Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:5054

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-10-2017
Datum publicatie
02-10-2017
Zaaknummer
05/840631-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat een verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan stalking en bedreiging van zijn ex-vriendin, die te Lievelde woonde. Hij heeft zijn ex-vriendin veelvuldig gebeld, geprobeerd te bellen en haar voicemail heeft ingesproken. Aangeefster heeft op 18 mei 2017 een brief naar verdachte gestuurd waarin zij meedeelde dat zij op geen enkele wijze meer contact met hem wenste. Verdachte is echter blijven bellen, haar voicemail blijven inspreken en WhatsAppberichten blijven sturen. Toen aangeefster niet reageerde, werd de inhoud van zijn telefoongesprekken en berichten grimmig en zeer bedreigend. Ook heeft verdachte zeer intimiderende en vernederende berichten en foto’s op sociale media geplaatst. Verdachte heeft hierdoor gedurende een periode van ruim drie weken in ernstige mate inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Door zijn handelen heeft verdachte gevoelens van onmacht en angst bij haar veroorzaakt, zoals ook blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten nog lange tijd psychische en emotionele gevolgen daarvan kunnen ondervinden.

Anderzijds houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte gelet op zijn psychische toestand verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd en dat verdachte een behandeling zou moeten volgen om te leren anders om te gaan met emoties en meer specifiek met gevoelens van woede en krenking

De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 240 dagen, waarvan 126 voorwaardelijk. De rechtbank acht het van belang dat verdachte de geadviseerde behandeling en begeleiding zal volgen. Daarom worden er aan de voorwaardelijke gevangenisstraf voorwaarden verbonden. Zo moet verdachte een behandeling volgen, wordt hem verboden om drugs en alcohol te gebruiken en hij mag gedurende een periode van 3 jaar op geen enkele wijze contact opnemen met zijn ex vriendin en zich niet in haar woonplaats bevinden. Verder moet hij een schadevergoeding aan haar betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/840631-17

Datum uitspraak : 2 oktober 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1963 te [geboorteplaats] ,

wonende [adres] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te HvB Ooyerhoekseweg - Zutphen te Zutphen.

Raadsman: mr. J.W.M. Soentjens, advocaat te 's-Heerenberg.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 september 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2017 tot en met 4 juni 2017 te Lievelde, althans gemeente Oost Gelre, althans in Nederland,

wederrechtelijk

stelselmatig

opzettelijk

inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door veelvuldig telefonisch contact met haar te zoeken en/of te leggen en/of

berichten op haar voicemail in te spreken en/of whatsappberichten naar haar te sturen en/of berichten over haar op facebook en/of twitter te plaatsen met (onder meer) teksten van dreigende aard zoals

- wen maar vast aan dit beeld want dit staat je te wachten (waarbij verdachte haar een foto stuurt van een vrouw met een door zuur verminkt gezicht) en/of

- ik snij je keel door (waarbij verdachte haar een foto van een mes stuurt) en/of

- ik gooi zuur over je heen en ik hoop dat dit niet in je ogen komt want dan kan je niet zien hoe verminkt je er uit ziet en/of

- zo ga jij er ook uit zien en/of haar daarbij een foto sturen van zijn met een hamer vermoorde zus,

met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2017 tot en met 4 juni 2017 te Lievelde, althans in de gemeente Oost Gelre, [slachtoffer] (via de voicemail en/of whatsapp) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met brandstichting, door die [slachtoffer] (telkens) dreigend de woorden toe te voegen "ik snij je keel door" en/of "ik gooi zuur over je heen" en/of "ik gooi een baksteen tegen je gezicht" en/of "ik steek je huis in de fik", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten, gelet op de bekennende verklaring die verdachte daarover ter terechtzitting heeft afgelegd, bewezen verklaard kunnen worden.

Beoordeling door de rechtbank

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 4 e.v.;

- het proces-verbaal van bevindingen uitluisteren voicemailberichten, p. 42;

- het proces-verbaal van bevindingen WhatsAppberichten, p. 51 en de WhatsAppberichten, p. 54;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 september 2017.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2017 tot en met 4 juni 2017 te Lievelde, althans gemeente Oost Gelre, althans in Nederland,

wederrechtelijk

stelselmatig

opzettelijk

inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door veelvuldig telefonisch contact met haar te zoeken en/of te leggen en/of

berichten op haar voicemail in te spreken en/of whatsappberichten naar haar te sturen en/of berichten over haar op facebook en/of twitter te plaatsen met (onder meer) teksten van dreigende aard zoals

- wen maar vast aan dit beeld want dit staat je te wachten (waarbij verdachte haar een foto stuurt van een vrouw met een door zuur verminkt gezicht) en/of

- ik snij je keel door (waarbij verdachte haar een foto van een mes stuurt) en/of

- ik gooi zuur over je heen en ik hoop dat dit niet in je ogen komt want dan kan je niet zien hoe verminkt je er uit ziet en/of

- zo ga jij er ook uit zien en/of haar daarbij een foto sturen van zijn met een hamer vermoorde zus,

met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2017 tot en met 4 juni 2017 te Lievelde, althans in de gemeente Oost Gelre, [slachtoffer] (via de voicemail en/of whatsapp) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met brandstichting, door die [slachtoffer] (telkens) dreigend de woorden toe te voegen "ik snij je keel door" en/of "ik gooi zuur over je heen" en/of "ik gooi een baksteen tegen je gezicht" en/of "ik steek je huis in de fik", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

belaging

Ten aanzien van feit 2 :

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

en

bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd

en

bedreiging met brandstichting

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er heeft een psychologisch onderzoek plaatsgevonden naar de persoon van verdachte. Uit het rapport d.d. 25 augustus 2017 van [naam] , GZ-psycholoog, blijkt dat verdachte lijdt aan een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken, borderline en narcistische trekken en aan een matig ernstige stoornis in het gebruik van alcohol en cocaïne. Daarvan was ook sprake ten tijde van het tenlastegelegde. De rapporteur adviseert het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank is op basis van het rapport van oordeel dat er bij verdachte sprake is geweest van een stoornis ten tijde van het plegen van de feiten en dat verdachte dus verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

Verdachte is strafbaar, nu overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, met daaraan verbonden de door Reclassering Nederland in het rapport van 15 september 2017 geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Voor het geval de rechtbank zou beslissen een kortere gevangenisstraf op te leggen heeft de officier van justitie verzocht om de dadelijke uitvoerbaarheid te bevelen.

Ter toelichting op de eis heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte het slachtoffer gedurende een langere periode veel nare en beangstigende berichten heeft gestuurd. De inhoud van die berichten werd steeds grimmiger.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan de eis van de officier van justitie. Subsidiair heeft de raadsman in overweging gegeven verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, met opheffing van de voorlopige hechtenis bij eindvonnis.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden - dat verdachte veelvuldig zijn ex-vriendin heeft gebeld, geprobeerd te bellen en haar voicemail heeft ingesproken. Aangeefster heeft op 18 mei 2017 een brief naar verdachte gestuurd waarin zij meedeelde dat zij op geen enkele wijze meer contact met hem wenste. Verdachte is echter blijven bellen, haar voicemail blijven inspreken en WhatsAppberichten blijven sturen. Toen aangeefster niet reageerde, werd de inhoud van zijn telefoongesprekken en berichten grimmig en zeer bedreigend. Ook heeft verdachte zeer intimiderende en vernederende berichten en foto’s op sociale media geplaatst. Verdachte heeft hierdoor gedurende een periode van ruim drie weken in ernstige mate inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Door zijn handelen heeft verdachte gevoelens van onmacht en angst bij haar veroorzaakt, zoals ook blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten nog lange tijd psychische en emotionele gevolgen daarvan kunnen ondervinden.

Anderzijds houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte gelet op zijn psychische toestand verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

De psycholoog heeft in het rapport van 25 augustus 2017 vermeld dat verdachte zich door de narcistische trekken in zijn persoonlijkheid gekrenkt en te kort gedaan voelde en dat hij mede hierdoor niet kon accepteren dat hij aan de kant was gezet. Door de borderlinetrekken kan verdachte moeilijk overweg met zijn emoties. Hij kan die niet goed reguleren en controleren en tracht die te dempen door middelengebruik. De antisociale trekken maken dat verdachte van mening is het recht te hebben om voor zichzelf op te komen. Hij wordt daarbij niet gehinderd door een adequaat functionerend geweten. Door zowel de narcistische als antisociale trekken in zijn persoonlijkheid heeft verdachte niet veel empathie en kan hij zich niet in een ander verplaatsen, hetgeen ertoe heeft geleid dat hij dreigende berichten ging sturen. De rapporteur acht de kans op recidive aanwezig en adviseert om verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarde een ambulante behandeling om verdachte te leren anders om te gaan met emoties en meer specifiek met gevoelens van woede en krenking.

De reclassering heeft in het rapport van 15 september 2017 vermeld dat behandeling, begeleiding en toezicht wenselijk is. Het advies is om een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en daaraan voorwaarden te verbinden. De geadviseerde voorwaarden komen vrijwel overeen met hetgeen de psycholoog heeft geadviseerd. Ook wordt geadviseerd om de dadelijke uitvoerbaarheid te bevelen, om te voorkomen dat er een periode geen toezicht zal zijn.

De geadviseerde voorwaarden zijn ter terechtzitting aan verdachte voorgehouden. Hij heeft gezegd dat hij wil meewerken aan de bijzondere voorwaarden.

De rechtbank acht het van belang dat verdachte de geadviseerde behandeling en begeleiding zal volgen. Daarom zal de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen en daar die voorwaarden aan verbinden, met uitzondering van het uitgebreide locatiegebod. Het locatiegebod zal worden beperkt tot de woonplaats van aangeefster, omdat verdachte anders in een te grote mate beperkt wordt in zijn normale leven. Bovendien zorgt het contactverbod ervoor dat verdachte op geen enkele wijze contact met aangeefster mag opnemen, zodat aangeefster ook op die manier is beschermd op haar werkplekken. De proeftijd zal worden bepaald op 3 jaar.

Omdat er, mede gelet op de documentatie van de verdachte, ernstig rekening mee gehouden moet worden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zoals bewezen zijn verklaard, zal de rechtbank, gelet op artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht, uitspreken dat de voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten. Gevorderd wordt een bedrag van € 2.500,-- (immateriële schade).

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en tevens de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Verdachte kon het effect van zijn gedrag niet overzien en verkeerde in de veronderstelling dat aangeefster niet bang was. In hoeverre verdachte zijn gedrag kon overzien en welke schadevergoeding er vervolgens toegewezen zou moeten worden kan beter in een civiele procedure beoordeeld worden. Bovendien kan een vordering niet worden toegewezen als iemand verminderd toerekeningsvatbaar is. Het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel zal in feite een verkapte detentie betreffen omdat het erg onwaarschijnlijk is dat verdachte een geldbedrag zou kunnen betalen.

Beoordeling door de rechtbank

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet kan worden toegewezen, nu verdachte geen opzet heeft gehad om [slachtoffer] schade toe te brengen en dat zijn handelen daarop ook geen moment gericht is geweest.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden die niet uit vermogensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Dat verdachte geen opzet heeft gehad om schade toe te brengen staat daaraan niet in de weg. Gelet op het bepaalde in artikel 6:165 van het Burgerlijk Wetboek staat verminderende toerekeningsvatbaarheid eveneens niet aan toewijzing in de weg.

De rechtbank zal de geleden immateriële schade naar redelijkheid en billijkheid begroten op € 2000,--, nu ervan uit mag worden gegaan dat deze schade in ieder geval is geleden.

Wat betreft het meer gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag met inbegrip van de wettelijke rente (vanaf 2 juni 2016 – datum aangifte) ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

De rechtbank merkt op dat een draagkrachtverweer, zoals door de verdediging is gedaan, niet zondermeer betekent dat verdachte hechtenis zal moeten ondergaan. Verdachte zou een betalingsregeling met het CJIB overeen kunnen komen. Bovendien bestaat er voor het CJIB geen verplichting om in alle gevallen waarin niet (volledig) wordt betaald onverkort over te gaan tot tenuitvoerlegging van hechtenis.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 24c, 27, 36f, 57, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) dagen;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 126 (éénhonderdzesentwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde(n) voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 legt op de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 legt op de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

Meldplicht

- zich zal houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Veroordeelde moet zich gedurende de door de reclassering bepaalde periode blijven melden zo frequent als de reclassering dit gedurende deze periode nodig acht.

Ambulante behandeling

- zich zal laten behandelen bij een ambulante forensische polikliniek. Hij zal zich houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens die instelling zullen worden gegeven, ook indien dat inhoudt dat hij dient mee te werken aan een hem geboden vorm van daginvulling.

Drugs- en alcoholverbod

- wordt verboden om drugs en alcohol te gebruiken, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Om het verbod te controleren wordt veroordeelde verplicht mee te werken aan urinecontroles, indien de reclassering dit wenst.

Contactverbod

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Onder dit contact wordt mede verstaan het via sociale media en internetfora plaatsen van berichten die direct of indirect betrekking hebben op [slachtoffer] .

Locatieverbod

- wordt verboden zich gedurende de proeftijd te bevinden in de woonplaats van [slachtoffer] (thans Lievelde), zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de veroordeelde zich onder elektronische toezicht zal stellen ter nakoming van deze bijzondere voorwaarde, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, doch maximaal voor een periode van 6 maanden.

De rechtbank:

bepaalt dat de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden op grond van artikel 14d dadelijk uitvoerbaar zijn.

• geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

  • -

    De rechtbank:

  • -

    veroordeelt [verdachte] ten aanzien van feiten 1 en 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 2.000,- (tweeduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 2.000,-(tweeduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 30 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 heft op het bevel voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur

daarvan gelijk wordt aan dat van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Broekhuizen (voorzitter), mr. C. Kleinrensink en mr. S.C.A.M. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van A.B.M. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 oktober 2017.

Mr. Broekhuizen is buiten staat mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PLPL0600-2017251294, gesloten op 8 juni 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.