Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4922

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-09-2017
Datum publicatie
29-09-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 7800
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WW, faillissement werkgever, loonovername. Eiseres heeft, vlak voordat haar werkgever failliet is verklaard, met haar werkgever een beëindigingsovereenkomst gesloten. In die beëindigingsovereenkomst hebben eiseres en haar werkgever afgesproken dat zij een vergoeding van € 7.000,- zou krijgen. Verweerder heeft in het kader van hoofdstuk IV van de WW een eindafrekening van eiseres’ uitkering wegens betalingsonmacht van haar (ex-)werkgever vastgesteld. Uit die eindafrekening blijkt dat verweerder de vergoeding van € 7.000,- niet overneemt. Eiser voert daartegen in beroep aan dat de vergoeding van € 7.000,- onder artikel 64 van de WW valt en derhalve door verweerder moet worden overgenomen. De rechtbank oordeelt dat de vergoeding van € 7.000,- niet voor overneming, zoals bedoeld in hoofdstuk IV van de WW, in aanmerking komt. De vergoeding van € 7.000,- dient namelijk te worden toegerekend aan de periode gelegen na het einde van de dienstbetrekking, nu deze vergoeding naar aard en strekking ziet op het einde van de dienstbetrekking dan wel de periode daarna en derhalve niet is toe te rekenen aan één van de tijdvakken van artikel 64, eerste lid onder a en b van de WW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 16/7800

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Rotterdam, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de eindafrekening van eiseres’ uitkering op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) wegens betalingsonmacht van haar (ex-)werkgever vastgesteld.

Bij besluit van 19 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2017. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. van de Berkt.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiseres was sinds 1 juli 2009 werkzaam als wijkverpleegkundige bij [werkgever] (hierna: werkgever). Op 11 april 2016 hebben eiseres en haar werkgever een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij zij, voor zover thans van belang, overeen zijn gekomen dat het dienstverband wordt beëindigd met ingang van 1 juli 2016 en aan eiseres een vergoeding zal worden betaald van € 7.000,- bruto. Op 21 april 2016 is haar werkgever failliet verklaard. Eiseres heeft naar aanleiding hiervan een aanvraag voor een uitkering in verband met betalingsonmacht ingediend.

2. Verweerder heeft zich bij het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de transitievergoeding van € 7.000,- niet voor vergoeding in aanmerking komt. De transitievergoeding betreft geen vergoeding als bedoeld in artikel 64 van de WW. Bovendien blijkt, zo beschrijft verweerder, uit de Memorie van Toelichting bij artikel 673c van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dat een transitievergoeding buiten de loonovername door verweerder valt.

In het verweerschrift heeft verweerder voorts gesteld dat de benaming van de vergoeding niet van belang is. Een vergoeding in verband met de beëindiging van het dienstverband kan niet worden overgenomen door verweerder omdat die vergoeding niet is toe te rekenen aan één van de periodes genoemd in artikel 64 van de WW.

3. Eiseres heeft in de eerste plaats aangevoerd dat ze in bezwaar ten onrechte niet is gehoord. Ze heeft niet afgezien van haar recht om gehoord te worden. Verder heeft eiseres aangevoerd dat de vergoeding van € 7.000,- geen transitievergoeding is. In artikel 64 van de WW staat bovendien dat ook andere verschuldigde bedragen onder de betalingsmacht vallen. De vergoeding van € 7.000,- valt volgens eiseres dan ook onder artikel 64 van de WW.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5. De beroepsgrond van eiseres dat zij ten onrechte niet is gehoord, slaagt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien deze heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord. Volgens rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) kan slechts van horen worden aangezien indien de belanghebbende al dan niet naar aanleiding van een daartoe strekkende vraag van het bestuursorgaan uitdrukkelijk heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht gehoord te worden.1 Nu uit de telefoonnotie is gebleken, en door verweerder in het verweerschrift en ter zitting ook is bevestigd, dat de hoorzitting niet expliciet ter sprake is geweest en eiseres bovendien niet uitdrukkelijk heeft verklaard dat zij afstand doet van haar recht om gehoord te worden, had verweerder niet mogen afzien van het horen. In dit geval is dan ook niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb. Het bestreden besluit zal wegens strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb worden vernietigd.

6. Ten aanzien van de beroepsgrond dat betaling van de vergoeding van € 7.000 door verweerder moet worden overgenomen op grond van artikel 64 van de WW, overweegt de rechtbank als volgt.

7. In artikel 64, eerste lid, van de WW is, voor zover thans van belang, bepaald dat het recht op uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW omvat:

“a. het loon over ten hoogste dertien weken, onmiddellijk voorafgaande aan:

1°. de dag waarop de dienstbetrekking door ontbinding eindigt;

2°. de dag waarop de dienstbetrekking met wederzijds goedvinden eindigt;

3°. de dag waarop de dienstbetrekking van rechtswege eindigt, of

4°. de dag van opzegging van de dienstbetrekking;

b. het loon over ten hoogste de voor de werknemer geldende termijn van opzegging of de termijn van opzegging, die zou hebben gegolden als deze termijn was aangevangen op de op grond van het tweede lid door het UWV vastgestelde dag, met dien verstande dat de krachtens artikel 40 van de Faillissementswet ten aanzien van de werknemer geldende termijn, zowel in als buiten faillissement, niet wordt overschreden; en

c. het vakantiegeld, de vakantiebijslag en de bedragen, die de werkgever in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, over ten hoogste het jaar onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop de in onderdeel a, onder 1°, 2°, 3° of de in onderdeel b bedoelde termijn eindigt.”

8. De rechtbank is van oordeel dat de vergoeding van € 7.000,- niet voor overneming, zoals bedoeld in hoofdstuk IV van de WW, in aanmerking komt. Vooropgesteld dient te worden dat aan de benaming van de vergoeding geen doorslaggevende betekenis toekomt. Om voor overneming in aanmerking te komen, is van belang dat de aanspraken geen betrekking hebben op de periode na het einde van de dienstbetrekking. Een toegekende vergoeding kan namelijk alleen worden overgenomen door verweerder voor zover deze valt toe te rekenen aan de termijnen als genoemd in artikel 64 eerste lid onder a en b van de WW. Naar het oordeel van de rechtbank dient de bij de beëindigingsovereenkomst overeengekomen vergoeding van € 7.000,- in beginsel te worden toegerekend aan de periode gelegen na het einde van de dienstbetrekking, nu deze vergoeding naar aard en strekking ziet op het einde van de dienstbetrekking dan wel de periode daarna en derhalve niet is toe te rekenen aan één van de tijdvakken van artikel 64, eerste lid onder a en b, van de WW. Dit uitgangspunt leidt evenwel uitzondering wanneer op grond van aard of strekking van een bepaalde vergoeding toch moet worden geoordeeld dat het wél aan één van die tijdvakken dient te worden toegerekend.2 Daarvan is echter niet gebleken. Integendeel, de vergoeding heeft juist als doel gehad te dienen als compensatie van inkomensverlies na afloop van de arbeidsovereenkomst en ter overbrugging van de periode naar eventueel nieuw werk. Dit is door eiseres ter zitting bevestigd. De omstandigheid dat deze vergoeding is overeengekomen voor het einde van de dienstbetrekking doet niet af aan het feit dat het betrekking heeft op de periode na het einde van de dienstbetrekking.

De beroepsgrond van eiseres dat verweerder de vergoeding van € 7.000 op grond van artikel 64 van de WW had moeten overnemen, slaagt dan ook niet.

9. Gelet op rechtsoverweging 5 ziet de rechtbank aanleiding het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. Nu de overige (inhoudelijke) beroepsgronden niet slagen, laat de rechtbank de rechtsgevolgen in stand.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de rechtbank niet gebleken.

11. Ter voorlichting aan eiseres overweegt de rechtbank dat het beroep weliswaar gegrond wordt verklaard, maar dat deze uitspraak voor eiseres betekent dat de vergoeding van € 7.000,- niet voor overneming in aanmerking komt en verweerder derhalve niet gehouden is om deze vergoeding aan haar te betalen. De beroepsgronden gericht tegen het niet overnemen van de vergoeding, zijn door de rechtbank verworpen. Indien eiseres zich hierin niet kan vinden, dient zijn beroep in te stellen bij de CRvB.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit volledig in stand blijven;

- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 46,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. van Wezel, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. K. Looijschilder, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Zie de uitspraak van 17 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4335.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 18 januari 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV3578.