Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4912

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-09-2017
Datum publicatie
25-09-2017
Zaaknummer
C/05/312181 HA ZA 16-611
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:RBGEL:2017:3330. Verzoek schorsing afgewezen. Leer van de bindende (eind)beslissingen ziet niet op in een eerder dictum gegeven (bevoegdheids)oordeel. Geen aanleiding tot openstellen tussentijds hoger beroep. Geen omissie in datum van toepassing van de nieuwe EU Insolventieverordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/312181 / HA ZA 16-611 / 357/871

Vonnis in incident van 6 september 2017

in de zaak van

MR. CATHARINUS ADRIANUS HAGE in hoedanigheid van curator in het faillissement van [gefailleerde 1] en [gefaillieerde 2],

kantoorhoudende te Ede (Gld),

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. I.J.G.H. Hage te Ede (Gld),

tegen

1 [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te Terschuur, gemeente Barneveld,

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat mr. M.F.H. van Delft te Leusden.

Partijen zullen hierna de curator en de kinderen genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in het incident van 31 mei 2017

  • -

    de incidentele conclusie tot schorsing tevens (voorwaardelijk) conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident tot schorsing.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

Bij voornoemd vonnis in het incident is de vordering van de kinderen tot onbevoegdverklaring van de rechtbank, afgewezen. De kinderen kunnen zich blijkbaar niet vinden in deze beslissing.

2.2.

Uit de door de kinderen genomen conclusie tot schorsing begrijpt de rechtbank dat, indien de rechtbank na heroverweging niet terugkomt op de bindende eindbeslissing inzake de bevoegdheid, de rechtbank wordt verzocht de behandeling van onderhavige zaak te schorsen tot in het door de kinderen kennelijk ingestelde hoger beroep is beslist. Daarbij betogen de kinderen dat de nieuwe EU Insolventieverordening, anders dan de rechtbank onder 2.5. van voormeld vonnis in incident heeft overwogen, wèl op onderhavige zaak van toepassing is en dat de rechtbank op grond van die nieuwe verordening onbevoegd is van het geschil over de in Portugal gelegen woning kennis te nemen. De nieuwe EU Insolventie-verordening is volgens de kinderen reeds van toepassing op 26 juni 2015 in plaats van op 26 juni 2017 zoals genoemd in het Publicatieblad. Zo wijzen de kinderen erop dat met de terminologie ‘van toepassing’ wordt bedoeld de datum van inwerkingtreding alsmede dat het niet mogelijk is dat een artikel, in dit geval artikel 86 van de EU Insolventieverordening, op een eerdere datum in werking treedt, te weten op 26 juni 2016, dan de datum waarop de verordening van toepassing is, te weten 26 juni 2017. Er is, volgens de kinderen, in het Publicatieblad dan ook sprake van een omissie met betrekking tot de datum waarop de verordening van toepassing is. Die datum had gelijk moeten zijn aan de datum van inwerkingtreding, te weten 26 juni 2015.

2.3.

Voormeld vonnis in het incident van 31 mei 2017 is een tussenvonnis als bedoeld in artikel 232 Rv. In dit tussenvonnis is in het dictum voor deze instantie een definitief oordeel gegeven over de bevoegdheid van deze rechtbank. De door de kinderen aangehaalde leer van de (bindende) eindbeslissingen, welke beslissingen zijn opgenomen in overwegingen, ziet niet op de hier aan de orde zijnde situatie, te weten een in een dictum gegeven oordeel. Van een tussenvonnis kan slechts hoger beroep worden ingesteld tegelijk met dat van het eindvonnis tenzij de rechter anders heeft bepaald (artikel 337 lid 2 Rv). Onder 2.9. van voormeld tussenvonnis heeft de rechtbank al overwogen dat zij geen aanleiding ziet om de mogelijkheid van tussentijds hoger beroep open te stellen. Hetgeen de kinderen thans aanvoeren, maakt dit oordeel niet anders. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

2.4.

Europese besluiten die van algemene toepassing zijn, treden in werking op de twintigste dag na de datum van bekendmaking, tenzíj in het besluit een andere datum is vermeld. De datum van inwerkingtreding valt weliswaar vaak samen met de datum van toepassing, maar als de lidstaten tot wie het besluit is gericht meer tijd nodig hebben om zich aan het besluit aan te passen en meer tijd nodig hebben om de regeling in te voeren of de uit dat besluit voortvloeiende verplichtingen na te komen, dan valt de datum van toepassing op een later moment en dit kan zelfs enkele jaren later zijn. Uit noot 23 bij artikel 92 zoals opgenomen in het STANDPUNT (EU) Nr. 7/2015 VAN DE RAAD IN EERSTE LEZING met het oog op de vaststelling van een verordening van het Europese Parlement en de Raad betreffende insolventieprocedures (herschikking) Door de Raad vastgesteld op 12 maart 2015 (2015/C 141/01), blijkt dat de EU Insolventieverordening van toepassing wordt 24 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening en dat artikel 86 eerder van toepassing is. Laatstgenoemd artikel gaat enkel over het verstrekken van informatie aan het publiek en er vloeien geen rechtsgevolgen uit voort. Gelet hierop ziet de rechtbank niet dat sprake zou zijn van een omissie in de EU Insolventieverordening zoals de kinderen betogen.

2.5.

Het kennelijk door de kinderen reeds ingestelde hoger beroep heeft ingevolge artikel 350 lid 2 Rv geen schorsende werking. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank voor een schorsing van de behandeling van onderhavige zaak dan ook geen aanleiding. De incidentele vordering daartoe zal daarom worden afgewezen. Ingevolge artikel 351 Rv kan de hogere rechter op vordering van een partij (in hoger beroep) alsnog de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis schorsen.

2.6.

De kinderen zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

3 De beoordeling in de hoofdzaak

3.1.

De rechtbank zal, gelet op de door de kinderen genomen conclusie van antwoord, een comparitie bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

3.2.

De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

3.3.

De behandeling van de zaak ter comparitie zal in beginsel de volgende onderwerpen bevatten. De rechter zal beginnen met een aantal formaliteiten. Vervolgens zal de rechter zo nodig vragen stellen over de feiten en over de standpunten van partijen waarin inzicht moet bestaan om tot een oordeel te kunnen komen.

3.4.

In beginsel wordt ter comparitie aan de raadslieden van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zullen echter niet worden toegestaan.

3.5.

Van de verklaringen ter zitting zullen geen ondertekende weergave in het proces-verbaal worden opgenomen. Naast een verkort proces-verbaal worden de griffiersaantekeningen in het dossier bewaard.

3.6.

Op de comparitie zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden nagegaan hoe de verdere gang van de procedure moet zijn. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking of inschakeling van een mediator aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn, dat de rechtbank een mondeling tussenvonnis kan wijzen. De zitting eindigt met een aantal formaliteiten.

4 De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1.

wijst het gevorderde af,

4.2.

veroordeelt de kinderen in de kosten van het incident, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 452,00,

4.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

4.4.

beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. M.A.M. Vaessen in het gerechtsgebouw te Arnhem aan Walburgstraat 2 - 4 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

4.5.

bepaalt dat de partijen dan in persoon aanwezig moeten zijn,

4.6.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 20 september 2017 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden oktober 2017 tot en met januari 2018, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

4.7.

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

4.8.

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

4.9.

wijst partijen er op, dat voor de zitting twee uur zal worden uitgetrokken.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Vaessen en in het openbaar uitgesproken op 6 september 2017.

Coll: PM