakken van een terrasstoel en deze gooien in de richting van één van de aangevers;
- het geven van een rechter schop aan één van de aangevers;

- het opjagen van één van de aangevers.8

Op de beelden is verder onder meer te zien dat NN3 een dreigende houding aanneemt en twee keer één van de aangevers een lowkick geeft. Verder wordt door NN4 – naast het aannemen van een dreigende houding en het opdrijven van de aangevers – onder meer het volgende geweld gebruikt: drie klappen (op de grond), een rechter trap, een rechter hoek op het hoofd, een rechter trap en tot slot een sprongtrap. Tot slot wordt door NN5 onder andere een stoel in de richting van één van de aangevers gegooid.9

Nu de verklaringen van aangevers wat betreft het geweld en het opjagen/opdrijven worden ondersteund door de voornoemde camerabeelden, acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat zij zich ‘slechts’ hebben verdedigd niet aannemelijk geworden.

Chatberichten

Tot slot bevinden zich in het dossier berichten die de deelnemers van de WhatsApp-groep ‘Vrijgezel feestje’ aan elkaar hebben gestuurd. Verdachte heeft verklaard dat het nummer [telefoonnummer] van hem is.10 Door verdachte, ook wel ‘ [bijnaam] ’ genoemd worden onder meer de volgende berichten gestuurd:

(…) 28-10-2016, 12:32
[bijnaam] Ik kan me b3d niet uit man
[bijnaam] Goeie low kick
[bijnaam] Was dst
[bijnaam] Hahah (…)

12:33 (…)
[bijnaam] Fok dat we hebben hun kapot gemaakt (…)

12:49 (…)

[bijnaam] [naam] begon met riemen

[bijnaam] Te slaan
[bijnaam] Op station
[bijnaam] Hahaha
[bijnaam] Riem kapot geslagen op hun

12:52 (…)
[bijnaam] Na een low kick
[bijnaam] Heb zware spier pijn”. 11


Verdachte heeft verklaard dat hij niet bij de vechtpartij op het Centraal Station aanwezig is geweest en dat hij het bericht over het slaan met de riemen – wat zich op het station heeft afgespeeld – slechts uit stoerdoenerij heeft gestuurd. Gelet op al het voorgaande en in het bijzonder ook het feit dat verdachte hier een bericht over het gedrag van een ander stuurt, acht de rechtbank deze verklaring niet aannemelijk.

De rechtbank is op grond van al het voorgaande van oordeel dat verdachte samen met zijn medeverdachten betrokken is geweest bij al het geweld tegen de aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] (slaan en schoppen tegen het lichaam en/of hoofd en tot slot het gooien met een stoel). Nu verdachte naar het oordeel van de rechtbank ook een significante en wezenlijke bijdrage aan dit geweld heeft gehad, acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweld.

Met betrekking tot parketnummer 05/720064-17: 12

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het samen met een ander plegen van een poging doodslag op [slachtoffer 4] . Nu verdachte en zijn medeverdachte de enige personen zijn geweest die trappende bewegingen in de richting van aangever hebben gemaakt, aangever letsel heeft dat hierbij past en tot slot de schoensporen op het hoofd/gezicht overeenkomen met de zolen van verdachte, acht de officier van justitie bewezen dat verdachte [slachtoffer 4] (met geschoeide voet) heeft geraakt. Door van een geringe afstand krachtig tegen het hoofd van aangever te trappen, heeft verdachte naar de mening van de officier van justitie een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel in het leven geroepen en aanvaard.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van de poging doodslag bepleit. Hiertoe is ten eerste aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte met zijn trappende beweging aangever heeft geraakt. Op de beelden zijn immers veel omstanders in de nabijheid van [slachtoffer 4] te zien en voor het overige biedt het vergelijkend sporenonderzoek met betrekking tot de schoenen geen duidelijkheid. Verder is opgemerkt dat niet kan worden bewezen dat verdachte een aanmerkelijke kans op de dood in het leven heeft geroepen en vervolgens ook bewust heeft aanvaard (voorwaardelijk opzet). De verdediging heeft zich wat betreft de poging zware mishandeling dan wel het openlijk geweld gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Verdachte heeft verklaard dat hij enkel uit reactie een trappende beweging in de richting van [slachtoffer 4] heeft gemaakt. Hierbij heeft hij [slachtoffer 4] niet dan wel in ieder geval niet op zijn hoofd geraakt.

Beoordeling door de rechtbank

Getuigen

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij in de nacht van 17 februari 2017 onder meer samen met haar collega’s [voornaam 4] (rechtbank: [slachtoffer 4]), [voornaam 5] (rechtbank: [getuige 2]) en [voornaam 6] (rechtbank: [getuige 3]) wat is gaan drinken in café De Loft. Ze verklaart dat er een groep jongens binnen kwam en er vanaf dat moment een gespannen sfeer hing. Nu [slachtoffer 4] wat had gedronken, ontstond haantjesgedrag tussen [slachtoffer 4] en de groep. Nadat [getuige 2] probeerde ‘om de boel tot rust te brengen’, ging het toch mis. Diverse jongens uit de groep sloegen in op [slachtoffer 4] , zij begonnen het gevecht. [slachtoffer 4] kwam daarbij al snel op de grond terecht. [getuige 1] zag dat er daar op [slachtoffer 4] werd ingetrapt. Er werd ingeschopt op zijn hoofd. Het was één blok tegen hem, aldus de getuige. [slachtoffer 4] was ook vrijwel direct ‘out’.13

De getuige [getuige 2] verklaart dat er een groep van vier of vijf jongens De Loft binnen kwam. Vanaf het begin waren ze uit op een conflict. Ze ging naar de jongens toe en vroeg ze om hun groep verder met rust te laten. De jongens bleven echter dreigend en provocerend aanwezig. [getuige 2] verklaart dat de jongens zich op een gegeven moment weer omdraaiden en ‘de hel los’ brak. Voor ze het wist, gingen de jongens los op [slachtoffer 4] . Ze zag dat [slachtoffer 4] meerdere klappen op zijn gezicht kreeg. Er werd door drie mannen op hem ingeslagen. Vervolgens werd hij tegen de bar geduwd, waarna hij bewusteloos op de grond viel. Ze zag dat hij niet meer bewoog.14

De getuige [getuige 3] heeft verklaard dat ze zag dat de hele groep [slachtoffer 4] sloeg en hij door de groep richting de bar werd gedreven. Ze zag dat [slachtoffer 4] ten val kwam en vervolgens op de grond lag. Terwijl [slachtoffer 4] zich op de grond bevond, bleef de groep op [slachtoffer 4] intrappen en inschoppen. Dit was zowel op zijn lichaam als op zijn hoofd.15

De getuige [getuige 4] verklaart dat hij zag dat er bij de bar in café De Loft een ruzie was. Hierna zag hij dat er iemand op de grond lag. Deze persoon was bewusteloos, zijn ogen waren weggedraaid en hij reageerde in het geheel niet meer.16

[slachtoffer 4] en het letsel

Aangever [slachtoffer 4] heeft zelf verklaard dat hij samen met zijn collega’s naar café Loft in Arnhem is gegaan. Het eerste wat hij zich vervolgens kan herinneren, is dat hij wakker is geworden in het ziekenhuis. Hij is ‘een stuk van de film kwijt’. Als gevolg van de vechtpartij heeft aangever diverse verwondingen opgelopen, waaronder: een kapotte boven- en onderlip, een wond aan de rechterzijde van zijn hoofd en – naast een huidbeschadiging – bloed uit zijn linkeroor. Verder bevonden zich afdrukken van een schoenprofiel op zijn voorhoofd en achter zijn linkeroor.17 Verder werd na het feit bij [slachtoffer 4] een hersenkneuzing geconstateerd.18

Beelden

Van de vechtpartij zijn camerabeelden beschikbaar. Op de beelden is onder meer te zien dat verdachte met drie anderen binnenkomt in café Loft. In het café raakt verdachte op enig moment in gesprek met [slachtoffer 4] , waarbij [slachtoffer 4] meermalen zijn arm om de schouder van verdachte slaat. Na deze actie reageert verdachte – aldus zijn lichaamshouding – kennelijk geïrriteerd. Vervolgens is te zien dat aangever verdachte loslaat en de getuige [getuige 2] direct tussen beiden komt. Op dat moment is te zien dat de drie vrienden van verdachte zich begeven naar de plaats waar verdachte met [slachtoffer 4] staat. [slachtoffer 4] wordt dan door een vrouw van de dansvloer weggeleid.

Na enige tijd is te zien dat [slachtoffer 4] weer in beeld komt en verdachte naar hem toeloopt. Twee vrienden van verdachte komen hier ook bij staan. Hierna is – aan de hand van de houdingen van [slachtoffer 4] en verdachte – waar te nemen dat de situatie escaleert. Vervolgens is – na een slaande beweging van [slachtoffer 4] – te zien dat één van de vrienden van verdachte met zijn hand dan wel elleboog [slachtoffer 4] meermalen tegen zijn gezicht en/of lichaam raakt. [slachtoffer 4] valt en komt kort voor de bar op de vloer terecht.19

Hierna is op de beelden te zien dat één van de vrienden van verdachte een krachtige (neerwaartse) trappende beweging maakt in de richting van aangever [slachtoffer 4] . Vervolgens mengt verdachte zich in dit gevecht en maakt ook een trappende beweging in de richting van aangever [slachtoffer 4] op de grond. Tot slot is waar te nemen dat aangever [slachtoffer 4] bewegingsloos blijft liggen op de vloer bij de bar.20

Verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij met zijn vrienden naar café Loft is geweest. Nadat [slachtoffer 4] door een klap van één van zijn vrienden op de grond is gevallen, heeft hij een trappende beweging in de richting van [slachtoffer 4] gemaakt.21 Verdachte verklaart hierover nog bij de rechter-commissaris: “Ik heb het gevoel dat ik hem op zijn lichaam heb geraakt”.22

Concluderend

Gelet op al het voorgaande in samenhang bezien en in het bijzonder de beelden – waaruit volgt dat alleen verdachte en zijn medeverdachte een trappende beweging in de richting van aangever hebben gemaakt –, de schoenafdrukken op het voorhoofd en achter het oor van aangever (waarvan de herkomst niet kan worden vastgesteld) en tot slot de verklaring van verdachte zelf, acht de rechtbank bewezen dat aangever [slachtoffer 4] in ieder geval door verdachte en/of zijn medeverdachte op/tegen het hoofd is geraakt. Dat deze handelingen uit verdediging hebben plaatsgevonden, acht de rechtbank niet aannemelijk. [slachtoffer 4] lag al bewegingsloos op de grond.

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel aan te nemen. Nu niet is gebleken dat het slaan dan wel trappen in het gezicht dan wel tegen het hoofd en/of het lichaam in dit specifieke geval een (aanmerkelijke) kans op de dood in het leven heeft geroepen, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de poging doodslag op [slachtoffer 4] .

Gelet op al het voorgaande en in het bijzonder ook de omstandigheid dat vanaf een geringe afstand en met kracht – gelet op de ernst van het letsel en de afdrukken op het hoofd en achter het oor – tegen het hoofd is geschopt/getrapt, acht de rechtbank wel bewezen dat verdachte met zijn medeverdachte(n) een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven heeft geroepen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door in ieder geval ook zelf onder de genoemde omstandigheden een trappende beweging naar aangever [slachtoffer 4] (op de grond liggend) te maken, deze kans ook bewust aanvaard.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Met betrekking tot parketnummer 05/720143-17:

hij op of omstreeks 28 oktober 2016 in de gemeente Arnhem, althans in Nederland, met een ander of anderen, openlijk, te weten in een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, zijnde de Hoogstraat in Arnhem en/of (vervolgens) op Centraal Station Arnhem, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal, slaan en/of stompen en/of schoppen/trappen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1]

en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of een stoel gooien tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 3] .

Met betrekking tot parketnummer 05/720064-17:

hij op of omstreeks 17 februari 2017 in de gemeente Arnhem, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 4] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet genoemde [slachtoffer 4] met kracht meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd en/of het lichaam hebben geslagen en/of (vervolgens, al dan niet terwijl die [slachtoffer 4] roerloos, in elk geval in een kwetsbare positie op de grond lag) meermalen, althans éénmaal, (met geschoeide voet) op/tegen het hoofd en/of het lichaam hebben getrapt/geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Met betrekking tot parketnummer 05/720143-17:

Het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Met betrekking tot parketnummer 05/720064-17:

Medeplegen van poging tot zware mishandeling.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de poging doodslag (05/720064-17) en het openlijk geweld (05/720143-17) wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk met aftrek en een proeftijd van drie jaar. Aan het voorwaardelijk deel dienen een meldplicht en een verplichte gedragsinterventie worden verbonden. Hiertoe is aangevoerd dat verdachte binnen een half jaar tweemaal betrokken is geweest bij een vechtpartij in het uitgaansleven, waarbij het feit in februari 2017 ernstig letsel – waarvan aangever nog steeds klachten ondervindt – tot gevolg heeft gehad. Verder is meegewogen dat verdachte recent voor een soortgelijk feit is veroordeeld en dat door de reclassering het opleggen van bijzondere voorwaarden is geadviseerd.

Tot slot is de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte gevorderd, zodat de voorlopige hechtenis van verdachte weer wordt hervat.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen. Verder is verzocht om de vordering tot opheffing van de schorsing af te wijzen en de schorsingsvoorwaarden te wijzigen in de zin dat het elektronisch toezicht komt te vervallen. Hiertoe is aangevoerd dat een gevangenisstraf langer dan het voorarrest dan wel een hervatting van de voorlopige hechtenis de positieve ontwikkeling van verdachte zou doorkruisen. Verdachte heeft zich tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis aan alle voorwaarden gehouden en heeft besloten sinds zijn vrijlating en de geboorte van zijn dochter geen alcohol meer te drinken en niet meer uit te gaan. Tot slot is opgemerkt dat rekening dient te worden gehouden met het aandeel van [slachtoffer 4] zelf, nu hij zich kleinerend en vervelend tegenover verdachte heeft gedragen.

Verdachte heeft verklaard dat hij veel van zijn tijd in voorlopige hechtenis heeft geleerd en dat hij een omslag in zijn leven heeft gemaakt. Verder is hij bereid de training ‘Alcohol en Geweld’ te volgen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 16 augustus 2017;

- voorlichtingsrapportages van Reclassering Nederland, gedateerd 22 maart 2017 en 13 september 2017.

Verdachte heeft zich in een periode van vier maanden tweemaal schuldig gemaakt aan geweld

in het uitgaansleven. In oktober 2016 heeft verdachte met zijn vrienden de aangevers niet alleen

steeds achteruit gedreven, opgejaagd en gevolgd, maar ook meermalen geslagen en getrapt en

met een stoel gegooid. Het geweld heeft ook letsel en pijn bij de aangevers veroorzaakt. Hoewel

verdachte op dit moment in een proeftijd van een voorwaardelijke straf voor een soortgelijk feit

liep, heeft dit hem er niet van weerhouden zich bij deze vechtpartij uitdagend op te stellen en veel geweld te gebruiken. Het is echter niet bij dit incident in oktober 2016 gebleven.

In februari 2017 zijn verdachte en zijn vrienden weer actief betrokken geraakt bij een

vechtpartij, waarbij niet alleen op de aangever ( [slachtoffer 4] ) is ingeslagen maar ook zelfs op zijn

hoofd is ingeschopt terwijl hij al bewusteloos op de grond lag. Als gevolg van dit feit heeft

[slachtoffer 4] ernstig letsel, waaronder een hersenkneuzing, opgelopen. Uit zijn schriftelijke

slachtofferverklaring d.d. 31 mei 2017 volgt ook dat hij nog altijd last heeft van hevige

hoofdpijnen, oorsuizen en angsten als gevolg van het feit. Deze klachten beperken hem nog

steeds in zijn dagelijks leven. Hoewel uit het dossier volgt dat [slachtoffer 4] deze avond dronken en

vervelend is geweest, maakt dit nog niet dat dat hij hiermee een eigen aandeel heeft gehad in

wat hem is aangedaan. Het schoppen en trappen tegen het hoofd staan daarmee in geen enkel

verband. Verdachte had immers, zeker gelet op zijn lopende proeftijd en het incident in oktober

2016, beter moeten weten.

De rechtbank overweegt dat nu zij in tegenstelling tot de officier van justitie niet bewezen acht

dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging doodslag, een lagere straf zal

opleggen dan geëist. Uit de landelijke oriëntatiepunten volgt dat bij feiten als openlijk geweld

met enig letsel tot gevolg (oktober 2016) een gevangenisstraf van drie maanden tot uitgangspunt

wordt genomen. Voor een voltooide zware mishandeling geldt als uitgangspunt een

gevangenisstraf van zes maanden. Nu bij de bewezenverklaarde gezamenlijke poging zware

mishandeling ook fors letsel is ontstaan, zal de rechtbank ook hierbij deze straf tot uitgangspunt nemen.

In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank verder mee dat verdachte eerder voor een

soortgelijk feit is veroordeeld en zowel deze stok achter de deur als de zwangerschap van zijn

partner dan wel de ziekte van zijn vader hem er niet van hebben weerhouden om zich onder

invloed van alcohol weer schuldig te maken aan geweld richting voorbijgangers dan wel

richting andere bezoekers van een café. De rechtbank overweegt verder dat gelet op deze

eerdere veroordeling het taakstrafverbod (artikel 22b Wetboek van Strafrecht) van toepassing is.

Verder houdt de rechtbank rekening met de bevindingen van de reclassering. Zij schatten de

kans op herhaling – nu verdachte geen alcohol meer drinkt en niet meer uitgaat –

laag-gemiddeld in. Wat naar de mening van de reclassering verdachte verder kan helpen om de

kans op herhaling te verlagen is het opdoen van inzicht in het hoe en waarom van zijn gedrag

onder de invloed van alcohol. Dit kan middels een training ‘Alcohol en Geweld’. Dit is nog te

meer van belang nu verdachte de agressie niet bij zichzelf herkent en hier ook in grote mate

geen verantwoordelijkheid voor neemt. De reclassering adviseert dan ook aan verdachte een

gedeeltelijke voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: een

meldplicht en een gedragsinterventie (training ‘Alcohol en Geweld’).

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte voor beide feiten een gevangenisstraf opleggen

voor de duur van tien maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie

jaar. Aan dit voorwaardelijk deel zal zij de geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden. Zij

ziet gelet op al het voorgaande geen aanleiding om de schorsing van de voorlopige hechtenis op

te heffen en daarmee de voorlopige hechtenis te hervatten. Zij zal deze vordering afwijzen en

verder ook het bevel voorlopige hechtenis in het geheel opheffen.

7a. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De volgende benadeelde partijen hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding:

  • -

    [slachtoffer 1] (05/720143-17): € 1.123,74;

  • -

    [slachtoffer 2] (05/720143-17): € 1.074,00;

  • -

    [slachtoffer 4] (05/720064-17): € 6.435,64.

De benadeelde partijen hebben gevorderd om voornoemde bedragen toe te wijzen en te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Verder is verzocht om met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de vorderingen hoofdelijk toe te wijzen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, in geval de vorderingen van de benadeelde partijen niet allen hoofdelijk worden toegewezen, verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van de afdoening van de andere strafzaken.

Verder is verzocht om de benadeelde partij [slachtoffer 4] in verband met een eigen aandeel in het feit/de schade en het onderzoek dat hiernaar zou dienen plaatsvinden, niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering. Tot slot heeft de verdediging verzocht om de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met betrekking tot de gevorderde schade in verband met de vernielde goederen niet-ontvankelijk te verklaren, nu onvoldoende van een rechtstreeks verband met het feit is gebleken. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (05/720143-17):

Met betrekking tot zowel de jas als de schoenen overweegt de rechtbank dat onvoldoende is onderbouwd dat de jas dan wel de schoenen niet meer (eventueel na een reiniging dan wel herstel) kunnen worden gebruikt. Gelet daarop is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebleken dat het gaat om daadwerkelijke schade (de vervanging van de schoenen en jas) als gevolg van het feit. Zij zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk in deze posten van de vordering verklaren.

Nu uit de aangifte van [slachtoffer 1] wel volgt dat hij het horloge en zijn telefoon tijdens het feit bij zich heeft gehad en deze door het feit – dat verdachte samen met zijn medeverdachten heeft gepleegd – zijn vernield dan wel beschadigd, acht de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat deze schade (in verband met de vervanging dan het wel het herstel) in rechtstreeks verband staat tot het feit. Nu de schadeposten voor het overige inhoudelijk niet zijn betwist, zal de rechtbank de schade in verband met het horloge (€ 81,15) en de telefoon (€ 279,95) toewijzen.

Tot slot overweegt de rechtbank dat nu de gevorderde schade in verband met het verlies aan arbeidsvermogen verder niet dan wel onvoldoende is betwist, deze schade (€ 192,60) voor toewijzing in aanmerking komt. Nu voor het overige het letsel en de gevolgen voor de benadeelde partij evenmin zijn betwist, zal de rechtbank ook het smartengeld naar maatstaven van billijkheid begroten op het gevorderde bedrag van € 400,00.

Daarmee zal aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] een bedrag van € 953,70 worden toegewezen.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (05/720143-17):

Nu uit de toelichting met betrekking tot de ring volgt dat deze in december 2016 (na het feit) is aangeschaft, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat deze schade in rechtstreeks verband staat tot het feit. Daarmee zal de rechtbank de benadeelde partij met betrekking tot deze post niet-ontvankelijk in de vordering verklaren.

De rechtbank overweegt verder dat omdat uit de aangifte van [slachtoffer 2] volgt dat hij het horloge, de jas en de telefoon tijdens het feit bij zich heeft gehad dan wel heeft gedragen en deze door het feit – dat verdachte samen met zijn medeverdachten heeft gepleegd – zijn vernield dan wel beschadigd, voldoende aannemelijk is geworden dat deze schade in rechtstreeks verband staat tot het feit. Nu ter zake van het horloge en de jas de nieuwprijs is gevorderd, zal de rechtbank enige afschrijving (20 procent) in mindering brengen. Zij zal daarmee de schade in verband met het horloge (€ 175,20) en de jas (€ 55,20) en de telefoon (€ 366,00) – nu deze posten voor het overige ook verder niet inhoudelijk zijn betwist – toewijzen.

Met betrekking tot de schade in verband met inkomstenderving overweegt de rechtbank dat deze evenmin is betwist. Daarmee komt ook deze schade voor toewijzing in aanmerking (€ 275,00).

Gelet op al het voorgaande zal de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor een bedrag van € 871,40 toewijzen.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] (05/720064-17):

Zoals overwogen acht de rechtbank – hoewel aangever [slachtoffer 4] zich dronken en op sommige momenten vervelend heeft gedragen – niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van enige vorm van eigen dan wel medeschuld aan het feit en de schade (waaronder het letsel) die hierdoor is ontstaan. Nu voor het overige de gevorderde reiskosten (€ 35,62), de parkeerkosten (€ 4,75), het eigen risico (€ 352,98) en de kosten van de behandeling (€ 42,29) inhoudelijk niet zijn betwist, komen deze schadeposten voor toewijzing in aanmerking.

Met betrekking tot het smartengeld overweegt de rechtbank dat de benadeelde partij als gevolg van alle klappen en trappen – waaronder tegen zijn gezicht en hoofd – diverse verwondingen heeft opgelopen. Zo waren zijn boven- en onderlip kapot, had hij diverse verwondingen aan zijn hoofd dan wel gezicht en kwam er bloed uit zijn oor. Verder is de benadeelde als gevolg van al het geweld ongeveer tien minuten bewusteloos geweest, waarna in het ziekenhuis bij hem ook een hersenkneuzing is vastgesteld. Als gevolg van het letsel heeft de benadeelde sinds het feit last van oorsuizen. Het is niet duidelijk of dit nog zal herstellen. Verder heeft het letsel onder meer veel hoofdpijn teweeggebracht met concentratieproblemen tot gevolg. De benadeelde partij is gelet op alle klachten dan ook niet in staat om enige vorm van werk te verrichten met spanningen op zijn werk tot gevolg.

Tot slot heeft de benadeelde sinds het feit last van angst, onder meer als hij vergelijkbare groepen jongens ziet. Hij is inmiddels aangemeld voor traumatherapie.

Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank aannemelijk geworden dat het feit veel impact heeft gehad op het leven van de benadeelde. Zij zal dan ook het smartengeld, in vergelijking met soortgelijke zaken, naar maatstaven van billijkheid begroten op een bedrag van

€ 4.000,-. Daarmee zal aan de benadeelde een totaalbedrag van € 4.435,64 worden toegewezen.

Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering, nu de behandeling van dat deel van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan derhalve voor dit overige deel haar vordering aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Concluderend

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en wat verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partijen als gevolg van het bewezenverklaarde handelen tot bedragen van € 953,70 ( [slachtoffer 1] ), € 871,40 ( [slachtoffer 2] ) en € 4.435,64 ( [slachtoffer 4] ) schade hebben geleden, waarvoor verdachte met zijn medeverdachte(n) naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is. De vorderingen dienen tot deze bedragen te worden toegewezen.

Nu het gaat om feiten die verdachte samen met een ander of anderen heeft gepleegd, zal zij ten aanzien van alle vorderingen ook overwegen dat verdachte niet meer tot vergoeding jegens het slachtoffer gehouden is, indien en voor zover het gevorderde door zijn medeverdachte(n) is of wordt voldaan. Gelet op dit voorgaande zal de rechtbank ook het (voorwaardelijk) verzoek tot aanhouding van de verdediging afwijzen.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partijen.

De gevorderde en toegewezen rente/vergoeding voor proceskosten, zijn daar conform de landelijke oriëntatiepunten niet bij inbegrepen.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 28 oktober 2016 ( [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) dan wel 17 februari 2017 ( [slachtoffer 4] ).

7a. De beoordeling van de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om van de bij vonnis van 8 oktober 2015 voorwaardelijk opgelegde werkstraf de tenuitvoerlegging te gelasten.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Nu is bewezen dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit (05/720064-17), dient de bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem van 8 oktober 2015 (parketnummer 05/038872-13) voorwaardelijk opgelegde werkstraf voor de duur van 75 uur ten uitvoer gelegd te worden.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 22b, 24c, 27, 36f, 45, 47, 57, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het onder parketnummer 05/720064-17 primair tenlastegelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde onder de parketnummers 05/720143-17 en 05/720064-17 (subsidiair) tot:

  • -

    een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;

  • -

    bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

o de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

o de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich uiterlijk binnen vijf dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij de Reclassering Nederland aan de Nieuwe Oeverstraat 65 te Arnhem (telefoonnummer: 088-8041401) en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd zal deelnemen aan een gedragsinterventie, bestaande uit de training Alcohol en Geweld dan wel een andere gedragsinterventie gericht op agressiebeheersing, aangeboden door een nader door de reclassering te bepalen instelling. Daarbij dient de veroordeelde zich te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens voornoemde instelling aan de veroordeelde zullen worden gegeven. Dit geldt zolang de reclassering in overleg met de instelling noodzakelijk acht.

- Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht);

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

En verder:

wijst af de vordering tot opheffing van de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis;

heft op het, geschorste, bevel tot voorlopige hechtenis.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (05/720143-17):

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde feit onder parketnummer 05/720143-17 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van € 953,70 (negenhonderddrieënvijftig euro en zeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 953,70 (negenhonderddrieënvijftig euro en zeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 19 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    verstaat dat indien en voor zover door de mededader en/of mededaders het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (05/720143-17):

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde feit onder parketnummer 05/720143-17 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], van een bedrag van € 871,40 (achthonderdeenenzeventig euro en veertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € 871,40 (achthonderdeenenzeventig euro en veertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 17 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    verstaat dat indien en voor zover door de mededader en/of mededaders het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] (05/720064-17, subsidiair):

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde feit onder parketnummer 05/720064-17 (subsidiair) tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] van een bedrag van € 4.435,64 (vierduizendvierhonderdvijfendertig euro en vierenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 4] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 4] , een bedrag te betalen van € 4.435,64 (vierduizendvierhonderdvijfendertig euro en vierenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 54 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    verstaat dat indien en voor zover door de mededader en/of mededaders het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

De beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling (parketnummer

05/038872-13):

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem van 8 oktober 2015, te weten van: een werkstraf voor de duur van 75 (vijfenzeventig) uren met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 37 (zevenendertig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Jansen-van Leeuwen (voorzitter), mr. H.P.M. Kester-Bik en mr. T.N. Ritzer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.T.P.J. Damen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 oktober 2017.

BIJLAGE:

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Met betrekking tot parketnummer 05/720143-17:

hij op of omstreeks 28 oktober 2016 in de gemeente Arnhem, althans in Nederland, met een ander of anderen, openlijk, te weten in een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten de Hoogstraat in Arnhem en/of (vervolgens) op Centraal Station Arnhem, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal, slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1]

en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of een stoel gooien tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 3] .

Met betrekking tot parketnummer 05/720064-17:

hij op of omstreeks 17 februari 2017 in de gemeente Arnhem, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 4] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet, die [slachtoffer 4] met kracht meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of (vervolgens, al dan niet terwijl die [slachtoffer 4] roerloos, in elk geval in een kwetsbare positie op de grond lag) meermalen, althans éénmaal, (met geschoeide voet) op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft getrapt en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 17 februari 2017 in de gemeente Arnhem, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 4] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet genoemde [slachtoffer 4] met kracht meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of (vervolgens, al dan niet terwijl die [slachtoffer 4] roerloos, in elk geval in een kwetsbare positie op de grond lag) meermalen, althans éénmaal, (met geschoeide voet) op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft getrapt en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 17 februari 2017 in de gemeente Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 4] heeft mishandeld door die [slachtoffer 4] (met kracht) meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of (vervolgens, al dan niet terwijl die [slachtoffer 4] roerloos, in elk geval in een kwetsbare positie

op de grond lag) meermalen, althans éénmaal, (met geschoeide voet) op/tegen het hoofd en/of het lichaam te trappen/schoppen, waardoor die [slachtoffer 4] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

meest subsidiair:

hij op of omstreeks 17 februari 2017 in de gemeente Arnhem, althans in Nederland, met een ander of anderen, openlijk, te weten in een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten café Loft, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 4] , welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal, slaan en/of (vervolgens) schoppen en/of trappen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 4] , terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, te weten letsel in of aan het gelaat en/of hoofd, althans enig lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 4] ten gevolge heeft gehad.

1 De volledige tenlasteleggingen zijn in de bijlage opgenomen.

2 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017146174, gesloten op 20 april 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

3 Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , p. 93-94.

4 Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] , p. 84-85.

5 Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3] , p. 88-89.

6 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 27 september 2017.

7 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 209.

8 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 130.

9 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 131 t/m 133.

10 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 27 september 2017.

11 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 138 t/m 141.

12 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2017075500 (onderzoek ON4R017026 ATTIC), gesloten op 19 april 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

13 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 224-225.

14 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 228-229.

15 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 236 en 238.

16 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 226.

17 Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 4] , p. 85-86.

18 De letselrapportage, p. 109.

19 Het proces-verbaal van bevindingen analyse camerabeelden Loft, p. 155 t/m 157.

20 Het proces-verbaal van bevindingen analyse camerabeelden Loft, p. 158.

21 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 27 september 2017.

22 Het proces-verbaal van verhoor verdachte in het kader van de vordering tot inbewaringstelling, p. 2.