Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4898

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-09-2017
Datum publicatie
22-09-2017
Zaaknummer
C/05/325285 / KG RK 17-798
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking afgewezen. De klacht van verzoeker betreft in wezen de manier waarop hij door de rechter is bejegend. Voor een dergelijke klacht is de wrakingsprocedure in beginsel niet bedoeld. Verzoeker heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van concrete feiten en omstandigheden waarin de partijdigheid van de rechter tegen verzoeker besloten ligt of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. De door verzoeker gestelde opmerkingen die de rechter tijdens de zitting zou hebben gemaakt zouden de vrees voor vooringenomenheid rechtvaardigen. De rechter heeft echter betwist deze opmerkingen te hebben gemaakt. Gelet hierop en gelet op het uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, had het op de weg van verzoeker gelegen om zijn standpunt nader te onderbouwen, temeer nu dit standpunt ook geen steun vindt in het door de rechter én de griffier ondertekende proces-verbaal van de zitting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Wrakingskamer

zaaknummer: C/05/325285 / KG RK 17-798

Beschikking van 20 september 2017

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoeker] ,

verzoeker tot wraking,

hierna te noemen: verzoeker,

advocaat mr. E.R. Hagenaars te Amsterdam,

strekkende tot de wraking van

mr. T. Gerbranda,

rechter in deze rechtbank,

hierna te noemen: de rechter

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het schriftelijke wrakingsverzoek van 21 augustus 2017

  • -

    het schriftelijke verweer van de rechter van 5 september 2017

Bij de mondelinge behandeling is verschenen de raadsman van verzoeker mr. E.R. Hagenaars, advocaat te Amsterdam. De rechter is zonder bericht van verhindering niet verschenen.

2 Het wrakingsverzoek

2.1

Het verzoek tot wraking is gericht tegen de rechter in de zaak met nummer NL17.3261 tussen verzoeker en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst.

2.2

Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. De rechter liet volgens verzoeker tijdens de zitting, naar aanleiding van verzoek tot het horen van een getuige, zonder meer merken dat wat haar betreft het horen van getuigen absoluut niets toe zou voegen, waarbij zij opmerkingen maakte als “al die mensen komen maar naar Nederland en als het allemaal niet lukt beweren ze allemaal dat ze homoseksueel zijn of Christen”. Voorts maakte de rechter volgens verzoeker een opmerking als “en dan hebben ze opeens een partner waarnaar dan maar geluisterd moet worden”. Verzoeker voelde zich door de bejegening van de rechter niet gehoord en niet serieus genomen.

2.3

De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft verweer gevoerd. Dat verweer wordt hierna zover nodig besproken.

3 De beoordeling

3.1

Wraking van een rechter is slechts mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan kan sprake zijn indien de rechter jegens een partij vooringenomen is of indien de vrees van een partij daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Bij de beoordeling daarvan moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (HR 24 oktober 1995 NJ 1996,484). Uit de artikelen 8:15 en 8:16 Algemene wet bestuursrecht en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat de verzoeker concrete feiten en omstandigheden moet aanvoeren waaruit objectief afgeleid moet worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is of de vrees van een partij dat dat zo is objectief gerechtvaardigd is. Met inachtneming hiervan overweegt de rechtbank het volgende.

3.2

De klacht van verzoeker betreft in wezen de manier waarop hij door de rechter is bejegend. Voor een dergelijke klacht is de wrakingsprocedure in beginsel niet bedoeld. Dit kan slechts anders zijn als uit concrete feiten en omstandigheden volgt dat in deze bejegening partijdigheid van de rechter tegen verzoeker besloten ligt of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. De rechtbank overweegt dienaangaande dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hiervan sprake is. Verzoeker heeft weliswaar gesteld dat de rechter tijdens de zitting de opmerkingen heeft gemaakt zoals verwoord onder 2.2, welke opmerkingen naar het oordeel van de rechtbank de vrees voor vooringenomenheid inderdaad zouden rechtvaardigen, de rechter heeft echter betwist deze opmerkingen te hebben gemaakt. Gelet hierop en gelet op het uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, had het op de weg van verzoeker gelegen om zijn standpunt nader te onderbouwen, temeer nu dit standpunt ook geen steun vindt in het door de rechter én de griffier ondertekende proces-verbaal van de zitting. Tijdens de zitting van de wrakingskamer heeft de raadsman van verzoeker aangegeven ook niet tot een nadere onderbouwing in staat te zijn.

3.3

Voor zover de klacht van verzoeker is gericht tegen de beslissing van de rechter om de door verzoeker meegebrachte persoon, die volgens verzoeker ervan zou kunnen getuigen dat hij de partner van verzoeker is, slechts informeel en niet als beëdigde getuige te horen, overweegt de rechtbank dat de juistheid van deze beslissing op zichzelf niet door middel van een wrakingsverzoek aan de orde kan worden gesteld. Dat kan alleen door een rechtsmiddel (zoals hoger beroep) tegen de beslissing aan te wenden. Concrete feiten en omstandigheden, anders dan reeds onder 3.2 besproken, waaruit volgt dat de rechter bij het geven van deze beslissing vooringenomen was tegen verzoeker of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor bestond, heeft verzoeker niet aangevoerd. Uit het enkele feit dat de rechter in het nadeel van verzoeker heeft beslist kan de rechtbank dat niet afleiden.

3.4

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het verzoek moet worden afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beschikking is gegeven door de mrs. T.P.E.E. van Groeningen, G. Noordraven en J.R. Veerman, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.B. Wichman en in openbaar uitgesproken op 20 september 2017.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.