Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:521

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-01-2017
Datum publicatie
27-01-2017
Zaaknummer
05/840655-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft op 27 januari 2017 een 35 jarige man uit Doetinchem veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijke strafdeel zijn bijzondere voorwaarden gekoppeld. De man moet zich melden bij de reclassering en hij moet deelnemen aan een gedragsinterventie. De tijd die de man in voorarrest heeft gezeten, moet op de straf in mindering worden gebracht.

De man is veroordeeld omdat hij in de periode 24 november 2015 tot en met 22 juni 2016 cocaïne heeft gedeald vanuit zijn tattooshop en zijn woning in Doetinchem. Daarnaast had hij op 22 juni 2016 in zijn woning ongeveer 45 gram cocaïne aanwezig en had hij daar toen ook een flobert geweer met twee doosjes munitie, twee katapulten, een boksbeugel en een gaspistool voorhanden. In zijn tattooshop is nog een ploertendoder aangetroffen.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank in het nadeel van de man rekening gehouden met onder meer het feit dat harddrugs schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Daarnaast vormen wapens een gevaar en een bedreiging voor personen in de samenleving. De rechtbank vindt het ook zeer verwijtbaar dat de man heeft gezorgd voor een situatie waarin zijn kinderen mogelijk met drugs en wapens in aanraking konden komen.

De man krijgt een in zijn woning aangetroffen geldbedrag van € 5200,-- niet terug. Dat geld is verbeurd verklaard, omdat aannemelijk is dat dit geld afkomstig is van de handel in cocaïne.

De rechtbank acht aannemelijk dat de man in de ten laste gelegde periode ten minste € 6.895,-- heeft verdiend met het dealen van cocaïne. De man moet dit gehele bedrag terug betalen. Omdat hij de in de woning aangetroffen € 5200,-- niet terugkrijgt, resteert een betalingsverplichting van

€ 1695,--.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/840655-16

Datum uitspraak : 27 januari 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] te [geboorteplaats] , wonende te [adres]

raadsman: mr. W.K. Cheng, advocaat te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 17 januari 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 22 juni 2016 te Doetinchem, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 45,41 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of 22 ml GHB en/of een of meer middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, zijnde cocaïne en/of een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 november 2015

tot en met 22 juni 2016 te Doetinchem, althans in Nederland (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende een of meer middelen als bedoeld bij de Opiumwet behorende lijst I, zijnde cocaïne en/of een of meer andere middel(en)(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 22 juni 2016 te Doetinchem, althans in Nederland, een of meer wapens van categorie III, te weten een (flobert) geweer (merk J.G. Anschütz, kaliber 6 mm), en/of een hoeveelheid munitie van categorie III, te weten twee doosjes munitie (merk Winchester: 44 stuks, kaliber 6 mm en Stinger: 49 stuks, kaliber 6 mm), voorhanden heeft gehad;

4.

hij op of omstreeks 22 juni 2016 te Doetinchem, althans in Nederland,

- een of meer wapens van categorie I, onder 6, te weten twee katapulten, en/of

- een of meer wapens van categorie I, onder 3, te weten een boksbeugel en/of

- een ploertendoder, voorhanden heeft gehad

5.

hij op of omstreeks 22 juni 2016 te Doetinchem, althans in Nederland, een of meer wapens van categorie III, onder 1, te weten een gaspistool (van het merk Umarex, kaliber 9 mm) voorhanden heeft gehad.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Ten aanzien van de feiten 1, 3, 4 en 5

Het standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte op 22 juni 2016 opzettelijk 45,41 gram cocaïne en 22 milliliter GHB aanwezig heeft gehad. Ook kan worden bewezen dat verdachte op die datum een flobert geweer en twee doosjes munitie, twee katapulten, een boksbeugel, een ploertendoder en een gaspistool voorhanden heeft gehad. De drugs en wapens zijn aangetroffen bij doorzoekingen en verdachte heeft deze feiten bekend.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de feiten 1, 3, 4 en 5 verwezen naar de bekennende verklaring van verdachte.

De beoordeling van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van doorzoeking [adres] , p. 254 en 255, met bijlage inhoudende een lijst met in beslag genomen goederen, p. 256 t/m 262;

- het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 341 en 342;

- het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 343 t/m 345;

- het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 346 t/m 354;

- het NFI rapport van 24 augustus 2016, p. 356 en 357;

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , p. 358;

- het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 418 en 422;

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 17 januari 2017.

Ten aanzien van feit 3

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van doorzoeking [adres] , p. 254 en 255, met bijlage inhoudende een lijst met in beslag genomen goederen, p. 273 en 274;

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , p. 431;

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , p. 441;

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] , p. 457 en 458;

- het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 415;

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 17 januari 2017.

Ten aanzien van feit 4

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van doorzoeking Van Hogendorplaan 51, p. 313 en 314, met bijlage, inhoudende een lijst met in beslag genomen goederen, p. 315;

- het proces-verbaal van doorzoeking [adres] , p. 254 en 255, met bijlage inhoudende een lijst met in beslag genomen goederen, p. 272 en 273;

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , p. 431 en 432;

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , p. 433;

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , p. 439;

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , p. 448;

- het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 414 en 415;

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 17 januari 2017.

Ten aanzien van feit 5

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van doorzoeking [adres] , p. 254 en 255, met bijlage inhoudende een lijst met in beslag genomen goederen, p. 274;

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , p. 431;

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] , p. 452 en 453;

- het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 414;

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 17 januari 2017.

Ten aanzien van feit 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde. Hij heeft gewezen op de drugs en druggerelateerde goederen die in de woning van verdachte zijn aangetroffen, de verklaring van [medeverdachte] en de verklaring van getuige [getuige] . Op basis van het dossier is niet exact vast te stellen hoe vaak verdachte cocaïne heeft gedeald, maar op basis van observaties, pseudokopen en buurtonderzoeken is aannemelijk dat verdachte frequent vanuit de tattooshop en vanuit zijn woning cocaïne verkocht.
Volgens de officier van justitie kan de verklaring van getuige [getuige] als bewijsmiddel worden gebruikt. Subsidiair kan het onderzoek worden heropend, zodat [getuige] als getuige door de rechter-commissaris kan worden gehoord.

Het standpunt van de verdediging

Volgens de raadsman kan bewezen worden dat verdachte bij pseudokopen op 6 april 2016 en 24 mei 2016 in totaal 3 envelopjes cocaïne heeft verkocht. Het dossier bevat verder onvoldoende bewijs voor de verdenking dat verdachte in de gehele ten laste gelegde periode cocaïne heeft gedeald. Tijdens observaties zijn korte contacten waargenomen, maar niet dat verdachte daadwerkelijk drugs heeft verkocht. Daarnaast hebben meerdere getuigen verklaard geen drugs te hebben gekocht bij verdachte. Alleen getuige [getuige] heeft belastend verklaard, maar zij heeft haar verklaring schriftelijk ingetrokken omdat zij zich door de politie onder druk gezet voelde om te verklaren. Volgens de politie was ze verplicht een verklaring af te leggen, wat achteraf niet juist bleek te zijn. Gelet hierop stelt de raadsman dat de verklaring van [getuige] voor het bewijs moet worden uitgesloten.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank gaat allereerst in op het door de verdediging gedane verzoek tot bewijsuitsluiting van de verklaring van getuige [getuige] .

[getuige] heeft op 1 juli 2016 bij de politie als getuige een verklaring afgelegd. In een brief van 7 juli 2016 schrijft [getuige] dat zij haar verklaring wil intrekken. Zij voelde zich door de politie onder druk gezet om te verklaren.

Dat getuige (achteraf) heeft vernomen dat ze niet verplicht was bij de politie een verklaring af te leggen, maakt niet dat er sprake is geweest van ongeoorloofde druk. Uit niets blijkt dat de inhoud van haar verklaring niet betrouwbaar is. [getuige] betwist de juistheid van inhoud van de door haar afgelegde verklaring immers (ook naderhand) niet. Nu er geen sprake is geweest van ongeoorloofde druk en de verklaring betrouwbaar wordt geacht zal deze worden gebruikt voor het bewijs. Het verweer van de raadsman zal daarom worden verworpen.

De rechtbank overweegt verder als volgt.

Verdachte ontkent cocaïne te hebben gedeald en heeft verklaard dat de in zijn woning aangetroffen cocaïne voor eigen gebruik was. De rechtbank acht deze verklaring gelet op het volgende niet aannemelijk.

Op 22 juni 2016 zijn bij een doorzoeking van de woning van verdachte diverse envelopjes met daarin in totaal ongeveer 45 gram cocaïne aangetroffen (de rechtbank verwijst in dit kader naar de ten aanzien van feit 1 opgesomde bewijsmiddelen. Deze bewijsmiddelen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd). Ook zijn in de woonkamer en slaapkamer van verdachte zakjes met niet-opgevouwen envelopjes aangetroffen.2 In de slaapkamer werden daarnaast 2 potten inositol aangetroffen en verder een weegschaal en een blender/mixer met poederresten die positief indicatief op de aanwezigheid van cocaïne zijn getest.3 Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat inositol als versnijdingsmiddel kan worden gebruikt.

Daarnaast is tijdens een postactie op 3 en 4 december 2015 en bij observaties in de periode van 24 februari 2016 tot en met 6 maart 2016 en in de periode van 18 april tot en met 28 april 2016, waargenomen dat verschillende personen de tattooshop van verdachte voor steeds korte momenten van hoogstens enkele minuten bezochten.4 Bewoners van huizen in de omgeving van de tattooshop hebben verklaard dat veel personen korte bezoeken brachten aan de tattooshop. Deze bezoeken waren te kort om een tatoeage te laten plaatsen en gingen de hele dag door, tot zeker 21.00 uur of 22.00 uur.5 Verder hebben buren van verdachte verklaard dat sinds jaren vaak korte bezoekjes werden gebracht aan de woning van verdachte. Er stonden veel verschillende auto’s bij verdachte voor de deur, die na vijf tot tien minuten weer weg waren.6

Op 11 mei 2016 is door een verbalisant van het pseudokoopteam geprobeerd om in de tattooshop van verdachte een pseudokoop tot stand te laten komen. In de shop was [medeverdachte] , een medewerker van de shop, aanwezig. Verbalisant vroeg aan [medeverdachte] of hij iets in de shop kon scoren. [medeverdachte] antwoordde daar op dat hij dat daar niet deed en dat verbalisant daarvoor bij [verdachte] moest zijn. Verbalisant moest daarvoor het bovenste nummer op het bordje achter het raam van de toegangsdeur bellen. Verbalisant zag daarop een telefoonnummer dat hij herkende als het telefoonnummer van verdachte.7

[medeverdachte] is op 23 juni 2016 verhoord en heeft verklaard dat heel Doetinchem wel weet dat verdachte ‘dit’ al jaren doet in Doetinchem. Hij weet niet wanneer verdachte er in de shop mee is begonnen. Een aantal maanden voor het verhoor kwam er in de shop een vrouw naar [medeverdachte] toe die vertelde dat ze had gehoord dat in de shop wat te scoren was. [medeverdachte] dacht toen dat verdachte weer met ‘die ellende’ was begonnen.8

De medewerker van het pseudokoopteam heeft in de ten laste gelegde periode twee keer daadwerkelijk cocaïne bij verdachte gekocht. Op 6 april 2016 vond in de woning van verdachte de eerste pseudokoop plaats. Verbalisant kocht toen voor € 50,-- één envelopje van verdachte.9 De inhoud van het envelopje is in beslag genomen (beslagcode P-001) en bemonsterd (AAJB731NL).10 Het NFI heeft dat monster onderzocht en heeft geconcludeerd dat het cocaïne bevat.11 Op 24 mei 2016 vond in de tattooshop van verdachte een tweede pseudokoop plaats. Verbalisant kocht toen voor € 100,-- twee envelopjes van verdachte.12 De inhoud van de envelopjes is in beslag genomen (goednummer PL0600-2015579419-114168) en bemonsterd (AAJH2155NL).13 Het NFI heeft dat monster onderzocht en heeft geconcludeerd dat het cocaïne bevat.14

Enkele potentiële afnemers van verdachte zijn als getuige gehoord. Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij af en toe in het weekend een lijntje cocaïne gebruikt. [getuige] koopt de cocaïne al twee jaar bij verdachte. Er zijn meer mensen die bij hem cocaïne kopen. Het is algemeen bekend dat bij verdachte cocaïne kan worden gekocht. Als [getuige] verdachte belt, weet hij al waar het om gaat en dan levert hij de cocaïne. Voor een envelopje betaalt [getuige] tussen de € 40,-- en € 50,--.15

Het dossier bevat verder een overzicht van opgaven van omzetbelasting met betrekking tot de tattooshop over het tweede tot en met het vierde kwartaal van 2015 en het eerste kwartaal van 2016. De totale omzet van de shop over deze periode bedroeg € 26.551,--. Dit is omgerekend een maandelijkse omzet van € 2.212,58.16 Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat alle inkomsten van de tattooshop aan de Belastingdienst worden opgegeven.17 Verdachte heeft echter ook verklaard dat zijn totale maandelijkse vaste lasten

€ 3000,-- bedragen.18 Het legale inkomen van verdachte is daarom ruimschoots ontoereikend om rond te komen. Van die omzet zullen namelijk ook nog de kosten van de shop moeten worden betaald (afgezien van de huur van het pand) en voor zover er inkomsten overblijven zal daar inkomstenbelasting over moeten worden afgedragen. Op 22 juni 2016 is in een kastje in de slaapkamer van verdachte een geldbedrag van € 5200,-- gevonden.19 In het licht van het voorgaande acht de rechtbank aannemelijk dat dit geldbedrag afkomstig is uit de handel in cocaïne.

Op basis van het voorgaande, alles in samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 24 november 2015 tot en met 22 juni 2016 opzettelijk cocaïne heeft gedeald. In het licht van de verklaring van [getuige] , de pseudokopen en de verklaring van [medeverdachte] acht de rechtbank aannemelijk dat een aanmerkelijk deel van de korte bezoekjes aan de tattooshop en de woning van verdachte zagen op het kopen van cocaïne. Zoals hiervoor beschreven, zijn in de slaapkamer van verdachte een weegschaal en een blender/mixer met (vermoedelijk) cocaïneresten, twee potten inositol en niet-opgevouwen envelopjes aangetroffen. Kennelijk zijn de inositol en de blender gebruikt voor het versnijden van cocaïne. Dit is een vorm van bewerken van cocaïne. De weegschaal en de envelopjes zijn kennelijk gebruikt voor het afwegen en het verpakken van cocaïne. Het verpakken van cocaïne is een vorm van verwerken. De rechtbank acht daarom ook bewezen dat verdachte in de ten laste gelegde periode opzettelijk cocaïne heeft bewerkt en verwerkt.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het 1 tot en met 5 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 22 juni 2016 te Doetinchem, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 45,41 gram cocaïne, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of 22 ml GHB en/of een of

meer middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, zijnde

cocaïne en GHB /of een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet.

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 november 2015

tot en met 22 juni 2016 te Doetinchem, althans in Nederland (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende een of meer middelen als bedoeld bij de Opiumwet behorende lijst I, zijnde cocaïne en/of een of meer andere middel(en)(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 22 juni 2016 te Doetinchem, althans in Nederland, een of meer wapens van categorie III, te weten een (flobert) geweer (merk J.G. Anschütz, kaliber 6 mm), en/of een hoeveelheid munitie van categorie III, te weten twee doosjes munitie (merk Winchester: 44 stuks, kaliber 6 mm en Stinger: 49 stuks, kaliber 6 mm), voorhanden heeft gehad;

4.

hij op of omstreeks 22 juni 2016 te Doetinchem, althans in Nederland,

- een of meer wapens van categorie I, onder 6, te weten twee katapulten, en/of

- een of meer wapens van categorie I, onder 3, te weten een boksbeugel en/of

- een ploertendoder, voorhanden heeft gehad

5.

hij op of omstreeks 22 juni 2016 te Doetinchem, althans in Nederland, een of meer wapens van categorie III, onder 1, te weten een gaspistool (van het merk Umarex, kaliber 9 mm) voorhanden heeft gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 2:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 3:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 4:

Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 5:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 tot en met 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Aan het bijzondere strafdeel moeten de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden, te weten een meldplicht en de verplichting om deel te nemen aan een cognitieve gedragstraining. De tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, moeten op de straf in mindering worden gebracht. De officier van justitie heeft een voorwaardelijk strafdeel geëist, omdat verdachte een first offender is. Bij het bepalen van zijn eis heeft de officier van justitie verder rekening gehouden met de periode waarin verdachte cocaïne heeft verkocht en het feit dat harddrugs risico’s voor de volksgezondheid met zich brengen. Daarnaast heeft verdachtes handelen voor overlast gezorgd in de buurt rondom de woning van verdachte en de buurt rondom de tattooshop. De officier van justitie rekent verdachte ook aan dat verdachtes kinderen een risico hebben gelopen, doordat de drugs en wapens in de woning van verdachte voor hen toegankelijk waren.

De officier van justitie vindt dat de schorsing van de voorlopige hechtenis, gelet op zijn eis, moet worden opgeheven.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om een vrijheidsbenemende straf op te leggen, gelijk aan de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met daarnaast een werkstraf. Verdachte wil meewerken aan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De raadsman heeft gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft een goedlopende tattooshop. De inkomsten daaruit heeft hij nodig om zijn vaste lasten te voldoen. Daarnaast heeft hij de gedeelde zorg over zijn twee minderjarige kinderen. Verdachte gebruikt geen cocaïne meer en is niet langer afhankelijk van andere inkomsten om in zijn verslaving te voorzien. De raadsman vindt dat voor het voorhanden hebben van de wapens geen gevangenisstraf moet worden opgelegd. Hij heeft in dit kader gewezen op de landelijke oriëntatiepunten. Ook heeft hij de rechtbank verzocht om rekening te houden met het feit dat verdachte een first offender is.

De raadsman vindt dat de schorsing van de voorlopige hechtenis niet moet worden opgeheven. Verdachte heeft tijdens de schorsing laten zien dat hij in staat is om op het juiste pad te blijven.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, 2 december 2016; en

- een advies van Reclassering Nederland, gedateerd 19 september 2016.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het volgende.

Verdachte heeft zich gedurende 7 maanden schuldig gemaakt aan het dealen en het bewerken en verwerken van cocaïne. Hij had daarnaast op 22 juni 2016 opzettelijk ongeveer 45 gram cocaïne aanwezig en had toen ook een flobert geweer, twee doosjes munitie, een gaspistool, twee katapulten, een boksbeugel en een ploertendoder voorhanden. Dit zijn ernstige feiten.

Het is algemeen bekend dat harddrugs, eenmaal onder het bereik van gebruikers, een ernstige bedreiging vormen voor de volksgezondheid. Het is ook een feit van algemene bekendheid dat een groot deel van de criminaliteit direct of indirect haar oorsprong vindt in het gebruik van drugs. Verdachte is hier door zijn handelen medeverantwoordelijk voor. Daarnaast vormen (vuur)wapens een gevaar en een aanzienlijke bedreiging voor de veiligheid van personen in de samenleving. De aangetroffen munitie was geschikt om te worden afgevuurd in het flobert geweer. De rechtbank vindt het zeer verwijtbaar dat verdachte voor een situatie heeft gezorgd waarin zijn kinderen mogelijk met drugs en wapens in aanraking konden komen. Met dit alles houdt de rechtbank in het nadeel van verdachte rekening. In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld ten aanzien van strafbare feiten.

In het reclasseringsrapport wordt beschreven dat verdachte op het gebied van werk en financiën onrustige tijden heeft gekend, maar dat hij zijn zaken steeds meer op de rit krijgt. Verdachte lijkt door de arrestatie, de hechtenis en de strafzaak bewust te zijn geworden van wat hij te verliezen heeft. Aan de andere kant is het beeld ontstaan dat verdachte geneigd is om onhandige keuzes te maken en zich daarbij onvoldoende bewust is van de mogelijke gevolgen. Verdachte kan op dit gebied nog stappen maken. Daarom adviseert de reclassering dat aan verdachte als bijzondere voorwaarden bij een eventueel voorwaardelijk strafdeel een meldplicht en een training gericht op cognitieve vaardigheden worden opgelegd. Tijdens die training zal worden ingegaan op de manier waarop verdachte nu keuzes maakt en wordt hem aangeleerd op welke manier hij dat in de toekomst het best kan doen.

Gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, wil de rechtbank niet volstaan met een vrijheidsbenemende straf gelijk aan het voorarrest met daarnaast een werkstraf, zoals door de raadsman is verzocht. Het handelen van verdachte rechtvaardigt een vrijheidsbenemende straf van langere duur. De rechtbank acht een gevangenisstraf van 10 maanden passend en geboden.
Verdachte verklaart dat hij zijn financiën beter op orde heeft en de tattooshop op dit moment goed loopt. Dat biedt echter geen garantie voor de toekomst. Om te voorkomen dat verdachte op het moment dat zijn inkomsten teruglopen opnieuw zal overgaan tot de (lucratieve) handel in cocaïne of het begaan van een ander strafbaar feit, wordt een deel van de straf, groot 5 maanden, voorwaardelijk opgelegd. Aan dit voorwaardelijke strafdeel zullen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld. Dit zijn een meldplicht en de verlichting om deel te nemen aan een cognitieve gedragstraining. De proeftijd wordt bepaald op 3 jaren en de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zullen op de straf in mindering worden gebracht.

De rechtbank zal de schorsing van de voorlopige hechtenis niet opheffen.

Ten aanzien van het beslag

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen geldbedrag van € 5.200,-- verbeurd dient te worden verklaard, nu dit geld afkomstig is uit de handel in cocaïne.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat niet kan worden aangetoond dat het in beslag genomen geldbedrag afkomstig is van de handel in cocaïne. Dit geld was afkomstig uit de tattooshop.

De beoordeling door de rechtbank

Het geldbedrag van € 5.200,--, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu aannemelijk is geworden dat dit goed geheel of grotendeels door middel van het onder 2 bewezen verklaarde is verkregen. De rechtbank wijst ten aanzien hiervan naar wat zij daarover onder feit 2 heeft overwogen.

De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 24, 33, 33a, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3, 11 en 13 van de Opiumwet en de artikelen 2, 13, 26, 55 en 56 van de Wet wapens en munitie.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

Meldplicht

- zich uiterlijk binnen vijf werkdagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij de Reclassering Nederland en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;

Gedragsinterventie

- zal deelnemen aan een cognitieve gedragstraining (CoVa, CoVa+ of Solo, zulks ter beoordeling van de reclassering.

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven goed, te weten: een geldbedrag van € 5200,-- (beslagcode B.1.6.1.4.1., p. 259 van het dossier).

Dit vonnis is gewezen door mr. C.J.M. van Apeldoorn (voorzitter), mr. M.F. Gielissen en

mr. A. Tegelaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Kolkman, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 januari 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015579419, gesloten op 27 september 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van doorzoeking [adres] , p. 254 en 255, met bijlage inhoudende een lijst met in beslag genomen goederen, p. 256 en 259.

3 Het proces-verbaal van doorzoeking [adres] , p. 254 en 255, met bijlage inhoudende een lijst met in beslag genomen goederen, p. 260 en het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 7] , p. 311 en 312 en het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 350, onderaan, p. 351, bovenaan en p. 353 en het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 343 t/m 345.

4 Het uittreksel van de Kamer van Koophandel van 27 november 2015, p. 68 en het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] , p. 72 t/m 74 en het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , p. 83 t/m 108 en het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 6] , [verbalisant 7] en [verbalisant 8] , p. 190 t/m 215.

5 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 9] en [verbalisant 10] , p. 245.

6 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 11] en [verbalisant 12] , p. 247 en 248.

7 Het proces-verbaal van pseudokoop op 11 mei 2016, p. 163 t/m 165.

8 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] , p. 409.

9 Het proces-verbaal van pseudokoop op 6 april 2016, p. 158 t/m 161.

10 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , p. 162 en het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 337.

11 Het NFI rapport van 24 augustus 2016, p. 357.

12 Het proces-verbaal van pseudokoop op 24 mei 2016, p. 166 t/m 169.

13 Het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 1] , p. 170 en het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 339 en 340.

14 Het NFI rapport van 24 augustus 2016, p. 357.

15 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , p. 391 t/m 393.

16 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , p. 373.

17 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 17 januari 2017.

18 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 415 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 17 januari 2017.

19 Het proces-verbaal van doorzoeking [adres] , p. 254 en 255, met bijlage inhoudende een lijst met in beslag genomen goederen, p. 259.