Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4917

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-09-2017
Datum publicatie
25-09-2017
Zaaknummer
05/820028-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 26-jarige man uit Ede is schuldig bevonden aan het veroorzaken van een verkeersongeval op 23 november 2016 in Ede. Aan hem werd echter geen straf opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/820028-17

Datum uitspraak : 22 september 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] .

Raadsvrouw: mr. E. Kolokatsi, advocaat te Amersfoort.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 september 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 november 2016 te Ede in de gemeente Ede in elk geval in Nederland , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), gaande in de richting van de kruising van de wegen, de Bunschoterweg en de Molenstraat, daarmede rijdende over de weg, de Bunschoterweg, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl direct voor die kruising op het wegdek van die weg, de Bunschoterweg, haaientanden als bedoeld in artikel 80 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: "Bestuurders moeten voorrang verlenen aan de bestuurders op de kruisende weg", waren aangebracht en/of voor die kruising, aan de rechter zijde van die weg, de Bunschoterweg, een in zijn, verdachtes rijrichting gekeerd bord B6 van bijlage 1 van voormeld reglement, inhoudende: "Verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg", was geplaatst en/of terwijl hij, verdachte die kruising nog niet was opgereden, een op die rijbaan van die kruisende (voorrangs) weg (de Molenstraat)gesitueerde fietsstrook rijdende en gezien, verdachtes rijrichting van links naderende fietser had

waargenomen en/of in onvoldoende mate heeft gekeken en/of is blijven kijken naar die op die

fietsstrook van die kruisende (voorrangs)weg (de Molenstraat) rijdende, toen dicht genaderd zijnde fietser en/of in strijd met voormeld bord en/of het gestelde in artikel 80 van voormeld

reglement geen voorrang heeft verleend aan die over dat fietsstrook rijdende, gelet op zijn, verdachtes rijrichting, toen dicht van links genaderd zijnde bestuurder van een fiets en/of die kruising zonder te stoppen is opgereden en/of is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die over die fietsstrook van die kruisende (voorrangs) weg, de Molenstraat rijdende, toen

dicht genaderd zijnde bestuurder van die fiets en/of die fiets, ten gevolge waarvan die bestuurder van die fiets ten val is gekomen, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] )

werd gedood en/of welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt, doordat hij, verdachte geen

voorrang heeft verleend; artikel 175 lid 3 WVW94

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 23 november 2016 te Ede in de gemeente Ede in elk geval in Nederland , als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), gaande in de richting van de kruising van de wegen, de Bunschoterweg en de Molenstraat, daarmede heeft gereden over de weg, de Bunschoterweg en terwijl direct voor die kruising op het wegdek van die weg, de Bunschoterweg, haaientanden als bedoeld in artikel 80 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990, inhoudende: "Bestuurders moeten voorrang verlenen aan de bestuurders op de kruisende weg", waren aangebracht en/of voor die kruising, aan de rechter zijde van die weg, de Bunschoterweg, een in zijn, verdachtes rijrichting gekeerd bord B6 van bijlage 1 van voormeld reglement, inhoudende: "Verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg",

was geplaatst en/of in strijd met voormeld bord en/of het gestelde in artikel 80 van voormeld

reglement geen voorrang heeft verleend aan die over dat fietsstrook rijdende, gelet op zijn, verdachtes rijrichting, toen dicht van links genaderd zijnde bestuurder van een fiets en/of is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die over die fietsstrook van die kruisende (voorrangs) weg, de Molenstraat rijdende, toen dicht genaderd zijnde bestuurder van die fiets en/of die fiets, ten gevolge waarvan die bestuurder van die fiets ten val is gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Aanleiding onderzoek

Op 23 november 2016 zijn er op de kruising, gevormd door de Molenstraat en de Bunschoterweg te Ede, een fietser en een personenauto met elkaar in botsing gekomen. Ten gevolge van dit ongeval is de fietser zo ernstig gewond geraakt, dat deze later die dag in het ziekenhuis is overleden.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen is, in die zin dat sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag. De officier van justitie heeft daartoe ter terechtzitting de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft – overeenkomstig haar op schrift gestelde pleidooi – vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde. Zij heeft betoogd dat niet buiten redelijke twijfel vast is komen te staan dat sprake is geweest van aanmerkelijke schuld. Gelet op de omstandigheden van het geval in combinatie met het geschetste juridische kader is de raadsvrouw van mening dat verdachte geen enkel verwijt kan worden gemaakt van ongeoorloofd rijgedrag. Dit leidt tot de slotsom dat verdachte ook van het subsidiair ten laste gelegde, onvoorzichtige rijgedrag, moet worden vrijgesproken.

Beoordeling door de rechtbank

Voor een bewezenverklaring van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 moet worden vastgesteld dat verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden met als gevolg dat iemand is gedood, zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen of zodanig lichamelijk letsel heeft opgelopen dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Het juridische begrip “schuld” in het kader van de Wegenverkeerswet 1994 houdt in dat voor strafbaarheid minimaal sprake moet zijn van aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend rijden. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is niet in zijn algemeenheid aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor een bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, maar komt het daarbij aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden van het geval. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822).

Verdachte heeft verklaard dat hij op 23 november 2016 als bestuurder van een personenauto in Ede over de Bunschoterweg reed en de kruising met de Molenstraat, een voorrangsweg, naderde2. Op het wegdek van de Bunschoterweg waren, vlak voor het kruispunt met de Molenstraat, haaientanden aangebracht, als bedoeld in artikel 80 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: “bestuurders moeten voorrang verlenen aan de bestuurders op de kruisende weg”, de Molenstraat. Aan de rechterkant langs de Bunschoterweg, vlak voor de kruising met de Molenstraat, stond in verdachtes rijrichting gekeerd bord B6 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: “verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg”.3

Verdachte was ter hoogte van de kruising voornemens om linksaf te slaan, om zijn weg over de Molenstraat te vervolgen. Daartoe moest hij eerst rechtdoor rijden, naar de middenberm van de Molenstraat. Op dat moment reed [slachtoffer] (hierna: slachtoffer) op zijn elektrische fiets over de kruisende (voorrangs-)weg, de Molenstraat. Op het moment dat verdachte de kruising opreed, was het slachtoffer al dicht van links genaderd.4 Verdachte heeft het slachtoffer geen voorrang verleend, ten gevolge waarvan de fiets met de voorzijde, de linkerzijde van de auto raakte.5 De bestuurder van de fiets is ten val gekomen en hij is later die dag in het ziekenhuis overleden, vermoedelijk aan hersentrauma.6

Verdachte heeft verklaard dat hij, ruim voordat hij bij de kruising aankwam, snelheid heeft geminderd en zijn auto heeft laten uitrollen. Hij kon niet hard rijden omdat hij rekening moest houden met een zebrapad dat vlak voor de kruising was gesitueerd. Hij heeft naar links en rechts gekeken. Hij zag dat er van links in de verte een fietser aan kwam, maar dacht daar gezien de afstand nog goed voorlangs te kunnen. Hij is vervolgens met zijn auto de weg overgestoken alwaar hij in aanrijding is gekomen met het slachtoffer.7

Uit de VerkeersOngevalsAnalyse (VOA) blijkt dat het ongeval is veroorzaakt doordat de bestuurder van de personenauto geen voorrang verleende aan de van links komende en op een voorrangsweg rijdende fietser.8

De verkeersfout die verdachte heeft gemaakt bestaat hieruit dat hij geen voorrang aan het slachtoffer heeft verleend. De rechtbank dient ten aanzien van deze verkeersfout van verdachte

– los van de ernst van de gevolgen voor het slachtoffer – te beoordelen of er overige factoren zijn die maken dat deze fout zo ernstig is dat die aanmerkelijk onoplettend of onvoorzichtig handelen in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 oplevert.

Verdachte heeft, toen hij de voorrangsweg naderde, snelheid geminderd. Hij heeft naar links en naar rechts gekeken en heeft zijn auto langzaam door laten rollen. Hij is niet gestopt, maar dat was ook niet verplicht, gelet op de aldaar geldende verkeersregels. Verdachte heeft de fietser gezien, maar dacht dat hij er nog voorlangs kon. Hij is vervolgens de kruising opgereden, en wilde daarna de bocht naar links maken. De rechtbank is van oordeel dat dit onder de gegeven omstandigheden in beginsel als voldoende verkeersveilig gedrag moet worden beschouwd. Dat verdachte hierbij de van links komende fietser wel heeft gezien, maar dacht dat hij er nog voorlangs kon, dient als een inschattingsfout beschouwd te worden. Er is evenwel onvoldoende grond om de conclusie te trekken dat verdachte aanmerkelijk onoplettend of onvoorzichtig heeft gereden in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde.

Dat neemt niet weg dat verdachte, indachtig het bepaalde in artikel 80 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, nog beter had moeten opletten en wel zodanig dat hij voordat hij de auto naar de middenberm van de Molenstraat liet uitrollen zich ervan had moeten vergewissen de verkeerssituatie ook op dat moment nog goed te overzien. Verdachte heeft kennelijk onvoldoende gekeken om zich ervan te verzekeren dat de weg vrij was. Uit de aanrijding zelf blijkt dat verdachte voornoemde verkeersregel heeft overtreden en hinder op de weg heeft veroorzaakt. De gedraging van verdachte leidt tot een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde, te weten overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 23 november 2016 te Ede in de gemeente Ede in elk geval in Nederland , als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), gaande in de richting van de kruising van de wegen, de Bunschoterweg en de Molenstraat, daarmede heeft gereden over de weg, de Bunschoterweg en terwijl direct voor die kruising op het wegdek van die weg, de Bunschoterweg, haaientanden als bedoeld in artikel 80 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: "Bestuurders moeten voorrang verlenen aan de bestuurders op de kruisende weg", waren aangebracht en/of voor die kruising, aan de rechter zijde van die weg, de Bunschoterweg, een in zijn, verdachtes rijrichting gekeerd bord B6 van bijlage 1 van voormeld reglement, inhoudende: "Verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg", was geplaatst en/of in strijd met voormeld bord en/of het gestelde in artikel 80 van voormeld reglement geen voorrang heeft verleend aan een over de fietsstrook rijdende, gelet op zijn, verdachtes rijrichting, toen dicht van links genaderd zijnde bestuurder van een fiets en in aanrijding is gekomen met die over die fietsstrook van die kruisende (voorrangs)weg, de Molenstraat rijdende, toen dicht genaderd zijnde bestuurder van die fiets en/of die fiets, ten gevolge waarvan die bestuurder van die fiets ten val is gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte het verkeer op die weg werd gehinderd.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van subsidiair:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar met een proeftijd van twee jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft – subsidiair – verzocht verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel dan wel een (geheel voorwaardelijke) geldboete of werkstraf op te leggen, maar geen rijontzegging. De 36-urige werkweek in combinatie met de studie van verdachte en de tijd die hij bezig is met therapie en sport (dit laatste op medische indicatie) maken een onvoorwaardelijke werkstraf zeer belastend, zeker gezien het prille herstel van verdachte met betrekking tot het door hem opgelopen trauma ten gevolge van het ongeval. Tot slot heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte een blanco strafblad heeft.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 28 juli 2017.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte op 23 november 2016 bij het links afslaan op een kruisende voorrangsweg, geen voorrang heeft verleend aan een van links komende fietser, waardoor een noodlottige aanrijding is ontstaan, als gevolg waarvan het slachtoffer is overleden. De gevolgen van dit handelen zijn zeer ingrijpend voor de nabestaanden van het slachtoffer, die een dierbaar persoon zijn verloren.

In deze zaak dient de rechtbank bij de bepaling van de straf echter niet enkel te letten op de ernst van de gevolgen, maar heeft voornamelijk als uitgangspunt te gelden de ernst van de gemaakte verkeersfout. In deze zaak bestond die verkeersfout er zoals gezegd in dat verdachte bij het oversteken van de voorrangsweg niet goed genoeg heeft opgelet. Sec bezien is dat in dit geval een relatief kleine verkeersfout die door de rechtbank wordt aangemerkt als een verkeersovertreding en niet als misdrijf.

De rechtbank acht het van belang dat verdachte niet eerder voor een verkeersovertreding is veroordeeld, waaruit de rechtbank afleidt dat verdachte doorgaans op een verantwoorde en oplettende manier aan het verkeer deelneemt. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte meteen heeft aangegeven graag contact te willen met de nabestaanden, dat dit contact ook heeft plaatsgehad en dat zij gesprekken hebben gevoerd over het ongeval en de gevolgen daarvan voor beide partijen. De rechtbank neemt voorts in aanmerking de proceshouding en schuldbewustheid van verdachte in het proces en ter zitting. Het ongeval heeft ook op verdachte een grote impact gehad. Alles overziende is de rechtbank van oordeel dat verdachte schuldig dient te worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 9a en 91 van het Wetboek van Strafrecht en 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd;

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. Leemreize (voorzitter), mr. W.L.F. Prisse en mr. E.C. Ruinaard, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. Hoesstee-ter Haar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 september 2017.

mr. Ruinaard is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] , aspirant, van de politie eenheid Oost Nederland, district Gelderland-Midden, basisteam Veluwe Vallei-Noord, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL2016574853 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 8 september 2017.

3 Het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse (VOA) van verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] van 2 januari 2017, p. 19.

4 Het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse (VOA) van verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] van 2 januari 2017, p. 32.

5 Het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse (VOA) van verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] van 2 januari 2017, p. 29.

6 Het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse (VOA) van verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] van 2 januari 2017, p. 33.

7 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 8 september 2017.

8 Het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse (VOA) van verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] van 2 januari 2017, p. 32.