Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4906

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-09-2017
Datum publicatie
29-09-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1179
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom m.b.t. een zonder omgevingsvergunning gebouwde blokhut op een “recreatielandje” langs de Linge. De blokhut is gebouwd zonder een omgevingsvergunning, zodat sprake is van een overtreding. Het beroep op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/1179

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eisers], te [woonplaats], eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geldermalsen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers onder oplegging van een last onder dwangsom gelast de zonder omgevingsvergunning op het perceel, kadastraal bekend gemeente [plaats], [locatie], (hierna: het perceel) gerealiseerde blokhut binnen zes weken te (laten) verwijderen en verwijderd te houden.

De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 7 november 2016 (ECLI:NL:RBGEL:2016:5936) de begunstigingstermijn verlengd tot 6 weken na deze uitspraak.

Bij besluit van 26 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2017. Eisers zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, mr. A. Stoelwinder en mr. M. Theunissen.

Overwegingen

Voorgeschiedenis

1. Het perceel van eisers is gelegen langs de Linge en maakt met andere percelen die recreatief worden gebruikt onderdeel uit van de zogenaamde “Lingelandjes”. Op het perceel heeft tot omstreeks 2010 een bouwwerk gestaan.

De gemeenteraad heeft dit bouwwerk, evenals andere bouwwerken op de recreatielandjes, willen bestemmen in het op 28 november 2006 vastgestelde bestemmingsplan “Buitengebied”. In dit bestemmingsplan heeft het perceel van eisers de bestemming “Uiterwaarden” met de aanduiding “recreatielandjes”. Bij dit bestemmingsplan is bijlage 3 “Overzicht Lingelandjes” opgenomen. In deze bijlage zijn per recreatielandje de bouwmogelijkheden opgenomen, waarbij op het perceel van eisers een bouwwerk met een oppervlakte van 9 m² en een hoogte van 2,3 meter was toegestaan. Deze bijlage is gebaseerd op een inventarisatielijst uit 2002.

Het college van gedeputeerde staten van Gelderland heeft echter bij besluit van 17 juli 2007 goedkeuring onthouden aan de aanduiding en de bouwregeling voor een deel van de recreatielandjes, waaronder die van eisers. De reden hiervoor is dat deze recreatielandjes zijn gelegen in natuurgebied (de zogenaamde Ecologische Hoofdstructuur). Door dit besluit resteert alleen nog de onderliggende bestemming “Uiterwaarden”. Op grond van deze bestemming zijn op de recreatielandjes geen gebouwen toegestaan.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) heeft in de uitspraak van 11 februari 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BH2508) het beroep tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten ongegrond verklaard.

Het bestemmingsplan “Buitengebied, eerste herziening”, dat is opgesteld naar aanleiding van de door de provincie onthouden goedkeuring en de uitspraak van de Afdeling, brengt geen wijziging in de situatie op het perceel.

2. Omstreeks 2010 is het bouwwerk op het perceel teniet gegaan. Eisers hebben vervolgens op het perceel, zonder de daarvoor vereiste bouwvergunning, een blokhut geplaatst met een oppervlakte van 13,5 m², exclusief overstek, en een hoogte van 3 meter.

3. Verweerder heeft vervolgens aan eisers bij besluit van 6 januari 2015 een last onder dwangsom opgelegd vanwege het zonder bouwvergunning bouwen van deze blokhut.

De door eisers ingestelde beroepen bij de voorzieningenrechter van de rechtbank (uitspraak van 25 juni 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:4191) en de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak van 31 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2857) hebben er niet toe geleid dat deze last onder dwangsom is vernietigd.

4. Eisers hebben de blokhut niet binnen de in de last onder dwangsom van 6 januari 2015 opgenomen begunstigingstermijn verwijderd. De bevoegdheid tot invordering van deze last onder dwangsom is echter verjaard.

Verweerder heeft eisers daarom in het nu voorliggende besluit wederom onder oplegging van een dwangsom van € 5.000 gelast de blokhut van hun perceel te verwijderen en verwijderd te houden.

Inhoudelijk

5. De rechtbank overweegt dat hetgeen door eisers is aangevoerd met betrekking tot het bestemmingsplan – zoals de volgens eisers niet behandelde zienswijzen en de in bijlage 3 onjuist opgenomen oppervlakte van het bouwwerk – in deze procedure niet aan de orde kan komen. Het bestemmingsplan is namelijk in rechte onaantastbaar geworden door de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2009. De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft dit ook reeds overwogen in de uitspraak van 31 augustus 2015 onder rechtsoverweging 7.2 (ECLI:NL:RVS:2015:2857).

Ook hetgeen eisers hebben aangevoerd met betrekking tot de op 15 juli 2010 geweigerde bouwvergunning kan in deze procedure niet aan de orde komen. Tegen deze weigering kon destijds bezwaar worden gemaakt.

Overtreding

6. Tussen partijen is niet in geschil dat voor het (her)bouwen van de blokhut geen bouw- of omgevingsvergunning is verleend. Dit is een overtreding. Verweerder is daarom bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen.

7. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Concreet zicht op legalisatie

8. Eisers hebben op 2 december 2016 een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor de blokhut. Verweerder heeft deze omgevingsvergunning op 4 juli 2017 geweigerd. Gelet op deze weigering bestaat geen concreet zicht op legalisatie van de blokhut.

Vertrouwensbeginsel

9. Eisers betogen dat uit de brief van verweerder van 19 mei 2013 een toezegging voortvloeit dat op het perceel een bouwwerk gebouwd mag worden met een omvang van 9 m².

9.1

Zoals de Afdeling in de hiervoor aangehaalde uitspraak van 31 augustus 2015 heeft overwogen is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.

9.2.

De brief van verweerder van 19 mei 2013 betreft een reactie op een zienswijze van eisers van 2 mei 2013. In de brief staat onder ad 2 en 3 het volgende:

“Op uw perceel mag er in het kader van het geldende bestemmingsplan een bouwwerk met een omvang van 9 m² aanwezig zijn; Dit bouwwerk wordt beschermd door het overgangsrecht. De bedoeling van het overgangsrecht is echter dat het betreffende bouwwerk in stand wordt gehouden middels onderhoud maar niet vervangen of uitgebreid mag worden.

De op uw perceel aanwezige blokhut wordt niet beschermd door het overgangsrecht, aangezien dit bouwwerk niet aanwezig was tijdens de inventarisatie 2000-2002, ook wel de inventarisatie 2002 genoemd. Ten tijde van de inventarisatie 2002 stond er op het perceel een groen schuurtje met de omvang van 2.65 x 3.35 m, met een goothoogte van 2.00 m en een nokhoogte van 2.30 m. Dit bouwwerk is qua omvang ook opgenomen in het geldende bestemmingsplan.

(…).

Wij gaan ervan uit dat u het blokhutje voor eind augustus 2013 van het onderhavige perceel verwijderd dan wel aanpast conform de toegelaten omvang.”

De rechtbank stelt voorop dat deze procedure geen betrekking heeft op een bouwwerk van 9 m². De last onder dwangsom is immers opgelegd wegens het zonder vergunning bouwen van een blokhut van 13,5 m² . De rechtbank zal daarom in het kader van deze procedure niet verder ingaan op de vraag of op het perceel wel een bouwwerk van 9 m² is toegestaan.

Uit de brief van 19 mei 2013 vloeit niet voort dat het bouwen van een blokhut van 13,5 m² is toegestaan. Integendeel, in de brief staat juist dat de blokhut dient te worden verwijderd, of dient te worden verkleind. De brief is daarom voor wat betreft de blokhut geen concrete, ondubbelzinnige toezegging waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.

Gelijkheidsbeginsel

10. Eisers geven aan dat verweerder niet handhavend optreedt tegen een tuinhuisje op het perceel van [betrokkene]. Volgens eisers is hun situatie vergelijkbaar met die van [betrokkene], en had verweerder daarom ook in hun geval af moeten zien van handhavend optreden.

10.1

De Afdeling is in overweging 10.1 van de uitspraak van 31 augustus 2015 reeds ingegaan op het beroep van eisers op het gelijkheidsbeginsel, en heeft overwogen dat geen sprake is van gelijke gevallen. De rechtbank ziet geen aanleiding daar anders over te oordelen.

De beroepsgrond slaagt niet.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.S.T. Belt, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E. Mengerink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.