Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:5068

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
03-10-2017
Zaaknummer
05/720019-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De minderjarige verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van een overval op een buschauffeur in Apeldoorn. Verdachte heeft samen met twee minderjarige mededaders een plan gemaakt voor de overval. Hij heeft zich voorgedaan als passagier, de bus laten stoppen en met muntgeld betaald voor een kaartje. Hierdoor heeft hij zijn mededaders de kans gegeven de bus binnen te dringen en de buschauffeur onder bedreiging met een nepwapen te dwingen de geldlade af te geven. De officier van justitie heeft een werkstraf van 60 uur geëist. De rechtbank zal de door de officier van justitie geëiste werkstraf opleggen. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke jeugddetentie opleggen van 60 dagen met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank vindt bij een dergelijk ernstige feit een jeugddetentie past, maar legt deze voorwaardelijk op, omdat de verdachte een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en omdat hij niet eerder door een rechter is veroordeeld. De door het slachtoffer gevraagde immateriële schadevergoeding van 1700 euro wijst de rechtbank geheel toe, samen te betalen met zijn mededaders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team jeugdrecht

Zittingsplaats: Arnhem

Parketnummer: 05/720019-17

Datum uitspraak: 3 oktober 2017

vonnis op tegenspraak van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 2000 te [woonplaats] ,

wonende te [adres] ,

raadsman: mr. J.P.J. Botterblom, advocaat te Nijkerk.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen met gesloten deuren van 23 mei 2017 en 19 september 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte (verder: [verdachte] ) is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 4 april 2016, in de gemeente Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] (in/tijdens zijn functie van/als buschauffeur) (terwijl die [slachtoffer] met zijn bus (lijn 10) bij een halte (te weten het bushokje, gelegen aan de Regentesselaan) aan het Oranjepark arriveerde en/of de deuren van de bus had geopend), heeft gedwongen tot de afgifte van (een geldla met daarin) (een) (hoeveelheid) geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Syntus B.V. (gelegen aan de Visbystraat 5 te Deventer), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s):

- voorzien van een geheel of gedeeltelijk voor/over zijn/hun hoofd/gezicht getrokken capuchon/(bivak)muts/sjaal, althans (in ieder geval) voorzien van een geheel of gedeeltelijk bedekt gezicht - zich in voornoemde bus heeft/hebben begeven en/of

- ( vervolgens) (daarbij) (aan) die [slachtoffer] een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft/hebben getoond/voorgehouden en/of

- ( vervolgens) voornoemd pistool, althans dat op een vuurwapen gelijkend(e) voorwerp op die [slachtoffer] heeft/hebben gericht (gehouden) en/of

- ( vervolgens) (daarbij) naar/in de richting van die [slachtoffer] heeft/hebben geroepen: "Geldla, geldla, vlug, vlug", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

- ( vervolgens) heeft die [slachtoffer] voornoemde geldla (met daarin (een) (hoeveelheid) geld) aan verdachte(n) overhandigd;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] , op of omstreeks 4 april 2016, in de gemeente Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] (in/tijdens zijn functie van/als buschauffeur) (terwijl die [slachtoffer] met zijn bus (lijn 10) bij een halte (te weten het bushokje, gelegen aan de Regentesselaan) aan het Oranjepark arriveerde en/of de deuren van de bus had geopend), heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van (een geldla met daarin) (een) (hoeveelheid) geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Syntus B.V. (gelegen aan de Visbystraat 5 te Deventer), in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of die [medeverdachte 3] en/of aan verdachte,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of die [medeverdachte 3] :

- voorzien van een geheel of gedeeltelijk voor/over zijn/hun hoofd/gezicht getrokken capuchon/(bivak)muts/sjaal, althans (in ieder geval) voorzien van een geheel of gedeeltelijk bedekt gezicht - zich in voornoemde bus heeft/hebben begeven en/of

- ( vervolgens) (daarbij) (aan) die [slachtoffer] een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft/hebben getoond/voorgehouden en/of

- ( vervolgens) voornoemd pistool, althans dat op een vuurwapen gelijkend(e) voorwerp op die [slachtoffer] heeft/hebben gericht (gehouden) en/of

- ( vervolgens) (daarbij) naar/in de richting van die [slachtoffer] heeft/hebben geroepen: “Geldla, geldla, vlug, vlug", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

- ( vervolgens) heeft die [slachtoffer] voornoemde geldla (met daarin (een) (hoeveelheid) geld) aan verdachte(n) overhandigd,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 4 april 2016,

in de gemeente Apeldoorn, althans (in ieder geval) in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door:

- die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] zijn, verdachtes, (sport)shirt te geven (om als gezichtsvermomming te dienen) en/of

- die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] zijn, verdachtes, fiets en/of een huis- en schuursleutel te geven (zodat die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] - na het plegen van de overval - op voornoemde fiets kon(den) vluchten en zich in zijn, verdachtes, schuur kon(den) verstoppen) en/of

- bij/in voornoemd(e) (bus)halte/bushokje - waarachter (op dat moment) die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] zich schuil hield(en) - te gaan staan wachten om (zogenaamd) als passagier met de bus mee te gaan en/of

- ( vervolgens) - toen de betreffende bus aldaar stopte - de bus binnen te stappen en contant een kaartje af te rekenen (waarbij/waardoor voornoemde [slachtoffer] genoodzaakt was om de (aldaar aanwezige) geldla te openen).

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 23 mei 2017 en op 19 september 2017 ter terechtzitting met gesloten deuren onderzocht. Daarbij is [verdachte] verschenen. Ook de ouders van [verdachte] zijn verschenen. [verdachte] is bijgestaan door mr. J.P.J. Botterblom, advocaat te Nijkerk.

Als benadeelde partij is de heer [slachtoffer] ter terechtzitting verschenen.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 19 september 2017 haar eis geformuleerd.

De raadsman en [verdachte] hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet in geschil is, vastgesteld.

Op maandagavond 4 april 2016 reed de heer [slachtoffer] als buschauffeur van lijn 10 van vervoersmaatschappij Syntus in Apeldoorn.2Bij de halte Oranjepark, gelegen aan de Regentesselaan, stapt [verdachte] rond 21.59 uur in deze bus.3 Op het moment dat [verdachte] bij de buschauffeur een kaartje koopt, komen twee jongens de bus binnen.4 Een van deze jongens toont de buschauffeur een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en roept “geldla, geldla, vlug, vlug.” Daarop geeft de buschauffeur de geldlade aan de andere jongen zonder wapen.5 Deze jongens bleken later [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] te zijn.6 [verdachte] heeft eerder op die avond met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gesport bij Basic Fit en daarna gechilled in – onder meer – het Oranjepark.7

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Zij verwijst hierbij naar de aangifte van de buschauffeur, de camerabeelden van de overval, de verklaringen van [verdachte] , de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en de verklaringen van de klasgenoten, waaronder [naam] .

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [verdachte] het ten laste gelegde feit heeft begaan, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken. De verdediging is van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op essentiële punten tegenstrijdig en onbetrouwbaar zijn.

De beoordeling door de rechtbank

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben beiden bij de politie een bekennende verklaring afgelegd over hun betrokkenheid bij de overval op de buschauffeur. Daarbij was [medeverdachte 1] de jongen met het nepwapen die de buschauffeur dwong de geldlade af te geven en [medeverdachte 2] de jongen die de tas vasthield waarin de geldlade werd gestopt. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is de vraag of en in hoeverre [verdachte] bij deze overval betrokken is.

In het eerste verhoor als getuige heeft [verdachte] bij de politie verklaard dat hij op 4 april 2016 met een vriend in het Oranjepark is geweest. [verdachte] kon toen echter de naam van die vriend niet geven. Hij heeft wel verklaard dat de overvallers ‘sowieso twee Marokkaanse of Turkse jongens’ waren.8 In de tweede getuigenverklaring heeft [verdachte] bij de politie verklaard dat hij alleen met [medeverdachte 2] was die avond en dat [medeverdachte 2] niet bij hem op school zit.9 Wanneer [verdachte] direct daarna wordt geconfronteerd met zijn eerdere verklaring waarin hij heeft aangegeven dat hij de bewuste avond met een jongen van zijn school was, verklaart [verdachte] ineens dat hij samen met [medeverdachte 2] én [medeverdachte 1] was die avond.10 Pas in het derde verhoor als getuige vertelt [verdachte] aan de politie dat [medeverdachte 1] hem heeft verteld dat hij de bus wilde overvallen voordat [verdachte] naar de bus is gegaan. Ook verklaart [verdachte] dat hij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] niet meteen herkende toen hij in de bus stapte, maar dat hij wel wist dat zij het waren. Bovendien verklaart [verdachte] dat hij de schooltas van [medeverdachte 1] heeft gezien bij de overval en dat zijn eerdere verklaring, waarin hij aangaf geen tas te hebben gezien, niet klopt. [verdachte] verklaart vervolgens dat hij heeft gezegd tegen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dat zij de bus niet moesten overvallen, maar dat hij wist dat [medeverdachte 1] dit toch wel zou gaan doen. Toen [verdachte] naar de bushalte was gelopen, heeft hij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] even niet meer gezien. Daarna zag [verdachte] de jongens achter het bushokje staan.11

In zijn verklaring als verdachte verklaart [verdachte] op 2 augustus 2016 bij de politie dat hij de jongens niet achter het bushokje heeft zien staan. Nadat hij tegen [medeverdachte 1] heeft gezegd dat hij de bus niet moest overvallen zouden de jongens zijn weggegaan.12

De rechtbank constateert dat de diverse door [verdachte] afgelegde verklaringen bij de politie tegenstrijdig zijn. In eerste instantie heeft [verdachte] het doen lijken of hij de daders van de overval niet kende. Pas op het moment dat hij werd geconfronteerd met tegenstrijdigheden in zijn verklaringen, heeft hij zijn verklaring meerdere keren aangepast. Op een aantal belangrijke vragen van de rechtbank heeft [verdachte] geen antwoord kunnen geven. Zo heeft [verdachte] niet kunnen verklaren waarom hij na het sporten met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] via het Van Haeftenpark juist naar het Oranjepark is gegaan, terwijl hij zijn fiets op het Mercatorplein had gestald (het Mercatorplein ligt ruwweg tussen het Van Haeftenpark en het Oranjepark in). Ook is niet duidelijk geworden waarom [verdachte] die bewuste avond de bus nam, terwijl hij zelf verklaart eigenlijk nooit met de bus te reizen. Ook kan [verdachte] de vraag van de rechtbank of het zijn handtekening is die onder het proces-verbaal van getuigenverhoor van 15 juni 2016 staat niet beantwoorden.

De rechtbank stelt vast dat [verdachte] op 4 april 2016 samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is gaan sporten, waarna zij via het Van Haeftenpark naar het Oranjepark zijn gegaan. [verdachte] heeft erkend dat op de bewuste avond is gesproken over het plegen van een overval op een bus. De rechtbank vindt de verklaring van [verdachte] dat zijn vrienden zijn weggegaan en hij ze niet bij de bushalte heeft gezien, niet geloofwaardig. Dit gelet op zijn eigen eerdere verklaring als getuige dat hij de jongens had zien staan achter het bushokje in combinatie met de camerabeelden die de rechtbank ook heeft gezien. Op deze beelden zijn de benen van een jongen duidelijk zichtbaar door de ruit achter het bushokje. Gelet op de vele tegenstrijdigheden in de verklaringen van [verdachte] , het uitblijven van een goede uitleg hiervoor en de inhoud van de overige bewijsmiddelen zoals hiervoor genoemd, vindt de rechtbank het dan ook niet aannemelijk dat [verdachte] geen enkele rol heeft gespeeld bij de overval.

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] onbetrouwbaar zijn en daardoor niet als bewijs kunnen dienen. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] weliswaar op detailniveau niet volledig overeenkomen, maar dat door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op hoofdlijnen wel steeds hetzelfde is verklaard. De verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] worden bovendien op bepaalde delen ondersteund door de camerabeelden van de overval én door de verklaringen van de klasgenoten, waaronder de verklaring van [naam] .

Door de Hoge Raad is bepaald dat voor de kwalificatie van medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij de rol van de verdachte bij het plegen van het strafbare feit van voldoende gewicht is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de bewijsmiddelen dat het handelen van [verdachte] kan worden gekwalificeerd als medeplegen. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] hebben voorafgaand gesproken over het plegen van een overval, waarbij de rollen zijn verdeeld. [verdachte] heeft zich vervolgens voorgedaan als passagier van de bus. Hij heeft de bus laten stoppen en met contant geld een kaartje gekocht bij de buschauffeur. Hierdoor waren [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de gelegenheid om in de bus te komen en de buschauffeur te overvallen. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn samen gevlucht. Duidelijk is dat [verdachte] de buschauffeur en de politie niet actief te hulp is geschoten na de overval. [verdachte] wilde zo snel mogelijk naar huis. [verdachte] heeft in eerste instantie bij de politie verklaard dat de overval ‘sowieso’ zou zijn gepleegd door twee Marokkaanse of Turkse jongens. Pas toen hij door de politie werd geconfronteerd met tegenstrijdigheden in zijn verklaringen, heeft [verdachte] zijn verklaringen steeds aangepast. Uit de verklaringen van zowel [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [naam] volgt bovendien dat [verdachte] een deel van de buit heeft ontvangen na de overval. Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] een voldoende wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de overval zodat zijn handelen kan worden gekwalificeerd als medeplegen

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op of omstreeks 4 april 2016, in de gemeente Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] (in/tijdens zijn functie van/als buschauffeur) (terwijl die [slachtoffer] met zijn bus (lijn 10) bij een halte (te weten het bushokje, gelegen aan de Regentesselaan) aan het Oranjepark arriveerde en/of de deuren van de bus had geopend), heeft gedwongen tot de afgifte van (een geldla met daarin) (een) (hoeveelheid) geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Syntus B.V. (gelegen aan de Visbystraat 5 te Deventer), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s):

- voorzien van een geheel of gedeeltelijk voor/over zijn/hun hoofd/gezicht getrokken capuchon/(bivak)muts/sjaal, althans (in ieder geval) voorzien van een geheel of gedeeltelijk bedekt gezicht - zich in voornoemde bus heeft/hebben begeven en/of

- (vervolgens) (daarbij) (aan) die [slachtoffer] een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft/hebben getoond/voorgehouden en/of

- (vervolgens) voornoemd pistool, althans dat op een vuurwapen gelijkend(e) voorwerp op die [slachtoffer] heeft/hebben gericht (gehouden) en/of

- (vervolgens) (daarbij) naar/in de richting van die [slachtoffer] heeft/hebben geroepen: "Geldla, geldla, vlug, vlug", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

- (vervolgens) heeft die [slachtoffer] voornoemde geldla (met daarin (een) (hoeveelheid) geld) aan verdachte(n)s mededaders overhandigd.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. [verdachte] is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen [verdachte] meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Hij moet daarvan worden vrijgesproken.

5 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

6 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

7 De strafbaarheid van de verdachte

[verdachte] is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit.

8 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan [verdachte] een werkstraf van 60 uren wordt opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd, omdat zij vrijspraak heeft bepleit.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan [verdachte] moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en ook de persoon van [verdachte] zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. [verdachte] heeft zich samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] schuldig gemaakt aan een afpersing (een overval op een buschauffeur) waarbij de daders berekenend te werk zijn gegaan. Er is vooraf gesproken over de overval en een plan gemaakt. [verdachte] heeft zich voorgedaan als passagier van de bus, terwijl [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] achter het bushokje hebben gewacht totdat de bus was gestopt en de deuren waren geopend. [verdachte] heeft een buskaartje betaald met muntgeld zodat de bus even zou blijven staan en de buschauffeur de geldla moest openen. Door het handelen van [verdachte] waren [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de gelegenheid om bij de bus te komen en de buschauffeur met een nepwapen te dwingen de geldla met inhoud af te geven. Een dergelijk delict wordt door degene die het overkomt als buitengewoon bedreigend ervaren en de ervaring leert dat een slachtoffer vaak geruime tijd lijdt onder de psychische gevolgen van dat wat hem is aangedaan. Daarnaast brengen feiten als deze ook angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid in de maatschappij teweeg. Dit feit heeft zelfs geleid tot een staking van buschauffeurs om aandacht te vragen voor hun kwetsbare positie. Ter zitting is door de buschauffeur verklaard hij psychische hulp heeft gehad en ruim een halfjaar niet op zijn gemak is geweest als hij alleen op de bus reed. Daarnaast is door de busmaatschappij tot op heden nog maatregelen getroffen om de kans op herhaling te verkleinen.

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank verder rekening gehouden met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] , waarbij onder meer is gelet op:

  • -

    het uittreksel Justitiële Documentatie over [verdachte] van 10 augustus 2017;

  • -

    de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming van 3 april 2017.

Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 10 augustus 2017 volgt dat [verdachte] niet eerder door de strafrechter is veroordeeld.

Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) komt naar voren dat [verdachte] na de overval het contact met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft verbroken. [verdachte] verbleef lange tijd uit angst voornamelijk binnenshuis. De ouders hebben hun aandacht voornamelijk gericht op het ondersteunen van [verdachte] bij het positief afronden van zijn school en het anders invullen van zijn sociaal netwerk. Door de angsten van [verdachte] is met name ingezet op het bieden van veiligheid en vertrouwen. Inmiddels ervaart [verdachte] meer succeservaringen ten aanzien van de veranderende gezinssituatie na de scheiding van zijn ouders, zijn huidige sociale contacten en zijn schoolgang. Vooralsnog heeft dit zichtbaar een positieve invloed op zijn zelfvertrouwen en motivatie om aan een positieve toekomst te werken. Uit de rapportage volgt dat door de Raad weinig pedagogische meerwaarde wordt gezien in een eventuele strafrechtelijke reactie als wordt uitgegaan van het verhaal van [verdachte] , in combinatie met de consequenties die [verdachte] heeft ondervonden na de overval. Wanneer het aandeel van [verdachte] groter blijkt te zijn dan door hem werd verteld, is de Raad van mening dat [verdachte] wel verdere consequenties van zijn handelen dient te aanvaarden. De Raad ziet geen contra-indicaties voor een werkstraf. Een leerstraf is niet geïndiceerd, gelet op het delict waarvan [verdachte] wordt verdacht en een geldboete is niet wenselijk omdat [verdachte] geen eigen inkomsten heeft.

De rechtbank houdt in de strafmaat rekening met de ernst van het feit, de leeftijd en persoon van [verdachte] , de afwezigheid van ‘een strafblad’ en met de straffen die gebruikelijk door rechtbanken in soortgelijke gevallen worden opgelegd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van deze zaak een onvoorwaardelijke werkstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie op zijn plaats is, zoals ook door de officier van justitie is gevorderd. Daarnaast wordt [verdachte] veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie van 60 dagen met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank is hierbij van oordeel dat bij een gewapende overval in beginsel onvoorwaardelijke jeugddetentie passend is. Omdat [verdachte] geen strafblad heeft en hij een positieve ontwikkeling doormaakt, wordt deze jeugddetentie in voorwaardelijke vorm opgelegd bij wijze van waarschuwing. Gelet op ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat deze straf passend en geboden is, en gaat in zoverre boven de eis van de officier van justitie uit.

8a. De beoordeling van de civiele vordering en de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij, [slachtoffer] , heeft zich in het strafproces gevoegd en een schadevergoeding van € 1.700,00 gevorderd, wegens immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen. Zij heeft de rechtbank verzocht [verdachte] het gevorderde bedrag, net zoals dat bij [medeverdachte 2] is gebeurd, pondspondsgewijs toe te rekenen, in die zin dat [verdachte] wordt veroordeeld om (€ 1.700,00 gedeeld door 3 =) € 566,67 aan de benadeelde partij te vergoeden. De officier van justitie heeft verzocht om tevens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, dan wel dat de vordering dient te worden afgewezen. Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken en de vordering onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet hoofdelijk dient te worden toegewezen, omdat [verdachte] door [medeverdachte 1] is bedreigd en het daarom voor hem te belastend is om met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] in overleg te treden over de betaling van ieders aandeel in de vergoeding van de schade.

De beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank zijn, tegen de achtergrond van de bijzondere ernst van het feit, voldoende feiten en omstandigheden gesteld die een vergoeding van immateriële schade rechtvaardigen. De rechtbank wijst hierbij op de inhoud van de schriftelijke vordering en de daarbij geschetste gevolgen van de overval voor het slachtoffer. Op grond van de gebruikte bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde schade heeft geleden, die de rechtbank begroot op € 1.700,00. [verdachte] is hiervoor naar burgerlijk recht aansprakelijk. De vordering is dan ook voor toewijzing vatbaar.

Verder overweegt de rechtbank dat gebruikelijk is dat het schadefonds bij de definitieve vaststelling van de uit te keren schadevergoeding rekening houdt met de als gevolg van het bewezenverklaarde feit toegewezen schadevergoeding, in die zin dat de uitkering van het schadefonds in dat geval wordt gezien als een voorschot op de uiteindelijke door de veroorzaker van de schade uit te keren schadevergoeding (zie onder meer: Hoge Raad 20 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3452).

Zowel de officier van justitie als de verdediging heeft de rechtbank verzocht, bij toewijzing van een bedrag aan schadevergoeding, dit bedrag pondspondsgewijs toe te rekenen. De rechtbank zal desondanks het gevorderde bedrag hoofdelijk toewijzen. De rechtbank is van oordeel dat een pondspondsgewijze toerekening voor [verdachte] niet wenselijk is. Het gevorderde bedrag is immers in de zaak van [medeverdachte 1] hoofdelijk en in de zaak van [medeverdachte 2] voor een derde deel toegewezen, waardoor mogelijk door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] al meer dan twee derde van het gevorderde bedrag aan de benadeelde partij is betaald. Met een hoofdelijke toewijzing wordt ook voorkomen dat ten behoeve van de benadeelde partij meer dan de geleden schade van € 1.700,00 aan schadevergoeding kan worden geïnd.

Het toe te wijzen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade, te weten 4 april 2016.

Om te bevorderen dat de schade door [verdachte] wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op een hierna te noemen wijze, waarbij de maatregel alleen ziet op het toegewezen bedrag.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat [verdachte] het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 4, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven

bewezen is verklaard en spreekt [verdachte] daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 5;

verklaart [verdachte] hiervoor strafbaar;

veroordeelt [verdachte] wegens het bewezenverklaarde tot:

A. het verrichten van een werkstraf gedurende 60 (zestig) uren;

bepaalt dat deze werkstraf binnen een halfjaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid;

de termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat
[verdachte] rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is;

beveelt dat, voor het geval [verdachte] de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast.

stelt deze vervangende jeugddetentie vast op 30 (dertig) dagen;

een jeugddetentie voor de duur van 60 (zestig) dagen;

bepaalt dat van deze jeugddetentie 60 (zestig) dagen niet zullen worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien [verdachte] zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe

- Veroordeelt [verdachte] hoofdelijk- met dien verstande dat indien en voor zover de mededaders betalen ook [verdachte] daardoor tegenover de benadeelde zal zijn gekweten - tegen kwijting aan [slachtoffer] te betalen € 1.700,00 (duizendzevenhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 april 2016.

- Veroordeelt [verdachte] tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 1.700,--, subsidiair 10 dagen jeugddetentie

- Legt op aan [verdachte] hoofdelijk – met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededaders betalen, ook [verdachte] daardoor tegenover de Staat zal zijn gekweten – de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , te betalen € 1.700,00 (duizendzevenhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 april 2016, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 10 (tien) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

- Bepaalt dat de maatregel niet van toepassing is op de wettelijke rente over voormeld bedrag.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.F. Geerling, als voorzitter/kinderrechter,

mr. W.J. Vierveijzer, kinderrechter, en mr. M. Rietveld, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. I.C.G.M. van Lammeren-van Dijck, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 oktober 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door de verbalisanten van de regiopolitie Oost- Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016196603, gesloten op 25 oktober 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 479.

3 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 502-503 en de verklaring van [verdachte] zoals afgelegd ter zitting van 19 september 2017.

4 Het proces-verbaal van aangifte, p. 479-480, het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 503 en de verklaring van [verdachte] zoals afgelegd ter zitting van 19 september 2017.

5 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 480.

6 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 583 en het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , p. 597-598.

7 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 510 en van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 583.

8 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 503.

9 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 509.

10 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 510.

11 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 517-518.

12 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige] , p. 613-614.