Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:5113

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-10-2017
Datum publicatie
05-10-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2625
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:3953, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor de activiteiten “bouwen” en “strijdig gebruik” voor het omzetten van een rijtjeswoning naar 5 onzelfstandige woonruimtes (artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, Wabo).

Het leefbaarheidsonderzoek maakt ten onrechte geen onderdeel uit van het bestreden besluit. Dit gebrek wordt met toepassing van artikel 6:22 Awb gepasseerd.

Geen sprake van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van de omgeving. Verweerder heeft echter ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de mogelijke geluidsoverlast voor eisers als gevolg van de kamerbewoning. Het beroep is daarom gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5146
OGR-Updates.nl 2017-0202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/2625

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] en [eiser], te [woonplaats], eisers

(gemachtigde: mr. P.J. van Goor),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende], te [plaats], vergunninghouder.

(gemachtigde: mr. M.M.A.E. Vermeulen)

Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit “bouwen”.

Bij besluit van 13 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen de omgevingsvergunning ongegrond verklaard. Verweerder heeft aangegeven dat de omgevingsvergunning vanwege strijd met het bestemmingsplan “Nijmegen West” ook wordt verleend voor de activiteit “gebruik in strijd met het bestemmingsplan” op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2017. Op deze zitting is de zaak gevoegd behandeld met het beroep tegen de omzettingsvergunning (16/5635).

Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. C.M. Sly. Derde-partij is verschenen, bijgestaan door mr. B. de Haan.

Na de behandeling ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst.

Overwegingen

1. Eisers zijn woonachtig op het perceel [locatie] te [woonplaats] in de wijk [locatie]. Deze woning betreft een hoekpand, gebouwd in de jaren ’50, in een rij aaneengebouwde woningen. De voorliggende omgevingsvergunning heeft betrekking op het omzetten van het naast eisers gelegen pand [locatie] van een rijtjeswoning in vijf onzelfstandige woonruimten.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder aan de derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten “bouwen” (artikel 2.1, eerste lid, onder a, Wabo) en “gebruik in strijd met het bestemmingsplan” (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo en artikel 4, onderdeel 9, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor)).

Verweerder heeft aan het bestreden besluit de ruimtelijke onderbouwing “[locatie]” ten grondslag gelegd. In deze ruimtelijke onderbouwing wordt ingegaan op de diverse omgevings- en milieuaspecten en wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot de aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt in het bestreden besluit overwogen dat de ruimtelijke impact van kamerbewoning in een vijftal kamers gering zal zijn, en dat deze kamerbewoning gelet op de stedenbouwkundige eisen en de afname in de parkeerbehoefte geen negatieve impact heeft op de omgeving. Volgens verweerder voorziet het huidige kamerverhuurbeleid in een leefbaarheidsonderzoek op aanvraag van de wijkmanager, en blijkt uit het gehouden leefbaarheidsonderzoek dat de kamerbewoning niet voor onaanvaardbare overlast zal zorgen.

Aantasting woon- en leefklimaat

3. Eisers betogen dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van de kamerverhuur op hun woon- en leefklimaat. Volgens eisers heeft de kamerverhuur een relatief grote impact op de leefbaarheid en sociale cohesie binnen de wijk vanwege het andere levensritme van studenten, het hoge verloop in de bewoners en de geringe participatie van studenten in de buurt. Volgens eisers staat de leefbaarheid reeds onder druk vanwege aard van de wijk en de aanwezigheid van het snelfietspad en fietsknooppunt, het spoor en de Graafseweg. Daarbij heeft verweerder de omstandigheid dat het pand Engelenstraat 6 ook wordt gebruikt voor kamerverhuur ten onrechte niet in de ruimtelijke afweging betrokken, terwijl door eisers en omwonenden signalen zijn afgegeven over de overlast door kamerverhuur, aldus eisers.

Eisers voeren voorts aan dat in de ruimtelijke onderbouwing wordt aangegeven dat uit het leefbaarheidsonderzoek voortvloeit dat de ontwikkeling niet voor onaanvaardbare overlast zal zorgen, maar dat deze leefbaarheidstoets niet kenbaar is nu deze niet als bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing is opgenomen.

Eisers betogen voorts – onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 17 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:388) – dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de geschiktheid van het pand voor bewoning door studenten. Volgens eisers zijn de rond 1950 gebouwde woningen slechts beperkt geïsoleerd tegen geluid en vindt geluidsoverdracht plaats tussen de panden. Dit klemt volgens eisers in hun geval te meer omdat een van hen veel thuis werkt.

3.1.

De rechtbank stelt aan de hand van de motivering in het bestreden besluit en de daaraan ten grondslag gelegde ruimtelijke onderbouwing vast dat het leefbaarheidsonderzoek de grondslag vormt voor het oordeel van verweerder dat geen sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van de omgeving.

Door in de ruimtelijke onderbouwing echter enkel te verwijzen naar de conclusie van het leefbaarheidsonderzoek – en dit onderzoek niet te verwerken in het bestreden besluit of als bijlage bij dit besluit op te nemen – hebben eisers zich hierover geen oordeel kunnen vormen. Het bestreden besluit kent in zoverre een motiveringsgebrek.

3.2.

De rechtbank ziet echter aanleiding om het gebrek met toepassing van artikel 6:22 Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren aangezien verweerder hangende het beroep het leefbaarheidsonderzoek heeft overgelegd. Het is voorts niet aannemelijk dat belanghebbenden door het gebrek zijn benadeeld, aangezien de conclusies uit het leefbaarheidsonderzoek voor het overgrote deel zijn vertaald in het besluit met betrekking tot de omzettingsvergunning. De overweging van verweerder met betrekking tot de aantasting van het woon- en leefklimaat was daardoor bekend bij eisers.

3.3.

De rechtbank heeft in rechtsoverweging 3.6 van de uitspraak met betrekking tot de omzettingsvergunning (zaaknummer 16/5635) overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de kamerverhuur leidt tot een ontoelaatbare inbreuk op de leefbaarheid van de omgeving. Om diezelfde redenen bestaat er evenmin grond voor het oordeel dat de kamerverhuur leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van de omgeving.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

3.4.

Met betrekking tot de geschiktheid van het pand – en mogelijke geluidsoverlast als gevolg van deze ongeschiktheid – overweegt de rechtbank als volgt.

De omzetting van een rijtjeswoning naar vijf onzelfstandige wooneenheden valt aan te merken als een intensivering van het gebruik van de woning ten opzichte van bewoning door een regulier huishouden. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening dient daarom te worden onderzocht of de nieuwe functie leidt tot onevenredige geluidsoverlast voor de buren. De verwijzing door verweerder in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 29 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1369) met betrekking tot een omgevingsvergunning voor kamerbewoning in Maastricht gaat niet op, omdat in die zaak geen sprake was van strijd met het bestemmingsplan. In deze zaak is dat wel het geval, zodat verweerder dient te motiveren dat het verlenen van de omgevingsvergunning niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Vast staat dat verweerder geen onderzoek heeft verricht naar de gehorigheid van de woningen, en daarmee de geschiktheid van de woning voor kamerbewoning.

Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit daarom op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Dat de woning voldoet aan het Bouwbesluit maakt – anders dan verweerder heeft betoogd – niet dat naar geluidsoverlast in de buurwoning geen onderzoek verricht hoeft te worden. De Afdeling heeft dit ook overwogen in de door eisers aangehaalde uitspraak van 17 februari 2016. Een woning kan voldoen aan de destijds geldende bouwtechnische voorschriften, maar daaruit vloeit niet voort dat het pand geschikt is voor kamerverhuur. Zeker voor woningen uit de jaren ’50, waarvan bekend is dat de geluidsisolatie slechter is dan in moderne panden, bestaat aanleiding om onderzoek te doen naar mogelijke geluidsoverlast.

De beroepsgrond slaagt.

4. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb.

5. De rechtbank ziet uit het oogpunt van efficiënte geschillenbeslechting geen aanleiding om in deze zaak een tussenuitspraak te doen. Verweerder dient onderzoek te verrichten naar de geschiktheid van de woning, en aan de hand van dit onderzoek een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

6. Omdat het beroep gegrond is dient verweerder te worden veroordeeld in de proceskosten van eisers.

De proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank vast op € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1), alsmede een bedrag van € 11,40 aan reiskosten.

7. Voorts bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.001,40;

- draagt verweerder op het griffierecht van € 168 aan eisers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.S.T. Belt, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E. Mengerink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.