Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:519

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-01-2017
Datum publicatie
30-01-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 4545
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Naheffingsaanslag vernietigd omdat de parkeerbelasting door eiser was betaald (zie o.a. ECLI:NL:HR:1997:AA3200).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/226
Belastingblad 2017/89
V-N 2017/19.10.17
FutD 2017-0345
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 16/4545

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 30 januari 2017

in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Wageningen, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser op 21 mei 2016 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 61,40, bestaande uit € 1,40 parkeerbelasting en € 60 kosten naheffing.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 27 juni 2016 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 2 augustus 2016, ontvangen door de rechtbank op 3 augustus 2016, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2016.

Eiser is verschenen. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft zijn personenauto met kenteken [00-AAA-1] (hierna: het voertuig) op 21 mei 2016 op of omstreeks 16:08 uur geparkeerd aan de [A-straat 1] te [Q] om boodschappen te doen. Deze plaats is ingevolge de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2016 van de gemeente Wageningen (hierna: de Verordening) aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.

2. Bij een controle om 16:34 uur is geconstateerd dat in het voertuig geen geldig parkeerkaartje aanwezig was. Om die reden is aan eiser de naheffingsaanslag ten bedrage van € 61,40 opgelegd. Het aanslagbedrag bestaat uit € 1,40 aan nageheven parkeerbelasting en € 60 aan kosten van de naheffingsaanslag.

Geschil

3. In geschil is het antwoord op de vraag of de heffingsambtenaar terecht de naheffingsaanslag aan eiser heeft opgelegd.

Beoordeling van het geschil

4. In artikel 225, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet is bepaald dat in het kader van de parkeerregulering een belasting kan worden geheven ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) te bepalen plaats, tijdstip en wijze. Hieraan is in de Verordening en het Aanwijzingsbesluit betaald parkeren van het college van de gemeente Wageningen van 8 december 2015 (gepubliceerd in het Gemeenteblad van 11 december 2015, nr. 119770, te vinden op: www.overheid.nl, hierna: het Aanwijzingsbesluit) gevolg gegeven.

5. De onderhavige parkeerbelasting wordt op grond van het bepaalde in artikel 234, eerste lid, van de Gemeentewet geheven bij wege van voldoening op aangifte dan wel op andere wijze. In het tweede lid, aanhef en onderdeel a, van dat artikel is bepaald dat als voldoening op aangifte uitsluitend wordt aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van een parkeermeter of een parkeerautomaat op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college gestelde voorschriften. Artikel 7, eerste en vierde lid, van de Verordening is hiermee in overeenstemming.

6. Met betrekking tot de wijze van betalen van de onderhavige parkeerbelasting is in artikel 1b van Bijlage 1 bij het Aanwijzingsbesluit bepaald dat het in werking stellen van de parkeerapparatuur (zoals parkeermeters en parkeerautomaten) op alle parkeerterreinen - met uitzondering van het terrein Gevangentoren - geschiedt door het inwerpen van muntstukken van € 0,10, € 0,20, € 0,50, € 1,00 of € 2,00, met een minimum van € 0,40, dan wel door middel van een debetkaart (bankpas) zonder pincode (Dip & Go). Ingevolge het vierde lid van dat artikel dient, indien bij het betaald parkeren op straat - met uitzondering van terreinen voorzien van een slagboom - gebruik wordt gemaakt van parkeerapparatuur welke na inwerkingstelling een parkeerkaartje afgeeft, dit parkeerkaartje met de tijdsaanduiding aan de bovenzijde op een van buitenaf duidelijk leesbare plaats achter de voorruit van het voertuig te worden aangebracht.

7. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser het voertuig heeft geparkeerd op een plaats waar en een tijdstip waarop ingevolge de Verordening parkeerbelasting was verschuldigd. Voorts staat niet ter discussie dat ter zake van het parkeren geen parkeerkaartje achter de voorruit van het voertuig is aangebracht. De door het college in de bijlage bij het Aanwijzingsbesluit gestelde voorschriften zijn derhalve niet (volledig) in acht genomen. Aldus is de ter zake van het parkeren verschuldigde parkeerbelasting niet op aangifte voldaan als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Verordening.

8. Dit betekent echter nog niet dat de onderhavige naheffingsaanslag terecht aan eiser is opgelegd. Ingevolge artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is voor naheffing slechts plaats indien de belasting die op aangifte behoort te worden voldaan, geheel of gedeeltelijk niet is betaald (zie Hoge Raad 8 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3187 en ECLI:NL:HR:1997:AA3200). Het geschil spitst zich hierop toe.

9. Ter onderbouwing van zijn stelling dat de verschuldigde parkeerbelasting is betaald, heeft eiser het volgende aangevoerd. Op 21 mei 2016 heeft hij zijn voertuig geparkeerd aan de [A-straat 1] ter hoogte van nummer 85. Vervolgens is hij naar de aldaar aanwezige parkeerautomaat gelopen om die in werking te stellen. Hij heeft daarvoor zijn bankpas gebruikt. Naar zijn zeggen heeft de parkeerautomaat echter geen parkeerkaartje afgegeven, hoewel hij in de overtuiging is dat de betaaltransactie was afgerond. Na de naheffingsaanslag achter zijn voorruit te hebben aangetroffen, heeft hij bij thuiskomst zijn bankrekening gecontroleerd en geconstateerd dat op 21 mei 2016 een bedrag van € 1,20 van zijn rekening is afgeschreven met omschrijving “P – Wageningen – 20 Wageningen, betaalautomaat 16:08 pasnr. 018”. Twee dagen later, op 23 mei 2016, is dit bedrag - bij wijze van correctie - weer op zijn rekening bijgeschreven met als valutadatum 21 mei 2016. Deze boeking heeft de omschrijving “P- Wagening – Wageningen, Betaalautomaat 16:08 pasnr. 018”. Een kopie van een bankafschrift waaruit zowel de afschrijving als de latere correctie blijkt, is door eiser in het geding gebracht.

10. Gelet op het door eiser in het geding gebrachte bankafschrift en de geloofwaardige verklaringen van eiser met betrekking tot de door hem verrichte handelingen teneinde de parkeerbelasting te betalen, acht de rechtbank niet alleen aannemelijk dat ter zake van het parkeren aan de [A-straat 1] een bedrag van € 1,20 is afgeschreven van zijn rekening maar ook dat dit bedrag aan parkeerbelasting daadwerkelijk is betaald.

11. Verweerder heeft zijn stelling dat het bedrag niet op de rekening van de gemeente is bijgeschreven niet voldoende onderbouwd. Het door hem overgelegde overzicht van transacties op 21 mei 2016 rond het bewuste tijdstip van parkeren, is daarvoor onvoldoende. Ter zitting is verklaard dat het een transactieoverzicht betreft uit het registratiesysteem van de desbetreffende parkeerautomaat dat naar aanleiding van de onderhavige beroepsprocedure is opgemaakt. Niet valt uit te sluiten dat betalingen die weer zijn teruggeboekt, zoals in het onderhavige geval op 23 mei 2016 is gebeurd, niet (langer) op dit overzicht voorkomen. De stelling dat er überhaupt geen contact tot stand is gekomen tussen de bank van eiser en de bank van de gemeente omdat eiser mogelijk zijn bankpas te snel uit de parkeerautomaat heeft verwijderd, heeft verweerder overigens niet met stukken gestaafd. Gezien de betwisting door eiser had dit wel op zijn weg gelegen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder als heffende instantie en beheerder van de parkeerapparatuur verantwoordelijk is voor de correcte afwikkeling van de betaaltransacties via de parkeerautomaat en het daarvoor noodzakelijke interbancaire verkeer. Dit interbancaire verkeer vindt plaats buiten de macht van eiser. Hij heeft hier ook geen zicht op. Voor hem is in eerste instantie alleen de afschrijving van € 1,20 zichtbaar geworden, zodat hij ervan uit mocht gaan dat de transactie succesvol was afgerond en dit bedrag ook daadwerkelijk was betaald aan de gemeente. Dat de parkeerautomaat geen parkeerkaartje als betaalbewijs heeft afgegeven, vormt onvoldoende aanwijzing voor het tegendeel.

12. Het moet er daarom voor worden gehouden dat sprake is van (girale) betaling van een bedrag van € 1,20 aan parkeerbelasting. Die betaling is blijkens de bij de Verordening behorende Tarieventabel parkeerbelastingen voldoende om ter plaatse tenminste 40 minuten te parkeren, zoals door eiser is gesteld. Ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag (16:34 uur) was derhalve niet sprake van een situatie dat de parkeerbelasting niet was betaald. Voor het naheffen van parkeerbelasting bestaat daarom geen grond. Dat het betaalde bedrag twee dagen nadat de naheffingsaanslag is opgelegd weer is bijgeschreven op de rekening van eiser, doet hier niet aan af. Die terugboeking speelde zich evenzeer af buiten de macht van eiser en maakte de eerdere betaling niet met terugwerkende kracht ongedaan.

13. Gelet hierop dient het beroep gegrond te worden verklaard. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen behandeling meer.

14. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, aangezien niet is gesteld of gebleken dat eiser kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 46 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. V.F.R. Woeltjes, rechter, in tegenwoordigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 30 januari 2017

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.