Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4914

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-09-2017
Datum publicatie
25-09-2017
Zaaknummer
05/840639-17 en 05/094467-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt een man van 51 uit Warnsveld vrij van twee pogingen tot zware mishandeling. Wel acht de rechtbank bewezen dat de man in een woning is binnengedrongen, daarbij een ruit heeft vernield en meerdere mensen heeft bedreigd.

Een psychiater en een psycholoog hebben geconcludeerd dat de man een psychotische stoornis had ten tijde van het plegen van de feiten. Volgens deze deskundigen kunnen de feiten de man daarom niet worden toegerekend. De rechtbank volgt deze adviezen en ontslaat de man van alle rechtsvervolging.

Vanwege de volledige ontoerekeningsvatbaarheid kan de rechtbank geen straf opleggen. De rechtbank bepaalt wel dat de man gedurende een jaar wordt opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis.

Ook moet de man een schadevergoeding van € 250,- betalen aan een vrouw die hij heeft bedreigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummers : 05/840639-17 en 05/094467-17

Datum uitspraak : 25 september 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1966 te [geboorteplaats] ,

verblijvende bij [naam 1] , [adres 1] , [woonplaats] .

Raadsvrouw: mr. S.G.H. van de Kamp, advocaat te 's-Hertogenbosch.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

11 september 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Onder parketnummer 05/094467-17 is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 24 mei 2017 te Doetinchem opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2.

hij op of omstreeks 24 mei 2017 te Doetinchem [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "Ie goat eran", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of (daarbij) opzettelijk dreigend met een priem in zijn (opgeheven) hand in de richting van die [slachtoffer 1] te wijzen;

3.

hij op of omstreeks 24 mei 2017 te Doetinchem in de woning gelegen aan de [adres 2] en bij [slachtoffer 1] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen, waarbij hij, verdachte zich de toegang tot voornoemde woning heeft verschaft door middel van braak en/of verbreking;

4.

hij op of omstreeks 24 mei 2017 te Doetinchem [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "Jij gaat eraan" en/of "Als ik je weer zie, dan steek ik je aan het mes", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of (daarbij) opzettelijk dreigend met een priem in zijn

(opgeheven) hand in de richting van die [slachtoffer 2] te wijzen en/of stekende bewegingen te maken.

Aan verdachte is onder parketnummer 05/840639-17 ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 09 juni 2017 te Apeldoorn [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of

[slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een mes, althans met een op een mes gelijkend voorwerp, stekende bewegingen te maken in de richting van en/of op zeer korte afstand van die

voornoemde [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 6] ;

2.

hij op of omstreeks 09 juni 2017 te Apeldoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 3] (brigadier van politie Eenheid Oost-Nederland) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (met kracht) die [slachtoffer 3] met een mes, althans met een op een mes gelijkend voorwerp, in het (boven)lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 09 juni 2017 te Apeldoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 6] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (met kracht) die [slachtoffer 6] met een mes, althans met een op een

mes gelijkend voorwerp, in het (boven)lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Parketnummer 05/094467-17 1

Aanleiding onderzoek

Op 24 mei 2017 zijn agenten naar aanleiding van een melding naar een woning in Doetinchem gegaan. Ze troffen daar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aan. Verdachte zou hen hebben bedreigd en een ruit hebben vernield.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle onder dit parketnummer ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

Verdachte is een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering. Daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pagina’s 4-5;

- het proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 15-16;

- de verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 11 september 2011.

Feit 2

[slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan en daarbij verklaard dat zij op 24 mei 2017 in haar woning in Doetinchem was en ineens kabaal hoorde, waarna verdachte de kamer in stormde.

Zij is toen zo snel mogelijk naar het balkon gerend en heeft de deur dichtgedaan. Verdachte rende rechtstreeks naar het balkon. Verdachte had een priem in zijn handen. Met die priem bedreigde hij [slachtoffer 1] . Zij hoorde dat verdachte zei: “Ie goat eran” of woorden van gelijke strekking. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte heel naar uit zijn ogen keek en dat ze daar zeer bang van werd. Ze was bang dat verdachte haar zou steken of van het balkon af zou gooien.2

Verdachte heeft verklaard dat hij op 24 mei 2017 naar zijn onderbuurvrouw is gegaan. Hij is haar woning ingegaan en had toen een priem in zijn hand. De buurvrouw was heel bang. Verdachte is op haar af gelopen met de punt van de priem naar voren gericht, in haar richting.3

Verdachte heeft verklaard niet meer te weten of hij “Ie goat eran” heeft gezegd. Omdat de rechtbank geen reden heeft te twijfelen aan de aangifte van [slachtoffer 1] vindt de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte niet alleen met de priem in de richting van [slachtoffer 1] heeft gewezen, maar ook dat hij tegen [slachtoffer 1] heeft gezegd “Ie goat eran” of woorden van gelijke strekking.

Feit 3

Verdachte is een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering. Daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pagina’s 4-5;

- de verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 11 september 2011.

Feit 4

[slachtoffer 2] heeft aangifte gedaan en verklaard dat hij op 24 mei 2017 in Doetinchem door verdachte is bedreigd. [slachtoffer 2] zag verdachte in de woning van [slachtoffer 1] . Verdachte had een priem in zijn hand. [slachtoffer 2] hoorde verdachte met stemverheffing onder andere zeggen: “Jij gaat eraan”. Op dat moment stond verdachte een halve meter bij [slachtoffer 2] vandaan, met de priem in zijn handen. Verdachte wees met de punt van de priem in de richting van het gezicht van [slachtoffer 2] . Verdachte strekte zijn arm uit en maakte stekende bewegingen met de priem in de richting van [slachtoffer 2] . De afstand tot het gezicht van [slachtoffer 2] bedroeg ongeveer 20 à 30 centimeter. [slachtoffer 2] was heel bang en dacht dat verdachte hem dood ging steken. Verdachte zei toen: “Als ik je weer zie, dan steek ik je aan het mes.” Verdachte richtte meerdere keren met de priem op de borst en het gezicht van [slachtoffer 2] .4

Verdachte heeft verklaard dat op een zeker moment een man de woning in kwam. Verdachte heeft zich omgedraaid en is in de richting van deze man gelopen. Hij had toen de priem in zijn hand. Verdachte heeft met de punt van de priem in de richting van de man gewezen, op geringe afstand, zeker een meter. Verdachte maakte daarbij eventjes stekende bewegingen richting die man.5

Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij zich niet meer kan herinneren dat hij de door [slachtoffer 2] genoemde woorden heeft gebruikt. Ook hier ziet de rechtbank geen reden te twijfelen aan de aangifte.

Hoewel verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij met de priem heeft gewezen en niet heeft gestoken, acht de rechtbank, gelet op de verklaring van verdachte bij de politie en de aangifte van [slachtoffer 2] , bewezen dat verdachte ook stekende bewegingen met de priem heeft gemaakt in de richting van [slachtoffer 2] .

Parketnummer 05/840639-17 6

Aanleiding onderzoek

Op 9 juni 2017 zijn agenten naar GGNet in Apeldoorn gegaan, omdat assistentie nodig was bij het overbrengen van een man, verdachte, naar de separeercel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1. Voor de feiten 2 en 3 heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 kan worden bewezen. Voor de feiten 2 en 3 zou vrijspraak moeten volgen. Er is bij verdachte geen opzet geweest op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Over de aanmerkelijke kans daarop is te weinig informatie voorhanden.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

[slachtoffer 4] heeft verklaard dat hij op 9 juni 2017 bij GGnet in Apeldoorn was, samen met

collega’s [slachtoffer 3] en [slachtoffer 7] en begeleider [slachtoffer 6] van GGNet. [slachtoffer 4] zag op een gegeven moment dat verdachte een mes vasthield. Verdachte maakte stekende bewegingen in de richting van [slachtoffer 3] . Verdachte bleef dreigend op de groep afkomen. [slachtoffer 4] had de overtuiging dat verdachte zijn bedreiging daadwerkelijk ten uitvoer zou brengen. Hij verkeerde in de veronderstelling dat hij ieder moment door verdachte gestoken zou kunnen worden.7

[slachtoffer 3] heeft verklaard dat er op 9 juni 2017 bij GGNet in Apeldoorn een incident plaatsvond. [slachtoffer 3] zag dat verdachte een mes in zijn hand hield en probeerde hem daarmee te steken. Toen de agenten terug de gang in liepen, bleef verdachte in de richting van [slachtoffer 3] lopen en probeerde hij te steken met het mes. Verdachte hield het mes op borsthoogte voor zich.8

[slachtoffer 7] heeft verklaard dat hij zag dat verdachte een mes in zijn rechter hand hield. Nadat [slachtoffer 7] had geprobeerd het mes uit de handen van verdachte te schoppen, keerde verdachte zijn lichaam in de richting van [slachtoffer 7] . Hij richtte het mes in de richting van [slachtoffer 7] . [slachtoffer 7] was echt bang dat verdachte hem neer zou steken. Verdachte bewoog het mes omhoog en naar voren en had het op heuphoogte, met de punt in de richting van [slachtoffer 7] .9

[slachtoffer 6] heeft verklaard dat verdachte met een mes probeerde hem ( [slachtoffer 6] ) te raken.10

Verdachte heeft bekend dat hij met het mes heeft gedreigd.11

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met een mes stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van de in de tenlastelegging genoemde personen.

Feit 2 en feit 3

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat iemand hem een lafbek noemde en hij zich daardoor onveilig voelde. Hij heeft toen ter verdediging de deur van zijn kamer vastgebonden met een handdoek. Op zitting heeft verdachte verder verklaard dat hij de vloer van zijn kamer had ingezeept om te voorkomen dat iemand binnen kon komen. Toen de mensen in zijn cel kwamen, heeft hij hen proberen af te houden door stekende bewegingen te maken. Hij heeft nooit iemand letsel willen toebrengen en gelet op het feit dat het om een bot smeermes ging, had dat ook niet gekund.

De rechtbank overweegt dat voor een bewezenverklaring van het onder 2 en 3 tenlastegelegde dient vast te staan dat verdachte opzettelijk heeft geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Uit de feiten zoals deze blijken uit het dossier haalt de rechtbank niet de overtuiging dat verdachte heeft gehandeld met het doel om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Van voorwaardelijk opzet zou sprake kunnen zijn als verdachte het risico op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel op de koop heeft toegenomen bij zijn handelen. Dit zou dan afgeleid moeten worden uit objectieve gegevens zoals hoe het gehanteerde mes eruit zag en hoe dit gehanteerd werd. Bij gebruik van een scherp mes zou immers kunnen worden betoogd dat iedereen, en dus ook verdachte, weet dat het onder bepaalde omstandigheden en op een bepaalde manier gebruiken van een scherp mes een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel oplevert en dat verdachte dat risico heeft aanvaard door desondanks een dergelijk scherp mes te gebruiken. In dit geval gaat het echter volgens verdachte om een bot smeermes en deze stelling wordt niet weerlegd door andere gegevens in het dossier, eerder bevestigd. Aangever [slachtoffer 4] zegt hierover bijvoorbeeld dat het mes een broodmes bleek te zijn waarmee normaal brood wordt gesmeerd.12 Ook de wijze van gebruik van dat mes blijkt niet eenduidig uit het dossier. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet kan worden gezegd dat er een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft bestaan, dat verdachte zich bewust was van dat risico en dat hij de kans dat dit risico intrad op de koop heeft toegenomen. Voorwaardelijk opzet kan daarom ook niet worden bewezen. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het onder 2 en 3 tenlastegelegde.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 05/094467-17 en parketnummer 05/840639-17 onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

Parketnummer 05/094467-17:

1.

hij op of omstreeks 24 mei 2017 te Doetinchem opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, in elk geval enig goed, dat die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2.

hij op of omstreeks 24 mei 2017 te Doetinchem [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "Ie goat eran", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of (daarbij) opzettelijk dreigend met een priem in zijn (opgeheven) hand in de richting van die [slachtoffer 1] te wijzen;

3.

hij op of omstreeks 24 mei 2017 te Doetinchem in de woning gelegen aan de [adres 2] en bij [slachtoffer 1] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen, waarbij hij, verdachte zich de toegang tot voormelde woning heeft verschaft door middel van braak en/of verbreking;

4.

hij op of omstreeks 24 mei 2017 te Doetinchem [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "Jij gaat eraan" en/of "Als ik je weer zie, dan steek ik je aan het mes", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of (daarbij) opzettelijk dreigend met een priem in zijn (opgeheven) hand in de richting van die [slachtoffer 2] te wijzen en/of stekende bewegingen te maken.

Parketnummer 05/840639-17:

1.

hij op of omstreeks 9 juni 2017 te Apeldoorn [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een mes, althans met een op een mes gelijkend voorwerp, stekende bewegingen te maken in de richting van en/of op zeer korte afstand van die

voornoemde [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 6] .

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Parketnummer 05/094467-17:

feit 1: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen;

feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 3: het in de woning, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen;

feit 4: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Parketnummer 05/840639-17:

feit 1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van verdachte

GZ-psycholoog [naam 2] heeft in het rapport van 7 september 2017 beschreven dat bij verdachte sprake is van een psychotisch toestandsbeeld dat het beste gediagnosticeerd kan worden als een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. Daarnaast heeft hij in het verleden meerdere depressies gehad. Ten gevolge van het psychotische toestandsbeeld was verdachte ten tijde van het tenlastegelegde zijn controle kwijt. De realiteitstoetsing was verstoord, er waren gebreken in de oordeels- en kritiekfunctie en er was sprake van aantasting van de gewetensfuncties en empathische vermogens. De psychotische ontregeling is volledig bepalend geweest voor de gedragskeuzes van verdachte. Daarom wordt geadviseerd hem het tenlastegelegde in zijn geheel niet toe te rekenen.

In het rapport van psychiatrisch onderzoek van 8 september 2017 heeft [naam 3] geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een recidiverende depressieve stoornis, partieel in remissie door medicatie, en een ongespecificeerde psychotische stoornis. De zelfcontrole was ten tijde van het tenlastegelegde bij verdachte afwezig door een gestoorde realiteitstoetsing en een beperkte impulsbeheersing als gevolg van een psychotische episode. Geadviseerd wordt het tenlastegelegde niet aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank neemt de conclusies van beide rapporten – dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is – over. Hoewel de rapporten zijn opgesteld naar aanleiding van het incident op 9 juni 2017 ziet de rechtbank geen reden anders te oordelen over verdachtes psychische toestand op 24 mei 2017. De rechtbank weegt het beperkte tijdsverloop tussen beide incidenten mee en wijst verder op de opmerking in het rapport van psychiatrisch onderzoek dat verdachte aanvankelijk bekend was met angst, depressieve klachten en dwanggedachten en dat langzaamaan steeds meer psychotische fenomenen een rol begonnen te spelen. Ook in het rapport van psychologisch onderzoek is beschreven dat het psychotische toestandsbeeld al voorafgaand aan het incident van 9 juni 2017 aanwezig was.

Verdachte is niet strafbaar en daarom ontslaat de rechtbank verdachte van alle rechtsvervolging.

7 Overwegingen ten aanzien van een maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis in de rede ligt. Zij heeft de rechtbank verzocht op te nemen dat verdachte bij [naam 4] in [plaats] kan blijven.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere bedreigingen, huisvredebreuk en vernieling. Een aantal aangevers heeft verklaard bang te zijn geweest voor verdachte. [slachtoffer 1] heeft beschreven welke impact het feit dat een buurman ineens met een priem in haar woning stond en haar bedreigde, op haar heeft gehad.

Gelet op de overwegingen van de rechtbank over de ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte kan aan hem geen straf, maar alleen een maatregel worden opgelegd.

Psychiater [naam 3] heeft beschreven dat de recidivekans als matig tot hoog moet worden ingeschat. Er is een verband tussen de stoornis en de feiten, waarbij ook een patroon herkenbaar lijkt. Verder zijn de copingvaardigheden, om agressieve impulsen in andere, adequatere banen te leiden, beperkt en bestaat er nauwelijks ziektebesef, waardoor verdachte beperkt gemotiveerd is voor behandeling en medicatie. Het advies is om aan te vangen met een klinische behandeling gericht op de psychotische episode bij ook stemmingsproblematiek. Daarna volgt begeleiding (binnen een begeleide woonvorm) bij het opbouwen van een goede dagbesteding. Dit zou kunnen via een artikel 37-maatregel.

In het rapport van psychologisch onderzoek is door [naam 2] geconcludeerd dat met name de psychotische belevingen, en de daarmee gepaard gaande angst ten aanzien van de omgeving, en de waanachtige overtuiging dat zijn omgeving verdachte wil doden, belangrijke factoren zijn als het gaat om het recidiverisico. De wanen en hallucinaties kunnen verdachte weer overspoelen en dan is de kans groot dat hij zich opnieuw door angst overweldigd voelt. Dan is het risico aanwezig dat hij zich wederom gewelddadig opstelt om zijn psychotische angsten te beteugelen en zichzelf (in zijn beleving) te verdedigen. Weliswaar is sprake van een aantal beschermende factoren, maar omdat verdachte op dit moment nog floride psychotisch is en hij zijn omgeving als bedreigend ervaart, moet de bescherming op dit moment van buiten komen. Slechts door adequate psychiatrische hulpverlening zal verdachte mogelijk tot een redelijk herstel kunnen komen. Psychiatrische behandeling in een juridisch kader is van belang. Om het risico op recidive tot een aanvaardbaar niveau in te perken wordt geadviseerd een artikel 37-maatregel op te leggen. Verdachte heeft een hoog zorgniveau van klinische aard nodig en de duur van de interventie zal naar verwachting langer duren dan de duur van de huidige rechterlijke machtiging, die in januari 2018 afloopt. Oplegging van de artikel 37-maatregel biedt voldoende mogelijkheden en tijd om de behandeling te continueren.

De rechtbank zal - alles overwegende - deze adviezen volgen en de plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar gelasten, nu het strafbare feit wegens een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens niet aan verdachte kan worden toegerekend. Daarnaast is verdachte een gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen. Uit voorgaande overwegingen blijkt dat verdachte psychiatrische hulp nodig heeft. De rechtbank acht de door de officier van justitie gevorderde zogenaamde artikel 37- plaatsing dan ook noodzakelijk.

De rechtbank overweegt dat beide deskundigen zich er niet over hebben uitgelaten of het verblijf binnen [naam 4] het komende jaar dient te worden voort gezet. Nu de rechtbank niet door deskundigen is voorgelicht over de specifieke instelling waarbinnen verdachte zou moeten worden opgenomen, zal de rechtbank het daartoe strekkende verzoek van de raadsvrouw afwijzen.

8 De beoordeling van de civiele vordering (05/094467-17)

De benadeelde partij [slachtoffer 1] zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de feiten 1, 2 en 3. Gevorderd wordt een bedrag van € 75,- aan materiële schade (aan de hordeur) en een bedrag van € 500,- aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor wat betreft de immateriële schade kan worden toegewezen. Voor zover het gaat om de gevorderde materiële schade dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat uit het dossier niet volgt dat er schade is ontstaan aan de hordeur. In zoverre dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard. De vergoeding voor immateriële schade zou moeten worden beperkt tot een bedrag tussen de

€ 250,- en € 300,-. Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel is niet passend.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering voor zover het gaat om de hordeur. Uit de aangifte noch anderszins volgt dat deze deur schade heeft opgelopen.

Het verzoek om immateriële schade wordt toegewezen tot een bedrag van € 250,-. Dit is het bedrag dat de rechtbank redelijk vindt. Dit bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 mei 2017. Verder zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 37, 57, 138, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van hetgeen onder parketnummer 05/840639-17 als feiten 2 en 3 ten

laste is gelegd;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder

punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven

bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder

punt 4;

 verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

 gelast dat verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor een termijn van één (1) jaar;

 veroordeelt verdachte ten aanzien van de feiten 2 en 3 van parketnummer 05/094467-17 tot betaling van schadevergoeding aan benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 250,-(tweehonderd vijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in

haar vordering;

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde

partij [slachtoffer 1] een bedrag te betalen van € 250,- (tweehonderd vijftig euro),

vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 mei 2017 tot aan de dag der algehele

voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 5

(vijf) dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting

vervalt;

 bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat,

daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te

vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot

betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in

zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.J.M. van Apeldoorn (voorzitter), mr. S.C.A.M. Janssen en

mr. S.W. Knoop, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Korevaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 september 2017.

mr. Janssen is buiten staat dit

vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs inzake parketnummer 05/094467-17 is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] , hoofdagent van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, basisteam Achterhoek-West, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017238576, gesloten op 26 mei 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte, p. 4-5.

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 42.

4 Proces-verbaal van aangifte, p. 7-9.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 42.

6 Het bewijs inzake parketnummer 05/840639-17 is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] , brigadier van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, basisteam Apeldoorn, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017266711, gesloten op 11 juni 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

7 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 4] , p. 5-7.

8 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3] , p. 9-11

9 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 7] , p. 14-16.

10 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 6] , p. 1-2.

11 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 11 september 2017.

12 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 4] , p. 7.