Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:523

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-01-2017
Datum publicatie
27-01-2017
Zaaknummer
05/880532-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft vandaag een 41-jarige man uit Woudenberg veroordeeld tot 20 maanden gevangenisstraf. De rechtbank acht bewezen dat de man in de jaren 2013 en 2014 voor een bedrag van in totaal ruim € 620.000,- meerdere personen heeft opgelicht en ook geld van zijn stiefzoon heeft verduisterd. De man heeft naar het oordeel van de rechtbank op een nare manier misbruik gemaakt van het vertrouwen dat verschillende mensen, waaronder familieleden en mannen die hij via een datingsite had leren kennen, in hem stelden. Deze mensen dachten stuk voor stuk dat ze een goede investering deden en maakten grote geldbedragen aan (de bedrijven van) de man over. Daarna verdween de man met de Noorderzon en van de geïnvesteerde bedragen en beloofde rendementen hebben de meesten nooit wat teruggezien. Via een bedreigende en onnodig kwetsende kaart heeft hij hen laten weten dat hij weg is met hun geld.

De rechtbank heeft de strafeis van de officier van justitie overgenomen en bij de strafoplegging rekening gehouden met de ernst en de hoeveelheid van (de) feiten en het doortrapte karakter van de handelwijze van de man. Ook heeft de rechtbank bepaald dat de man geldbedragen die hij afhandig heeft gemaakt met een schadevergoedingsmaatregel moet terugbetalen aan de gedupeerden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/880532-15

Datum uitspraak : 27 januari 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .

Raadsman: mr. S.H.O. Schaapherder, advocaat te Apeldoorn.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 januari 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 01 september 2009 tot en met 09 juli 2014 te Apeldoorn en/of Arnhem en/of Nieuwegein en/of Deventer, althans in Nederland (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meer van na te noemen personen heeft bewogen tot de afgifte van (telkens) een of meer geldbedrag(en), elk geval enig goed en/of tot het ter beschikking stellen van gegevens, (te weten DigiD inloggegevens en/of (een) bankrekeningnummer(s)) en/of tot het aangaan van een schuld, te weten van:

- [slachtoffer 2] , een geldsom totaal groot circa 42.500 euro en/of

- [slachtoffer 1] , een geldsom totaal groot circa 140.019,81 euro en/of

- [slachtoffer 3] , een geldsom totaal groot circa 122.821,87 euro en/of

- [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , een geldsom totaal groot circa 200.000 euro en/of

- [slachtoffer 6] , een geldsom totaal groot circa 83.750 euro en/of

- [slachtoffer 7] , een geldsom totaal groot circa 25.000 euro en/of

- [slachtoffer 8] , een geldsom totaal groot circa 15.750 euro en/of

- [slachtoffer 9] , een geldsom totaal groot circa 17.500 euro,

hierin bestaande dat verdachte (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- zich tegenover voornoemde perso(o)n(en) heeft voorgedaan als eigenaar van het bedrijf/de bedrijven [naam 1] en [naam 2] en/of

- aan voornoemde pers(o)on(en) (telkens) heeft verzocht (een) geldbedrag(en) ter beschikking te stellen aan hem, verdachte, en/of aan [naam 1] en/of [naam 2] ter investering en/of ter belegging, en/of

- ( daarbij) (telkens) aan een of meer van voornoemde personen hoge rentepercentages, althans hoge rendementen heeft voorgespiegeld en/of

- ter bevestiging van de/het ter beschikking gestelde/ontvangen geld(en) (telkens) (een) overeenkomst(en) heeft opgesteld, waaraan de gelduitlener(s) de gerechtvaardigde verwachting kon(den) ontlenen dat hij/zij te maken had(den) met een betrouwbare/bonafide zakenpartner en/of financieel deskundige, (-terwijl het bedrijf/de bedrijven van verdachte, te weten [naam 1] en [naam 2] reeds per 01 januari 2014 was/waren ontbonden)

en/of dat verdachte

-voor [slachtoffer 7] studiefinanciering heeft aangevraagd (bij DUO), (waarbij die [slachtoffer 7] hem, verdachte, in zijn rol als stiefvader vertrouwde) en/of -(daarbij) buiten weten van [slachtoffer 7] een maximale lening heeft aangevraagd,

waardoor [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(n), en/of die [slachtoffer 7] werd bewogen tot het ter beschikking stellen van bovengenoemde gegevens en/of het aangaan van een schuld (voor wat betreft de maximale lening);

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 01 september 2009 tot en met 09 juli 2014 te Apeldoorn en/of Arnhem en/of Nieuwegein en/of Deventer, althans in Nederland

(telkens) opzettelijk een of meer geldbedrag(en), in elk geval enig goed, te weten van:

- [slachtoffer 2] , een geldsom totaal groot circa 42.500 euro en/of

- [slachtoffer 1] , een geldsom totaal groot circa 140.019,81 euro en/of

- [slachtoffer 3] , een geldsom totaal groot circa 122.821,87 euro en/of

- [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , een geldsom totaal groot circa 200.000 euro en/of

- [slachtoffer 6] , een geldsom totaal groot circa 83.750 euro en/of

- [slachtoffer 7] , een geldsom totaal groot circa 25.000 euro en/of

- [slachtoffer 8] , een geldsom totaal groot circa 15.750 euro en/of

- [slachtoffer 9] , een geldsom totaal groot circa 17.500 euro,

geheel of ten dele toebehorende aan bovengenoemde pers(o)on(en), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welk(e) geldbedrag(en) en/of goed(eren) verdachte (telkens) anders dan door misdrijf, te weten krachtens (mondelinge) overeenkomst, welke (mondelinge) overeenkomst (telkens) inhield dat verdachte dit/deze geldbedrag(en) zou investeren en/of beleggen in en/of door tussenkomst van [naam 1] en/of [naam 2] ,

en/of (voor wat betreft die [slachtoffer 7] ),

welke (mondelinge) overeenkomst (telkens) inhield dat verdachte voor die [slachtoffer 7] zijn studiefinanciering en lening zou aanvragen en beheren, onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend, immers heeft verdachte de (in bruikleen ontvangen) (contante) gelden weggemaakt, althans niet aantoonbaar geïnvesteerd en/of belegd en/of aan het zicht van voornoemde perso(o)n(en) onttrokken.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Het bedrijf [naam 2]

Verdachte heeft op 1 februari 2013 samen met [slachtoffer 7] de vennootschap onder firma [naam 2] opgericht. Deze vennootschap is per 1 januari 2014 weer ontbonden.2

Het bedrijf [naam 1]

Verdachte heeft op 22 oktober 2013 samen met [naam 3] de vennootschap onder firma [naam 1] (hierna ook: [naam 1] ) opgericht. Deze vennootschap is per 1 januari 2014 weer ontbonden.3 Feitelijk was alleen verdachte eigenaar van [naam 1] .4

Aangever [slachtoffer 2]

Op 19 juni 2014 heeft [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) aangifte gedaan van oplichting in de periode 28 april 2014 en 2 juni 2014 te Apeldoorn. In deze aangifte verklaart [slachtoffer 2] dat hij medio oktober 2013 bevriend is geraakt met [verdachte] . Medio oktober 2013 zei verdachte tegen [slachtoffer 2] dat als [slachtoffer 2] een half jaar lang een geldbedrag zou inleggen, dit een goed rendement zou opleveren. Dit geld zou dan worden ondergebracht bij “ [naam 1] ” ( [naam 1] ). Volgens verdachte was dit een bedrijf dat hij samen met zijn zus had en bestonden de activiteiten van dit bedrijf uit budgetmanagement, -coaching en –advies voor zowel het midden-en kleinbedrijf als particulieren. In oktober 2013 heeft [slachtoffer 2] een geldbedrag van in totaal € 17.500,- ingelegd. [slachtoffer 2] heeft de zes maanden erna maandelijks het door verdachte toegezegde maandbedrag van € 3.250,- terugontvangen.

In april 2014 heeft verdachte [slachtoffer 2] opnieuw benaderd voor het inleggen van gelden. Verdachte vertelde dat het geld dit keer zou worden belegd in [naam 4] te Hoenderloo. Omdat [slachtoffer 2] verdachte vertrouwde in geldzaken na de eerste inleg van

€ 17.500,-, heeft hij op 28 april 2014 opnieuw een geldbedrag aan verdachte geleend, dit keer

€ 12.500,-. De afspraak was dat hij dit geldbedrag met een rendement van

€ 2.500,- terugbetaald zou krijgen vóór of op 30 mei 2014.

Daarna heeft [slachtoffer 2] op advies van verdachte op 13 en 14 mei 2014 geldbedragen aan [naam 1] geleend van respectievelijk € 20.000,- en € 10.000,-. Verdachte vertelde hem dat deze geldbedragen zouden worden ingelegd bij [naam 5] te Apeldoorn. De afspraak was dat hij deze bedragen met een rendement van € 3.500,- en € 1.750,- terugbetaald zou krijgen vóór of op 10 juni 2014.5

Van de door [slachtoffer 2] aan [naam 1] verstrekte geldleningen zijn op 28 april 2014, 13 mei 2014 en 14 mei 2014 overeenkomsten opgemaakt waarin de gemaakte afspraken zijn vastgelegd. Deze overeenkomsten zijn telkens door verdachte namens [naam 1] ondertekend.6

[slachtoffer 2] heeft de door hem ingelegde/uitgeleende bedragen van in totaal € 42.500,- niet terugontvangen van verdachte.7

Volgens [slachtoffer 2] heeft verdachte hem verzekerd dat hij geen risico’s liep, waarbij verdachte ook zou hebben gezegd dat zijn vader garant stond voor het geld aangezien er uit de verkoop van het huis geld zou vrijkomen. Verdachte kwam bij [slachtoffer 2] heel overtuigend en vertrouwd over. In de ogen van [slachtoffer 2] zagen de opgestelde contracten er professioneel uit. Verdachte had een visitekaartje met het logo van [naam 1] bij zich en had altijd wel een map met allerlei papieren en documenten bij zich als hij langskwam bij [slachtoffer 2] . Ook was verdachte heel open en transparant over (privé)zaken. Hij bouwde een vriendschap op van waaruit hij hem ging vertrouwen.8

Medio juni 2014 heeft [slachtoffer 2] van verdachte een kaart ontvangen waarin verdachte onder meer het volgende schrijft:9

“Middels deze kaart laat ik jouw weten dat ik weg ben. En dan ook letterlijk weg! Net als jouw uitgeleende geld!!

Probeer het geld en/of mij ook niet terug te zoeken!!! Dat zal je toch nooit lukken. Hang dit ook NOOIT aan de grote klok. Hou het voor jezelf en accepteer je verlies! Hoe moeilijk ook!! Gooi mijn papieren door de versnipperaar en vergeet het afgelopen halve jaar, zeker op financieel gebied!! [slachtoffer 2] , je bent zelf ook te naïef geweest en te hebberig. Het spijt me, wees gerust, jij bent niet de enige en ik had geen andere keuze!

Het gaat je goed!

Probeer of ga ook NOOIT contact zoeken met iets of iemand hierover. Je zal spijt krijgen.”10

Aangever [slachtoffer 1]

Op 31 mei 2014 heeft [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) aangifte gedaan van oplichting in de periode 1 mei 2013 en 26 mei 2014 te Apeldoorn. In deze aangifte verklaart [slachtoffer 1] dat hij in mei 2013 in contact is gekomen met [verdachte] . Verdachte was de schoonzoon van zijn overburen. Na het overlijden van zijn partner had [slachtoffer 1] een bedrag van circa

€ 1.500,- per maand om van te leven. Verdachte bood hem aan om te helpen met de administratie en om te kijken of hij er financieel gezien wat ruimer bij kon zitten. Verdachte kwam daarna met het voorstel om te investeren in het bedrijf [naam 2] omdat [slachtoffer 1] dan een hogere rente zou ontvangen dan bij de bank. Via een computerprogramma rekende verdachte uit wat [slachtoffer 1] zou overhouden als hij zou investeren in het bedrijf [naam 2] . Verdachte vertelde [slachtoffer 1] dat hij het bedrijf [naam 2] met zijn zoon aan het opzetten was. Dit bedrijf zou aan scholen voorlichting geven over homoseksualiteit.11

Op 28 juni 2013 heeft [slachtoffer 1] een bedrag van € 12.500,- overgemaakt naar de bankrekening ten name van [naam 1] . Verdachte zou dit bedrag investeren in het bedrijf [naam 2] . Van deze geldverstrekking is een contract opgesteld dat door verdachte en [slachtoffer 1] is ondertekend.

Vervolgens heeft [slachtoffer 1] op 28 juni 2013 en 7 augustus 2013 geldbedragen van respectievelijk € 37.500,- en € 50.000,- overgemaakt naar de bankrekening ten name van [naam 1] . Ook van deze investeringen zijn contracten opgesteld. Verdachte zou deze geldbedragen gaan investeren in bedrijven die op korte termijn geld nodig hadden, maar dit geld niet bij de bank konden lenen en het dus bij verdachte leenden tegen een hogere rente.12

Vanaf juni 2013 deed verdachte de gehele administratie van [slachtoffer 1] .13 Verdachte had een machtiging van alle bankrekeningen die op diens naam stonden.14 In de periode 28 juni 2013 tot en met 20 mei 2015 is vanaf de bankrekeningen van [slachtoffer 1] in totaal een bedrag van

€ 140.019,81 overgeboekt naar de bankrekeningen van verdachte.15

[slachtoffer 1] vertrouwde verdachte, naar eigen zeggen, omdat het door verdachte gemaakt financiële overzicht positief leek en de plannen van het bedrijf [naam 2] er professioneel uitzagen. Verdachte had een vlotte babbel en omdat verdachte aanvankelijk conform de gemaakte afspraken uitbetaalde, is [slachtoffer 1] overgegaan tot het doen van meer investeringen. Ook liet verdachte aan hem zien dat hij de nieuwe begunstigde zou worden van de levensverzekering. Volgens [slachtoffer 1] liet verdachte in december 2013 blijken dat hij gevoelens voor hem had en kregen ze vanaf dat moment een (seksuele) relatie.16

[slachtoffer 1] heeft van verdachte een kaart ontvangen waarin verdachte onder meer het volgende schrijft:

“Middels deze kaart laat ik jou weten dat ik weg ben, en dan ook echt weg! Ik bedoel dus letterlijk weg, net als jouw geld!

Probeer het geld en/of mij ook niet te zoeken en/of terug te krijgen!! Dat zal je toch nooit lukken. Hou het voor jezelf en zoek GEEN contact met anderen hierover. Al helemaal NIET met mijn ouders!! Zij hebben het al moeilijk genoeg!!

Accepteer je verlies!! Hoe moeilijk ook!! Jij bent zelf te naïef geweest het afgelopen jaar, [slachtoffer 1] . Hoe zuur en bitter dit nu ook voelt!!

Vergeet het afgelopen jaar!! Zeker op financieel gebied!!!

(…)

Het spijt me, maar wees gerust jij bent niet de enige en ik had geen andere keuze (meer).”17

Aangever [slachtoffer 3] / [slachtoffer 3]

Op 2 juni 2014 heeft [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) namens [slachtoffer 3] aangifte gedaan van oplichting in de periode 21 mei 2013 en 2 juni 2014 te Apeldoorn. In deze aangifte verklaart [slachtoffer 3] dat [verdachte] , haar vroegere buurjongen, haar vorig jaar mei ineens belde. Verdachte wist dat [slachtoffer 3] een eigen bedrijf had. Verdachte vertelde haar dat hij bezig was om het bedrijf [naam 2] op te starten en vroeg haar of ze daarin wilde investeren. Volgens verdachte verzorgde het bedrijf voor scholen opleidingen over homoseksualiteit. Verdachte liet financiële stukken van het bedrijf zien en een soort businessplan dat hij had gemaakt.18

Op 21 mei 2013 heeft [slachtoffer 3] via de rekening van [slachtoffer 3] een bedrag van

€ 37.500,- overgemaakt naar de rekening van het bedrijf [naam 2] .19 Ten aanzien van deze geldverstrekking is op 21 mei 2013 een overeenkomst van investering opgesteld dat zowel door verdachte, namens [naam 2] , en [slachtoffer 3] , namens [slachtoffer 3] , is ondertekend. De afspraak was dat verdachte dit bedrag na drie jaar volledig zou terugbetalen en dat de verschuldigde rente van 9% jaarlijks op 1 januari zou worden betaald.20

Op 23 juli 2013 heeft verdachte [slachtoffer 3] wederom benaderd met de vraag of zij een investering wilde doen. Volgens verdachte was dit voor een overname van een bakkerij in Ugchelen.21 Vervolgens heeft [slachtoffer 3] op 25 juli 2013 via de rekening van [slachtoffer 3] een bedrag van € 50.000,- overgemaakt naar de rekening van het bedrijf [naam 2] .22 Ten aanzien van deze geldverstrekking is op 23 juli 2013 een overeenkomst van investering opgesteld dat zowel door verdachte, namens [naam 2] , en [slachtoffer 3] , namens [slachtoffer 3] , is ondertekend. De afspraak was dat verdachte dit bedrag inclusief rendement van 15% zou terugbetalen op 27 december 2013.23

In oktober 2013 vertelde verdachte aan [slachtoffer 3] dat hij ging scheiden van zijn vrouw en vroeg hij aan [slachtoffer 3] of hij de € 50.000,-, die door de bakkerij in december 2013 zou worden afgelost, privé mocht gebruiken om te voorkomen dat zijn vrouw en hun gehandicapte dochter uit huis moesten. [slachtoffer 3] is hiermee akkoord gegaan. Verdachte heeft de afgesproken rente tot twee weken voor de aangifte steeds voldaan.24

Op 11 oktober 2013 heeft [slachtoffer 3] via de rekening van [slachtoffer 3] aan verdachte een bedrag van € 12.000,- geleend om een schuld voor een auto te kunnen aflossen. Als onderpand heeft verdachte het kentekenbewijs van de auto gegeven. De afspraak was dat verdachte dit bedrag na zes maanden weer zou terugbetalen. Van deze geldlening is een contract opgemaakt dat door beiden is ondertekend. De afspraak was dat verdachte de geldleningen van € 50.000,- en € 12.000,- inclusief alle rendementen zou aflossen zodra het huis van zijn ouders verkocht was. Dit zou uiterlijk in december 2014 zijn.25

Op 24 december 2013 en 3 februari 2014 heeft [slachtoffer 3] bedragen van respectievelijk € 4.821,87 en € 18.500,- overgemaakt naar de privérekening van verdachte.26 Van deze geldleningen zijn op respectievelijk 2 januari 2014 en 3 februari 2014 overeenkomsten van geldlening opgemaakt waarin de gemaakte afspraken over looptijd, aflossing en rendement zijn vastgelegd. Deze overeenkomsten zijn door [slachtoffer 3] namens [slachtoffer 3] en verdachte ondertekend. Als zekerheden zijn – onder meer – de levensverzekeringen van verdachte verpand.27

Verdachte heeft [slachtoffer 3] vanaf 13 november 2013 in totaal € 6.800 aan rendement op de privéleningen van € 12.000, € 4.821,87 en € 18.500 betaald. [slachtoffer 3] heeft de door haar uitgeleende en geïnvesteerde bedragen niet terugontvangen van verdachte.28

[slachtoffer 3] heeft verklaard er nooit over te twijfelen dat verdachte werkzaam was voor het bedrijf [naam 2] . Zo had verdachte een visitekaartje van [naam 2] en zei hij wel eens dat hij verhinderd was in verband met een zakelijke afspraak voor [naam 2] . Ook zagen de financiële stukken en het businessplan dat verdachte had gemaakt, er goed en netjes uit. Daarnaast vertrouwde [slachtoffer 3] verdachte door de gestelde zekerheden en omdat ze verdachte en zijn familie nog van vroeger kende.29

Op 31 mei 2014 heeft [slachtoffer 3] van verdachte een kaart ontvangen waarin verdachte onder meer het volgende schrijft:30

“Middels deze kaart laat ik jullie weten dat ik weg ben. En dan ook letterlijk weg. Net als al jullie geld. Probeer het ook niet terug te halen, dat zal toch nooit lukken!! Hou het tussen jullie zelf en hang het NOOIT aan de grote klok!! Dat zal veel (meer) geld, tijd, energie, ergernis, boosheid en verdriet gaan kosten!!

Accepteer jullie verlies! Hoe moeilijk het ook zou zijn!! Je bent zelf te naïef geweest, [slachtoffer 3] , het afgelopen jaar!!

Reken af met de belasting en ga door met leven!! Hoe zuur en bitter ook.

Vergeet het afgelopen jaar, zeker op financieel gebied!! Gooi (om veel extra problemen voor jullie zelf te voorkomen) ALLE papieren die je van mij hebt in de papiervernietiger.

(…)

Het spijt me, maar wees gerust, jullie waren niet de enige.

En ik had geen andere keuze.”31

Aangever [slachtoffer 4]

Op 5 juni 2014 heeft [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4] ) aangifte gedaan van oplichting in de periode 1 april 2013 en 5 juni 2014 te Apeldoorn. In deze aangifte verklaart [slachtoffer 4] zij en haar man op advies van haar zoon, [verdachte] , de eigen woning hebben verkocht en dat zij van deze verkoop een bedrag van € 200.000,- hebben overgehouden. Dit geldbedrag is verdeeld over twee privérekeningen die op naam staan van [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 4] . Vervolgens is vanaf deze privérekeningen tweemaal een bedrag van € 100.000,- overgemaakt naar de bankrekening van [naam 1] Apeldoorn ( [naam 1] ). Dit is het bedrijf van verdachte dat op naam staat van zijn zus. Verdachte zei dat hij het geld ging uitzetten bij bedrijven die gelijk geld nodig hadden en dat hij dit geld dan kon uitlenen tegen een hoge rente.32

Op 30 maart 2014 zijn tussen [naam 1] Apeldoorn (als schuldenaar) enerzijds en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] (als schuldeiser) anderzijds overeenkomsten van lening opgesteld die door de schuldeiser en [naam 3] namens [naam 1] Apeldoorn zijn ondertekend. In deze overeenkomsten is vastgelegd dat de lening € 100.000,- bedraagt, dat over de hoofdsom een rentevergoeding is verschuldigd van 8% per jaar en dat de leningen een onbepaalde looptijd hebben.33

Aangever [slachtoffer 6]

Op 13 juni 2014 heeft [slachtoffer 6] (hierna: [slachtoffer 6] ) aangifte gedaan van oplichting in de periode 1 november 2013 en 6 mei 2014. In deze aangifte verklaart [slachtoffer 6] dat hij begin november 2013 via de datingssite Lexa.nl werd benaderd door [verdachte] . Verdachte vertelde [slachtoffer 6] dat hij budgetmanager was en dat hij mensen hielp die in geldproblemen zaten. Verdachte zorgde ervoor dat mensen die geld nodig hadden dit kregen via leningen die hij verzorgde. Na een week vroeg verdachte aan [slachtoffer 6] of hij een lening kon verstrekken ten behoeve van één van zijn cliënten. [slachtoffer 6] is hiermee akkoord gegaan en heeft op 13 november 2013 een bedrag van € 7.500,- overgemaakt naar de bankrekening van [naam 1] . De eerste termijn van deze lening kreeg [slachtoffer 6] op 13 december 2013 terugbetaald van verdachte.

Op 15 november 2013, 15 januari 2014, 29 januari 2014 en 6 mei 2014 heeft [slachtoffer 6] geldbedragen van respectievelijk € 15.000,-, € 17.500,-, € 5.000,- en € 7.750,- overgemaakt naar de bankrekening ten name van [naam 1] .

Op 15 januari 2014 heeft verdachte een geldbedrag van € 17.500,- overgemaakt naar de privérekening van verdachte.

Volgens verdachte was één van de leningen bestemd voor de firma [naam 4] in Hoenderloo.34

Ten aanzien van de door [slachtoffer 6] gedane investeringen van € 7.500,-, € 15.000,-, € 17.500,- en

€ 5.000,- zijn op respectievelijk 11 november 2013, 16 november 2013, 15 januari 2014 en 29 januari 2014 overeenkomsten van investering tussen [slachtoffer 6] en [naam 1] opgemaakt waarin de gemaakte afspraken over looptijd, aflossing en rendement zijn vastgelegd. Op 15 januari 2014 is een overeenkomst van geldlening opgemaakt waarin is vastgelegd dat schuldeiser ( [slachtoffer 6] ) aan schuldenaar (verdachte) een geldbedrag van € 17.500,- heeft geleend door verrekening van de contracten van 9 december 2013, 11 november 2013 en 18 november 2013. Deze overeenkomsten zijn telkens door beiden ondertekend.35

In de periode 13 november 2013 tot en met 19 mei 2015 is vanaf de bankrekeningen van [slachtoffer 6] in totaal een bedrag van € 83.750,- overgeboekt naar de bankrekeningen van verdachte.36

[slachtoffer 6] had in eerste instantie geen argwaan omdat verdachte de termijnen netjes betaalde en verdachte hem contracten met daarop het logo van [naam 1] liet zien. Verdachte kwam op [slachtoffer 6] heel vertrouwd, oprecht en open over. Volgens [slachtoffer 6] was er een klik tussen hem en verdachte. De door verdachte geboden rendementen waren hoog maar wel realistisch. Verdachte vertelde [slachtoffer 6] dat hij allerlei ondernemingen en zaken had waar het geld naar toe ging.37

Op 31 mei 2014 heeft [slachtoffer 6] van verdachte een kaartje ontvangen waarin verdachte – onder meer – het volgende schrijft:38

“Middels deze kaart laat ik jou weten dat ik weg ben. En dan ook letterlijk weg. Net als jouw uitgeleende geld! Probeer ook niet om mij en/of je geld terug te zoeken!! Dat zal je toch nooit lukken!!! Dat zal nog (veel) meer geld, tijd, energie, boosheid, ergernis en verdriet gaan kosten.

Accepteer je verlies!! Hoe moeilijk ook!! Jij bent zelf te naïef geweest, [slachtoffer 6] , het afgelopen jaar.

(…)

Hou het voor jezelf, hang dit NIET aan de klok en zoek NOOIT contact met wie dan ook, hierover. Dat zal je berouwen.

Gooi al mijn papieren in de papiervernietiger!!

(…)

Het spijt me, maar wees gerust, je bent niet de enige en ik had geen andere keuze…”39

Aangever [slachtoffer 7]

Op 4 augustus 2014 heeft [slachtoffer 7] aangifte gedaan van oplichting in de periode 1 april 2014 en 1 juni 2014. In deze aangifte verklaart [slachtoffer 7] dat zijn stiefvader [verdachte] voor hem de studiefinanciering regelde en dat verdachte op zijn naam een studielening heeft aangevraagd. [slachtoffer 7] had geen zicht op de bankrekening waarop de geleende bedragen gestort werden en wist niet dat deze lening in totaal € 25.000,- bedroeg.40

Aangever [slachtoffer 8]

Op 22 juli 2014 heeft [slachtoffer 8] (hierna: [slachtoffer 8] ) aangifte gedaan van oplichting in de periode 9 januari 2014 en 9 juli 2014. In deze aangifte verklaart [slachtoffer 8] dat hij via de datingssite Lexa.nl in contact is gekomen met [verdachte] . [slachtoffer 8] lijdt aan vasculaire dementie. Volgens [slachtoffer 8] heeft hij verdachte verteld over zijn ziekte. Tijdens de tweede date vertelde verdachte aan [slachtoffer 8] dat hij mensen hielp met investeren en dat hij investeringen deed in werkkapitaal.

Op 14 januari 2014 heeft [slachtoffer 8] een bedrag van € 5.750,- overgemaakt naar de bankrekening ten name van [naam 1] . Verdachte zei tegen [slachtoffer 8] dat dit een goede kans was om zijn geld te verdubbelen.

Op 16 januari 2014 kwam verdachte met het voorstel om een bedrag van € 10.000,- te investeren. Verdachte zei dat het geld bestemd was voor een winkeliers die op korte termijn geld bij hem wilden lenen. [slachtoffer 8] heeft dit geldbedrag op 18 januari 2014 overgemaakt naar verdachte41. [slachtoffer 8] dacht dat het een goede deal was vanwege de hoge rente en heeft zich door verdachte laten overhalen tot het doen van deze investeringen. Volgens [slachtoffer 8] klonk verdachte erg oprecht en was verdachte heel overtuigend en dwingend met zijn woorden. Verdachte kwam bij [slachtoffer 8] over als een innemend persoon en heeft op die manier snel vertrouwen gewekt bij [slachtoffer 8] .

[slachtoffer 8] heeft daarna een lange tijd niets meer gehoord van verdachte.42

Ten aanzien van de door [slachtoffer 8] gedane investeringen van € 5.750,- en € 10.000,- zijn op respectievelijk 14 januari 2014 en 16 januari 2014 overeenkomsten van investering tussen [slachtoffer 8] en [naam 1] opgemaakt waarin de gemaakte afspraken over looptijd, aflossing en rendement zijn vastgelegd. Beide overeenkomsten zijn zowel door [slachtoffer 8] als verdachte ondertekend.43

Omstreeks 20 juni 2006 (Rb: bedoeld zal zijn 2016) heeft [slachtoffer 8] van verdachte een kaartje ontvangen waarin verdachte – onder meer – het volgende schrijft:44

“Middels deze kaart laat ik jou weten dat ik weg ben. En ook letterlijk weg. Net als jouw geld. Probeer het ook niet terug te halen, dat zal toch nooit lukken!!

Hou het voor jezelf!! En hang het niet aan de grote klok!! Dat zal (veel) meer geld, energie, boosheid, verdriet en ergernis gaan kosten!

Accepteer je verlies! Hoe moeilijk ook!! Jij bent zelf te naïef geweest, [slachtoffer 8] , het afgelopen half jaar!!

Hoe zuur en bitter het ook zou voelen.

Vergeet het afgelopen half jaar, zeker op financieel gebied! Gooi alle papieren die je van mij hebt in een papiervernietiger!

(…)

Het spijt me, maar wees gerust, je bent niet de enige, en ik had geen andere keus!”45

Aangever [slachtoffer 9]

Op 17 april 2015 heeft [slachtoffer 9] (hierna: [slachtoffer 9] ) aangifte gedaan van oplichting in de periode 1 april 2014 en 1 juni 2014. In deze aangifte verklaart [slachtoffer 9] dat hij in april of mei 2014 via [slachtoffer 2] , zijn schoonvader, in contact is gekomen met [verdachte] . Omdat hij het verhaal van verdachte over de investeringen wel aantrekkelijk vond, heeft hij op 6 mei 2014 een geldbedrag van in totaal € 17.500,- ingelegd bij verdachte. Verdachte zei dat deze gelden zouden worden geïnvesteerd in bedrijven die snel geld nodig hadden. Hiervoor zou verdachte een hoog rendement krijgen dat hij dan zou delen met [slachtoffer 9] . Verdachte kwam bij [slachtoffer 9] over alsof hij de waarheid sprak. Ook zagen de contracten er in de ogen van [slachtoffer 9] goed uit. [slachtoffer 9] heeft nooit iets terugontvangen van verdachte.46

Ten aanzien van de door [slachtoffer 9] verstrekte geldleningen van € 15.000,- en € 2.500,- zijn op 6 mei 2014 overeenkomsten van lening tussen [slachtoffer 9] en [naam 1] opgemaakt waarin de gemaakte afspraken over looptijd, aflossing en rendement zijn vastgelegd. Beide overeenkomsten zijn zowel door [slachtoffer 9] als verdachte ondertekend.47

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich ten aanzien van de personen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde en ten aanzien van [slachtoffer 7] aan het subsidiair ten laste gelegde. Volgens de officier van justitie heeft verdachte van meet af aan niet de bedoeling gehad om de door de aangevers (met uitzondering van [slachtoffer 7] ) verstrekte gelden te gebruiken voor het doel waarvoor deze gelden werden verstrekt. Dit blijkt zowel uit de verklaring van verdachte zelf als de verklaringen van de eigenaren van de bedrijven waarvan verdachte zei dat hij daarin investeerde. Voorts acht de officier van justitie bewezen dat verdachte ten aanzien van [slachtoffer 7] enig geldbedrag heeft verduisterd, nu verdachte krachtens een mondelinge overeenkomst voor [slachtoffer 7] een lening heeft aangevraagd en verdachte deze gelden zich wederrechtelijk heeft toegeëigend door deze gelden weg te maken althans aan het zicht van [slachtoffer 7] te onttrekken. Dit blijkt volgens de officier van justitie uit de aangifte van [slachtoffer 7] en uit de verklaring van verdachte zelf.

Het standpunt van de verdediging

Namens de verdediging is betoogd dat geen sprake is van oplichting omdat verdachte steeds de intentie heeft gehad om de geldleners en investeerders terug te betalen. Verdachte heeft niet bewust (kwetsbare) personen benaderd om van hen gelden te verkrijgen. Voorts heeft de verdediging erop gewezen dat verdachte de schulden aan zijn zoon ( [slachtoffer 7] ) en aan zijn ouders ( [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] ) inmiddels (deels) heeft afgelost en dat hierover (betalings)afspraken zijn gemaakt. Voor dat gedeelte kan volgens de verdediging het opzet op de wederrechtelijke toe-eigening niet worden bewezen. Ingeval de rechtbank bewezen acht dat sprake is van oplichting, heeft de verdediging verzocht om bij de bewezenverklaring rekening te houden met de bedragen die door verdachte zijn terugbetaald.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank neemt de hiervoor onder de feiten genoemde aangiftes als uitgangspunt, nu verdachte de inhoud van deze aangiftes niet betwist en er ook overigens bij de rechtbank geen twijfel bestaat over de inhoud daarvan ten aanzien van de feitelijke gang van zaken.

De rechtbank leidt uit de verklaringen van de aangevers (met uitzondering van [slachtoffer 7] ) af dat verdachte zich tegenover deze aangevers steeds als eigenaar van de bedrijven [naam 1] en/of [naam 2] heeft voorgedaan en dat verdachte hen heeft voorgespiegeld dat zij door het verstrekken van een of meer geldbedragen aan hem (via [naam 1] en/of [naam 2] ) hoge rendementen konden behalen op investeringen. Verdachte is de door hem gemaakte (terug)betalingsafspraken niet (geheel) nagekomen en heeft de aangevers (met uitzondering van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 9] ) via een kaart omstreeks mei/juni 2014 laten weten dat hij deze gelden ook niet meer gaat terugbetalen.

Verdachte heeft verklaard dat hij de geldbedragen die hij van de onder de feiten vermelde aangevers heeft ontvangen, telkens heeft vergokt. Hij heeft nooit via de bedrijven [naam 2] en/of [naam 1] geld (door)geleend aan andere bedrijven dan wel investeringen gedaan in het bedrijf [naam 2] en/of andere bedrijven.48 Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaringen van de eigenaren van de bedrijven waarvan verdachte zei dat hij in deze bedrijven investeerde. Geen van hen is ermee bekend dat verdachte investeringen wilde doen dan wel enige investering heeft gedaan in hun bedrijf.49

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven geroepen. Verdachte heeft de geldverstrekkers in strijd met de waarheid voorgehouden dat de door hen geïnvesteerde/geleende bedragen zouden worden terugbetaald met een hoge (rente)vergoeding, terwijl hij feitelijk niet in staat was om deze afspraken na te komen. Aangezien verdachte deze gelden steeds heeft vergokt, en dus in feite voor zichzelf heeft aangewend, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte ook nimmer de intentie heeft gehad om de gelden te gebruiken voor het doel waarvoor deze gelden werden verstrekt. Hij wist dus ook dat hij de investeringen nooit zou kunnen terugbetalen, laat staan terugbetalen met het voorgehouden rendement. De bedrijven [naam 2] en [naam 1] zijn nooit gebruikt op de manier zoals die door verdachte werd voorgespiegeld en verdachte heeft nooit een direct en concreet plan voor enige investering gehad. Verdachte heeft steeds misbruik gemaakt van een reeds bestaande dan wel opgebouwde vertrouwensrelatie en de geldverstrekkers het vertrouwen gegeven dat de gemaakte afspraken waren gegarandeerd, onder meer door het opstellen en ondertekenen van overeenkomsten waarin deze afspraken waren vastgelegd. Ook door het stellen van zekerheden, het gebruik van het logo van [naam 2] en [naam 1] op de contracten en op het visitekaartje van verdachte, alsmede door het – in sommige gevallen – nakomen van de eerste betalingsafspraken en het presenteren van een businessplan, wekte verdachte het vertrouwen dat de geldverstrekkers te maken hadden met een betrouwbare/bonafide financieel deskundige en heeft hij hen (telkens) bewogen tot afgifte van een of meer geldbedrag(en).

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, in die zin dat hij de personen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] telkens heeft opgelicht door een samenweefsel van verdichtsels in de zin van artikel 326 Sr. Hieraan doet – anders dan de verdediging heeft betoogd – niet af dat verdachte sommige geldverstrekkers gedeeltelijk heeft terugbetaald, aangezien reeds bij de betaling van de geldbedragen aan verdachte al sprake was van een voltooide oplichting. Immers, naar het zich laat aanzien heeft hij enkele initiële betalingen bekostigd uit de leningen van anderen en niet uit rendement van door hemzelf gedane investeringen. De rechtbank houdt bij de bewezenverklaring dan ook geen rekening met de bedragen die door verdachte zijn terugbetaald en acht de in de tenlastelegging genoemde bedragen, mede gelet op de gedane aangiftes alsmede het proces-verbaal van bevindingen ten aanzien van de bankrekeningen (p. 23 en 24 van het dossier), bewezen.

Ui de bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer 3] zelf uit persoonlijke overwegingen gelden aan (de bedrijven van) verdachte heeft geleend. Weliswaar heeft zij voor de betaling van de uitgeleende gelden de rekening van haar vennootschap [slachtoffer 3] gebruikt en zijn de betreffende overeenkomsten van geldlening op naam van die vennootschap gesteld, de rechtbank overweegt dat een en ander kennelijk slechts is geschied om de betaling door [slachtoffer 3] van de door haar aan hem toegezegde en uitgeleende bedragen aan verdachte mogelijk te maken. Daarom acht de rechtbank tevens bewezen dat zij persoonlijk is opgelicht door verdachte.

Ten aanzien van [slachtoffer 7] leidt de rechtbank uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen af dat verdachte op naam van zijn stiefzoon een (studie)lening heeft aangevraagd.

Verdachte heeft verklaard dat de afspraak met [slachtoffer 7] was dat deze gelden, die maandelijks binnenkwamen en op de gezamenlijke rekening werden gestort, zouden worden gebruikt voor het huishouden en dergelijke. Ergens in oktober 2013 is verdachte gaan gokken en is hij hiervoor ook de geldbedragen gaan gebruiken die maandelijks binnenkwamen uit hoofde van de studieschuld.50

Naar het oordeel van de rechtbank is verdachte zich de gelden die hij maandelijks ontving uit hoofde van de studieschuld van [slachtoffer 7] , wederrechtelijk gaan toe-eigenen vanaf het moment dat hij deze geldbedragen is gaan vergokken en heeft hij zich telkens schuldig gemaakt aan verduistering van deze geldbedragen. Gelet hierop, acht de rechtbank ten aanzien van [slachtoffer 7] het subsidiair tenlastegelegde bewezen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij in of omstreeks de periode van 01 september 2009 tot en met 09 juli 2014 te Apeldoorn en/of Arnhem en/of Nieuwegein en/of Deventer, althans in Nederland

(telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

een of meer van na te noemen personen heeft bewogen tot de afgifte van (telkens) een of meer geldbedrag(en), elk geval enig goed en/of tot het ter beschikking stellen van gegevens, (te weten DigiD inloggegevens en/of (een) bankrekeningnummer(s)) en/of tot het aangaan van een schuld, te weten van:

- [slachtoffer 2] , een geldsom totaal groot circa 42.500 euro en/of

- [slachtoffer 1] , een geldsom totaal groot circa 140.019,81 euro en/of

- [slachtoffer 3] , een geldsom totaal groot circa 122.821,87 euro en/of

- [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , een geldsom totaal groot circa 200.000 euro en/of

- [slachtoffer 6] , een geldsom totaal groot circa 83.750 euro en/of

- [slachtoffer 7] , een geldsom totaal groot circa 25.000 euro en/of

- [slachtoffer 8] , een geldsom totaal groot circa 15.750 euro en/of

- [slachtoffer 9] , een geldsom totaal groot circa 17.500 euro,

hierin bestaande dat verdachte (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- zich tegenover voornoemde perso(o)n(en) heeft voorgedaan als eigenaar van het bedrijf/de bedrijven [naam 1] en [naam 2] en/of

- aan voornoemde pers(o)on(en) (telkens) heeft verzocht (een) geldbedrag(en) ter beschikking te stellen aan hem, verdachte, en/of aan [naam 1] en/of [naam 2] ter investering en/of ter belegging, en/of

- (daarbij) (telkens) aan een of meer van voornoemde personen hoge rentepercentages, althans hoge rendementen heeft voorgespiegeld en/of

- ter bevestiging van de/het ter beschikking gestelde/ontvangen geld(en) (telkens) (een) overeenkomst(en) heeft opgesteld, waaraan de gelduitlener(s) de gerechtvaardigde verwachting kon(den) ontlenen dat hij/zij te maken had(den) met een betrouwbare/bonafide zakenpartner en/of financieel deskundige,

(-terwijl het bedrijf/de bedrijven van verdachte, te weten [naam 1] en [naam 2] reeds per 01 januari 2014 was/waren ontbonden)

en/of dat verdachte

-voor [slachtoffer 7] studiefinanciering heeft aangevraagd (bij DUO), (waarbij die [slachtoffer 7] hem, verdachte, in zijn rol als stiefvader vertrouwde) en/of -(daarbij) buiten weten van [slachtoffer 7] een maximale lening heeft aangevraagd,

waardoor [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(n), en/of die [slachtoffer 7] werd bewogen tot het ter beschikking stellen van bovengenoemde gegevens en/of het aangaan van een schuld (voor wat betreft de maximale lening);

en

hij in of omstreeks de periode van 01 september 2009 tot en met 09 juli 2014 te Apeldoorn en/of Arnhem en/of Nieuwegein en/of Deventer, althans in Nederland

(telkens) opzettelijk een of meer geldbedrag(en), in elk geval enig goed, te weten van:

- [slachtoffer 2] , een geldsom totaal groot circa 42.500 euro en/of

- [slachtoffer 1] , een geldsom totaal groot circa 140.019,81 euro en/of

- [slachtoffer 3] , een geldsom totaal groot circa 122.821,87 euro en/of

- [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , een geldsom totaal groot circa 200.000 euro en/of

- [slachtoffer 6] , een geldsom totaal groot circa 83.750 euro en/of

- [slachtoffer 7] , een geldsom totaal groot circa 25.000 euro en/of

- [slachtoffer 8] , een geldsom totaal groot circa 15.750 euro en/of

- [slachtoffer 9] , een geldsom totaal groot circa 17.500 euro,

geheel of ten dele toebehorende aan bovengenoemde pers(o)on(en), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welk(e) geldbedrag(en) en/of goed(eren) verdachte (telkens) anders dan door misdrijf, te weten krachtens (mondelinge) overeenkomst, welke (mondelinge) overeenkomst (telkens) inhield dat verdachte dit/deze geldbedrag(en) zou investeren en/of beleggen in en/of door tussenkomst van [naam 1] en/of [naam 2] ,

en/of (voor wat betreft die [slachtoffer 7] ),

welke (mondelinge) overeenkomst (telkens) inhield dat verdachte voor die [slachtoffer 7] zijn studiefinanciering en lening zou aanvragen en beheren, onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend, immers heeft verdachte de (in bruikleen ontvangen) (contante) gelden weggemaakt, althans niet aantoonbaar geïnvesteerd en/of belegd en/of aan het zicht van voornoemde perso(o)n(en) onttrokken.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

oplichting, meermalen gepleegd

en

verduistering, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Anders dan door de verdediging is betoogd, ziet de rechtbank geen aanleiding om verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren vanwege zijn gokverslaving.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden. Daarbij heeft de officier van justitie zich gebaseerd op de LOVS-richtlijnen en in aanmerking genomen dat verdachte zich gedurende een langere tijd schuldig heeft gemaakt aan oplichting van een groot aantal slachtoffers. Ook weegt de officier van justitie mee dat verdachte bewust kwetsbare slachtoffers heeft uitgekozen en dat verdachte het toegebrachte leed nog eens extra heeft verzwaard door de toegezonden kaarten met kwetsende en bedreigende teksten.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om bij de strafmaat rekening te houden met de gokverslaving van verdachte en termijn die sinds de feiten is verstreken. Bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal verdachte zijn baan als internationaal vrachtwagenchauffeur verliezen en bestaat de kans dat verdachte een terugval krijgt van zijn gokverslaving. Gelet hierop, heeft de verdediging verzocht om een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, eventueel met een lange proeftijd, en een (maximale) werkstraf op te leggen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 29 november 2016; en

- een reclasseringsadvies van RN Adviesunit 1 Oost, gedateerd 14 december 2016.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het oplichten van meerdere personen en het verduisteren van meerdere geldbedragen. Hij wist het vertrouwen te winnen van zijn slachtoffers en heeft dit vertrouwen vervolgens ernstig misbruikt. Daarbij ging hij geraffineerd te werk en heeft hij louter gehandeld om gelden voor zichzelf, ten behoeve van zijn gokverslaving, te genereren. Verdachte heeft geen enkele rekenschap gegeven van de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers. Het heeft er alle schijn van dat verdachte de slachtoffers bewust heeft uitgekozen.

De slachtoffers zijn ernstig gedupeerd en zullen mogelijk nog lange tijd de gevolgen ondervinden van hetgeen verdachte hen heeft aangedaan. Deze gevolgen zijn zowel financieel door gemaakte schulden die zij moeten afbetalen of spaargeld dat zij kwijt zijn, als emotioneel doordat hun vertrouwen diep is beschaamd. Verdachte heeft het aan hen toegebrachte leed nog eens extra verzwaard door het toezenden van kaarten met kwetsende en bedreigende teksten.

Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden – zoals door de officier van justitie is geëist – in dit geval passend is. Het opleggen van onvoorwaardelijke taakstraf en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf – zoals door de verdediging is betoogd – acht de rechtbank op geen enkele wijze in overeenstemming met de ernst en de hoeveelheid van (de) feiten en het doortrapte karakter van zijn handelwijze. Ook in hetgeen overigens door de verdediging is aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om over te gaan tot een lagere strafoplegging.

Dat verdachte door een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zijn baan als vrachtwagenchauffeur zal verliezen en niet meer in staat zal zijn de schade te vergoeden, weerhoudt de rechtbank niet van deze strafoplegging. Verdachte heeft nadien de beschikking gekregen over een grote som geld en heeft er kennelijk voor gekozen daarvan alleen zijn directe familie (deels) schadeloos te stellen; de rechtbank heeft hierin geen inzicht gekregen. De andere slachtoffers hebben nog steeds hun schade niet vergoed gekregen en verdachte heeft laten weten ook niet (meer) over middelen daarvoor te beschikken. De rechtbank heeft er, ondanks alle mooie praatjes van verdachte over zijn goede intenties, geen enkel vertrouwen in dat hij serieus zal proberen alle schade te herstellen.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] / [slachtoffer 3] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. De volgende bedragen zijn door hen gevorderd:

[slachtoffer 2]

Materiële schade (aan verdachte betaalde bedragen) € 42.500,-

Immateriële schade € 2.500,-

€ 45.000,-

[slachtoffer 1]

Materiële schade (aan verdachte betaalde bedragen) € 104.550,-

Materiële schade (belastingschuld) € 17.440,-

Immateriële schade € 5.000,-

€ 126.990,-

[slachtoffer 3] / [slachtoffer 3]

Materiële schade (aan verdachte betaalde bedragen) € 128.500,-

[slachtoffer 6]

Materiële schade (aan verdachte betaalde bedragen) € 65.125,-

[slachtoffer 8]

Materiële schade (aan verdachte betaalde bedragen) € 15.750,-

Immateriële schade € 5.000,-

€ 20.750,-

[slachtoffer 9]

Materiële schade (aan verdachte betaalde bedragen) € 17.500,-

Immateriële schade € 1.000,-

€ 18.500,-

Daarnaast is door de benadeelde partijen verzocht het schadevergoedingsbedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en om een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen toe te wijzen tot de hierna genoemde bedragen, waarbij de officier van justitie tevens heeft verzocht om alle schadebedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het schade toebrengende feit werd gepleegd en om ten aanzien van alle schadebedragen de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr op te leggen.

[slachtoffer 2]

Materiële schade (conform aangifte) € 42.500,-

Immateriële schade € 250,-

€ 42.750,-

De officier van justitie heeft verzocht om de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

[slachtoffer 1]

Materiële schade (conform overzicht p. 24 dossier) € 26.716,23

Immateriële schade € 500,-

€ 27.216,23

Ten aanzien van de materiële schade heeft de officier van justitie verwezen naar het overzicht van pagina 24 van het dossier, waaruit volgt dat [slachtoffer 1] in totaal

€ 140.019,81 heeft overgemaakt en € 113.303,58 heeft terugontvangen. De belastingclaim houdt volgens de officier van justitie geen verband met het tenlastegelegde feit.

De officier van justitie heeft verzocht om de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

[slachtoffer 3] / [slachtoffer 3]

Materiële schade € 121.700,-

De officier van justitie acht aannemelijk dat [slachtoffer 3] een bedrag van € 128.500,- heeft betaald aan verdachte. Daarop komt in mindering het bedrag van € 6.800,-, zijnde het bedrag dat [slachtoffer 3] (blijkens het overzicht van pagina 24 van het dossier) heeft terugontvangen van verdachte.

De officier van justitie heeft verzocht om de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

[slachtoffer 6]

Materiële schade (conform overzicht p. 24 dossier) € 62.596,88

De officier van justitie heeft verwezen naar het overzicht van pagina 24 van het dossier, waaruit volgt dat [slachtoffer 6] in totaal € 83.750,- heeft overgemaakt en € 21.153,- heeft terugontvangen.

De officier van justitie heeft verzocht om de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

[slachtoffer 8]

Materiële schade (conform aangifte) € 15.750,-

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft de officier van justitie geen standpunt ingenomen.

[slachtoffer 9]

Materiële schade (conform aangifte) € 17.500,-

Immateriële schade € 100,-

€ 17.600,-

De officier van justitie heeft verzocht om de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om bij het bepalen van de hoogte van de vorderingen van de benadeelde partijen ( [slachtoffer 1] en [slachtoffer 6] ) rekening te houden met de bedragen die door verdachte zijn terugbetaald. Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] heeft de verdediging verzocht om het gedeelte van de vordering dat ziet op de belastingschuld af te wijzen, aangezien de tenlastelegging geen verband houdt met de fiscale vordering. Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] heeft de verdediging verzocht om deze vordering te maximeren tot het bedrag dat op de tenlastelegging is vermeld.

Voorts heeft de verdediging verzocht om de gevorderde immateriële schade af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien dit gedeelte van de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Tot slot heeft de verdediging verzocht om, vanwege de financiële draagkracht van verdachte, in dit geval geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Indien de rechtbank dit verzoek afwijst, heeft de verdediging verzocht om een betalingsregeling van € 100,- per maand, te verdelen over alle benadeelde partijen, op te nemen in het vonnis.

Beoordeling door de rechtbank

Algemeen

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vorderingen is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partijen als gevolg van het bewezenverklaarde handelen materiële schade hebben geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Ten aanzien van hoogte van de gevorderde materiële schade houdt de rechtbank – net als de officier van justitie – rekening met de bedragen zoals deze volgen uit het proces-verbaal van bevindingen bankrekeningen met bijbehorende bijlagen (pagina’s 23 tot en met 96 van het dossier). Dit houdt in dat de rechtbank rekening houdt met de geldbedragen die door verdachte aan de benadeelde partijen zijn terugbetaald.

Vordering [slachtoffer 2]

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade van € 42.500,- rechtstreeks voortvloeit uit het primair bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal dan ook dit gedeelte van de vordering toewijzen.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade van € 2.500,- overweegt de rechtbank dat toewijzing van immateriële schade slechts in zeer bijzondere gevallen plaatsvindt. In het onderhavige geval ziet de rechtbank aanleiding om een bedrag van € 250,- aan immateriële schadevergoeding toe te wijzen. Gelet op hetgeen bewezen is verklaard en de inhoud van de vordering, acht de rechtbank aannemelijk [slachtoffer 2] als gevolg van het handelen van verdachte immateriële schade heeft geleden. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte het vertrouwen van [slachtoffer 2] op ernstige wijze heeft beschaamd en verdachte het toegebrachte leed nog eens extra heeft verzwaard door het toesturen van een kwetsende en bedreigende kaart aan [slachtoffer 2] . De rechtbank kan in deze strafrechtelijke procedure niet zonder nader onderzoek de eventuele verdere immateriële schade als gevolg van het bewezenverklaarde vaststellen. Nader onderzoek zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij wordt daarom in het meer gevorderde niet ontvankelijk verklaard. Voor dat deel van de vordering kan hij zich desgewenst tot de civiele rechter wenden.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 28 april 2014, zijnde het moment waarop het eerste schade toebrengende feit is gepleegd.

Vordering [slachtoffer 1]

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade tot een bedrag van € 26.716,23 rechtstreeks voortvloeit uit het primair bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal dan ook dit gedeelte van de vordering toewijzen.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade van € 5.000,- overweegt de rechtbank dat toewijzing van immateriële schade slechts in zeer bijzondere gevallen plaatsvindt. In het onderhavige geval ziet de rechtbank aanleiding om een bedrag van € 500,- aan immateriële schadevergoeding toe te wijzen. Gelet op hetgeen bewezen is verklaard en de inhoud van de vordering, acht de rechtbank aannemelijk [slachtoffer 1] als gevolg van het handelen van verdachte immateriële schade heeft geleden. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte het vertrouwen van [slachtoffer 1] op ernstige wijze heeft beschaamd en verdachte het toegebrachte leed nog eens extra heeft verzwaard door het toesturen van een kwetsende en bedreigende kaart aan [slachtoffer 1] .

De rechtbank kan in deze strafrechtelijke procedure niet zonder nader onderzoek de eventuele verdere schade als gevolg van het bewezenverklaarde vaststellen. Nader onderzoek zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij wordt daarom in het meer gevorderde niet ontvankelijk verklaard. Voor dat deel van de vordering kan hij zich desgewenst tot de civiele rechter wenden.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 28 juni 2013, zijnde het moment waarop het eerste schade toebrengende feit is gepleegd.

Vordering [slachtoffer 3] ( [slachtoffer 3] )

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade tot een bedrag van € 121.700,-, waarbij de rechtbank rekening heeft gehouden met de ontvangen betaling van € 6.800,-, rechtstreeks voortvloeit uit het primair bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal dan ook dit gedeelte van de vordering toewijzen.

De rechtbank kan in deze strafrechtelijke procedure niet zonder nader onderzoek de eventuele verdere materiële schade als gevolg van het bewezenverklaarde vaststellen. Nader onderzoek zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij wordt daarom in het meer gevorderde niet ontvankelijk verklaard. Voor dat deel van de vordering kan zij zich desgewenst tot de civiele rechter wenden.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 21 mei 2013, zijnde het moment waarop het eerste schade toebrengende feit is gepleegd.

Vordering [slachtoffer 6]

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade tot een bedrag van € 62.596,88 rechtstreeks voortvloeit uit het primair bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal dan ook dit gedeelte van de vordering toewijzen.

De rechtbank kan in deze strafrechtelijke procedure niet zonder nader onderzoek de eventuele verdere materiële schade als gevolg van het bewezenverklaarde vaststellen. Nader onderzoek zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij wordt daarom in het meer gevorderde niet ontvankelijk verklaard. Voor dat deel van de vordering kan zij zich desgewenst tot de civiele rechter wenden.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 13 november 2013, zijnde het moment waarop het eerste schade toebrengende feit is gepleegd.

Vordering [slachtoffer 8]

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade van € 15.750,- rechtstreeks voortvloeit uit het primair bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal dan ook dit gedeelte van de vordering toewijzen.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade van € 5.000,- overweegt de rechtbank dat toewijzing van immateriële schade slechts in zeer bijzondere gevallen plaatsvindt. In het onderhavige geval ziet de rechtbank aanleiding om een bedrag van € 350,- aan immateriële schadevergoeding toe te wijzen. Gelet op hetgeen bewezen is verklaard en de inhoud van de vordering, acht de rechtbank aannemelijk [slachtoffer 8] als gevolg van het handelen van verdachte immateriële schade heeft geleden. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte het vertrouwen van [slachtoffer 8] op ernstige wijze heeft beschaamd en verdachte het toegebrachte leed nog eens extra heeft verzwaard door het toesturen van een kwetsende en bedreigende kaart aan [slachtoffer 8] . De rechtbank kan in deze strafrechtelijke procedure niet zonder nader onderzoek de eventuele verdere immateriële schade als gevolg van het bewezenverklaarde vaststellen. Nader onderzoek zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij wordt daarom in het meer gevorderde niet ontvankelijk verklaard. Voor dat deel van de vordering kan hij zich desgewenst tot de civiele rechter wenden.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 14 januari 2014, zijnde het moment waarop het eerste schade toebrengende feit is gepleegd.

Vordering [slachtoffer 9]

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade van € 17.500,- rechtstreeks voortvloeit uit het primair bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal dan ook dit gedeelte van de vordering toewijzen.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade van € 1.000,- overweegt de rechtbank dat toewijzing van immateriële schade slechts in zeer bijzondere gevallen plaatsvindt. In het onderhavige geval ziet de rechtbank aanleiding om een bedrag van € 100,- aan immateriële schadevergoeding toe te wijzen. Gelet op hetgeen bewezen is verklaard en de inhoud van de vordering, acht de rechtbank aannemelijk [slachtoffer 9] als gevolg van het handelen van verdachte immateriële schade heeft geleden. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte het vertrouwen van [slachtoffer 9] op ernstige wijze heeft beschaamd. De rechtbank kan in deze strafrechtelijke procedure niet zonder nader onderzoek de eventuele verdere immateriële schade als gevolg van het bewezenverklaarde vaststellen. Nader onderzoek zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij wordt daarom in het meer gevorderde niet ontvankelijk verklaard. Voor dat deel van de vordering kan hij zich desgewenst tot de civiele rechter wenden.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 6 mei 2014, zijnde het moment waarop het schade toebrengende feit is gepleegd.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen (te weten: oplichting, meermalen gepleegd) aanleiding om ter zake van de vorderingen van de benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen. Bij het bepalen van de vervangende hechtenis zal de wettelijke rente buiten beschouwing worden gelaten.

In hetgeen namens de verdediging is aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om in dit geval een termijnbetaling dan wel betalingsregeling vast te stellen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 57, 321 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen:

 veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde feit tot betaling van schadevergoeding aan de navolgende benadeelde partijen van de hierna genoemde bedragen, telkens vermeerderd met de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden steeds begroot op nihil:

Benadeelde partij Bedrag Wettelijke rente

1. [slachtoffer 2] € 42.750,- vanaf 28 april 2014

2. [slachtoffer 1] € 27.216,23 vanaf 28 juni 2013

3. [slachtoffer 3] € 121.700,- vanaf 21 mei 2013

4. [slachtoffer 6] € 62.596,88 vanaf 13 november 2013

5. [slachtoffer 8] € 16.100,- vanaf 14 januari 2014

6. [slachtoffer 9] € 17.600,- vanaf 6 mei 2014

 legt aan veroordeelde tevens de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de navolgende benadeelde partijen te betalen, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal hechtenis zal kunnen worden toegepast van na te melden duur zonder dat de betalingsverplichting vervalt:

Benadeelde partij Bedrag Vervangende hechtenis

1. [slachtoffer 2] € 42.750,- 248 dagen

2. [slachtoffer 1] € 27.216,23 171 dagen

3. [slachtoffer 3] € 121.700,- 365 dagen

4. [slachtoffer 6] € 62.596,88 326 dagen

5. [slachtoffer 8] € 16.100,- 115 dagen

6. [slachtoffer 9] € 17.600,- 123 dagen

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verklaart de benadeelde partijen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] voor het overige niet-ontvankelijk in hun vorderingen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Bijl (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. A. Tegelaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.P.J. Leenders, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 januari 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van de politie Oost Nederland, district NO-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2014076237, gesloten op 9 oktober 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal inzake dossier Napels, p. 24.

3 Proces-verbaal inzake dossier Napels, p. 24.

4 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 117.

5 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 211 en 212.

6 Schriftelijk bescheiden: overeenkomsten van lening, p. 217 tot en met 219, p. 220 tot en met 222 en p 223 tot en met 225.

7 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 213.

8 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] , p. 230 tot en met 232.

9 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 213.

10 Schriftelijk bescheid: kaart, p. 226 en 227.

11 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 248, 249, 253 en 254.

12 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 249, 253 tot en met 256.

13 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , p. 260.

14 Proces-verbaal van bevindingen en toelichting schuld [slachtoffer 1] , p. 285 en 286.

15 Proces-verbaal van bevindingen, p. 23 en 24; schriftelijke bescheiden: uitdraaien van de bankafschriften p. 27 tot en met 30, p. 44 en 45 en p. 50 tot en met 53.

16 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , p. 249, 250, 255 tot en met 260.

17 Schriftelijk bescheid: kaart, p. 273.

18 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] namens [slachtoffer 3] , p. 325, 326 en 330; schriftelijke bescheiden: businessplan [naam 2] , p. 340 tot en met 344.

19 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] namens [slachtoffer 3] , p. 325, 326, 330 en 332; schriftelijk bescheid: afschrift bankrekening SNS-Bank, p. 337.

20 Schriftelijk bescheid: overeenkomst van investering, p. 345 tot en met 347.

21 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] namens [slachtoffer 3] , p. 326 en 333.

22 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] namens [slachtoffer 3] , p. 326 en 333.

23 Schriftelijk bescheid: overeenkomst van investering, p. 351 tot en met 353.

24 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] namens [slachtoffer 3] , p. 326 en 334.

25 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] namens [slachtoffer 3] , p. 326 en 335.

26 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] namens [slachtoffer 3] , p. 335.

27 Schriftelijk bescheiden: overeenkomsten van geldlening, p. 355 tot en met 356 en p. 359 tot en met 360.

28 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] namens [slachtoffer 3] , p. 335.

29 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] namens [slachtoffer 3] , p. 325, 326, 331 en 335.

30 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] namens [slachtoffer 3] , p. 326 en 327.

31 Schriftelijk bescheid: kaart, p. 361 en 362.

32 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] , p. 369.

33 Schriftelijke bescheiden: overeenkomsten van lening, p. 373 tot en met 375 en p. 376 tot en met 378.

34 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 6] , p. 419 en 420.

35 Schriftelijk bescheiden: overeenkomsten van investering, p. 432 tot en met 434, p. 435 tot en met 437, p. 441 tot en met 443 en p. 444 tot en met 446 en overeenkomst van geldlening, p. 438 tot en met 440.

36 Proces-verbaal van bevindingen, p. 23 en 24; schriftelijke bescheiden: uitdraaien van de bankafschriften p. 31, 32 en 54 tot en met 57.

37 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 6] , p. 420 en 449 tot en met 451.

38 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 6] , p. 420 en 421.

39 Schriftelijk bescheid: kaart, p. 431.

40 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 7] , p. 486, 487 en 492.

41 Schriftelijk bescheid: bankafschrift p. 522

42 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 8] , p. 508, 509, 527 tot en met 531.

43 Schriftelijk bescheiden: overeenkomsten van investering, p. 516 tot en met 521.

44 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 8] , p. 509 en 510.

45 Schriftelijk bescheid: kaart, p. 515.

46 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 9] , p. 538 tot en met 540.

47 Schriftelijk bescheiden: overeenkomsten van lening, p. 543 tot en met 548.

48 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 januari 2017.

49 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , p. 168 en 169; proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , p. 170 en 171; proces-verbaal van getuige [getuige 3] , p. 172 en 173.

50 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 januari 2017; proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 127.