Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:5277

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
11-10-2017
Zaaknummer
C/05/287610 / HZ ZA 15-354
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisende partij, de Gemeente, heeft niet het bewijs geleverd dat tussen partijen is overeengekomen dat gedaagde haar schoolgebouw zou verplaatsen naar de in de gemeente op te richten brede school MFA Heerde Oost.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/287610 / HZ ZA 15-354

Vonnis van 27 september 2017

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE HEERDE,

zetelend te Heerde,

eiseres,

advocaat mr. W.E.M. Klostermann te Zwolle,

tegen

de stichting

STICHTING PROO NOORD-VELUWE,

gevestigd te Harderwijk,

gedaagde,

advocaat mr. P.H.F. Yspeert te Groningen.

Partijen zullen hierna de Gemeente en Stichting Proo genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 4 mei 2016

  • -

    de akte van de Gemeente van 1 juni 2016

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 14 september 2016

  • -

    de akte overlegging producties van Stichting Proo van 19 januari 2017

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor en tegengetuigenverhoor, gehouden op 19 januari 2017

  • -

    de conclusie na enquête van de Gemeente

  • -

    de antwoordconclusie na enquête van Stichting Proo.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In het tussenvonnis van 4 mei 2016 is de Gemeente opgedragen te bewijzen dat met Stichting Proo is afgesproken dat zij de Horsthoekschool na de oprichting van het MFA Heerde Oost, daarin zou huisvesten. De Gemeente heeft met het oog op de bewijslevering diverse stukken overgelegd en vijf getuigen doen horen. Ook Stichting Proo heeft nadere stukken overgelegd en één getuige doen horen.

2.2.

Na de bewijslevering heeft, in de conclusies na enquête, het debat tussen partijen zich verbreed tot (ook) de vraag of reeds voor de overdracht van het openbaar onderwijs door de Gemeente aan Stichting Proo, door de Gemeente (het toen bevoegde gezag) is besloten tot verhuizing van een aantal scholen, waaronder de Horsthoekschool, naar de MFA’s. De Gemeente stelt dat dit het geval is en dat dit meebrengt dat als het tot de oprichting van de twee MFA’s zou komen, het Stichting Proo niet meer vrij stond om naar goeddunken van die verhuizing af te zien (conclusie na enquête, bij randnummer 4). Bij voltooiing van een positieve besluitvorming over de MFA’s was het een gegeven dat de Horsthoekschool mee zou gaan, aldus de Gemeente. De rechtbank zal eerst deze stelling beoordelen, mede aan de hand van het bijeengebrachte bewijs.

2.3.

Ter onderbouwing van deze stelling heeft de Gemeente onder meer aangevoerd dat bij de bestuursoverdracht van het openbaar onderwijs aan Stichting Proo (op 1 januari 2006), anders dan bij de andere scholen het geval is geweest, het schoolgebouw niet aan Stichting Proo in eigendom is overgedragen. Stichting Proo is, zo stelt de Gemeente, het schoolgebouw van de Gemeente gaan huren waaruit volgt dat “verhuizing naar de MFA het gedeelde uitgangspunt was”. De Gemeente wijst in dit verband op enkele, met een pijl aangewezen delen in een verslag van juni 2005 van de “regiegroep voor de overdracht van schoolbestuurlijke taken aan de Stichting Proo” (overgelegd als productie 2 bij conclusie na enquête). Aan deze regiegroep hebben deelgenomen zowel vertegenwoordigers van de Gemeente als van Stichting Proo, onder wie ook (de ook als getuige gehoorde)

[naam algemeen directeur] (hierna: [naam algemeen directeur] ), op dat moment de algemeen directeur van Stichting Proo. Wat betreft dit verslag stelt de rechtbank voorop dat gesteld noch gebleken is dat de daarin vervatte uitgangspunten als bindend voor de partijen hebben te gelden. Het verslag vormt de aanzet om te komen tot een plan van aanpak ten behoeve van de besluitvorming over brede scholen, zo staat in de inleiding (p. 3). Dat neemt niet weg dat uit informatie uit het verslag wel zou kunnen blijken dat de Gemeente bepaalde beslissingen heeft genomen die een haar opvolgende partij, zoals Stichting Proo, dient te respecteren. Die conclusie kan echter niet verbonden worden aan de door de Gemeente aangewezen delen in dit verslag. Zo staat op pagina 12 van het verslag dat de juridische eigendom van de scholen bij de Gemeente blijft “totdat de besluitvorming over de brede scholen definitief is” en wordt over de Beatrixschool opgemerkt dat deze school “gebouwelijk gezien buiten de brede school discussie moet worden gehouden”. Weliswaar zou daaruit kunnen worden afgeleid dat partijen het er toen al over eens waren dat de Beatrix school niet zou verhuizen naar een MFA, maar daaruit kan niet – a contrario – worden afgeleid dat de verhuizing van de Horsthoekschool een gegeven was waarvan Stichting Proo niet meer zou kunnen afwijken. Daarvoor ademt het hele verslag ook teveel de sfeer van voornemens, intenties en keuzes ter voorbereiding van nog te ontwikkelen plannen en te nemen besluiten. Ook hetgeen in het verslag staat op pagina 18 en 19 leidt niet tot de door de Gemeente daaraan verbonden conclusie. Daar wordt weliswaar gesproken van “gebouwen van de scholen die betrokken zijn bij de vorming van brede scholen” maar deze opmerking is geplaatst in relatie tot de vraag naar de financiering van het onderhoud zolang de juridische eigendom van de gebouwen bij de Gemeente blijft.

2.4.

Door Stichting Proo is bovendien gewezen op een door het college van b&w overgenomen en door de gemeenteraad van de Gemeente geaccordeerd advies van 21 juli 2005 betreffende de overdracht van het bevoegd gezag aan Stichting Proo (productie 16 bij antwoordconclusie na enquête). In dat advies staat dat eerst na de definitieve besluitvorming omtrent de brede scholen bekeken moet worden “of en wanneer” de juridische eigendom van onder meer het gebouw van de Horsthoekschool zal worden overgedragen aan Stichting Proo. Voorts staat in dit advies dat wanneer de overdracht niet doorgaat “omdat de raad hiertoe niet wil besluiten” aan Stichting Proo een garantie moet worden gegeven voor de gedane investeringen. Uit de hiervoor cursief aangehaalde passages kan worden afgeleid dat er op dat moment tussen partijen nog geen harde afspraken waren gemaakt over de scholen die zouden gaan participeren in die brede scholen.

2.5.

Bij het voorgaande komt nog dat het document “Visie brede scholen Heerde” (door Stichting Proo overgelegd als productie 7 bij de akte overlegging producties), hierna: het visie-document, en de daarbij gevoegde “intentieverklaring”, welke stukken dateren van 30 november 2004 en waarnaar door beide partijen in het kader van de bewijslevering is verwezen, geen aanwijzingen bevatten dat de Gemeente toen al had besloten tot verhuizing van de Horsthoekschool naar een nog op te richten brede school. Het visie-document bevat voornamelijk algemeen geformuleerde uitgangspunten zoals (p. 9):

In de ruimtelijke opzet wordt voor de toekomst rekening gehouden met een mogelijke groei/versterking van de samenwerking, waardoor er steeds meer gemeenschappelijke overlap ontstaat en ook wordt gevraagd. Daarom wordt in de gebouwelijke opzet rekening gehouden met voldoende mate van flexibiliteit, zodat in de toekomst desgewenst (gedeeltelijk) doorgegroeid kan worden.

In de intentieverklaring worden door de betrokkenen (waartoe toen nog niet behoorde Stichting Proo) de in het visie-document neergelegde visie, doelstellingen en uitgangspunten onderschreven. Gelet op de inhoud van het visie-document kan daarin geen steun worden gevonden voor de stelling dat de Gemeente al in een vroeg stadium, voor de overdracht van het openbaar onderwijs aan Stichting Proo, in het kader van de brede school- of MFA-plannen, had bepaald dat de Horsthoekschool zou verhuizen. Van een dergelijk bindend besluit is ook niet uit andere, in deze procedure overgelegde stukken gebleken. De Gemeente heeft nog gewezen op een verslag van de raadsvergadering van 6 maart 2006 over dit onderwerp en op de “Startnotitie MFA’s Heerde” (door Stichting Proo respectievelijk overgelegd als producties 8 en 9 bij de akte overlegging producties). Uit de in deze stukken beschreven voorgeschiedenis van de brede school-plannen, waarnaar de Gemeente verwijst, is echter niet af te leiden dat de verhuizing van de Horsthoekschool naar een nog op te richten MFA als een vaststaand gegeven diende te worden beschouwd. Niet alleen wordt daarover in deze documenten niet met zoveel woorden gerept, ook bevatten deze documenten slechts ideeën over de financieel-economische en technische haalbaarheid, over met wie er zou kunnen worden samengewerkt en over de varianten die onderzocht zouden kunnen worden.

2.6.

Enkele van de getuigen aan de zijde van de Gemeente hebben verklaard dat er al in een vroeg stadium, nog voordat het openbaar onderwijs aan Stichting Proo is overgedragen, sprake zou zijn van het participeren van de Horsthoekschool in een brede school en dat dit inhield dat deze school zou verhuizen. In deze zin is dat verklaard door de voormalig wethouder [naam getuige 4] die echter in zijn verklaring daarover verwijst naar het visie-document. Over dit document is hiervoor al geoordeeld dat een dergelijke conclusie daaraan niet verbonden kan worden. [naam getuige 3] heeft voorts verklaard dat er sprake was van een toezegging van [naam algemeen directeur] , de toenmalige algemeen directeur van Stichting Proo, dat de school zou verhuizen, doch dit is weersproken door [naam algemeen directeur] , die eveneens als getuige is gehoord. Ook andere getuigen aan de zijde van de Gemeente, [naam getuige 1] en [naam getuige 2] , verwijzen naar “stukken”, waaronder het visie-document, waaruit blijkt dat bij de oprichting van de MFA’s de Horsthoekschool daarin zou worden ondergebracht. Ook zou uit “de stukken” blijken dat de Gemeente de verhuizing als eis stelde aan Stichting Proo voor de overdracht van het openbaar onderwijs. Zoals hiervoor is geoordeeld bieden de door partijen overgelegde stukken geen steun voor dergelijke afspraken of voorwaarden. Door getuige [naam getuige 2] , in de periode 2004 tot en met 2006 wethouder in de Gemeente met in haar portefeuille onderwijs, is nog gewezen op de notulen van een vergadering van de gemeenteraad van 19 december 2005 waaruit dit expliciet zou blijken. Dit stuk is echter niet overgelegd, zodat niet kan worden geverifieerd of haar verklaring op dit punt klopt.

2.7.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank is van oordeel dat niet is vast komen staan dat al vóór de overdracht van het openbaar onderwijs aan Stichting Proo door de Gemeente het besluit was genomen dat de Horsthoekschool zou gaan verhuizen naar de MFA Heerde Oost indien deze zou worden opgericht en dat Stichting Proo daaraan gebonden was. Dat brengt mee dat het besluit daarover aan de Stichting Proo was zodat nog steeds de bewijsvraag voorligt of de Gemeente met Stichting Proo heeft afgesproken dat zij de Horsthoekschool na de oprichting van MFA Heerde Oost, daarin zou huisvesten.

2.8.

Als bewijs van het bestaan van die afspraak heeft de Gemeente onder meer gewezen op twee gespreksverslagen, van respectievelijk 31 oktober en 22 november 2011 (door de Gemeente als producties 1 en 2 overgelegd bij de akte van 1 juni 2016). Het betreft verslagen van twee bijeenkomsten van de Gemeente met Stichting Proo waarbij door betrokkenen over de MFA’s en in het bijzonder de verhuizing van de Horsthoekschool is gesproken. Uit de begeleidende e-mails bij de verslagen volgt dat die zijn opgesteld door [naam getuige 1] van de Gemeente en dat daarop aanvullingen zijn voorgesteld, in die verslagen gemarkeerd aangegeven, door respectievelijk [naam algemeen directeur] en [naam] , beide namens Stichting Proo. Tijdens de getuigenverhoren heeft de Gemeente de getuigen [naam getuige 3] , [naam getuige 1] en [naam algemeen directeur] het volgende citaat uit het verslag van 31 oktober 2011 voorgehouden:

Wethouder [naam getuige 4] geeft aan dat de stichting in 2007/2008 heeft gevraagd de Beatrixschool niet onder te brengen in de MFA Heerde Oost.

Hierover heeft destijds een gesprek plaatsgevonden tussen de gemeente, Proo en st. Cambium. In dat gesprek zijn partijen overeengekomen de Beatrixschool uit de MFA-Oost zou worden gehaald onder de voorwaarde dat de Horsthoekschool en de Parkschool wel mee blijven gaan in de MFA.

Hiermee is de heer [naam algemeen directeur] namens de stichting Proo akkoord gegaan.

De heer [naam algemeen directeur] bevestigt dit.

Hij geeft aan dat het bestuur echter van mening is veranderd door voortschrijdend inzicht en de ervaringen, die inmiddels zijn opgedaan rond de Brede School Heerde West.

De getuigen is gevraagd of dit een juiste weergave is van hetgeen toen gezegd is waarop deze getuigen alle drie bevestigend hebben geantwoord. Door [naam getuige 1] is als getuige daarover verklaard dat er een overleg is geweest in oktober 2007, met de Gemeente, Stichting Proo en Cambium en dat toen is besloten dat de Beatrixschool buiten de MFA Heerde Oost zou blijven onder de voorwaarde dat (onder meer) de Horsthoekschool daar wel gehuisvest zou worden. Getuige [naam getuige 4] heeft in ongeveer dezelfde bewoordingen daarover verklaard, zij het dat hij niet spreekt over gehuisvest worden maar over de voorwaarde dat de andere scholen, waaronder de Horsthoekschool, zouden blijven participeren. Op een vraag van mr. Yspeert (advocaat van Stichting Proo) of de bedoelde toezegging van Stichting Proo zag op verhuizen of participeren in de procedure heeft [naam getuige 4] geantwoord: “In mijn ogen zag die op verhuizen”. Door getuige [naam getuige 5] , destijds bij dit overleg aanwezig in zijn hoedanigheid van algemeen directeur van de Stichting Cambium, een andere bij het project brede scholen betrokken partij, is verklaard dat toen Stichting Proo verzocht om de Beatrixschool niet mee te laten gaan door hem, [naam getuige 5] , is gezegd: “Akkoord, maar dan gaan alle overige Pro scholen wel mee.” Door deze getuigen is voorts nog verklaard dat zij menen dat de afspraak niet op papier is gezet.

2.9.

Over hetzelfde onderwerp is door [naam algemeen directeur] onder meer verklaard:

(…)

In de loop van de gesprekken over de verzelfstandiging is Proo tot de conclusie gekomen dat één van de openbare basisscholen in Heerde, de Beatrixschool, gezien haar huisvesting op dat moment en de wijze waarop ze ondergebracht zou worden in de brede school beter niet opgenomen kon worden in een brede school. Met de andere scholen zouden we meegaan in het proces naar de realisatie van brede scholen.

(…)

Het onderzoek naar de brede school in oost is gestagneerd nadat de overeenkomst tussen de coördinerende partij, Fame, en de gemeente was beëindigd. Proo heeft toen zijn zorgen uitgesproken. In 2009 hebben we besloten dat de Horsthoekschool niet zou worden ondergebracht in de brede school/MFA. Daarvoor heb ik dat al kenbaar gemaakt in het overleg zowel met de gemeente als in de herstart van het overleg over de realisatie van het MFA Oost Heerde.
Proo heeft de gemeente hiervan schriftelijk in kennis gesteld bij de brief van 15 oktober 2009 die ik hier heb meegenomen.

(…)

Wat ik daar (het gespreksverslag van 31 oktober 2011, rb) bedoel is, dat wij in 2006 zouden meegaan in het onderzoek naar de MFA op basis van de intentieverklaring waarover ik het zojuist had. Er is door mij namens Proo geen afspraak gemaakt over de verhuizing van de Horsthoek school. Ik zou zo’n afspraak alleen maar kunnen maken als het achteraf bekrachtigd zou worden door het bestuur van Proo of als ik vooraf gemandateerd was om de afspraak te maken. Ik was algemeen directeur en geen directeur-bestuurder. Dat betekent dat alle besluiten door het bestuur moeten worden genomen. Ik was door het bestuur van Proo niet gemandateerd om in te stemmen met de verhuizing van de Horsthoek school want daarvoor waren nog geen concrete plannen. Op het moment waar de wethouder het in deze passage over heeft lag het onderzoek naar Heerde Oost stil nadat het contract met Fame was beëindigd. Ik meen dat het in 2008 weer is voortgezet. We hebben er in 2009 bewust voor gekozen om ons besluit aan de gemeente kenbaar te maken want op dat moment was het onderzoek naar Heerde Oost net weer opgestart en kon er dus in alle plannen en inrichting van het gebouw rekening worden gehouden met ons besluit.
U vraagt hoe het kan dat de heer [naam getuige 5] , destijds bestuurder van Cambium, de afspraak op dezelfde manier interpreteert als dat de gemeente dat doet. Ik kan me dat van zijn kant voorstellen omdat er nooit expliciet onderscheid is gemaakt tussen het onderzoek en onderbrengen. Op het moment dat Proo tot andere inzichten is gekomen over deelneming aan het onderzoek was hij al geen directeur meer van Cambium.

(…)
In alle gesprekken zijn wij ervan uitgegaan dat er sprake is van onderzoek naar de realisatie van een MFA Heerde Oost. Wij hebben onderscheid gemaakt tussen een brede school en een MFA. Wij werken ook met de Horsthoekschool samen met andere scholen in een brede school, maar dat wil niet zeggen dat de samenwerking ook gebouwelijke consequenties moet hebben. In de stukken van de gemeente wordt dat onderscheid niet gemaakt. Er werden in die tijd 5 soorten brede scholen onderscheiden. Dat sloeg dan op de verschillende vormen van samenwerking tussen basisscholen en andere instanties.
(…)

2.10.

Door getuige [naam getuige 6] , bestuurslid van Stichting Proo in de periode van 2006 tot april 2014, is op de vraag of er met de Gemeente een afspraak over de verhuizing van de Horsthoekschool is gemaakt, geantwoord:

Bij mijn weten is daarover voor de overdracht van het openbaar onderwijs aan Proo nimmer een harde afspraak gemaakt. Na de overdracht is door het bestuur van Proo ook nooit een dergelijke afspraak gemaakt. Voor het maken van een afspraak over nieuwbouw, verhuizing, fundamentele wijzigingen in de huisvestingssituatie door het bevoegd gezag van een school is nodig dat daarover advies wordt gevraagd aan de GMR. Daarover is door het bevoegd gezag nooit advies gevraagd aan de GMR. Er is in die tijd wel gesproken over voornemens tot en onderzoeken naar het vormen van een of meer MFA’s.

(…)

Als u met uw vraag bedoelt of men het eens was met het onderbrengen van een of meer bepaalde scholen in een MFA is het antwoord daarop nee. Voor een aantal scholen was het wel helder. Dat waren De Spreng en De Parkenschool. Duidelijk was ook dat de Jenaplanschool, de Beatrixschool, niet zou meegaan. Vanuit de Horsthoekschool was toen al meermalen kenbaar gemaakt dat getwijfeld werd aan de haalbaarheid.

(…)

Na de overgang is in het bestuur van Proo herhaaldelijk gesproken over de moeizame discussie met de gemeente over de vorming van MFA’s specifiek in verband met de Horsthoek. Het bestuur heeft in die periode nooit het besluit genomen dat de Horsthoek zou overgaan naar de MFA. In 2011 ben ik daarvoor bij wethouder [naam getuige 4] geweest. Ik heb ook ingesproken in de raadsvergadering van 19 december 2011 waarin de gemeenteraad heeft besloten om over te gaan tot de vorming van MFA oost. Daarin heb ik gezegd dat Proo ernstige bezwaren had tegen het mee moeten gaan van de Horsthoek in deze MFA met name vanwege het financiële risico voor de stichting en vanwege de wens van ouders die hun kinderen niet naar school wilden laten gaan in een MFA maar liever in een kleinere school.

(…)

2.11.

Uit de hiervoor genoemde stukken en hetgeen door getuigen is verklaard kan niet worden afgeleid dat er sprake is van een bindende afspraak tussen de Gemeente en Stichting Proo dat de Horsthoekschool zich zal vestigen in de nog op te richten MFA Heerde Oost. Er is wel (veel) over gesproken en het lijkt zo te zijn dat de Gemeente, en ook de andere gesprekspartner Stichting Cambium, in de veronderstelling zijn geweest dat deelname aan de MFA niet anders kon betekenen dan dat ook de Horsthoekschool naar de nog op te richten MFA zou verhuizen, maar Stichting Proo had daar een andere kijk op. Die hield in dat zij de bereidheid had om mee te denken over de oprichting van MFA’s en dat ook de Horsthoekschool daaraan zou meedoen, maar dat daarmee niet vast stond dat deze school naar de MFA Heerde Oost zou verhuizen. De overgelegde stukken alsmede de door de getuigen afgelegde verklaringen laten ruimte voor dit standpunt van Stichting Proo en wijzen niet op een bindende afspraak over het verhuizen. Zo is door [naam getuige 3] verklaard dat er “in zijn ogen” sprake was van een afspraak wat ruimte laat voor een andersluidend standpunt van Stichting Proo. Door [naam getuige 5] (van Stichting Cambium) is verklaard dat hij akkoord was met het erbuiten laten van de Beatrixschool als de andere Proo-scholen wel mee zouden gaan, maar door hem is niet verklaard dat Stichting Proo met die door hem geformuleerde voorwaarde heeft ingestemd. Stichting Proo heeft bovendien gewezen op een brief van [naam getuige 5] van 1 november 2007 (productie 10 bij de akte overlegging producties), gericht aan de ouders van de Cambiumscholen en met als onderwerp “Brede Scholen” waarin staat: “Of dat (brede scholen, rb.) vervolgens in één of meer gebouwen onder dak komt, moeten we nog maar eens bekijken”. Dat suggereert op zijn minst dat daarover toen nog geen definitief besluit was genomen. Stichting Proo heeft in dit verband nog gewezen op haar brief van 15 oktober 2009 aan het college van b&w van de Gemeente (productie 11 bij de akte overlegging producties) waarin zij schrijft dat zij de brede school als een samenwerkingsverband ziet en voorts: “Als dit ook nog in één gebouw (een MFA) ondergebracht kan worden kan dit voordelen hebben voor de inhoudelijke samenwerking. Het is echter geen absolute voorwaarde.” Alle overgelegde stukken inzake de brede scholen en/of MFA’s hebben, zoals hiervoor al is overwogen, in hoofdzaak een oriënterend karakter en ten aanzien van het daadwerkelijk verhuizen van de Horsthoekschool bevatten die stukken geen vastlegging van enige definitieve afspraak. Bovendien is door [naam algemeen directeur] als getuige verklaard dat hij als algemeen directeur niet gemandateerd was om in te stemmen met de verhuizing van de Horsthoekschool. [naam algemeen directeur] wijst erop dat hij geen directeur-bestuurder was en dat dit meebracht dat alle besluiten door het bestuur van de stichting genomen moesten worden. Dat betekent dat een eventuele mondelinge toezegging aan de Gemeente door [naam algemeen directeur] in beginsel pas voor Stichting Proo bindend zou zijn nadat het bestuur van Stichting Proo daaraan haar goedkeuring had verleend. Van goedkeuring of instemming van het bestuur van Stichting Proo is niet gebleken. Gelet op het verstrekkende karakter van de afspraak ligt het overigens ook niet voor de hand dat die goedkeuring verleend zou worden op basis van een mondelinge toezegging van haar algemeen directeur.

2.12.

De Gemeente heeft nog gewezen op een verslag van een overleg met Stichting Proo op 26 november 2009 (productie 1 bij conclusie na enquête). In dat verslag staat dat [naam getuige 4] heeft opgemerkt dat door de toenmalige directie, het personeel, de OR en de MR is gesproken over de redenen om de Horsthoekschool over te plaatsen richting Heerde-Oost. “Zij hebben ingestemd met deze koers”, zo staat in dit verslag. Daarop staat voorts in dit verslag: “De heer [naam algemeen directeur] vindt dat er nu sprake is van voortschrijdend inzicht. De wens van alle betrokkenen is dan ook de Horsthoekschool op de huidige plaats te handhaven.” Uit dit citaat blijkt volgens de Gemeente dat Stichting Proo “teruggekomen is op het akkoord over verplaatsing”. Aan het feit dat Stichting Proo zou hebben ingestemd met het volgen van een bepaalde koers kan, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet de betekenis worden toegekend dat partijen zich daarmee hebben vastgelegd op het verplaatsen van de school. Die “koers” betrof hooguit een gedeelde visie, neergelegd in stukken die een sterk oriënterend karakter droegen. Ook uit de andere stukken die door de Gemeente en door Stichting Proo ten behoeve van het getuigenverhoor en nadien in het geding zijn gebracht blijkt niet van een de partijen bindende afspraak tot verhuizing van de Horsthoekschool. Veeleer blijkt daaruit, zoals Stichting Proo heeft gesteld, dat partijen het stadium van het maken van bindende afspraken daarover nimmer hebben bereikt en zijn blijven steken in haalbaarheidsonderzoeken waaraan Stichting Proo bereid was mee te werken.

2.13.

Gelet op het voorgaande is de conclusie dat de Gemeente niet geslaagd is in het haar opgedragen bewijs. Dat brengt mee dat de vorderingen zullen worden afgewezen. De Gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Stichting Proo worden begroot op € 613,00 voor het griffierecht en € 2.034,00 voor het salaris van de advocaat (4,5 punt × tarief € 452,00). De nakosten zullen worden toegewezen zoals hierna zal worden bepaald.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

wijst de vorderingen af,

3.2.

veroordeelt de Gemeente in de proceskosten, aan de zijde van Stichting Proo tot op heden begroot op € 2.647,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de elfde dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.3.

veroordeelt de Gemeente in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van elf dagen na de datum van dit vonnis tot aan de voldoening.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. van Lee en in het openbaar uitgesproken op

27 september 2017.

PB/LE