Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:5029

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-09-2017
Datum publicatie
29-09-2017
Zaaknummer
05/720366-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft een 50-jarige man uit Hilversum veroordeeld omdat hij schuld had aan het veroorzaken van tweedegraads brandwonden bij een achtjarig jongetje. De man heeft met bio ethanol in een vuurkorf gespoten waardoor een steekvlam is ontstaan die op het jongetje terecht is gekomen. De rechtbank is van oordeel dat de man geen opzet op het ongeval had. In tegenstelling tot de officier van justitie gaat de rechtbank er niet van uit dat de man roekeloos heeft gehandeld. Van roekeloosheid, in de juridische zin, is slechts in uitzonderlijke gevallen sprake. In het dossier zit geen informatie over het gebruik van bio ethanol en de gevaarzetting daarbij. Zonder deze informatie kan de rechtbank niet bewijzen dat de man roekeloos heeft gehandeld. Wel acht de rechtbank bewezen dat de man in aanmerkelijke mate onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig heeft gehandeld.

Door de steekvlam heeft het jongetjes oppervlakkige tweedegraads brandwonden op een deel van het gezicht opgelopen en hij heeft over lange tijd forse pijnen moeten ervaren. Zonder af te willen doen aan de impact van het incident voor het jongetje, kan de rechtbank, in afwijking van de officier van justitie, het letsel niet kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel.

Gelet op de ernst van het feit, de impact van het feit op slachtoffer en diens familie en als signaal naar de samenleving dat niet lichtzinnig met brand(versnellers) kan worden omgesprongen, vindt de rechtbank dat er wel een straf moet volgen. De rechtbank heeft de man veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, zoals geëist door de officier van justitie. De rechtbank ziet geen reden voor een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Tot slot moet de man een schadevergoeding aan het jongetje betalen tot een bedrag van € 1978,05.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0797

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/720366-16

Datum uitspraak : 28 september 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1968 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,

raadsman: mr. E. Luijendijk, advocaat te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 14 september 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 13 augustus 2016 te Erichem, althans in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten tweede- en/of derdegraads brandwonden, heeft toegebracht door bio ethanol, althans een (brandbare) vloeistof, in/op, althans in de richting van een vuurkorf en/of (brandend) voorwerp te spuiten/gooien, terwijl [slachtoffer] zich in de (onmiddellijke) nabijheid van die vuurkorf en/of dat (brandend) voorwerp bevond, waardoor een steekvlam en/of (brandend) mengsel op die [slachtoffer] terecht is gekomen;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

subsidiair

hij op of omstreeks 13 augustus 2016 te Erichem, althans in Nederland, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, door bio ethanol, althans een (brandbare) vloeistof, in/op, althans in de richting van een vuurkorf en/of (brandend) voorwerp te spuiten/gooien, terwijl [slachtoffer] zich in de (onmiddellijke) nabijheid van die vuurkorf en/of dat (brandend) voorwerp bevond, waardoor een steekvlam en/of (brandend) mengsel op die [slachtoffer] terecht is gekomen, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten (tweede- en/of derdegraads) brandwonden heeft bekomen;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 13 augustus 2016 te Erichem, althans in Nederland, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig bio ethanol, althans een (brandbare) vloeistof, in/op, althans in de richting van een vuurkorf en/of (brandend) voorwerp heeft gespoten/gegooid, terwijl [slachtoffer] zich in de (onmiddellijke) nabijheid van die vuurkorf en/of dat (brandend) voorwerp bevond, waardoor een steekvlam en/of (brandend) mengsel op die [slachtoffer] terecht is gekomen, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten (tweede- en/of derdegraads) brandwonden heeft opgelopen, heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de

uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van voornoemde is ontstaan.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 13 augustus 2016 zaten verdachte, [slachtoffer] (hierna: [slachtofferr] ) en anderen op een camping te Erichem rond een brandende vuurkorf. Op enig moment heeft verdachte een fles bio ethanol gepakt en daarin geknepen zodat de vloeistof uit de fles op het vuur kwam. Vervolgens is een steekvlam ontstaan, die op [slachtofferr] is terecht gekomen.2 In het ziekenhuis zijn bij [slachtofferr] oppervlakkige tweedegraads brandwonden op de rechter gelaatshelft waargenomen. Op 26 augustus waren de wonden op een klein plekje na (zoals de rechtbank de verklaring leest) genezen. Er was nog wel sprake van pigmentverschillen.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. Wel kan wettig en overtuigend bewezen worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling door roekeloosheid.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van (voorwaardelijk) opzet dan wel van roekeloos handelen door verdachte. Derhalve dient verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken. Wel kan gesteld worden dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld. Uit het dossier kan niet volgen dat [slachtofferr] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. Wel was sprake van tijdelijke verhindering zodat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van het meer subsidiair tenlastegelegde.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde

Met de verdediging en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat sprake was van opzettelijk handelen door verdachte, al dan niet in voorwaardelijke vorm. In het dossier is niet nader onderbouwd dat het handelen van verdachte een aanmerkelijke kans op een dusdanige steekvlam dat die [slachtofferr] zou raken in het leven riep , noch dat verdachte die kans willens en wetens heeft aanvaard. Derhalve zal verdachte van het primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde

De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van roekeloosheid in de zin van de wet als zwaarste, aan opzet grenzende schuldvorm, slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zal zijn.

Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid zullen zodanige feiten en omstandigheden moeten worden vastgesteld dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank is er in deze zaak geen sprake van roekeloos handelen zoals hiervoor omschreven. Naast de verklaringen van verdachte bevat het dossier geen enkele informatie over het gebruik van bio ethanol en de gevaarzetting daarbij. Als algemene ervaringsregel kan wel worden aanvaard dat bio ethanol brandbaar is. Zonder nadere informatie, die ontbreekt, is deze algemene ervaringsregel echter onvoldoende voor het oordeel dat verdachte zich buitengewoon onvoorzichtig heeft gedragen door bio ethanol op het vuur te spuiten en daarmee een zeer ernstig gevaar in het leven heeft geroepen.

In tegenstelling tot de officier van justitie acht de rechtbank het alcoholgebruik van verdachte die avond niet als gevaar verhogend. Verdachte heeft verklaard twee biertjes te hebben gedronken. Niet valt in te zien dat deze betrekkelijk geringe hoeveelheid alcohol het handelen van verdachte in negatieve zin heeft beïnvloed.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier niet volgt dat sprake was van zwaar lichamelijk letsel. Volgens de wet worden onder zwaar lichamelijk letsel onder meer begrepen een ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat en voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden. Zoals reeds vermeld volgt uit de summiere medische informatie in het dossier dat bij [slachtofferr] sprake was van oppervlakkige tweedegraads brandwonden. Ten tijde van het opstellen van de medische informatie was kennelijk onbekend of volledige genezing te verwachten viel. Na twaalf dagen waren de wonden op een klein plekje (de rechtbank leest “na”) genezen, wel was toen nog sprake van pigmentverschillen.4 De vader van [slachtofferr] heeft op 1 september 2017 verklaard dat er nog rode plekken te zien zijn in het gezicht, die verkleuren bij weersveranderingen of inspanningen.5 Voorts is opgemerkt (en voorstelbaar) dat [slachtofferr] over lange tijd forse pijnen heeft moeten ervaren. Pijn is echter geen letsel als bedoeld in artikel 308 Wetboek van Strafrecht. Zonder af te willen doen aan de impact van het incident voor [slachtofferr] , kan de rechtbank het geconstateerde letsel niet kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel.

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het hebben van tweedegraads brandwonden over meer dan 50% van het lichaam gekwalificeerd kan worden als zwaar lichamelijk letsel. De vergelijking met deze uitspraak gaat evenwel niet op, nu in de huidige zaak geen sprake was van brandwonden over (meer dan) 50% van het lichaam.

De rechtbank zal verdachte dan ook eveneens vrijspreken van het subsidiair tenlastegelegde.

Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde

Verdachte heeft verklaard dat [slachtofferr] op een afstand van een halve meter van het vuur zat. Verdachte wist dat bio ethanol brandbaar was, omdat hij dat ook gebruikte voor een kachel in zijn caravan. Voordat hij de bio ethanol op het vuur spoot, heeft hij de omzittenden niet gewaarschuwd.6 Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij al jaren bio ethanol gebruikte en dat het vuur daardoor oplaait. Het kan een kleine vlam geven of als er net iets meer op komt, kan het een grote vlam veroorzaken, aldus verdachte.7

De rechtbank acht voorzienbaar dat het spuiten van een brandbaar middel, zoals bio ethanol, op een open vuur , het vuur kan doen oplaaien. Verdachte heeft zelf verklaard en wist dus dat het een kleine dan wel grote vlam kon veroorzaken. Door bio ethanol in een open vuur te spuiten, zonder daaraan voorafgaand de omzittenden te waarschuwen, terwijl bovendien de achtjarige [slachtofferr] zich op een halve meter afstand van het vuur bevond, heeft verdachte in aanmerkelijke mate onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig gehandeld.

Door dit handelen is [slachtofferr] letsel toegebracht, waardoor hij ziekenhuisbehandelingen moest ondergaan, bedlegerig was en een aantal maanden niet naar school heeft kunnen gaan. De rechtbank stelt deze verhindering, gelet op de jeugdige leeftijd van [slachtofferr] en op de bedoeling van het artikel, gelijk met de tijdelijke verhindering in de uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, zoals bedoeld in artikel 308 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het meer subsidiair tenlastegelegde.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 13 augustus 2016 te Erichem, althans in Nederland, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig bio ethanol, althans een (brandbare) vloeistof, in/op, althans in de richting van een vuurkorf en/of (brandend) voorwerp heeft gespoten/gegooid, terwijl [slachtoffer] zich in de (onmiddellijke) nabijheid van die vuurkorf en/of dat (brandend) voorwerp bevond, waardoor een steekvlam en/of (brandend) mengsel op die [slachtoffer] terecht is gekomen, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten (tweede- en/of derdegraads) brandwonden heeft opgelopen, heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel heeft opgelopen dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van voornoemde is ontstaan.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van zijn ambts- of beroepsbezigheden ontstaat.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaar.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit voor toepassing van artikel 9a van het Wetboek van strafrecht dan wel voor oplegging van een geheel voorwaardelijke straf. Volgens de verdediging is er geen strafvorderlijk belang bij het opleggen van een onvoorwaardelijke straf.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 3 augustus 2017 en

- een reclasseringsrapportage, gedateerd 30 augustus 2017.

Verdachte heeft aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld door zonder enige waarschuwing naar de omstanders bio ethanol (een brandversneller) op een vuur te spuiten. Hierdoor is een steekvlam ontstaan, die op een achtjarige jongen terecht is gekomen. Deze jongen heeft tweedegraads bandwonden opgelopen, heeft fikse pijnen moeten doormaken en heeft maanden niet naar school kunnen gaan. Uit de slachtofferverklaring van de ouders van [slachtofferr] komt naar voren wat de grote psychische impact is geweest van het ongeluk zowel op [slachtofferr] zelf, als op zijn ouders. De aanblik van hun verbrande zoon en zijn intense gegil zullen zij nooit meer vergeten. Verdachte heeft dit leed veroorzaakt.

Op zitting heeft verdachte laten zien dat het gebeuren ook op hem grote negatieve impact heeft gehad, onder meer doordat zijn psychische problematiek door deze gebeurtenis is verergerd.

Gelet op de ernst van het feit, de impact van het feit op [slachtofferr] en diens familie en als signaal naar de samenleving dat niet lichtzinnig met brand(versnellers) kan worden omgesprongen, acht de rechtbank een schuldigverklaring zonder straf niet aangewezen.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor de gevorderde voorwaardelijke gevangenisstraf. Dit omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie en omdat de kans op herhaling van een soortgelijk feit als minimaal wordt ingeschat. De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 120 uren.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 4.267,85.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd en volledig kan worden toegekend.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de vordering op onderdelen betwist. Aangevoerd is, kort samengevat, dat bepaalde kostenposten niet voldoende zijn onderbouwd of niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering die schade voor vergoeding in aanmerking kan komen die de verzoeker rechtstreeks heeft geleden door een strafbaar feit.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde schade heeft geleden door de beschadigingen aan zijn kleding, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De rechtbank is voorts van oordeel dat de beschadigingen aan de kleding van vader, ontstaan bij het doven van de vlammen bij [slachtofferr] , een rechtstreeks gevolg zijn van het strafbare feit en eveneens voor vergoeding in aanmerking komen. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat rekening dient te worden gehouden met de vermindering van de waarde van de kleding. De rechtbank begroot de kosten van het verlies van de kleding van zowel [slachtofferr] als zijn vader op een totaal bedrag van € 200,00.

Ook is aan [slachtofferr] rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat (immateriële schade). Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid wordt deze schade begroot op het gevorderde bedrag van € 800,00.

Verplaatste schade

Naast schade van [slachtofferr] ziet de vordering van de benadeelde partij ook op schade die de ouders van [slachtofferr] hebben geleden ten behoeve van [slachtofferr] . De moeder van [slachtofferr] is tevens de feitelijke indiener van de vordering. Daarbij is aangevoerd dat deze schade rechtstreeks verband houdt met het thans bewezenverklaarde.

Artikel 6:107, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek luidt:

Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, lichamelijk of geestelijk letsel oploopt, is die ander behalve tot vergoeding van de schade van de gekwetste zelf, ook verplicht tot vergoeding van de kosten die een derde anders dan krachtens een verzekering ten behoeve van de gekwetste zelf heeft gemaakt en die deze laatste, zo hij ze zelf zou hebben gemaakt, van die ander had kunnen vorderen.

De posten met betrekking tot de reiskosten, parkeerkosten en ziekenhuisdaggeldvergoeding zijn niet door de verdediging betwist en komen voor vergoeding in aanmerking. Dit betreft een bedrag van € 323,60.

De gevorderde en nader onderbouwde kosten voor aangeschafte medicatie komen eveneens voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten zien op (eenvoudige) pijnbestrijding en zelfhulpmiddelen. Het is aannemelijk dat deze kosten niet onder de dekking van enige zorgverzekering vallen. Toegekend wordt een bedrag van € 40,13.

In tegenstelling tot de verdediging is de rechtbank van oordeel dat voldoende onderbouwd is dat door het bewezenverklaarde schade is geleden in de vorm van telefoonkosten. Aannemelijk is gemaakt dat deze telefoonkosten in de periode na het feit de gebruikelijke telefoonkosten aanzienlijk overstegen. Een nadere onderbouwing is naar het oordeel van de rechtbank niet vereist. Toegekend wordt een bedrag van € 56,72.

Aangevoerd is dat de ouders van [slachtofferr] geen gebruik hebben kunnen maken van hun caravan en hebben aangevoerd dat de kosten voor deze standplaats als schade moeten worden vergoed.

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Weliswaar is voorstelbaar dat het gezin van [slachtofferr] na het incident niet terug wilde naar hun vakantieplek en daardoor geen genot heeft gehad van de caravanstaplaats. Door de benadeelde partij is echter niet betwist dat de vergoeding voor de staplaats van de caravan gerelateerd is aan het plaatsen van een caravan en niet aan de eigen fysieke aanwezigheid op de camping. De benadeelde partij zal voor dit deel dan ook niet-ontvankelijk in zijn vordering worden verklaard.

Met betrekking tot de gestelde schade door gederfde inkomsten van de ouders van [slachtofferr] overweegt de rechtbank als volgt. Als onderbouwing van deze post is aangevoerd dat [slachtofferr] , ook vanwege zijn autismespectrumstoornis, niet in het ziekenhuis (nader) verpleegd kon worden. Daarom is [slachtofferr] thuis verpleegd en moest zijn de moeder over een periode van twee weken in de dichte nabijheid van [slachtofferr] blijven om hem te verzorgen en te ondersteunen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake was van het verrichten van werkzaamheden waarvan het in de situatie waarin [slachtofferr] verkeerde normaal en gebruikelijk was dat zij zouden worden verricht door professionele, voor hun diensten gehonoreerde hulpverleners. Opgevoerd zijn zowel gederfde inkomsten van de moeder als van de vader van [slachtofferr] . Voldoende is onderbouwd dat de moeder twee weken niet heeft kunnen werken, zodat haar gederfde inkomsten zullen worden toegekend.

Naar het oordeel van de rechtbank is thans onvoldoende onderbouwd dat, naast de kosten gemaakt door de moeder, ook gederfde inkomsten van de vader voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Een nadere bestudering en behandeling van deze kostenpost zou een onevenredige belasting voor het strafgeding opleveren, zodat de rechtbank de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk zal verklaren.

Toegekend wordt een bedrag van € 557,60.

Concluderend, de rechtbank zal toekennen een bedrag van (€ 200,00 + € 323,60 + € 40,13 + € 56,72 + € 557,60 + € 800,00 = ) € 1978,05.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f en 308 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het primair en subsidiair tenlastegelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een taakstraf gedurende 120 (honderdtwintig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 1.978,05 (duizend negenhonderdachtenzeventig euro en vijf eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 1978,05 (duizend negenhonderdachtenzeventig euro en vijf eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 30 (dertig) dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Broekhuizen (voorzitter), mr. I.D. Jacobs en mr. M.J. Wasmann, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C. Aalders, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 september 2017.

Mr. Aalders is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [naam 1] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, registratienummernummer PLPL0600-2016399635, gesloten op 26 december 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte door P. [slachtoffer] , namens [slachtoffer] , p. 3 en 4 en verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 14 september 2017.

3 Een geneeskundige verklaring, p. 17.

4 Een geneeskundige verklaring, p. 17.

5 Proces-verbaal van verhoor P. [slachtoffer] , gedateerd 1 september 2017, proces-verbaalnummer: PL0600-2016399635-11, blad 1.

6 Verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 14 september 2017.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 32.