Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4949

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-09-2017
Datum publicatie
27-09-2017
Zaaknummer
300170
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:RBGEL:2017:972. Bevel op de voet van artikel 22 Rv om bescheiden met betrekking tot cessies ter incasso en betalingsbewijzen in het geding te brengen. Nadere uitlating over verband tussen aangetroffen auto-onderdelen en gestolen auto’s. Verwezen voor akte uitlating.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 6 september 2017

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/05/300170 / HA ZA 16-161 /103 / 560 van

de stichting

[eiser hoofdzaak] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. P.H. Rappa te Hardenberg,

tegen

1. de vennootschap onder firma

AUTOSLOPERIJ [gedaagd hoofdzaak],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [gedaagd hoofdzaak],

wonende te [woonplaats]

3. [gedaagd hoofdzaak],

wonende te [woonplaats]

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. G. van der Wende te Capelle aan den IJssel,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/05/306948 / HA ZA 16-412 van

1. vennootschap onder firma

AUTOSLOPERIJ [gedaagd hoofdzaak] .,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [eiser vrijwaring],

wonende te [woonplaats]

3. [eiser vrijwaring],

wonende te [woonplaats]

eisers,

advocaat mr. G. van der Wende te Capelle aan den IJssel,

tegen

1 [persoon5] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.L. Zegelink te Elst Gld,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[persoon6] .,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

niet verschenen.

Eiseres in de hoofdzaak wordt hierna [eiser hoofdzaak] genoemd, gedaagden in de hoofdzaak, tevens eisers in de vrijwaring, worden gezamenlijk [persoon1] genoemd en afzonderlijk de [persoon2] , [persoon3] en [persoon4] Gedaagden in de vrijwaring worden [persoon5] en [persoon6] genoemd.

1 De procedure in de hoofdzaak

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 25 januari 2017,

  • -

    de akte overlegging producties van de zijde van [eiser hoofdzaak] ,

  • -

    de antwoordakte van de zijde van [persoon1] .

1.2.

Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald.

2 De procedure in de vrijwaringszaak

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 25 januari 2017.

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De verdere beoordeling in de hoofdzaak

in conventie

cessies ter incasso

3.1.

In het tussenvonnis van 25 januari 2017 heeft de rechtbank [eiser hoofdzaak] in de gelegenheid gesteld gegevens met betrekking tot de cessies ter incasso te completeren door ontbrekende gegevens alsnog in het geding te brengen en wel zo dat deze samen met de reeds in het geding gebrachte gegevens een overzichtelijk geheel vormen als overwogen in dat tussenvonnis in rechtsoverweging 5.4.

3.2.

[eiser hoofdzaak] heeft vervolgens bij akte als productie 205 alle cessies ter incasso in het geding gebracht. Deze productie komt in de plaats van productie 44. Naar de stelling van [eiser hoofdzaak] ontbreken de cessies ter incasso van twaalf auto’s, te weten die met volgnummers 4, 5, 15, 16, 31, 39, 67, 86, 98, 99, 131 en 143. [eiser hoofdzaak] kondigt aan dat zij van deze auto’s nog aktes in het geding zal brengen indien deze in het verloop van deze procedure nog voorhanden komen, en wel wanneer zij de gelegenheid krijgt om de betalingsbewijzen in het geding te brengen zoals overwogen in het tussenvonnis onder 5.9. De rechtbank merkt op dat zij bij auto 131 [kenteken] een getekende cessie ter incasso in het dossier heeft aangetroffen.

3.3.

[persoon1] voert gemotiveerd verweer. Zij meent dat [eiser hoofdzaak] nog altijd niet duidelijk maakt of zij haar bevoegdheid ontleent aan machtigingen of aan cessies ter incasso. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser hoofdzaak] voldoende duidelijk gemaakt dat zij haar bevoegdheid ontleent aan cessies ter incasso. Dit oordeel wordt niet anders doordat de cessies ter incasso vermelden ‘geeft last en volmacht’, terwijl een cessie ter incasso een last zonder volmacht is. De motivering voor dit oordeel is reeds gegeven in het tussenvonnis van 25 januari 2017 in rechtsoverweging 5.4. De rechtbank blijft daarbij.

3.4.

[persoon1] voert voorts aan dat het dossier nog altijd niet compleet is. Zij maakt concrete opmerkingen bij tien van de overgelegde cessies ter incasso, namelijk bij de auto’s 7, 12, 14, 16, 27, 30, 32, 34, 36 en 37 (akte 22 tot en met 32). Die opmerkingen komen hierna aan de orde. De daarover te geven oordelen gelden in voorkomende gevallen ook voor de vorderingen ter zake van andere auto’s in de aktes waar de opmerkingen over gaan.

auto’s 7 en 27

3.5.

Van 39 auto’s is de schadevordering gecedeerd bij een akte die is ondertekend door [betrokkene] , manager Speciale Zaken. Bij die akte is een brief van 15 februari 2017 gevoegd waarin [betrokkene2] Directeur Schadebedrijven van [bedrijf] , verklaart dat [betrokkene] in het kader van zijn normale werkzaamheden de opdracht heeft alles te doen wat hij dienstig acht om het dossier ‘ [persoon1] ’ met goed gevolg af te wikkelen. Onder de auto’s in deze akte van cessie zijn auto 7 [kenteken] en auto 27 [kenteken] . Over auto 7 merkt [persoon1] op dat [eiser hoofdzaak] een volmachtverklaring heeft toegevoegd, waarmee de eerdere ondertekening van de akte van cessie min of meer wordt bekrachtigd (antwoordakte 23). Voor zover hierin een betwisting is gelegen van de deugdelijkheid van de bekrachtiging, is die onvoldoende toegelicht. Bij auto 27 merkt [persoon1] op dat hier met terugwerkende kracht de ondertekenaar van de cessie wordt gevolmachtigd, terwijl de akte van cessie zelf ongedateerd is (antwoordakte 27). Naar het oordeel van de rechtbank heeft in dit geval [bedrijf] als cedent de rechtshandeling van [betrokkene] als ondertekenaar van de akte van cessie bekrachtigd, wat mogelijk is op grond van artikel 3:69 lid 1 BW. Het ontbreken van een datering van de akte van cessie maakt deze akte niet ongeldig (artikel 156 Rv). De conclusie is dat deze verweren tegen deze cessie ter incasso falen. Nu daartegen voor het overige geen verweren zijn gevoerd, wordt geoordeeld dat deze cessie rechtsgeldig is en wel ter zake van alle auto’s die daarop staan vermeld.

Om het voorgaande te verduidelijken merkt de rechtbank het volgende op. In de genoemde akte van cessie staan niet 39 auto’s maar 40. Bij auto nummer 125 [kenteken] staat dat het een oud dossier is en dat er geen schade is vergoed. Deze auto staat ook in de akte van cessie ter incasso die mogelijk afkomstig is van [betrokkene3] , waar ook auto 36 [kenteken] in staat. Zie daarover rechtsoverweging 3.11.

auto 16

3.6.

[persoon1] merkt op dat [eiser hoofdzaak] in verband met auto 16 [kenteken] een machtiging aan de eigenaar heeft gevraagd, maar kennelijk niet gekregen. De rechtbank stelt vast dat de bijgevoegde akte inderdaad niet is ondertekend (antwoordakte 26). Zolang een ondertekende akte van cessie ontbreekt, is [eiser hoofdzaak] niet gerechtigd tot vergoeding van schade als gevolg van de heling van deze auto. Dat geldt ook voor de auto’s waarvan [eiser hoofdzaak] stelt dat cessies ter incasso ontbreken (zie rechtsoverweging 3.2).

auto 32

3.7.

Van twee auto’s is de schadevordering gecedeerd bij een akte die voor [betrokkene5] is ondertekend door [persoon7] (auto 32, [kenteken] en auto 117, [kenteken] ). Over auto 32 merkt [persoon1] op dat nu alsnog een volmacht wordt overgelegd ondertekend door de directie (antwoordakte 29). De rechtbank oordeelt dat de vorderingen ter zake van deze twee auto’s rechtsgeldig zijn gecedeerd.

auto’s 12, 37, 14, 34, 30 en 36

3.8.

Van vijftien auto’s is de schadevordering gecedeerd bij een akte die is ondertekend door [persoon8] . Onder die auto’s zijn auto 12 [kenteken] en auto 37 [kenteken] . [persoon1] merkt hierover op dat [persoon8] volgens het door [eiser hoofdzaak] bijgevoegde uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel een beperkte volmacht heeft en dat onduidelijk is of de ondertekening van de akte van cessie binnen de volmacht valt (antwoordakte 24 en 32).

3.9.

Van vijf auto’s is de schadevordering gecedeerd bij een akte die is voorzien van een stempel van [bedrijf2] en een onleesbare handtekening, mogelijk bestaande uit een D of P. Daarbij is een volmacht gevoegd ten gunste van [persoon9] , afkomstig van [bedrijf3 1] . Onder die auto’s is auto 14 [kenteken] ). [persoon1] merkt daarover op dat de akte van cessie nog steeds de naam van de ondertekenaar niet vermeldt, dat die zou moeten blijken uit een nu opgestelde machtiging met terugwerkende kracht, voorts dat [bedrijf3 1] , volgens het door [eiser hoofdzaak] bijgevoegde uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, een beperkte volmacht heeft en dat het de vraag is of het geven van de machtiging aan [persoon9] binnen de volmacht valt (antwoordakte 25). Van twaalf andere auto’s is de schadevordering ook gecedeerd bij een akte die is voorzien van een stempel van [bedrijf2] en dezelfde onleesbare handtekening en een machtiging van [bedrijf3 1] . Onder die auto’s is auto 34 [kenteken] ). Ook daarover merkt [persoon1] op dat [bedrijf3 1] zelf beperkt gevolmachtigd is (antwoordakte 30).

Om het voorgaande te verduidelijken merkt de rechtbank het volgende op. In de genoemde akte staan niet vijf auto’s maar negen. Twee daarvan zijn niet verzekerd via Allianz maar via Aegon particulier [kenteken] en [kenteken] ). Bij een is geen schade vergoed [kenteken] . Bij een is geen schadevergoeding gevorderd [kenteken]

3.10.

Van twee auto’s is de schadevordering gecedeerd bij een akte die voor [bedrijf3 2] is ondertekend door [persoon10] , teamleider, divisie Concernstaf, team integriteitszaken Zwolle (auto 38, [kenteken] , en auto 55, [kenteken] ). Bij die akte heeft [eiser hoofdzaak] een volmacht gevoegd die afkomstig is van [persoon13] . Van twee andere auto’s is de schadevordering gecedeerd bij een akte die voor [bedrijf4] is ondertekend door [persoon12] , te oordelen naar de handtekening dezelfde persoon als [persoon10] (auto 13, [kenteken] , en auto 110, [kenteken] . Bij die akte heeft [eiser hoofdzaak] dezelfde volmacht van [persoon13] gevoegd. Van vier auto’s is de schadevordering gecedeerd bij een akte die voor [bedrijf4] is ondertekend door [persoon14] , directeur [bedrijf5] . Ook bij die akte heeft [eiser hoofdzaak] een volmacht gevoegd afkomstig van [persoon13] . Een van de auto’s in deze laatste akte is auto 30 [kenteken] . Daarover merkt [persoon1] op dat [persoon13] op het door [eiser hoofdzaak] bijgevoegde uittreksel uit het handelsregister van de kamer van koophandel niet als bestuurder wordt genoemd (antwoordakte 28).

3.11.

Van twee auto’s is de schadevordering gecedeerd bij een akte die is voorzien van een onleesbare handtekening zonder nadere omschrijving (auto 36, [kenteken] en 125, [kenteken] ). [persoon1] merkt daarover op dat de handtekening mogelijk is gezet door [persoon15] , procuratiehouder van de leasemaatschappij [betrokkene3] maar dat dat niet is na te gaan, terwijl bovendien niet duidelijk is of de handtekening in persoon of namens de leasemaatschappij is geplaatst (antwoordakte 31).

3.12.

In de hiervoor in overweging 3.8 tot en met 3.11 vermelde gevallen waarin niet duidelijk is wie de cessies ter incasso heeft ondertekend, dan wel of deze ondertekenaar daartoe bevoegd of bevoegdelijk gemachtigd was, zal de rechtbank [eiser hoofdzaak] thans op de voet van artikel 22 Rv bevelen bescheiden in het geding te brengen waaruit de rechtsgeldigheid van de cessies ter incasso kan worden afgeleid. [eiser hoofdzaak] dient rekening te houden met de mogelijkheid dat de rechtbank zal oordelen dat zij niet genoeg heeft gesteld om te worden toegelaten tot het bewijs van de cessies ter incasso in die gevallen als zij de verlangde gegevens niet verstrekt. Het oordeel dat de rechtbank over deze gevallen zal geven, ziet op de cessies ter zake van alle auto’s die staan vermeld in de aktes waarover de opmerkingen van [persoon1] gaan, dat zijn dus de auto’s 12 en 37 en daarmee auto’s 79, 147, 59, 70, 71, 52, 126, 53, 96, 115, 111, 109 en 114 (totaal vijftien), auto 14 en daarmee auto’s 73, 77, 69 en 94 (totaal vijf), auto 34 en daarmee auto’s 93, 90, 68, 65, 60, 58, 44, 6, 122, 39 en 46 (totaal twaalf), auto 30 en daarmee auto’s 49, 118, 47 en 38, 55, 13 en 110 (totaal acht) en auto’s 36 en 125 (totaal twee).

cessies ter incasso overige auto’s

3.13.

Voor alle auto’s die in het voorgaande niet zijn genoemd, wordt bij gebreke van voldoende onderbouwd verweer geoordeeld dat de schadevorderingen rechtsgeldig aan [eiser hoofdzaak] zijn gecedeerd ter incasso.

betalingsbewijzen

3.14.

In het tussenvonnis van 25 januari 2017 is in rechtsoverweging 5.9 overwogen dat [eiser hoofdzaak] in een later stadium van de procedure, afhankelijk van het verloop ervan, in de gelegenheid zal worden gesteld betalingsbewijzen in het geding te brengen. Bij de aktes van cessie heeft [eiser hoofdzaak] in een aantal gevallen documenten gevoegd die op betaling wijzen, maar [eiser hoofdzaak] heeft niet op systematische en overzichtelijke wijze betalingsbewijzen in het geding gebracht. De rechtbank ziet thans aanleiding [eiser hoofdzaak] op de voet van artikel 22 Rv te bevelen betalingsbewijzen in het geding te brengen en wel op systematische en overzichtelijke wijze. De rechtbank heeft daarbij niet het oog op bescheiden die zijn gebaseerd op de eigen administratieve systemen van de cedenten maar in het bijzonder op bankafschriften. De rechtbank zal beoordelen of de gegevens die [eiser hoofdzaak] verschaft voldoen aan de hier bedoelde eis. Dit kan meebrengen dat [eiser hoofdzaak] vervolgens tot bewijs wordt toegelaten, maar ook dat de rechtbank de verschafte gegevens al als voldoende bewijsmiddelen voor [eiser hoofdzaak] ’s stelling aanvaardt of zal oordelen dat [eiser hoofdzaak] niet genoeg heeft gesteld om te worden toegelaten tot het bewijs van de gestelde betalingen als zij de verlangde gegevens niet verstrekt.

samenstelling

3.15.

[eiser hoofdzaak] is in het tussenvonnis voorts in de gelegenheid gesteld een nadere toelichting te geven op de samenstellingsdossiers dan wel het verband tussen de gestolen auto’s op het schadelastoverzicht en de bij [persoon1] aangetroffen onderdelen anderszins nader toe te lichten als overwogen in het tussenvonnis in rechtsoverweging 5.7.

3.16.

[eiser hoofdzaak] heeft daarop de volgende algemene uiteenzetting over de samenstelling gegeven. Ieder voertuig krijgt een voertuigidentificatienummer (VIN). Alle onderdelen worden voorzien van een onderdeelnummer. De fabrikant houdt in een database bij welke onderdelen hij monteert in welk voertuig. Deze database wordt ter beschikking gesteld aan de [bedrijf6] , die daarin op verzoek van belanghebbenden inzage geeft. Belangrijke onderdelen zoals motorblokken en airbags worden bovendien voorzien van unieke kenmerken (nummer of code). De fabrikant houdt in een database ook bij welke van deze onderdelen met een uniek kenmerk hij monteert in welk voertuig. De registratie van onderdelen met deze unieke kenmerken kan alleen worden ingezien door opsporingsinstanties, waaronder het LIV. De samenstellingen hebben plaatsgevonden op basis van onderzoek aan de hand van de onderdelen met unieke kenmerken, aangevuld met onderdelen die alleen onderdeelnummers hebben. Van dat onderzoek zijn ambtsedige processen-verbaal opgemaakt. [eiser hoofdzaak] wijst in het bijzonder naar het proces-verbaal van de politie van 13 april 2016 (productie 46 bij de akte van 18 oktober 2016). Daaruit citeert de rechtbank:

1.4

Bevraging van unieke voertuigkenmerken

Van de vele (honderden) aangetroffen voertuigonderdelen in de genoemde opslagruimten kon de identiteit aan de hand van mij bekende unieke kenmerken worden vastgesteld. Ook indien de fabriekskenmerken kennelijk waren weggeslepen en/of verminkt, kon de identiteit van dat onderdeel vaak toch worden vastgesteld, omdat er nog andere (mij bekende) unieke kenmerken werden aangetroffen. Al deze unieke kenmerken zijn door mij in lijsten gemaild naar het Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit (kortweg L.I.V.) te Veendam, dat aan de hand daarvan op mijn verzoek achterhaalde wat het Voertuig Identificatie Nummer (kortweg: V.I.N.) en het daarbij behorende kenteken was dat bij de betreffende voertuigonderdelen behoorde. Nadat die bevraging had plaatsgevonden, bleek aan de hand van het achterhaalde V.I.N. en het kenteken, dat diverse onderdelen afkomstig waren van hetzelfde voertuig. (...) Indien aan dat unieke kenmerk het bijbehorende Voertuig Identificatie Nummer kon worden gekoppeld, werd het Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit tevens gevraagd of het bij dat V.I.N. / kenteken behorende voertuig van diefstal afkomstig was.

Nadat alle door mij genoemde bevragingen door het L.I.V. waren afgehandeld en aan mij waren toegezonden, heb ik de voertuigen die meerdere malen op de lijsten voorkwamen (i.v.m. meerdere onderdelen, afkomstig van hetzelfde voertuig) daarop geselecteerd. Hierdoor werd zoveel mogelijk voorkomen dat gestolen voertuigen dubbel/meervoudig op de uiteindelijke “lijst gestolen voertuigen” zouden komen.

Op deze wijze ontstond van de door mij (en de genoemde andere voertuigdeskundigen) onderzochte voertuigonderdelen een lijst van 166 gestolen voertuigen. Deze lijst is als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd.

Opvallend bij de zoeking en de identificatie van de onderdelen was het volgende:

- Bijna 100% van de aangetroffen identificeerbare auto-onderdelen bleken afkomstig te zijn van voertuigen die gestolen waren.

(...)

Opmerking verbalisant:

Ik, verbalisant merk hierbij op, dat op de onderdelen aangetroffen unieke kenmerken in dit proces-verbaal niet nader zijn omschreven en wel om de volgende redenen.

Buiten het van fabriekswege aangebrachte VIN worden in of aan een voertuig of onderdelen daarvan nog andere, voor identificatie geschikte unieke kenmerken aangebracht. Dit betreffen onder andere productie- en/of bouwplaatjes, die door de fabrikant, elk op de voor hen eigen wijze en plaats, worden aangebracht.

Deze gegevens zijn niet voor de openbaarheid bestemd. Indien bevindingen betreffende de identiteitsvaststelling in een proces-verbaal worden vermeld, zou dit betekenen dat deze in de openbaarheid komen. Zie hiervoor de uitspraak van de Hoge Raad, d.d. 10 december 1985, nr. 78633.

(...)

3.17.

[eiser hoofdzaak] stelt dat het politieonderzoek inmiddels is afgerond en verwijst naar het stamproces-verbaal van 15 november 2016. Daaruit wordt geciteerd:

(...)

ONDERZOEK [eiser hoofdzaak] Derden

(...)

- FABRIEKSINFORMATIE VIA DEUTSCHE AUTO TREUHAND

Zodra het VIN van een voertuig bekend is, wordt aan de hand van merk-type-bouwjaar- motorisering identificerende- en artikelnummers etc., de geregistreerde voorraad doorzocht op de aanwezigheid van de overige onderdelen van het voertuig.

Indien herleidbare onderdelen worden aangetroffen, worden deze gekoppeld aan het betreffende voertuig, hierna te noemen “samenstelling”.

Hoewel dit proces veel inspanning vergde, gaven de eerste resulaten aan, dat op de locatie tot tientallen onderdelen per gestolen voertuig waren terug te vinden.

De [eiser hoofdzaak] Derden maakt (hierbij) gebruik van fabrieksinformatie die fabrikanten van auto’s ter beschikking stellen van de [bedrijf6] . [bedrijf6] bevat alle fabrieksinformatie van Duitse voertuigen. Met name zijn geregistreerd de specifieke kenmerken van alle plm. 1200 onderdelen waaruit een auto bestaat.

Aan de hand van het VIN wordt langs elektronische weg bij [bedrijf6] de onderdeelnummers opgevraagd van alle tijdens de fabricage gemonteerde onderdelen.

Vervolgens werd de geregistreerde voorraad doorzocht op exact het zelfde onderdeel en, voor zover aanwezig, de productiedatum.

Alleen in geval van een 100% overeenstemming werden de onderdelen gekoppeld.

(...)

3.18.

[eiser hoofdzaak] concludeert dat de samenstelling is opgebouwd uit:

a. a) door de politie met 100% zekerheid herleide uniek identificeerbare onderdelen (259 stuks),

b) de exterieurdelen die aan de hand van kleur, uitvoering, model, bouwjaar, etc., hoogst waarschijnlijk afkomstig zijn van de betreffende gestolen voertuigen (387 stuks),

c) de onderdelen die door hun laagfrequente voorkomen in zowel de voorraad van [persoon1] als het DAT-profiel, dermate onderscheidend zijn dat voldoende waarschijnlijk is dat deze afkomstig zijn van betreffende gestolen motorvoertuigen (202 stuks),

d) overige onderdelen die overeenkomen met de onderdelen in het DAT-profiel van het betreffende gestolen voertuig (1.758 stuks).

[eiser hoofdzaak] legt als productie 209 een overzicht per kenteken over van het aantal onderdelen dat in bovengenoemde categorieën is aangetroffen bij [persoon1] . Zij leidt uit dat overzicht af dat het niet anders kan zijn dan dat de betreffende gestolen voertuigen door [persoon1] zijn gestript.

3.19.

[persoon1] voert gemotiveerd verweer. Zij betoogt dat gezien rechtsoverweging 5.7 uit het tussenvonnis van [eiser hoofdzaak] had mogen worden verwacht dat zij het verband aannemelijk zou maken tussen de aangetroffen onderdelen en de gestolen auto’s op de samenstellingslijsten. Dat heeft [eiser hoofdzaak] volgens haar nog altijd niet gedaan, ook niet in het geval van onderdelen met unieke kenmerken. [persoon1] houdt vol dat een fabrikant op basis van een VIN-nummer kan bekijken of een onderdeel in een bepaalde productielijn is gemonteerd, maar dat zij op basis van een onderdeelnummer geen chassisnummer of VIN-nummer kan herleiden. Volgens [persoon1] gebruikt [eiser hoofdzaak] doelredeneringen en zijn de samenstellingen niet gebaseerd op feiten maar op aannames, verwachtingen en waarschijnlijkheden.

3.20.

De rechtbank oordeelt als volgt. Gezien hetgeen is overwogen in het tussenvonnis van 25 januari 2017 onder 5.7 en het gedetailleerde verweer dat [persoon1] op de samenstellingen heeft gevoerd, in het bijzonder door overlegging van productie 36 ten behoeve van de comparitie van partijen van 18 oktober 2016, kan [eiser hoofdzaak] ter toelichting op de samenstellingen niet volstaan met een algemene uiteenzetting over de werkwijze bij het koppelen van aangetroffen onderdelen aan bepaalde gestolen auto’s. Weliswaar heeft [eiser hoofdzaak] als productie 209 ook een lijst overgelegd waarin per auto wordt weergegeven hoeveel aangetroffen onderdelen zijn gekoppeld aan bepaalde gestolen auto’s, maar die lijst is niet op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en bovendien staat op die lijst niet welke specifieke onderdelen daar worden vermeld, welke kenmerken die onderdelen hebben en hoe het verband is gelegd tussen die onderdelen met die kenmerken en specifieke gestolen auto’s. Dit geldt niet alleen voor onderdelen die volgens [eiser hoofdzaak] ‘hoogst waarschijnlijk’, ‘voldoende waarschijnlijk’ en ‘vermoedelijk’ afkomstig zijn van bepaalde auto’s, maar ook voor onderdelen die daarvan met ‘100% zekerheid’ afkomstig en waarvan in productie 209 staat dat ze “uniek geïdentificeerd” zijn. Van [eiser hoofdzaak] wordt thans verwacht dat zij het verband tussen aangetroffen onderdelen en specifieke gestolen auto’s op de samenstellingslijst duidelijk maakt door per auto het volgende inzichtelijk te maken.

- Wat zijn de onderdelen die volgens [eiser hoofdzaak] respectievelijk “met 100% zekerheid”, “hoogst waarschijnlijk” of “voldoende waarschijnlijk” aan de gesloten auto zijn gekoppeld?

- Hoe is het verband gelegd tussen die onderdelen en de gestolen auto?

Voor zover het gaat om onderdelen ten aanzien waarvan [persoon1] met verwijzing naar haar productie 36 specifiek verweer heeft gevoerd, zal [eiser hoofdzaak] daarop moeten ingaan.

[persoon1] zal in de gelegenheid worden gesteld hierop bij akte te reageren.

3.21.

[eiser hoofdzaak] stelt met een beroep op het ook in het proces-verbaal van 13 april 2016 genoemde arrest van de Hoge Raad van 10 december 1985, NJ 1986, 462, dat het in het belang van de opsporing van voertuigcriminaliteit van groot belang is dat niet bekend wordt welke onderdelen precies zijn voorzien van unieke kenmerken en welke kenmerken dat zijn. In de strafzaak waar het genoemde arrest over gaat, had de advocaat van de verdachte aan de getuige-deskundige gevraagd om nader mededeling te doen omtrent de wijze van identificatie van auto’s en wel met name omtrent de zogenaamde geheime gegevens. Het hof had belet dat aan die vraag gevolg werd gegeven. Naar het oordeel van de Hoge Raad heeft het hof dat in overeenstemming met het in de artikelen 288 en 296 eerste lid in verband met 415 Sv bepaalde en zonder in strijd te komen met artikel 6 derde lid onder d van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens kunnen doen. Bij dat oordeel is de algemene strekking van die vraag in aanmerking genomen en is het belang van de verdachte bij beantwoording van deze vraag afgewogen tegen het belang dat niet openbaar wordt hoe auto’s of delen daarvan kunnen worden geïdentificeerd anders dan met behulp van de openlijk opgegeven kenmerken (rechtsoverweging 5.2). Dit oordeel van de Hoge Raad in een strafzaak neemt niet weg dat een civiele vordering tot vergoeding van schade als gevolg van heling van een bepaald gestolen voertuig niet toewijsbaar is als de eisende partij niet stelt en bij gemotiveerde betwisting bewijst dat de aangesproken partij zich schuldig heeft gemaakt aan de heling van dat bepaalde gestolen voertuig. Het is ter beoordeling aan [eiser hoofdzaak] of en in hoeverre zij daarvoor de geheime kenmerken nodig heeft en zo ja, of zij ertoe overgaat die kenmerken prijs te geven.

overige verweren [persoon1]

3.22.

[persoon1] voert in haar antwoordakte onder 3, 4 en 5 het verweer dat [eiser hoofdzaak] heeft verzuimd het in artikel 3:305a lid 2 BW voorgeschreven overleg te voeren. Onder 6 herhaalt zij het verweer dat [eiser hoofdzaak] op het moment van dagvaarden geen stichting was die tot doel had de belangen te behartigen van derden van wie de auto’s gestolen zijn. In het tussenvonnis van 25 januari 2017 is hierover overwogen dat aan [persoon1] geen beroep toekomt op artikel 2:7 BW en dat [eiser hoofdzaak] haar vordering niet grondt op een uit artikel 3:305a lid 1 BW voortvloeiende procesbevoegdheid (rechtsoverwegingen 5.1 en 5.2). De rechtbank ziet in hetgeen [persoon1] thans aanvoert geen aanleiding van die oordelen terug te komen.

3.23.

In haar akte onder 7 – 16 gaat [persoon1] opnieuw uitvoerig in op de hoedanigheid van [eiser hoofdzaak] als gevolmachtigde of als cessionaris. Daarover is reeds geoordeeld in het tussenvonnis van 25 januari 2017 en wel in rechtsoverweging 5.4. Ook in hetgeen [persoon1] hierover aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding van het gegeven oordeel terug te komen.

3.24.

De conclusie is dat de zaak opnieuw zal worden verwezen naar de rol om [eiser hoofdzaak] in de gelegenheid te stellen te voldoen aan de bevelen op de voet van artikel 22 Rv met betrekking tot de cessies ter incasso (rechtsoverweging 3.12) en de betalingsbewijzen (rechtsoverweging 3.14) en om de samenstelling per auto te verduidelijken (rechtsoverweging 3.20). Van [eiser hoofdzaak] wordt verwacht dat zij zich dan tevens uitlaat over de stand van zaken in de strafzaak tegen [persoon1] dan wel haar vennoten. Zoals overwogen onder 3.17 heeft [eiser hoofdzaak] daarover gesteld dat het politieonderzoek is afgesloten. [persoon1] zal een antwoordakte mogen nemen.

in reconventie

terugkomen van bindende eindbeslissingen

3.25.

Ook in reconventie verzoekt [persoon1] de rechtbank terug te komen van bindende eindbeslissingen die zij in het tussenvonnis heeft genomen. Het gaat over beslissingen met betrekking tot haar vorderingen onder A en B, strekkende tot het verkrijgen van schadevergoeding als gevolg van gelegd beslag, en de vordering onder C, strekkende tot het verkrijgen van betaling van verbeurde dwangsommen op grond van de veroordeling in het kortgedingvonnis van 4 april 2016. De vorderingen onder A en B zijn afgewezen omdat [persoon1] ter comparitie het verweer onvoldoende heeft weersproken dat niet [eiser hoofdzaak] maar de gelieerde stichting [eiser hoofdzaak] Derden betrokken is geweest bij het strafvorderlijke beslag (tussenvonnis 5.14). De vordering onder C is afgewezen omdat [persoon1] het verweer niet meer heeft weersproken dat zij heeft getekend voor ontvangst van teruggegeven zaken (rechtsoverweging 5.18). Volgens [persoon1] berusten die beslissingen evident op onjuiste feitelijke dan wel juridische grondslagen. Zij herhaalt dat de opdracht in het kader van het strafvorderlijke beslag wel degelijk aan [eiser hoofdzaak] is verstrekt, terwijl bovendien haar vordering niet uitsluitend daarop ziet maar ook op het civiele beslag. Zij herhaalt voorts dat niet alle in beslag genomen zaken zijn geretourneerd en dat dit niet anders wordt doordat zij de retourlijst heeft getekend voor ontvangst.

3.26.

Hierover oordeelt de rechtbank als volgt. De eisen van een goede procesorde brengen mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van de eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (Hoge Raad 8 mei 2015, NJ 2016/218). Uit hetgeen [persoon1] nader heeft aangevoerd blijkt dat naar het oordeel van de rechtbank niet, al is duidelijk dat [persoon1] een van het oordeel van de rechtbank afwijkende mening heeft, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet tot heroverweging over te gaan.

4 De verdere beoordeling in de vrijwaringszaak

4.1.

Alle beslissingen worden aangehouden in afwachting van de beoordeling in de hoofdzaak.

5 De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

in conventie

5.1.

beveelt [eiser hoofdzaak] op de voet van artikel 22 Rv bescheiden in het geding te brengen waaruit de rechtsgeldigheid van de cessies ter incasso kan worden afgeleid zoals overwogen in rechtsoverweging 3.12,

5.2.

beveelt [eiser hoofdzaak] op de voet van artikel 22 Rv betalingsbewijzen in het geding te brengen zoals overwogen in rechtsoverweging 3.14,

5.3.

stelt [eiser hoofdzaak] in de gelegenheid het verband tussen aangetroffen onderdelen en specifieke gestolen auto’s op de samenstellingslijst duidelijk te maken zoals overwogen in rechtsoverweging 3.20,

5.4.

stelt [eiser hoofdzaak] in de gelegenheid zich bij akte uit te laten over de stand van zaken in de strafzaak tegen [persoon1] dan wel haar vennoten als overwogen in rechtsoverweging 3.24,

5.5.

verwijst de zaak daarvoor naar de rol van 4 oktober 2017 voor akte aan de zijde van [eiser hoofdzaak] ,

5.6.

verstaat dat [persoon1] een antwoordakte zal kunnen nemen op een termijn van vier weken nadat [eiser hoofdzaak] haar akte heeft genomen,

5.7.

houdt alle beslissingen aan in afwachting van de aktewisseling,

in reconventie

5.8.

houdt alle beslissingen aan,

in de vrijwaringszaak

5.9.

houdt alle beslissingen aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E. van Groeningen, mr. J.D.A. den Tonkelaar en mr. J.R. Veerman en in het openbaar uitgesproken op 6 september 2017.