Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4909

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
25-09-2017
Zaaknummer
05/720175-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf, ontzegging van de rijbevoegdheid en voorwaardelijk hechtenis voor dollemansrit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/720175-17

Datum uitspraak : 20 september 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] ,

thans gedetineerd te P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid,

raadsman: mr. G. Emons, advocaat te Nijmegen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 september 2017.

1. De inhoud van de tenlastelegging 1

Verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:

  1. een poging doodslag dan wel zware mishandeling door (met flink gas) met zijn bedrijfsbus naar voren en achteren te rijden, terwijl de politieagent [naam 1] zich met zijn bovenlichaam in die bus bevond en vervolgens klem kwam te zitten tussen de bus en het aanwezige struikgewas;

  2. de bedreiging van de politieagent [naam 2] door met de bedrijfsauto in zijn richting heen en weer rijdende bewegingen te maken, waarbij verdachte het gaspedaal diep in heeft getrapt en wilde stuurbewegingen heeft gemaakt;

  3. de vernieling/beschadiging van een personenauto (Peugeot 106) en een dienstvoertuig van de Politie [naam 3] door tegen deze auto’s aan te rijden;

  4. het veroorzaken van gevaar en/of hinder op de weg (artikel 5 Wegenverkeerswet 1994);

  5. het rijden onder invloed van cocaïne (artikel 8 Wegenverkeerswet 1994).

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 2

Met betrekking tot de feiten 4 en 5:

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van gevaar en hinder op de weg (feit 4) en het rijden onder invloed van cocaïne (feit 5).

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich niet veel meer van zijn rijgedrag kan herinneren. In zijn beleving heeft hij niet heel hard gereden. Verder wordt hij normaal rustig van cocaïne, aldus verdachte.

Beoordeling door de rechtbank

Gevaar/hinder op de weg?

Op 27 mei 2017 zijn de verbalisanten naar aanleiding van een melding van [naam 4] – inhoudende dat van verdachte en hun zoontje ieder spoor ontbreekt – op zoek gegaan naar de door haar genoemde [merk auto] met het kenteken [kenteken] .3 Verdachte heeft verklaard dat deze blauwe bus op zijn naam staat.4

Vervolgens hebben de verbalisanten ter hoogte van de Willemsweg in Nijmegen deze bus zien rijden. Zij hebben de bestuurder op de Thijmstraat een stopteken gegeven. De bestuurder heeft dit stopteken genegeerd.5 Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de bestuurder van de bus is geweest en het stopteken heeft gezien, maar dat hij niet durfde te stoppen. Hij is doorgereden en heeft plankgas gegeven.6 De verbalisanten relateren dat de bestuurder (rechtbank: verdachte) hierna meermalen een rood verkeerslicht in Nijmegen heeft genegeerd. Het betreft onder meer de kruising van de Sint Annastraat met de Groenestraat en de kruising van de Hatertseweg met de Grootstalselaan.7 Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij zich kan herinneren dat hij op de Sint Annastraat inderdaad door een rood stoplicht is gereden.8

De verbalisanten relateren verder dat verdachte bij de Sint Annastraat rechts richting Malden is afgeslagen en vervolgens met 130 kilometer per uur Malden in is gereden. Via Malden en de wijk Aldenhof in Nijmegen is verdachte de snelweg A73 – waar een maximumsnelheid van 130 kilometer per uur geldt – richting Cuijk op gereden. Daar is bij het voertuig van verdachte een snelheid van ongeveer 180 kilometer per uur geregistreerd. Verder heeft verdachte, aldus de verbalisanten, op deze snelweg meerdere voertuigen rechts ingehaald en daarbij ook gebruik gemaakt van de vluchtstrook.9 Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij nog weet dat hij rechts een politieauto over de vluchtstrook heeft ingehaald.10

Vervolgens relateren de verbalisanten dat verdachte op de A73 de afslag Cuijk heeft genomen en de N321 in de richting van Beers op is gereden. De verbalisanten nemen op hun snelheidsmeter waar dat verdachte hier met een snelheid van 150 kilometer per uur rijdt. Verder heeft hij op de provinciale wegen N321 en N324 meermalen een verdrijvingsvlak en een doorgetrokken streep overschreden. Verder zien zij dat meerdere weggebruikers moeten uitwijken om gedurende de inhaalmanoeuvres van verdachte een aanrijding te voorkomen. Uiteindelijk is verdachte in Zeeland (Noord-Brabant) tot stilstand gebracht.11

De waarnemingen van de verbalisanten vinden niet alleen steun in de verklaring van verdachte, maar ook in de beelden die – vanaf het moment dat verdachte op de N324 (uit de richting van Grave en in de richting van Oss) rijdt – zijn gemaakt. Op deze beelden is onder meer te zien dat verdachte over een verdrijvingsvlak rijdt en na overschrijding van een doorgetrokken streep medeweggebruikers inhaalt. Vervolgens zijn auto’s waar te nemen die moeten uitwijken voor de bus van verdachte.12

Op grond van al het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte tijdens de achtervolging verkeerslichten heeft genegeerd, veel te hard heeft gereden en weggebruikers op ontoelaatbare wijze heeft ingehaald (onder meer rechts en/of via een doorgetrokken streep). Door zich op deze wijze op de voornoemde openbare wegen te gedragen, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank gevaar en/of hinder op deze wegen veroorzaakt. De rechtbank acht daarmee het vierde feit bewezen.

Rijden onder invloed

Verdachte heeft verklaard dat hij op 27 mei 2017 vrijwel direct na het krijgen van het eerste stopteken één gram cocaïne in de [merk auto] heeft opgesnoven. Vervolgens is hij tijdens de achtervolging – via onder meer Nijmegen, de snelweg A73 (van Malden naar Cuijk) en de provinciale wegen (ter hoogte van Grave en Beers) tot uiteindelijk de plaats Zeeland in de gemeente Landerd – doorgereden.13

Nadat verdachte om 20:30 uur is staande gehouden, is om 23:18 uur zijn bloed ([nummer 1]) afgenomen.14 In het bloed van verdachte is een concentratie van 0,15 milligram/liter cocaïne aangetroffen. Concentraties vanaf ongeveer 0,05 milligram per liter worden als werkzaam beschouwd. Het NFI concludeert op grond van dit resultaat dat de rijvaardigheid van verdachte ten tijde van de bloedafname – enkele uren na de staandehouding – als gevolg van het gebruik van cocaïne nadelig is beïnvloed.15

Het NFI beschrijft verder de effecten van cocaïne. Het gaat daarbij onder meer om een toename van bloeddruk en hartslag, emotionele ontremming en een risico van zelfoverschatting.16 Het betreffen hier effecten die naar het oordeel van de rechtbank naar algemene ervaringsregels bekend en te verwachten zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte redelijkerwijs had moeten weten dat het gebruik van cocaïne zijn rijvaardigheid kon verminderen.

Op grond van al het voorgaande in samenhang bezien, acht de rechtbank bewezen dat verdachte op de voornoemde openbare wegen onder de zodanige invloed van cocaïne verkeerde dat hij niet tot het behoorlijk besturen van het voertuig in staat was (feit 5).

Met betrekking tot feit 3:

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vernieling van de Peugeot 106 en beschadiging van de Volkswagen Touran.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte heeft verklaard dat hij zich niet veel meer van zijn rijgedrag kan herinneren. Hij weet niet meer of hij de auto’s heeft geraakt.

Beoordeling door de rechtbank

Zoals voornoemd is de achtervolging op 27 mei 2017 in Zeeland geëindigd. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij daar twee keer is klemgereden. De eerste keer heeft hij nog weg kunnen komen.17 Op de camerabeelden is te zien dat de weg voor de blauwe bedrijfsbus wordt geblokkeerd en dat de bestuurder (rechtbank: verdachte) vervolgens naar achter tegen een politieauto rijdt. Verdachte rijdt daarna naar voren en naar achteren om ruimte te maken. Hierdoor rijdt hij tegen een personenauto op de parkeerstrook.18

De verbalisanten [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] bevestigen dat verdachte op 27 mei 2017 in Zeeland achteruit tegen hun dienstvoertuig – betreffende een personenauto van het merk Volkswagen Touran – is gereden. Nu als gevolg van deze botsing schade aan het voertuig is ontstaan, is hiervan namens de Politie [naam 3] aangifte gedaan. De verbalisanten relateren verder dat verdachte vervolgens een daar geparkeerde auto (de rechtbank begrijpt: van aangever [naam 8]) heeft geramd.19

Aangever [naam 8] heeft verklaard dat hij op 27 mei 2017 zijn auto, een Peugeot 106, zonder schade op een parkeerstrook aan de Bereklauw in Zeeland (gemeente Landerd) heeft geparkeerd. Omstreeks 20:30 uur ziet aangever twee politievoertuigen de straat blokkeren om de bestuurder van een blauwe bus (rechtbank: verdachte) tegen te houden. De bestuurder is daarop echter achteruit tegen de bestuurderszijde van zijn auto gereden. Hierdoor is de gehele zijkant van zijn auto beschadigd. De verzekeraar heeft de dagwaarde van zijn auto uitgekeerd.20 Dit duidt erop dat de auto total loss is verklaard.

Op grond van al het voorgaande in samenhang bezien, acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de beschadiging van het politievoertuig en de vernieling van de personenauto van aangever [naam 8] .

Met betrekking tot de feiten 1 en 2:

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging doodslag op [naam 1] (1 primair). Daartoe is aangevoerd dat door het handelen van verdachte een grote kans is ontstaan dat [naam 1] onder de bedrijfsbus terecht zou komen ofwel tussen de struiken en de bus zou worden verdrukt. Hiermee heeft verdachte naar de mening van de officier van justitie een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel in het leven geroepen. Nu verder zijn handelingen zozeer gericht zijn geweest op het bewerkstelligen van een aanrijding met [naam 1] dan wel het verdrukken van [naam 1] , heeft verdachte deze aanmerkelijke kans op dodelijk letsel bij [naam 1] ook willens en wetens aanvaard.

Verder kan naar de mening van de officier van justitie worden bewezen dat bij [naam 2] de vrees is ontstaan dat verdachte hem zou doden en dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg heeft aanvaard. Daarmee kan ook de bedreiging (feit 2) worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft algehele vrijspraak van de feiten 1 en 2 bepleit. Hiertoe is ten eerste aangevoerd dat een aanmerkelijke kans op de dood niet kan worden bewezen. Verder kan niet worden vastgesteld dat – indien wel een aanmerkelijke kans op de dood of op zwaar lichamelijk letsel wordt aangenomen – verdachte zich bewust is geweest van deze kans. Hiertoe is aangevoerd dat zowel uit de processen-verbaal van de agenten als de verklaringen van verdachte volgt dat hij de gebeurtenissen als gevolg van paniek en de inname van cocaïne niet bewust heeft meegemaakt. Tot slot kan naar de mening van de verdediging uit het rijgedrag van verdachte geen aanvaarding van een aanmerkelijke kans op de dood dan wel op zwaar lichamelijk letsel worden afgeleid. Nu het opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, ontbreekt – wat naar de mening van de verdediging ook geldt voor feit 2 – dient verdachte van beide feiten te worden vrijgesproken.

Verdachte heeft verklaard dat hij zich nog heel weinig van zijn rijgedrag en de achtervolging kan herinneren. Hij kan zich evenmin herinneren dat hij de agenten op straat – waaronder [naam 2] – en de agent in zijn auto – [naam 1] – heeft gezien.

Beoordeling door de rechtbank

[naam 1]

Aangever [naam 1] , politieagent, is naar aanleiding van de melding op 27 mei 2017 op zoek gegaan naar de [merk auto] van verdachte. Nadat hij een woonwijk in Zeeland (gemeente Landerd) in reed, zag verbalisant [naam 1] een kans om zijn voertuig voor de bus te rijden. [naam 1] stopte vervolgens zijn dienstvoertuig om de weg voor de bestuurder van de bus (rechtbank: verdachte) te blokkeren. [naam 1] zag dat verdachte wild om zich heen keek en mogelijkheden zocht om te vluchten. [naam 1] stapte daarop uit en rende naar de bestuurder, zijnde verdachte. [naam 1] probeerde het portier van de bus te openen.

Na het inslaan van de ruit aan de bestuurderskant door collega [naam 2] , probeerde [naam 1] de sleutel uit het contact van de auto te halen. Hij boog hierbij met zijn bovenlichaam in het voertuig. Verdachte was op dat moment bezig met het keren van de bus. Hij reed naar voren en naar achteren. [naam 1] merkte dat hij hierdoor – nu hij nog met zijn bovenlichaam in de bus hing – heen en weer werd getrokken. Verdachte zocht, aldus [naam 1] , mogelijkheden om te ontsnappen en reed naar voren in de richting van een struik en boom. Het was ter plaatse heel krap. [naam 1] zag dan ook dat als hij met zijn bovenlichaam in het voertuig zou blijven, hij in de verdrukking zou komen tussen de bus en het harde struikgewas. Hij verklaart:

“Vervolgens draaide ik mij om en voelde ik contact tussen het struikgewas en het busje. Ik voelde aan de achterzijde van mijn lichaam de linkerzijkant van het busje tegen mij aan rijden. Ik voelde aan de voorzijde van mijn lichaam het harde struikgewas. Doordat het busje zich verder naar voren begaf en een bocht naar links maakte zat ik klem tussen het busje en de harde struiken. Ik wist dat de achterzijde van het busje nog langs mij moest waardoor ik steeds verder de verdrukking inkwam. (…) Ik voelde de zijkant van het busje langs mijn lichaam glijden. Hierdoor werd ik steeds dieper het struikgewas in gedreven”. 21

Verder heeft [naam 1] gerelateerd dat hij naar verdachte schreeuwde dat hij moest stoppen.

Het lukte hem zelf niet om weg te komen, omdat hij klem zat tussen het voertuig en de struiken. De struiken waren dusdanig hoog en stevig dat hij er niet verder ingeduwd kon worden. [naam 1] zag vlak naast zich een boom en was bang dat hij tussen de boom en het voertuig geplet zou worden. Verder probeerde [naam 1] – toen het voertuig steeds meer tegen hem aan drukte – zijn benen bij de band van de bus vandaan te houden om te voorkomen dat hij onder de banden terecht zou komen.22

[naam 2]

Eén van de andere politieagenten die naar aanleiding van de melding ter plaatse is gegaan, is de verbalisant [naam 2] . [naam 2] verklaart dat het voertuig (rechtbank: van verdachte) op de Bereklauw in Zeeland stil werd gezet. Verdachte bleef echter ondanks de aanwezigheid van de dienstvoertuigen – zoals [naam 1] ook heeft verklaard – naar voren en achteren rijden. De verbalisant [naam 2] zag dat zijn collega [naam 1] probeerde om verdachte uit het voertuig te trekken dan wel om de sleutel uit het contact te halen.

Terwijl [naam 1] nog steeds bij verdachte ‘aan het duwen en trekken’ was, reed verdachte achteruit. [naam 1] hing nog met beide armen in het voertuig. Vervolgens zag [naam 2] dat verdachte zijn voertuig naar links – in zijn richting (het trottoir) – draaide en vol gas in zijn richting kwam rijden. Verdachte reed daarbij gedeeltelijk door een voortuin.23

[naam 2] verklaart verder:

“Ik zag dat de verdachte vlak bij een heg weg draaide waar een boom in stond. Ik zag dat collega [naam 1] vlak tussen het voertuig en de boom zat. Als de verdachte de draai korter had

gemaakt weet ik zeker dat collega [naam 1] was aangereden en onder het voertuig gekomen

was. Ik zag dat collega [naam 1] net op tijd weg dook. (…) Ik, verbalisant [naam 2] , stond op dat moment met mijn gezicht in de richting van de [merk auto] . Ik stond op een afstand van 2 meter van het voertuig. (…) Ik zag dat de verdachte in mijn richting kwam rijden. Ik schrok hier ontzettend van. Ik draaide me om en begon te rennen. Ik keek over mijn schouder en zag de verdachte met zijn voertuig in mijn richting kwam rijden. (…) Ik kon voor mijn gevoel alleen maar aan die zijde wegrennen omdat ik anders onder het voertuig van de verdachte terecht zou komen. (…) Ik, verbalisant [naam 2] , was ontzettend bang en sprong bij het einde van de heg naar de linkerkant. Ik zag dat het voertuig vlak langs me heen reed”. 24

[naam 9]

De verklaringen van [naam 1] en [naam 2] vinden niet alleen steun in elkaar, maar ook in het proces-verbaal van de verbalisant [naam 9] . Verbalisant [naam 9] relateert dat verdachte zijn voertuig naar links stuurde en vervolgens gedeeltelijk door een heg reed. Hij zag dat [naam 1] in het nauw kwam tussen het voertuig van verdachte en een boom bij de bosschages. [naam 1] kon geen kant op. De verbalisant [naam 9] dacht als de verdachte nu nog 50 centimeter naar links rijdt in zijn vluchtpoging, dan wordt collega [naam 1] geplet tussen de auto en de boom die daar stond.25

Beelden

Een gedeelte van de achtervolging is ook op beeld vastgelegd. Op de beelden – zoals op 27 mei 2017 in Zeeland gemaakt – is te zien dat verdachte, nadat hij is klemgereden, naar voren en naar achteren blijft rijden. Aan de bestuurderszijde hangt daarbij een politieagent met zijn bovenlichaam door het autoraam (rechtbank: [naam 1] ). Nadat verdachte achteruit tegen een geparkeerde personenauto (zie feit 3) is gereden, rijdt hij door en maakt – met [naam 1] half in het raam – een bocht naar links. Hierbij schampt verdachte links een brede heg en raakt hij aan de voorzijde een voortuin. [naam 1] wordt – terwijl verdachte naar voren rijdt – door de brede heg getrokken. Aan de voorzijde van de blauwe bestelauto is vervolgens een politieagent (rechtbank: [naam 2]) te zien die voor de auto uitrent. Op de brede heg is tot slot [naam 1] waar te nemen, die zich daar dichtbij een boom bevindt.26

Verdachte

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij vrijwel direct na het eerste stopteken cocaïne heeft gesnoven. Hij is tijdens de achtervolging in paniek doorgereden en is overal naar toe geweest: via Nijmegen naar de A73 met de afslag Cuijk (na Groesbeek/Malden) en tot slot via de hoofdweg naar Zeeland. De politie heeft continu achter hem aan gezeten, aldus verdachte. Verdachte heeft verder bij de politie verklaard dat hij twee keer klem is gereden. De eerste keer is zijn raam ingeslagen (rechtbank: voorafgaand aan de incidenten met [naam 1] en [naam 2]), maar heeft hij weg kunnen komen. Hij heeft op dat moment enkele politieagenten bij zijn bus gezien.27

Opzet

Verdachte heeft echter ook verklaard dat hij de agenten links bij zijn bus (waaronder [naam 1] ) niet heeft gezien. Hij is zich niet van de aanwezigheid van deze agenten – waaronder [naam 1] gedeeltelijk in zijn auto – bewust geweest. Hij heeft er niets, ook niet van het wegrennen door [naam 2] , van meegekregen.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat daarom niet kan worden aangenomen dat verdachte doelgericht (met vol opzet) op de voornoemde agenten is afgereden.

De vraag is vervolgens of verdachte op 27 mei 2017 de aanmerkelijke kans op de dood dan wel het zwaar lichamelijk letsel van [naam 1] en vervolgens de bedreiging van [naam 2] bewust heeft aanvaard.

[naam 1] – aanmerkelijke kans op de dood dan wel zware mishandeling (feit 1)

De eerste vraag die de rechtbank met betrekking tot de politieagent [naam 1] dient te beantwoorden is of sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend.

Naar het oordeel van de rechtbank kan worden vastgesteld dat verdachte – terwijl [naam 1] zich met zijn bovenlichaam in het voertuig bevond – meermalen naar voren en naar achteren heeft gereden en vervolgens een bocht naar links heeft gemaakt. Door zo te handelen – terwijl hier geen ruimte voor was – is [naam 1] klem komen te zitten tussen het voertuig en het struikgewas (waaronder ook een boom). Uit de verklaringen van [naam 1] volgt dat de struiken zodanig hoog en stevig waren dat hij er niet verder ingeduwd kon worden. Het voertuig werd steeds meer tegen hem aan gedrukt en [naam 1] kwam in het nauw tussen het voertuig en een boom die zich vlakbij hem in het struikgewas bevond. Verder moest hij zijn benen bij het wiel vandaan houden om te voorkomen dat hij zou worden overreden.

Op grond van dit voorgaande en in het bijzonder nu naar het oordeel van de rechtbank op grond van de beelden niet kan worden vastgesteld dat verdachte op dit moment met een hoge snelheid heeft gereden, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte door zijn handelen een aanmerkelijke kans op de dood van [naam 1] in het leven heeft geroepen. Zij zal verdachte om deze reden dan ook vrijspreken van de poging doodslag op [naam 1] .

Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank wel bewezen dat verdachte door zijn handelen een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel door de verdrukking dan wel het overrijden van [naam 1] in het leven heeft geroepen.

[naam 2] (feit 2)

Op grond van al het voorgaande kan verder worden vastgesteld dat verdachte vol gas in de richting van [naam 2] is gereden en [naam 2] vervolgens voor het voertuig van verdachte is uitgerend. De rechtbank acht bewezen dat hierdoor een aanmerkelijke kans in het leven is geroepen dat bij [naam 2] de redelijke vrees op het ontstaan van op zijn minst zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan.

Bewuste aanvaarding ten aanzien van [naam 1] en [naam 2]

De vervolgvraag is of verdachte zich ook bewust is geweest van de voornoemde aanmerkelijke kansen en deze willens en wetens heeft aanvaard.

Het voorwaardelijk opzet van een verdachte kan niet alleen uit de verklaring van een verdachte, maar ook uit het gedrag van een verdachte worden afgeleid.

De rechtbank weegt hierbij mee dat verdachte:

- zich op 27 mei 2017 als bestuurder in de [merk auto] heeft bevonden en op de Thijmstraat in Nijmegen een stopteken bewust heeft genegeerd (zoals overwogen bij feit 4);

- hij vrijwel direct daarna de keuze heeft gemaakt om cocaïne te snuiven en door te rijden (zoals overwogen bij feit 5);

- waarna hij vervolgens verkeerslichten heeft genegeerd, veel te hard heeft gereden en andere weggebruikers op ontoelaatbare wijze heeft ingehaald – waardoor zij onder meer hebben moeten uitwijken om aanrijdingen te voorkomen – en hiermee gevaarlijk rijgedrag heeft vertoond (zoals overwogen bij feit 4); en tot slot

- in Zeeland is beland, waar hij tweemaal is klemgereden door de politie en steeds heeft geprobeerd weg te komen (zie ook de vernieling en beschadiging bij feit 3).

Uit dit voornoemde gedrag kan naar het oordeel van de rechtbank een zeker bewustzijn van verdachte worden afgeleid. Daar komt verder nog bij dat verdachte zelf heeft verklaard dat de politie continu achter hem aan zat en hij in Zeeland bij het klemrijden (voorafgaand aan de incidenten met [naam 1] en [naam 2] ) politieagenten bij zijn bus zag.

Uit de wijze van rijden van verdachte (met een zeker bewustzijn) kan naar het oordeel van de rechtbank bezwaarlijk anders volgen dan dat hij zich niet heeft bekommerd om de mogelijke gevolgen daarvan voor andere verkeersdeelnemers, meer in het bijzonder de politieagenten tijdens de achtervolging. Door zich op deze manier in het verkeer te begeven en te proberen aan de politieagenten - die hij zowel tijdens de achtervolging als ter plaatse heeft gezien – te ontkomen, heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zijn handelen zwaar lichamelijk letsel en/of een redelijke vrees daarvoor tot gevolg zouden hebben. Zij acht op grond van dit voorgaande het voorwaardelijk opzet bij de poging zware mishandeling (feit 1 subsidiair) en bedreiging (feit 2) bewezen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de feiten 1 subsidiair (poging zware mishandeling) en 2 tot en met 5 heeft begaan:

1.

hij op of omstreeks 27 mei 2017 te Zeeland, gemeente Landerd, in ieder geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, te weten [naam 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

nadat hij met zijn, verdachtes, bedrijfsbus was klemgereden, in een kennelijke poging om aan de politie te ontkomen,

meermalen met die bedrijfsbus naar voren en naar achteren heeft gereden/gemanoeuvreerd (waarbij verdachte flink gas gaf) terwijl die [naam 1] , zijnde een politieambtenaar, op dat moment trachtte de autosleutel van die bedrijfsbus uit het contactslot te halen en zich

met zijn bovenlichaam in die bedrijfsbus bevond en waarbij die [naam 1] klem is komen te zitten tussen die bedrijfsbus en het ter plaatse aanwezige (harde) struikgewas en vervolgens voor de bedrijfsbus heeft weg moeten duiken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 27 mei 2017 te Zeeland, gemeente Landerd, een persoon, te weten [naam 2] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte, nadat hij zich met zijn bedrijfsbus had klemgereden, in een kennelijke poging om zich aan zijn aanhouding door die [naam 2] te onttrekken, met zijn bedrijfsauto heen en weer rijdende bewegingen/manoeuvres gemaakt, ook in de richting van die [naam 2] , waarbij verdachte het gaspedaal diep heeft ingetrapt en wilde stuurbewegingen heeft gemaakt, door welk rijgedrag die [naam 2] moeite heeft moeten doen om zichzelf in veiligheid te brengen;

3.

hij op of omstreeks 27 mei 2017 te Zeeland, gemeente Landerd, in ieder geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk, een personenauto (Peugeot 106), in elk geval

enig goed, die geheel of ten dele aan een ander dan verdachte toebehoorde, te weten aan [naam 8] , en/of een personenauto (Volkswagen Touran), in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan een ander dan verdachte toebehoorde, te weten aan de Politie [naam 3] , heeft vernield en/of beschadigd door met zijn, verdachtes, bedrijfsbus

opzettelijk tegen genoemde auto('s) aan te rijden;

en

hij op of omstreeks 27 mei 2017 te Zeeland, gemeente Landerd, in ieder geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk, een personenauto (Peugeot 106), in elk geval

enig goed, die geheel of ten dele aan een ander dan verdachte toebehoorde, te weten aan [naam 8] , en/of een personenauto (Volkswagen Touran), in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan een ander dan verdachte toebehoorde, te weten aan de Politie [naam 3] , heeft vernield en/of beschadigd door met zijn, verdachtes, bedrijfsbus

opzettelijk tegen genoemde auto('s) aan te rijden;

4.

hij op of omstreeks 27 mei 2017 te Nijmegen en/of te Malden en/of op de rijksweg A73 (tussen Malden en Cuijk) en/of op de provinciale wegen N321 en N324 (ter hoogte van Grave, Beers en Zeeland (Noord-Brabant), in ieder geval telkens in Nederland,

als bestuurder van een motorrijtuig ( [merk auto] ), daarmee (telkens) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande wegen,

zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg(en) werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg(en) werd gehinderd, althans kon worden gehinderd,

welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte,

- in Nijmegen, meermalen, onder meer op de kruising Sint Annastraat - Groenestraat en op de kruising Hatertseweg - Grootstalselaan, een rood verkeerslicht heeft genegeerd;

- in de bebouwde kom van Malden met een snelheid tot circa 130 km/uur heeft gereden, in ieder geval met een (veel) hogere snelheid heeft gereden dan de aldaar geldende maximum snelheid;

- op de rijksweg A73 (tussen Malden en Cuijk) met een snelheid tot circa 180 km/uur heeft gereden, in ieder geval met een (veel) hogere snelheid heeft gereden dan de aldaar geldende maximum snelheid;

- op de rijksweg A73 (tussen Malden en Cuijk) diverse voertuigen van medeweggebruikers over de rechter rijstrook en/of over de vluchtstrook heeft ingehaald;

- op de provinciale wegen N321 en N324 (ter hoogte van Grave, Beers en Zeeland) met een snelheid van ongeveer 150 km/uur heeft gereden, in ieder geval met een (veel) hogere snelheid heeft gereden dan de aldaar geldende maximum snelheid;

- op de provinciale wegen N321 en N324 (ter hoogte van Grave, Beers en Zeeland) vóór verdachte (uit)rijdende voertuigen heeft ingehaald op een wijze waarbij tegemoetkomend verkeer moest uitwijken teneinde een aanrijding te voorkomen en/of één of meermalen een verdrijvingsvlak en/of een doorgetrokken streep heeft overschreden;

5.

hij op of omstreeks 27 mei 2017 te Nijmegen en/of op een deel van de snelweg A73 tussen Malden en Cuijk en/of te Grave en/of te Beers en/of te Zeeland (gemeente Landerd), in ieder geval telkens in Nederland, als bestuurder van een voertuig ( [merk auto] ), daarmee rijdende op de openbare weg in genoemde plaatsen, dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten cocaïne, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Poging tot zware mishandeling.

Ten aanzien van feit 2:

Bedreiging met zware mishandeling.

Ten aanzien van feit 3:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort, vernielen

en

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort, beschadigen.

Ten aanzien van feit 4:

Overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994.

Ten aanzien van feit 5:

Overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet 1994.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de poging doodslag (1 primair), de bedreiging (feit 2), de vernieling en beschadiging (feit 3) en het rijden onder invloed (feit 5) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achtentwintig maanden waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Aan het voorwaardelijk deel dienen naar de mening van de officier van justitie de volgende bijzondere voorwaarden te worden verbonden: een meldplicht, een gedragsinterventie, een drugsverbod en een ambulante behandelverplichting met aanvullend een klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken. Met betrekking tot de feiten 1 en 5 heeft de officier van justitie een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren gevorderd. Tot slot is door de officier van justitie één maand hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee maanden

voor overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (feit 4) gevorderd.

Hiertoe heeft de officier van justitie rekening gehouden met de ernst van de feiten, waarbij het onder meer gaat om een poging doodslag en bedreiging ten aanzien van politieagenten. De feiten hebben een grote impact op de betrokken politieagenten gehad, zoals ook blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaringen. Verder weegt de officier van justitie mee dat verdachte tijdens de achtervolging ook zijn medeweggebruikers en zoontje van 1 jaar in gevaar heeft gebracht. Tot slot heeft de officier van justitie het strafblad van verdachte en de rapportages – waarin een verminderde toerekeningsvatbaarheid wordt geadviseerd en een grote stok achter de deur nodig wordt geacht – in ogenschouw genomen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om in geval van een bewezenverklaring een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij de duur van het onvoorwaardelijk deel wordt beperkt tot de duur van het voorarrest. Verder verzoekt de verdediging om de duur van een eventuele onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid te beperken.

Hiertoe heeft de verdediging aangevoerd dat de houding van verdachte – hij heeft oprecht spijt en heeft zich ook ingezet om in contact te komen met de agenten – en het advies om verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren, dienen te worden meegewogen. Verder heeft de strafzaak en in het bijzonder het voorarrest grote gevolgen gehad op zowel persoonlijk als financieel gebied. Tot slot is aangevoerd dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk en dat hij de kostwinner is van zijn gezin. Verdachte heeft verklaard dat hij binnen de penitentiaire inrichting hulp heeft gezocht om aan zichzelf te werken. Hij is bereid om zich aan de bijzondere voorwaarden – waaronder een behandelverplichting en een drugsverbod – te houden.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 29 mei 2017;

- voorlichtingsrapportages van Reclassering IrisZorg, gedateerd 18 juli 2017 en 22 augustus 2017;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 30 mei 2017; en

- een psychologische rapportage van [naam 10] , gezondheidszorgpsycholoog, gedateerd 4 september 2017.

Verdachte heeft zich op 27 mei 2017 schuldig gemaakt aan een vijftal verkeersgerelateerde

feiten. Het is begonnen in Nijmegen, waar verdachte een stopteken heeft genegeerd en

vervolgens een achtervolging is ontstaan, Tijdens deze achtervolging heeft verdachte na het

snuiven van cocaïne diverse verkeerslichten genegeerd, veel te hard gereden en

onder meer gevaarlijke inhaalmanoeuvres verricht waardoor medeweggebruikers hebben

moeten uitwijken. De politieagenten hebben herhaaldelijk geprobeerd verdachte te laten

stoppen, maar verdachte heeft diverse malen weten te ontkomen. De achtervolging in onder

meer Nijmegen, Malden en op de snelweg A73 is geëindigd in Zeeland. Daar is het de

verbalisant [naam 1] gelukt om verdachte te laten stoppen. Vervolgens heeft verdachte alles

gedaan om weg te komen (onder meer door tegen auto’s aan te rijden) en is hij met [naam 1] , die via de raamopening aan de bestuurderszijde half in de bedrijfsbus hing, ook daadwerkelijk weggereden. Als gevolg hiervan is [naam 1] tijdens een bocht naar links in de verdrukking gekomen tussen het struikgewas (waaronder een boom) en de bus zelf. [naam 1] is als gevolg hiervan zeer angstig geweest dat hij zou worden geplet dan wel onder de bus terecht zou komen. Vervolgens is verdachte vol gas doorgereden in de richting van [naam 2] , die hard voor de bus is weggerend. Uiteindelijk is het gelukt om verdachte hierna in Zeeland definitief tot stilstand te brengen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door zijn gedrag in het verkeer niet alleen zichzelf, maar ook vele weggebruikers – waaronder de politieagenten – in gevaar heeft gebracht. Verder weegt de rechtbank met dat het zoontje van verdachte, slechts één jaar oud, zich in de bus heeft bevonden en verdachte niettemin zijn dollemansrit heeft vervolgd. Het gaat daarmee om ernstige feiten, die ook veel impact op de politieagenten – die tijdens hun werk slechts hebben geprobeerd om het zoontje van verdachte in veiligheid te brengen – hebben gehad. De rechtbank overweegt dat zij in tegenstelling tot de officier van justitie niet bewezen acht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging doodslag. Zij zal alleen al daarom tot een lagere straf komen dan geëist. De rechtbank weegt verder mee, dat verdachte (met uitzondering van het rijden onder invloed van alcohol en in enige mate de wederspannigheid) niet recent voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Uit de rapportages volgt dat bij verdachte sprake is van een kwetsbare en onrijpe persoonlijkheid, als gevolg waarvan hij onder meer moeite heeft om met spanningen om te gaan. Verder is sprake van problematiek met betrekking tot misbruik van cocaïne. Dit voorgaande heeft ook een rol gespeeld bij de feiten op 27 mei 2017. Nadat die dag de spanningen bij verdachte – als gevolg van een gemist feest en reacties op Facebook – zijn opgelopen, is verdachte immers teruggevallen in het gebruik van cocaïne (als manier om met te hoog oplopende emoties om te gaan). Vervolgens heeft het gebruik van cocaïne tijdens de achtervolging een extra ontremmend effect gehad en de paniek versterkt.

Gelet op het effect van de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte tijdens de achtervolging, zal de rechtbank met de psycholoog verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar achten.

Gelet op dit voorgaande adviseren de psycholoog en de reclassering een traject waarin aandacht wordt besteed aan de voornoemde factoren. Er wordt onder meer geadviseerd om aan verdachte een behandelverplichting voor zijn cocaïneverslaving en voorgaande psychische problematiek op te leggen. Verder wordt van belang geacht dat verdachte een training volgt om te leren situaties beter in te schatten en eerst na te denken voordat hij handelt. Tot slot wordt een verbod op harddrugs geadviseerd, aangezien het gebruik van harddrugs een belangrijk delictsgerelateerde factor vormt. De kans op herhaling wordt ook niet als hoog ingeschat als verdachte clean blijft. Nu verdachte eerder – ook na een korte behandeling – is teruggevallen in het gebruik van cocaïne, is van groot belang dat dit door middel van urinecontroles wordt gecontroleerd. Verdachte is bereid om aan alle geadviseerde hulpverlening mee te werken en heeft ook reeds binnen de gevangenis hulp gezocht.

Tot slot zal de rechtbank meewegen dat als belangrijke beschermingsfactor – een factor die die de kans op herhaling vermindert – het structurele werk en inkomen van verdachte wordt genoemd. Uit de rapportages en de verklaring van verdachte volgt dat verdachte ZZP’er is. Nu verdachte tijdens het voorarrest niet heeft kunnen werken, heeft dit tot gevolg gehad dat zijn gezin geen inkomen heeft en er schulden zijn ontstaan.

Alles afwegende acht de rechtbank voor de poging zware mishandeling, bedreiging, vernieling/beschadiging en het rijden onder invloed een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden passend. Zij zal een deel van deze straf, zijnde vier maanden, voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van drie jaar. Aan dit voorwaardelijk deel zal zij bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering geadviseerd. Dit geldt met uitzondering van een klinische opname, nu de rechtbank dit niet noodzakelijk acht.

Verder zal de rechtbank, nu verdachte onder de invloed van harddrugs heeft gereden (feit 5) en het voertuig als wapen (feit 1 subsidiair) dan wel ter dreiging (feit 2) heeft ingezet aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen. Zij acht gelet op de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden een duur van 12 maanden (met aftrek) passend.

Tot slot resteert het veroorzaken van gevaar en hinder op de weg (feit 4), welke feit volgens de wet een overtreding is en waarvoor een aparte straf dient te worden opgelegd. De rechtbank zal in aanvulling op het voorgaande voor dit feit een voorwaardelijke hechtenis voor de duur van één maand (met een proeftijd van drie jaar) opleggen. Zij zal verdachte ten aanzien van dit feit, gelet op alles wat eerder is overwogen, geen extra ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen.

Voor het beslag:

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de verbeurdverklaring van de [merk auto] gevorderd, nu deze bus – welke na betaling van de termijnen volledig aan verdachte toebehoort – op 27 mei 2017 meermalen als wapen is gebruikt.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de vordering tot verbeurdverklaring van de [merk auto] af te wijzen en de teruggave van de bedrijfsbus aan verdachte dan wel de leasemaatschappij te gelasten. Hiertoe is aangevoerd dat sprake is van een financial lease constructie, waarbij verdachte slechts als alle termijnen worden voldaan eigenaar wordt van de bedrijfsbus. Daarmee behoort de bus op dit moment niet aan hem toe en zal de bus – nu de termijnen niet meer voldaan kunnen worden – ook niet aan hem gaan toebehoren. Gelet op dit voorgaande – en nog te meer nu hij door verlies van de bus zijn werk niet kan uitoefenen – zou een verbeurdverklaring verdachte onevenredig treffen. Indien de rechtbank wel zou overgaan tot verbeurdverklaring, wordt de rechtbank verzocht een vergoeding ter hoogte van de geschatte restwaarde toe te kennen.

Beoordeling door de rechtbank

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat een leaseconstructie niet per definitie aan een verbeurdverklaring in de weg hoeft te staan.

Naar het oordeel van de rechtbank is echter aannemelijk geworden dat de termijnen door de financiële situatie van verdachte niet meer kunnen worden voldaan en de bus als gevolg daarvan ook in eigendom van de leasemaatschappij [naam 11] zal blijven, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gesproken van een voorwerp dat aan verdachte toebehoort dan wel zal toebehoren. Nu verder geen sprake is van enige kwader trouw bij de leasemaatschappij in de zin van artikel 33a lid 2 van het Wetboek van Strafrecht, komt de bedrijfsbus naar het oordeel van de rechtbank niet voor verbeurdverklaring in aanmerking. De rechtbank zal de vordering tot verbeurdverklaring afwijzen en de teruggave van de bedrijfsbus aan de rechthebbende gelasten.

7a. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De navolgende benadeelde partijen hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding. Gevorderd worden de bedragen:

  • -

    [naam 1] : € 850,00 (feit 1 subsidiair);

  • -

    [naam 2] : € 450,00 (feit 2);

  • -

    Politie eenheid Oost-Brabant: € 6.100,84 inclusief BTW (feit 3);

  • -

    [naam 8] : € 1.727,10 (feit 3);

De benadeelde partijen vorderen om de voornoemde bedragen toe te wijzen vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht om de vorderingen van de benadeelde partijen [naam 1] , [naam 2] , Politie eenheid Oost-Brabant en [naam 8] toe te wijzen en de bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder is verzocht de schadevergoedingsmaatregel in het voordeel van de benadeelde partijen op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt kritisch te kijken naar de hoogte van de vorderingen van [naam 1] en [naam 2] , omdat hogere bedragen dan in soortgelijke zaken zijn gevorderd. Voor het overige heeft de verdediging de vorderingen inhoudelijk niet betwist.

Beoordeling door de rechtbank

De vordering van de benadeelde partij [naam 1] (feit 1 subsidiair)

Aan de benadeelde partij is door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen.

Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan.

Uit de schriftelijke verklaring van [naam 1] volgt dat hij als gevolg van het incident lichamelijk letsel heeft opgelopen: een snee van ongeveer 6 centimeter op zijn bovenarm en diverse schrammen op zijn benen. Direct na het incident is hij door de ambulancedienst behandeld en hebben zij de wond (de rechtbank begrijpt op zijn arm) schoongemaakt en verbonden. [naam 1] heeft hier enkele dagen hinder van ondervonden.

De rechtbank zal alles afwegende – mede in acht nemend de vergoedingen die in vergelijkbare zaken worden toegekend – het smartengeld naar maatstaven van billijkheid begroten op een bedrag van € 850,00 zoals ook is gevorderd.

De vordering van de benadeelde partij [naam 2] (feit 2)

Nu het letsel zoals [naam 2] heeft opgelopen geen rechtstreeks verband houdt met het bewezenverklaarde feit (zijnde de bedreiging die zich pas na het inslaan van de ruit heeft afgespeeld) en voor het overige geen aantasting in de persoon (als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek) aannemelijk is geworden, zal de rechtbank – nu de behandeling van de vordering daarmee verder een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert – de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaring in zijn vordering.

De vorderingen van de Politie eenheid Oost-Brabant en [naam 8] (feit 3)

De kostenposten zijn door de verdediging niet betwist. Nu de schadeposten naar het oordeel van de rechtbank verder voldoende zijn onderbouwd en redelijk voorkomen, is zij van oordeel dat deze schadeposten geen onevenredige belasting vormen voor het strafproces en de vorderingen in hun geheel (€ 6.100,84 inclusief BTW en € 1.727,10) kunnen worden toegewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en wat verder ter terechtzitting met betrekking tot de vorderingen is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partijen [naam 1] (feit 1 subsidiair), [naam 8] (feit 3) en de Politie eenheid Oost-Brabant (feit 3) als gevolg van de bewezenverklaarde feiten tot de gevorderde bedragen schade hebben geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Deze vorderingen zijn voor toewijzing vatbaar.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partijen.

De gevorderde en toegewezen rente/vergoeding voor proceskosten, zijn daar niet bij inbegrepen.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 27 mei 2017.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 18, 24c, 27, 36f, 45, 57, 62, 91, 285, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 8, 176, 177, 178, 179 en 179a

van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair tenlastegelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde onder 1 subsidiair, 2, 3 en 5 tot:

  • -

    gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

  • -

    bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering IrisZorg te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich uiterlijk binnen 3 dagen na zijn vrijlating zal melden bij de Reclassering IrisZorg op het adres Tarweweg 20, 6534 AM te Nijmegen en zich gedurende de proeftijd zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;

- zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering;

- zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van harddrugs en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van IrisZorg verslavingszorg of een soortgelijke ambulante forensische zorginstelling op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn verslavingsproblematiek, indien en zolang de reclassering in overleg met de instelling noodzakelijk acht. Daarbij zal veroordeelde zich houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar worden gegeven;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van Forensische polikliniek Kairos of een soortgelijke ambulante forensische zorginstellingen op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn psychische problematiek, indien en zolang de reclassering in overleg met de instelling noodzakelijk acht. Daarbij zal veroordeelde zich houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar worden gegeven;

- gedurende de proeftijd zal deelnemen aan een gedragsinterventie, bestaande uit een cognitieve vaardigheidstraining (+), aangeboden door een ambulante instelling, waarbij de veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens de instelling aan de veroordeelde zullen worden gegeven.

Geeft opdracht aan de Reclassering IrisZorg tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

En verder met betrekking tot de feiten 1 (subsidiair) en 5:

 ontzegt verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 5 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

 bepaalt, dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Voor het beslag:

  • -

    wijst de vordering tot verbeurdverklaring af;

  • -

    gelast de teruggave van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: één personenauto van het merk [merk auto] (kenteken [kenteken] ) aan de rechthebbende.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam 1] :

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 subsidiair tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [naam 1], van een bedrag van € 850,00 (achthonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [naam 1] , een bedrag te betalen van € 850,00 (achthonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 17 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam 2] (feit 2):

 verklaart de benadeelde partij [naam 2] niet-ontvankelijk in de vordering;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij Politie eenheid Oost-Brabant:

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 3 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij Politie eenheid Oost-Brabant, van een bedrag van € 6.100,84 (zesduizend honderd euro en vierentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij Politie eenheid Oost-Brabant, een bedrag te betalen van € 6.100,84 (zesduizend honderd euro en vierentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 65 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam 8] :

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 3 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [naam 8], van een bedrag van € 1.727,10 (duizendzevenhonderdzevenentwintig euro en tien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [naam 8] , een bedrag te betalen van € 1.727,10 (duizendzevenhonderdzevenentwintig euro en tien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 27 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Veroordeelt verdachte tot slot voor feit 4 tot:

  • -

    hechtenis voor de duur van 1 (één) maand;

  • -

    bepaalt, dat deze hechtenis niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

o dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Jansen-van Leeuwen (voorzitter), mr. R.S. Croll en mr. C. van Linschoten rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.T.P.J. Damen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 september 2017.

BIJLAGE І

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 27 mei 2017 te Zeeland, gemeente Landerd, in ieder geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een persoon, te weten [naam 1] , opzettelijk van het leven te beroven,

nadat hij met zijn, verdachtes, bedrijfsbus was klemgereden, in een kennelijke poging om aan de politie te ontkomen,

meermalen met die bedrijfsbus naar voren en naar achteren heeft gereden/gemanoeuvreerd (waarbij verdachte flink gas gaf) terwijl die [naam 1] , zijnde een politieambtenaar, op dat moment trachtte de autosleutel van die bedrijfsbus uit het contactslot te halen en zich met zijn bovenlichaam in die bedrijfsbus bevond en waarbij die [naam 1] klem is komen te zitten tussen die bedrijfsbus en het ter plaatse aanwezige (harde) struikgewas en vervolgens voor de bedrijfsbus heeft weg moeten duiken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 27 mei 2017 te Zeeland, gemeente Landerd, in ieder geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, te weten [naam 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

nadat hij met zijn, verdachtes, bedrijfsbus was klemgereden, in een kennelijke poging om aan de politie te ontkomen,

meermalen met die bedrijfsbus naar voren en naar achteren heeft gereden/gemanoeuvreerd (waarbij verdachte flink gas gaf) terwijl die [naam 1] , zijnde een politieambtenaar, op dat moment trachtte de autosleutel van die bedrijfsbus uit het contactslot te halen en zich

met zijn bovenlichaam in die bedrijfsbus bevond en waarbij die [naam 1] klem is komen te zitten tussen die bedrijfsbus en het ter plaatse aanwezige (harde) struikgewas en vervolgens voor de bedrijfsbus heeft weg moeten duiken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 27 mei 2017 te Zeeland, gemeente Landerd, een person, te weten [naam 2] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte, nadat hij zich met zijn bedrijfsbus had klemgereden, in een kennelijke poging om zich aan zijn aanhouding door die [naam 2] te onttrekken, met zijn bedrijfsauto heen en weer rijdende bewegingen/manoeuvres gemaakt, ook in de richting van die [naam 2] , waarbij verdachte het gaspedaal diep heeft ingetrapt en wilde stuurbewegingen heeft gemaakt, door welk rijgedrag die [naam 2] moeite heeft moeten doen om zichzelf in veiligheid te brengen;

3.

hij op of omstreeks 27 mei 2017 te Zeeland, gemeente Landerd, in ieder geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk, een personenauto (Peugeot 106), in elk geval

enig goed, die geheel of ten dele aan een ander dan verdachte toebehoorde, te weten aan [naam 8] , en/of een personenauto (Volkswagen Touran), in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan een ander dan verdachte toebehoorde, te weten aan de Politie [naam 3] , heeft vernield en/of beschadigd door met zijn, verdachtes, bedrijfsbus

opzettelijk tegen genoemde auto('s) aan te rijden;

4.

hij op of omstreeks 27 mei 2017 te Nijmegen en/of te Malden en/of op de rijksweg A73 (tussen Malden en Cuijk) en/of op de provinciale wegen N321 en N324 (ter hoogte van Grave, Beers en Zeeland (Noord-Brabant), in ieder geval telkens in Nederland,

als bestuurder van een motorrijtuig ( [merk auto] ), daarmee (telkens) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande wegen,

zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg(en) werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg(en) werd gehinderd, althans kon worden gehinderd,

welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte,

- in Nijmegen, meermalen, onder meer op de kruising Sint Annastraat - Groenestraat en op de kruising Hatertseweg - Grootstalselaan, een rood verkeerslicht heeft genegeerd;

- in de bebouwde kom van Malden met een snelheid tot circa 130 km/uur heeft gereden, in ieder geval met een (veel) hogere snelheid heeft gereden dan de aldaar geldende maximum snelheid;

- op de rijksweg A73 (tussen Malden en Cuijk) met een snelheid tot circa 180 km/uur heeft gereden, in ieder geval met een (veel) hogere snelheid heeft gereden dan de aldaar geldende maximum snelheid;

- op de rijksweg A73 (tussen Malden en Cuijk) diverse voertuigen van medeweggebruikers over de rechter rijstrook en/of over de vluchtstrook heeft ingehaald;

- op de provinciale wegen N321 en N324 (ter hoogte van Grave, Beers en Zeeland) met een snelheid van ongeveer 150 km/uur heeft gereden, in ieder geval met een (veel) hogere snelheid heeft gereden dan de aldaar geldende maximum snelheid;

- op de provinciale wegen N321 en N324 (ter hoogte van Grave, Beers en Zeeland) vóór verdachte (uit)rijdende voertuigen heeft ingehaald op een wijze waarbij tegemoetkomend verkeer moest uitwijken teneinde een aanrijding te voorkomen en/of één of meermalen een verdrijvingsvlak en/of een doorgetrokken streep heeft overschreden.

5.

hij op of omstreeks 27 mei 2017 te Nijmegen en/of op een deel van de snelweg A73 tussen Malden en Cuijck en/of te Grave en/of te Beers en/of te Zeeland (gemeente Landerd), in ieder geval telkens in Nederland, als bestuurder van een voertuig ( [merk auto] ), daarmee rijdende op de openbare weg in genoemde plaatsen,

dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten cocaïne, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

1 De volledige tenlastelegging is in bijlage І opgenomen.

2 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Zuid, districtsrecherche, opgemaakte proces-verbaal, PL0600-2017241024 (onderzoek [naam 12] , dossiernummer: [nummer 2]) gesloten op 11 juli 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 180 en het proces-verbaal van bevindingen, p. 14-15.

4 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 135.

5 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 35.

6 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 136-137.

7 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 179.

8 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 143.

9 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 179, het proces-verbaal van bevindingen, p. 182 en het proces-verbaal van bevindingen, p. 35.

10 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 144.

11 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 179, het proces-verbaal van bevindingen, p. 182 en het proces-verbaal van bevindingen, p. 37.

12 Het proces-verbaal van bevindingen helikopterbeelden, p. 49 en de waarneming van de rechtbank ter terechtzitting d.d. 6 september 2017.

13 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 6 september 2017 en het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 142.

14 Aanvraag ten behoeve van toxicologisch onderzoek van bloed, p. 203-204.

15 Het NFI-rapport, p. 201-202.

16 Het NFI-rapport, p. 201.

17 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 138.

18 Het proces-verbaal van bevindingen helikopterbeelden, p. 49 en 52 t/m 55.

19 Het proces-verbaal van aangifte Politie [naam 3] , p. 104-105, het proces-verbaal van bevindingen, p. 44 en de vordering van de Politie [naam 3] met bijlage 1.

20 Het proces-verbaal van aangifte [naam 8] , p. 108 en de vordering van de benadeelde partij [naam 8] .

21 Het proces-verbaal van aangifte [naam 1] , p. 17 t/m 19.

22 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 23.

23 Het proces-verbaal van aangifte [naam 2] , p. 25, 28 (alinea 2 en 9 t/m 11) en 29 (alinea 2 en 3).

24 Het proces-verbaal van aangifte [naam 2] , p. 29.

25 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 42.

26 Het proces-verbaal van bevindingen helikopterbeelden, p. 49 en 54 t/m 57.

27 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 136 t/m 139 en het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 142, 144 laatste alinea en p. 145 met betrekking tot het zien van de agenten bij zijn auto.