Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:5098

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
04-10-2017
Zaaknummer
05/881389-16 en 05/031714-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank Gelderland veroordeelt 3 mannen van 23 en 24 jaar uit Arnhem tot gevangenisstraffen en een werkstraf voor het medeplegen van witwassen. Een vierde man is vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/881389-16 en 05/031714-17

Datum uitspraak : 3 oktober 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] 1994 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .

Raadsvrouw: mr. D.N.A. Brouns, advocaat te Utrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 2 mei 2017, 22 augustus 2017 en 19 september 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Ten aanzien van parketnummer 05/881389-16

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 augustus 2016 tot en met 17 oktober 2016, te Arnhem en/of te Velp, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) van (een) voorwerp(en) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp was en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp voorhanden heeft gehad, en/of (telkens) (een) voorwerp(en) verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van (een) voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s)

-een of meer personen bewogen tot het ter beschikking stellen van (een) bankrekening(en) en/of bankpas (sen) en/of pincode(s) en/of

-een of meer geldbedrag(en) (te weten meerdere met verf besmeurde bankbiljetten) (in totaal ongeveer 22.830 euro, in ieder geval een groot geldbedrag) gestort en/of laten storten en/of vervolgens (direct weer) opgenomen en/of laten opnemen (gepind)

terwijl hij (telkens) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die voorwerpen/gelden geheel of gedeeltelijk, -onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

2.

hij op één of meer tijdstip (pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2016 tot en met 17 januari 2017 te Arnhem en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 17 januari 2017 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 26,485 gram en/of 17,018 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Ten aanzien van parketnummer 05/031714-17

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 2 november 2016 te Arnhem opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 12,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De rechtbank zal eerst feit 2 bespreken omdat dat behulpzaam is voor het vaststellen van de identiteit van verdachte bij feit 1

Ten aanzien van parketnummer 05/881389-16 1

Feit 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat op grond van de bewijsmiddelen in het procesdossier wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich in de periode van 1 mei 2016 tot en met 17 januari 2017 schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de getuigenverklaringen, gelet op de persoon van de getuigen, met de nodige behoedzaamheid moeten worden beoordeeld. Er is geen reden niet uit te gaan van verklaring van verdachte dat hij uitsluitend heeft gedeald vanaf oktober 2016 tot en met 17 januari 2017. Er is geen steunbewijs voor een bewezenverklaring van de periode 1 januari 2016 tot oktober 2016, zodat die periode niet bewezen kan worden. Er is voorts onvoldoende bewijs om het medeplegen te kunnen bewijzen.

Beoordeling door de rechtbank

Tijdens politieonderzoek ‘ [naam onderzoek] ’ met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde (witwassen) is op 26 oktober 2016 een tap geplaatst op het telefoonnummer van verdachte ( [nummer] ). De telefoon is tot 22 november 2016 afgeluisterd. Uit de opgenomen gesprekken is naar voren gekomen dat 162 keer contact heeft plaatsgevonden met het telefoonnummer van [naam 1] . [naam 1] heeft verklaard verslaafd te zijn aan cocaïne en dat het telefoonnummer [nummer] het nummer was van een dealer bij wie zij regelmatig haar verdovende middelen haalde.2

Uit een analyse van de contacten die hebben plaatsgevonden in de periode waarin de tap is geplaatst komt naar voren dat sprake is geweest van 77 deals die met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de verkoop van harddrugs behelzen.3

Tijdens voormeld onderzoek heeft op 2 november 2016 een doorzoeking in de woning van verdachte plaatsgevonden, waarbij onder meer 12,7 gram cocaïne is aangetroffen.4

Op 17 januari 2017 is verdachte door de politie geobserveerd en is gezien dat verdachte vluchtig contact had met 4 verschillende personen.5 [naam 2] en [naam 3] , twee van de personen waar verdachte contact mee heeft gehad, zijn aangehouden.

[naam 2] had bij de aanhouding een zakje met cocaïne in zijn hand en heeft verklaard dat hij net cocaïne had gekocht van een jongen die zichzelf ‘ [naam 4] ’ noemt en dat hij vanaf maart/april 2016 twee à drie keer per week cocaïne bij [naam 4] kocht. [naam 2] herkent verdachte van een foto als zijnde [naam 4] .6

[naam 3] heeft bij de aanhouding verklaard verdovende middelen in haar zak te hebben.7 Uit onderzoek komt naar voren dat de aangetroffen stof cocaïne betreft.8

Naar aanleiding van getapte telefoongesprekken en op grond van de bevindingen van het observatieteam zijn vervolgens verschillende personen aangehouden. Zij verklaarden op 18 respectievelijk 19 januari 2017 het volgende:

- [naam 5] : koopt sinds 2,5 à 3 maanden drie à vier keer per week drugs bij ‘ [naam 6] ’. [naam 5] herkent verdachte van de foto als zijnde [naam 6] .9

- [naam 7] : heeft op 17 januari 2017 drugs gekocht bij dealer ‘ [naam 4] ’, ook wel genoemd ’ [naam 8] ’ of ’ [naam 9] ’. Hij koopt sinds ongeveer 9 maanden één keer per week cocaïne bij deze dealer. [naam 7] herkent verdachte van de foto als de dealer die hij bedoelt.10

- [naam 10] : heeft 4 keer cocaïne gekocht bij ‘ [naam 4] ’. De eerste keer was een jaar geleden. [naam 10] herkent verdachte van de foto als zijnde [naam 4] .11

- [naam 11] : heeft op 17 januari 2017 cocaïne gekocht bij ‘ [naam 12] ’. Koopt vanaf januari/februari 2016 een aantal keer per week cocaïne bij [naam 12] . [naam 11] herkent verdachte van de foto als zijnde [naam 12] .12

- [naam 13] : heeft op 17 januari 2017 drugs gekocht bij ‘ [naam 8] ’, ook wel genoemd ‘ [naam 9] ’. Ze koopt sinds de zomer van 2015 cocaïne bij hem. [naam 13] herkent verdachte van de foto als zijnde [naam 8] / [naam 9] .13

- [naam 14] : heeft op 17 januari 2017 drugs gekocht bij ‘ [naam 15] ’, die ook wel ‘ [naam 4] ’ wordt genoemd. [naam 14] koopt sinds 6 maanden één keer per week cocaïne bij [naam 15] . [naam 14] herkent verdachte van de foto als zijnde [naam 15] .14

De rechtbank stelt op grond van vorenstaande bewijsmiddelen vast dat verdachte ook wel [naam 4] , [naam 6] / [naam 9] , [naam 8] of [naam 15] wordt genoemd.

Verdachte is op 17 januari 2017 aangehouden. Bij de insluitingsfouillering is in de binnenzak van de jas van verdachte een zakje met op cocaïne gelijkende stof aangetroffen.15

Bij doorzoeking van de woning van de vriendin van verdachte op 17 januari 2017 zijn 43,4 gram cocaïne en diverse afsluitbare plasticzakjes aangetroffen.16

Verdachte heeft verklaard vanaf oktober 2016 tot en met 17 januari 2017 te hebben gehandeld in cocaïne.17

Dealen

De rechtbank acht gelet op de hierboven besproken verklaringen van de afnemers van cocaïne, de herkenning van verdachte door deze personen, de omstandigheid dat bij verdachte een hoeveelheid cocaïne met een dealerindicatie is aangetroffen en de bekennende verklaring van verdachte ten aanzien van de periode oktober 2016 tot en met 17 januari 2017, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het verkopen, afleveren en verstrekken van cocaïne.

Periode

De rechtbank acht op grond van de verklaringen van de afnemers wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich vanaf 1 mei 2016 tot en met 17 januari 2017 schuldig heeft gemaakt aan het dealen. De rechtbank overweegt daartoe dat de afnemers hebben verklaard dat zij sinds maart/april 2016, sinds 9 maanden (de rechtbank begrijpt: vanaf mei 2016), sinds 1 jaar (de rechtbank begrijpt: vanaf januari 2016), sinds januari/februari 2016, sinds de zomer van 2015 en sinds 6 maanden (de rechtbank begrijpt: vanaf augustus 2016) cocaïne bij verdachte kopen.

Mede gelet op de omstandigheid dat uit het verhandelde ter terechtzitting naar voren is gekomen dat verdachte vanaf 5 oktober 2015 tot en met 29 februari 2016 gedetineerd heeft gezeten, is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om bewezen te kunnen verklaren dat verdachte van 1 januari 2016 tot maart 2016 heeft gehandeld in cocaïne. De rechtbank zal verdachte hier dan ook van vrijspreken.

Medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om medeplegen bewezen te kunnen verklaren. De rechtbank overweegt daarbij dat de stelling van verdachte dat hij de drugs voor een ander verkocht, niet wordt ondersteund door de inhoud van het procesdossier dan wel anderszins aannemelijk is geworden. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het medeplegen.

Feit 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde. De officier van justitie acht bewezen dat verdachte op 29 augustus 2016 geld heeft gestort. Het is een feit van algemene bekendheid dat geld dat wordt buitgemaakt bij een ram- of plofkraak met verf besmeurd is. Gelet op de handelswijze van verdachte, te weten het gebruiken van een bankpas van een ander, kan worden bewezen dat verdachte er wetenschap van had dat het geld van een plofkraak afkomstig was.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om bewezen te kunnen verklaren dat verdachte gedurende de gehele ten laste gelegde periode en meermaals bij de stortingen betrokken is geweest. Ten aanzien van de storting op 29 augustus 2016 voert de verdediging aan dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet op het verwerven en/of voorhanden hebben dan wel op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst. Ook is geen sprake van schuld, nu het niet zo is dat een ieder moet weten dat geld met verf afkomstig is van een plofkraak. De verdediging verzoekt verdachte dan ook vrij te spreken van het onder 1 ten laste gelegde. Subsidiair voert de verdediging aan dat het medeplegen van het feit op 29 augustus 2016 niet bewezen kan worden verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

Op 23 september 2016 is namens de Rabobank aangifte gedaan van witwassen. Uit de aangifte komt naar voren dat in de periode augustus-september 2016 bij Rabobanken in Arnhem en omgeving diverse malen met donkere inkt besmeurde € 20 en € 50 bankbiljetten zijn afgestort. Deze bankbiljetten zijn afgestort in de stortautomaten met gebruik making van een Rabobank bankpas. Direct na het storten werd geld opgenomen (gepind) bij de geldautomaten.

Het betreft de volgende stortingen (en opnames):

  1. Rekeninghouder [medeverdachte2] , geboren [geboortedatum 2] , rekeningnummer [rekeningnummer 2] : stortingen en opnames op 1 en 2 augustus en een storting op 4 augustus.

  2. Rekeninghouder [naam 17] , geboren [geboortedatum 3] , rekeningnummer [rekeningnummer 3] : stortingen en opnames op 3 augustus en een overboeking naar rekeningnummer [rekeningnummer 4] van [naam 18] .

  3. Rekeninghouder [naam 18] , geboren [geboortedatum 4] , rekeningnummer [rekeningnummer 5] : stortingen en opnames op 3 augustus.

  4. Rekeninghouder [naam 19] geboren [geboortedatum 5] , rekeningnummer [rekeningnummer 6] : stortingen en een opname op 6 augustus.

  5. Rekeninghouder [naam 20] , geboren [geboortedatum 6] , rekeningnummer [rekeningnummer 7] : stortingen en opnames op 6 augustus.

  6. Rekeninghouder [naam 21] , geboren [geboortedatum 7] , rekeningnummer [rekeningnummer] : storting en poging tot opname op 29 augustus.

  7. Rekeninghouder [naam 22] , geboren [geboortedatum 8] , rekeningnummer [rekeningnummer 8] : stortingen en opnames op 3 september en een storting en poging tot opname op 4 september.18

Met betrekking tot voormelde stortingen wordt het volgende overwogen:

1. Medeverdachte [medeverdachte2] is op de camerabeelden herkend als zijnde de persoon die de stortingen en opnames doet.19

2. [naam 17] heeft verklaard aangesproken te zijn door een jongen, genaamd [medeverdachte2] , die vroeg of [naam 17] geld wilde verdienen. [medeverdachte2] heeft gevraagd of [naam 17] zijn pinpas uit wilde lenen. [naam 17] zou daar € 600 of € 700 voor krijgen. [naam 17] heeft zijn Rabobankpas en pincode aan [medeverdachte2] afgegeven.20Medeverdachte [medeverdachte] wordt op de camerabeelden herkend als zijnde de persoon die gebruik maakt van de bankpas van [naam 17] .21

3. Medeverdachte [medeverdachte] wordt herkend op de camerabeelden als zijnde de persoon die gebruik maakt van de bankpas van [naam 18] .22

4. [naam 19] heeft verklaard onder bedreiging biljetten van 20 en 50 euro op zijn rekening te hebben moeten storten en gelijk weer op te nemen. [naam 19] heeft medeverdachte [medeverdachte] herkend als zijnde de persoon die hem opdracht heeft gegeven tot het storten en opnemen van het geld.23

5. Medeverdachte [medeverdachte2] is op de camerabeelden herkend als zijnde de persoon die (de) stortingen en opnames doet.24

6. Verdachte is aanwezig bij de storting en poging tot opname.25

7. [naam 22] heeft verklaard via Tinder in contact te zijn gekomen met ‘ [naam 23] ’ en haar bankpas aan [naam 23] te hebben gegeven.26 [naam 23] is herkend als zijnde medeverdachte [medeverdachte] .27

Namens de Rabobank is voorts aangifte gedaan van witwassen op 16 oktober 2016. Uit de aangifte komt naar voren dat op 16 oktober 2016 bij de Rabobank in Velp (Gld) met donkerblauwe inkt besmeurde € 20 en € 50 bankbiljetten zijn afgestort. Daarbij is gebruik gemaakt van een Rabobank bankpas behorend bij rekeningnummer [rekeningnummer 1] op naam van rekeninghouder [naam 24] . Een deel van het gestorte geld is direct opgenomen (gepind).28

Uit het proces-verbaal met betrekking tot het uitkijken van de camerabeelden komt naar voren dat de uiterlijke kenmerken van de persoon die de storting doet sterk overeen komen met het signalement van medeverdachte [medeverdachte] .29

Afkomstig uit enig misdrijf

De rechtbank overweegt dat voor een bewezenverklaring van witwassen is vereist dat het aannemelijk is dat het voorwerp - in onderhavig geval de bankbiljetten - afkomstig is uit enig misdrijf.

De rechtbank is van oordeel dat nu sprake is van een grote hoeveelheid biljetten, welke kleine coupures (€ 20 en € 50) betroffen, die besmeurd waren met donkere verf, aannemelijk is dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is.

Wetenschap

De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen het volgende naar voren komt:

- [naam 21] heeft verklaard zij een jongen heeft ontmoet en dat, nadat [naam 21] had aangegeven schulden te hebben, deze jongen aangaf haar daar wel mee te kunnen helpen. [naam 21] heeft verklaard dat de jongen geld stortte op haar bankrekening en dat hij geheimzinnig deed over het geld. De jongen zei dat hij niet wist of de bank alle briefjes zou pakken.30

- [naam 18] heeft verklaard dat hij een Antilliaanse man heeft ontmoet die hem vroeg of hij geld van familie uit het buitenland op zijn rekening mocht storten tegen betaling van € 20 omdat die man zelf geen bankpas had. Dat was eind juli/begin augustus (de rechtbank begrijpt: 2016). [naam 18] ontving kort daarna een brief van de Rabobank dat er met verf besmeurd geld op zijn rekening was gestort. De man die [naam 18] gesproken heeft noemt men [naam 4] .31

- [naam 13] heeft verklaard dat [naam 8] heeft voorgesteld om mensen met een Rabobank pas te ronselen, waarna die mensen de bankpas aan [naam 8] moesten afstaan. [naam 13] zou daarvoor € 700 krijgen van [naam 8] .32

De rechtbank heeft onder feit 2 reeds vastgesteld dat verdachte ook wel [naam 4] of [naam 8] wordt genoemd. De rechtbank acht dan ook bewezen dat de persoon, [naam 4] respectievelijk [naam 8] , over wie [naam 18] en [naam 13] spreken, verdachte is.

Uit het verhoor van [naam 26] komt naar voren dat hij ‘ [naam 25] ’ samen met [medeverdachte2] [medeverdachte] is tegengekomen en dat [naam 25] een foto op zijn telefoon liet zien van een hele rij met briefjes van € 20. Deze zouden besmeurd zijn met inkt. [naam 25] vroeg of [naam 26] het geld wilde inleveren bij de Rabobank. [naam 26] moest dan € 5000 storten en zou daarvan € 500 mogen houden. [naam 25] heeft gezegd dat het geld afkomstig was van plofkraken. Hij vroeg [naam 26] om meerdere mensen aan te leveren die hetzelfde konden doen.33 [naam 26] heeft verdachte herkend als zijnde [naam 25] .34

De rechtbank overweegt dat uit vorenstaande bewijsmiddelen naar voren komt dat verdachte meerdere personen heeft gevraagd hun Rabobank bankpas af te staan dan wel heeft gevraagd geld te storten bij de Rabobank tegen een vergoeding.

De rechtbank acht gelet op deze handelswijze van verdachte, de verklaring van [naam 26] dat verdachte heeft aangegeven dat het geld afkomstig was van plofkraken en het gegeven dat verdachte met verf besmeurd geld heeft gestort met gebruikmaking van een bankpas van een ander, bewezen dat verdachte wist dat het geld van een misdrijf afkomstig was en dat hij het opzet heeft gehad op het witwassen van het geld.

Medeplegen

Uit het procesdossier komt naar voren dat verdachte en medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte2] binnen een korte periode met verf besmeurde biljetten hebben gestort en geld hebben opgenomen.35Verdachte heeft verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] had aangegeven dat er geld kon worden gestort en gepind, dat verdachte het geld van medeverdachte [medeverdachte] heeft ontvangen en het voor [medeverdachte] heeft gestort en dat hij de rest van het geld heeft teruggegeven aan medeverdachte [medeverdachte2] .36 De rechtbank acht gelet hierop bewezen dat verdachte het feit tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd.


Feit 3

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 292;

- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 351;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 september 2017.

Ten aanzien van parketnummer 05/031714-17 37

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 5;

- het NFI rapport ‘Identificatie van drugs en precursoren’, p. 15-16;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 september 2017.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 05/881389-16 onder 1, 2 en 3 en het in de zaak met parketnummer 05/031714-17 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

Ten aanzien van parketnummer 05/881389-16

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 augustus 2016 tot en met 17 oktober 2016, te Arnhem en/of te Velp, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) van (een) voorwerp(en) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp was en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp voorhanden heeft gehad, en/of (telkens) (een) voorwerp(en) verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van (een) voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s)

-een of meer personen bewogen tot het ter beschikking stellen van (een) bankrekening(en) en/of bankpas(sen) en/of pincode(s) en/of

-een of meer geldbedrag(en) (te weten meerdere met verf besmeurde bankbiljetten) (in totaal ongeveer 22.830 euro, in ieder geval een groot geldbedrag) gestort en/of laten storten en/of vervolgens (direct weer) opgenomen en/of laten opnemen (gepind)

terwijl hij (telkens) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die voorwerpen/gelden geheel of gedeeltelijk, -onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in de periode van 01 maart 2016 tot en met 17 januari 2017 te Arnhem en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 17 januari 2017 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 26,485 gram en/of 17,018 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Ten aanzien van parketnummer 05/031714-17

hij op of omstreeks 2 november 2016 te Arnhem opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 12,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van parketnummer 05/881389-16

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van witwassen

Ten aanzien van feit 2:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 3:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Ten aanzien van parketnummer 05/031714-17

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 05/881389-16 onder 1, 2 en 3 en het in de zaak met parketnummer 05/031714-17 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 204 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarden de meldplicht, ambulant onderzoek, ambulante behandeling en medewerking aan school/werk, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, en voorts tot het verrichten van 240 uren werkstraf, te vervangen door 120 dagen hechtenis.

De officier van justitie houdt bij zijn eis rekening met de ernst van de feiten en met de justitiële documentatie van verdachte. In het voordeel van verdachte wordt rekening gehouden met een bepaalde mate van samenloop en het gegeven dat de reclassering mogelijkheden ziet het recidiverisico terug te dringen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen en een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. Het is van belang dat de ambulante behandeling zo snel mogelijk wordt gestart. De verdediging verzoekt rekening te houden met artikel 63 Sr, met het positieve verloop van de schorsingsperiode en met het advies van de psycholoog en de reclassering. Verdachte is bereid een taakstraf uit te voeren.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 10 augustus 2017;

- een rapportage Pro Justitia rapport van [naam 27] , GZ-psycholoog, gedateerd 7 augustus 2017.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het volgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van cocaïne, gedurende een periode van ruim tien maanden handelen in cocaïne en witwassen. Cocaïne is schadelijk is voor de gezondheid en verslavend. Door zijn handelwijze heeft verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van het harddrugscircuit in Arnhem en omgeving. Door aldus te handelen heeft de verdachte alleen maar zijn eigen financieel voordeel nagestreefd en daarmee inbreuk op de rechtsorde gemaakt, met veronachtzaming van de ernstige risico’s en overlast die dergelijke delicten voor de volksgezondheid opleveren.

Met betrekking tot het witwassen overweegt de rechtbank dat verdachte een aanzienlijk geldbedrag, waarvan hij wist dat het van misdrijf afkomstig was, heeft gestort, om vervolgens te proberen een bedrag te pinnen, waarmee hij heeft geprobeerd de met verf besmeurde biljetten ‘om te ruilen’ voor onbesmeurde biljetten. Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken, zonder dat die illegale herkomst daarvan zichtbaar wordt, wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Verdachte heeft door zijn handelwijze een bijdrage geleverd aan het in stand houden van plofkraken. Zonder de mogelijkheden het vuile geld wit te wassen lonen die kraken namelijk niet meer. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de strafbare feiten het opleggen van een forse straf aangewezen is.

Uit de justitiële documentatie van verdachte komt naar voren dat verdachte meerdere malen met politie en justitie in aanraking is gekomen.

Uit de rapportage Pro Justitia van [naam 27] , GZ-psycholoog, d.d. 7 augustus 2017 komt naar voren dat bij verdachte sprake is van een lichte verstandelijke beperking en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Het is zeer waarschijnlijk dat de antisociale persoonlijkheidsstoornis op enige wijze een rol heeft gespeeld in het ten laste gelegde. Het recidiverisico is hoog op korte en lange termijn. Zonder precies te weten wat het verband tussen stoornis en delict is, echter, met de sterke overtuiging dat de antisociale persoonlijkheidsstoornis een rol van betekenis heeft gespeeld in het tot stand komen van het ten laste gelegde, adviseert onderzoekster verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Er zijn nauwelijks beschermende factoren naar voren gekomen. Als beschermende factor komt voornamelijk de relatie die verdachte heeft met zijn vriendin naar voren. Bij verdachte is buiten het huidige ten laste gelegde een patroon van justitiecontacten zichtbaar. Om dit patroon te helpen doorbreken is het van belang dat verdachte behandeling krijgt voor zijn antisociale persoonlijkheidsstoornis. Een en ander kan worden gerealiseerd in het kader van een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde ambulante behandeling.

De reclassering heeft ter terechtzitting naar voren gebracht het wenselijk te vinden dat het reclasseringscontact wordt voortgezet.

De rechtbank houdt bij de afdoening van deze zaak rekening met de ernst van de gepleegde feiten en met de problematiek van verdachte, maar ook met zijn mogelijkheden zich positief te ontwikkelen. De rechtbank neemt de conclusie van de deskundige met betrekking tot de geestesgesteldheid van verdachte over en beschouwt verdachte voor het tenlastegelegde als verminderd toerekeningsvatbaar. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, gelet op de toepassing van artikel 63 Sr en gelet op rechterlijke uitspraken in vergelijkbare zaken, oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van deze zaak een strafoplegging zoals geëist door de officier van justitie passend en geboden is. De voorwaardelijke straf die zal worden opgelegd dient als waarschuwing voor verdachte om zich voortaan van het plegen van delicten te onthouden. De rechtbank ziet, gelet op verdachtes persoonlijke omstandigheden, aanleiding om de proeftijd op 2 jaren te bepalen en aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden. De rechtbank acht het voor een goede terugkeer in de samenleving en de vermindering van de kans op recidive van belang dat verdachte wordt behandeld voor zijn persoonlijkheidsproblematiek.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

Ter terechtzitting heeft zich gemeld mr. [naam 28] , die namens de Coöperatie Rabobank een vordering ter hoogte van € 487 als benadeelde partij heeft ingediend.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toe te wijzen, met vermeerdering van de wettelijke rente, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd. De vordering is voldoende onderbouwd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen gelet op de bepleite vrijspraak, subsidiair de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering nu er geen machtiging aanwezig is.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat, daargelaten dat noch uit het dossier, noch uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat [naam 28] gemachtigd is een vordering tot schadevergoeding namens Coöperatie Rabobank in te dienen, de beoordeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafproces zal opleveren. Gelet op het voorgaande kan de benadeelde partij niet in haar vordering worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 47, 57, 63, 91 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 13 van de Opiumwet.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

 een gevangenisstraf voor de duur van 300 (driehonderd) dagen;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 204 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich blijft melden bij de Reclassering Nederland (Nieuwe Oeverstraat 65 te Arnhem), zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd zal meewerken aan een diagnostisch onderzoek alsmede aan een uit de diagnose voorvloeiende behandeling bij Kairos, dan wel een vergelijkbare instelling door de reclassering aan te wijzen,

- ingeschreven zal blijven bij het [naam college] te Arnhem voor het volgen van de opleiding “ [naam opleiding] ”, de opleiding te volgen en te blijven volgen en daarbij te voldoen aan de voorwaarden die het [naam college] daartoe stelt, zolang de reclassering dit nodig acht;

- toestemming verleent aan Reclassering Nederland om navraag te doen bij het [naam college] over de voortgang van de opleiding en het door verdachte nakomen van en voldoen aan de daarbij behorende afspraken en opleidingseisen;

- Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij Coöperatie Rabobank

 verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.C.P. Goossens (voorzitter), mr. I.D. Jacobs en mr. M.J. Wasmann, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Sluijters, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 oktober 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, onderzoek ON3R01102 [naam onderzoek] , gesloten op 27 maart 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 169.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 373.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 127 en het NFI rapport identificatie drugs en precursoren, p. 152.

5 Proces-verbaal van observatie dinsdag 17 januari 2017, p. 175-181.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 2] , p. 190-191 en proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 195

7 Proces-verbaal van aanhouding [naam 3] , p. 198.

8 Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 206.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 5] , p. 213-215.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 7] , p. 231-233.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 10] , p. 237-238.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 11] , p. 250.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 13] , p. 264-265.

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 14] , p. 277-278.

15 Proces-verbaal van bevindingen, p. 330 en proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 333.

16 Proces-verbaal van bevindingen, p. 292 en proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 351.

17 De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 19 september 2017.

18 Proces-verbaal van aangifte van [naam 28] namens Rabobank, p. 76-84.

19 Proces-verbaal van bevindingen, p. 89-90.

20 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 17] , p. 518.

21 Proces-verbaal van bevindingen, p. 93.

22 Proces-verbaal van bevindingen, p. 91-92.

23 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 19] , p. 521-525.

24 Proces-verbaal van bevindingen, p. 98-99.

25 Proces-verbaal van bevindingen, p. 99-102 en de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 19 september 2017.

26 Proces-verbaal van bevindingen, p. 441.

27 Proces-verbaal van bevindingen, p. 445.

28 Proces-verbaal van aangifte van [naam 28] namens Rabobank, p. 480.

29 Proces-verbaal van bevindingen, p. 103.

30 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 21] , p. 109-113.

31 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 18] , p. 119-123.

32 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 13] , p. 265.

33 Proces-verbaal van verhoor [naam 26] , p. 283-284.

34 Proces-verbaal van verhoor aangever [naam 26] , p. 288.

35 Proces-verbaal van bevindingen, p. 88-103.

36 Proces-verbaal van verhoor verdachte in het kader van de vordering tot inbewaringstelling d.d. 20 januari 2017.

37 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016539620, gesloten op 4 november 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.