Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4890

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
22-09-2017
Zaaknummer
05/840593-17 en 05/043310-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor twee mishandelingen en een diefstal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummers : 05/840593-17 en 05/043310-17

Datum uitspraak : 20 september 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] ,

thans gedetineerd te PPC Vught,

raadsvrouw: mr. S. Kaya, advocaat te Nijmegen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 29 juni 2017 (05/043310-17) en 6 september 2017.

1. De inhoud van de tenlastelegging 1

Verdachte wordt ten eerste onder parketnummer 05/840593-17 verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan twee pogingen zware mishandeling dan wel mishandelingen door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een of meermalen met een betonnen staaf/balk dan wel een zwaar voorwerp tegen het (boven)lichaam te slaan.

Verder wordt verdachte onder parketnummer 05/043310-17 verweten dat hij zich samen met een ander dan wel alleen schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van een portemonnee (met inhoud) van [slachtoffer 3] .

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Met betrekking tot parketnummer 05/840593-17: 2

Ten aanzien van de feiten 1 en 2:

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan twee pogingen zware mishandeling, door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met een betonnen staaf tegen het bovenlichaam te slaan. Verdachte heeft naar de mening van de officier van justitie bewust de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel aanvaard.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft algehele vrijspraak bepleit. Hiertoe is ten eerste aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte de aangevers heeft geslagen met een betonnen staaf of balk. Dit geldt nog te meer nu het letsel van verdachte zijn verklaring ondersteunt. Ten tweede is aangevoerd dat – in geval het slaan bewezen wordt geacht – verdachte geen opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Verdachte heeft verklaard dat de aangevers zijn begonnen met slaan. Hij heeft daarna een stok gepakt, geen betonnen staaf of balk. Hij heeft de aangevers niet geslagen. Hij heeft zich alleen verweerd, aldus verdachte.

Beoordeling door de rechtbank

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op 25 mei 2017 samen met een vriend, [slachtoffer 2] , op de hoek van de Wedren met de Bijleveldsingel in Nijmegen was. Aangever zag de man iets pakken in een tuin. Vervolgens had de man een buis of een soort hoekprofiel van beton in zijn handen. Nadat hij het voorwerp doormidden brak, kwam hij met in beide handen een staaf op hun af. De man maakte vervolgens slaande bewegingen naar aangever en [slachtoffer 2] . Aangever [slachtoffer 1] heeft verder verklaard dat [slachtoffer 2] en hij zich hebben verweerd door hun handen voor zich te houden. Door de klappen met de staaf heeft [slachtoffer 1] twee schaafwonden, één op zijn arm en één op zijn hand, opgelopen. Verder hebben de klappen bij hem pijn tot gevolg gehad. Op een gegeven moment heeft aangever [slachtoffer 1] de kans gezien om de man onderuit te trappen.3

De verklaring van [slachtoffer 1] vindt steun in de waarnemingen van de getuige [getuige] . De getuige [getuige] heeft verklaard dat de man een dreigende houding richting [slachtoffer 1] aannam. Ze zag dat de man een soort balk uit een tuin op de Bijleveldsingel pakte en hiermee meermalen uithaalde in de richting van [slachtoffer 1] .4

Verder heeft aangever [slachtoffer 2] verklaard dat de man met een betonnen paal/lat uit een tuin op [slachtoffer 1] en hem af kwam lopen. De man zwaaide met de lat wild om zich heen. [slachtoffer 2] kon niet voorkomen dat de man hem met de lat raakte. [slachtoffer 2] liep hierdoor schaafwonden aan zijn arm op.5 Nadat vervolgens [slachtoffer 1] een kans zag om de politie te bellen, kwamen de verbalisanten ter plaatse. Zij troffen daarbij niet alleen de twee aangevers, maar ook verdachte – een persoon die hun ambtshalve bekend is – met twee smalle betonnen balken in zijn beide handen aan. Verdachte stond daarmee in een dreigende houding tegenover de beide aangevers.6 Verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat het gewoon een vechtpartij was.7

Op grond van al het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte aangevers een of meermalen met een betonnen balk tegen het (boven)lichaam heeft geslagen. Gelet op de aangiftes, de verklaring van de getuige [getuige] en de waarneming van de verbalisant [verbalisant 1] , acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat verdachte zich slechts heeft verweerd. De omstandigheid dat bij verdachte letsel is geconstateerd, doet daar niet aan af, nu aangever [slachtoffer 1] ook heeft verklaard dat hij verdachte daarna onderuit heeft getrapt.

Tot slot dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte het opzet al dan niet in voorwaardelijke zin heeft gehad op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend.

Naar het oordeel van de rechtbank kan onvoldoende worden vastgesteld waar verdachte de betonnen balk op heeft gericht dan wel met welke intensiteit/kracht hij aangevers met de balk heeft geslagen. Nu naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden bewezen dat verdachte een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven heeft geroepen, zal zij verdachte van het (voorwaardelijk) opzet op zwaar lichamelijk letsel en daarmee ook van de pogingen zware mishandeling vrijspreken. De rechtbank acht op grond van al het voorgaande de mishandelingen (1 subsidiair en 2 subsidiair) wel bewezen.

Met betrekking tot parketnummer 05/043310-17: 8

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om verdachte van dit feit vrij te spreken. Hiertoe is aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is dat verdachte de portemonnee heeft gestolen. Verdachte heeft verklaard dat hij geen portemonnee heeft gestolen en dat hij alleen een gevonden (lege) portemonnee – zijn eigen portemonnee – in zijn bezit heeft gehad. Hij heeft geen portemonnee weggegooid.

Beoordeling door de rechtbank

Aangever [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij zich op 3 maart 2017 op de Van Schaeck Mathonsingel Singel te Nijmegen bevond en daar twee personen naar hem toe kwamen. De eerste persoon – een licht getinte man met een mager postuur en onder meer een zwarte jas – vroeg hem om kleingeld en later om sigaretten. Aangever legde zijn portemonnee links naast zich op het muurtje en bukte om de sigaretten uit zijn tas te pakken. Na het aansteken van de sigaretten liepen de personen weg in de richting van het station. Aangever pakte vervolgens zijn spullen weer in en kwam erachter dat zijn portemonnee niet meer op het muurtje lag en ook niet in zijn tas zat of in de omgeving lag. Eén van beide mannen moest de portemonnee hebben, aldus aangever.9 Vervolgens heeft aangever, aldus de verbalisanten, de twee mannen op het Stationsplein in Nijmegen aangewezen. Deze personen zijn geïdentificeerd als [naam 1] en verdachte. Verdachte wordt omschreven als een man met een mager postuur, getint uiterlijk en een zwarte jas,10 welke omschrijving past bij het signalement dat aangever van de eerste man heeft gegeven.

Na de aanhouding is verdachte overgebracht naar het arrestantencomplex, waar een insluitingsfouillering heeft plaatsgevonden. Tijdens de fouillering zag arrestantenverzorger [naam 2] dat verdachte een beweging met zijn hand maakte naar de hoek van het bankje en het aangrenzende muurtje. Vervolgens zag [naam 2] daar ineens een portemonnee liggen die zich daar niet eerder bevond. Er lagen immers voor de fouillering geen voorwerpen in de ruimte. In de portemonnee bevond zich, aldus verbalisant [verbalisant 2] , een identiteitsbewijs van een persoon met de naam [slachtoffer 3] . De verbalisant relateert dat zij van collega’s hoorde dat de aangever [slachtoffer 3] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 3]) heette en hij qua uiterlijk overeenkwam met de man op de foto in het identiteitsbewijs.11

Verdachte heeft op 4 maart 2017 bij de politie verklaard dat hij gisteravond, voordat hij werd aangehouden, met [naam 1] (rechtbank: [naam 1]) was.12 [naam 1] heeft verklaard dat hij op 3 maart 2017 samen met [verdachte] (rechtbank: verdachte) in de stad, nabij het station, was. Hij zag dat verdachte een man aansprak die op een muurtje bij het station in Nijmegen zat. Daarna stelde verdachte voor om de fietsenkelder bij het station in te lopen. Toen ze de kelder in liepen, liet verdachte ineens een portemonnee zien. Verdachte vertelde dat hij die portemonnee net daarvoor van die man op het muurtje had gestolen. Verdachte keek in de portemonnee en [naam 1] zag dat er meerdere pasjes in de portemonnee zaten. [naam 1] heeft verder verklaard dat hij een Rabo bankpas van verdachte heeft gekregen, waarmee hij vervolgens bij de Albert Heijn heeft geprobeerd te pinnen. Toen bleek dat de pas niet werkte, gooide [naam 1] de pas weg.13 Aangever heeft tot slot verklaard dat toen hij zijn portemonnee terugkreeg, zijn Rabo bankpas ontbrak.14

Gelet op al dit voorgaande acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij alleen een lege portemonnee heeft gevonden niet aannemelijk geworden. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van al het voorgaande – en in het bijzonder de verklaring van [naam 1] en de omstandigheid dat de portemonnee van aangever bij de insluiting van verdachte is aangetroffen – worden bewezen dat verdachte de portemonnee heeft gestolen. Nu bij de diefstal onvoldoende van een bewuste en nauwe samenwerking met [naam 1] is gebleken, zal de rechtbank verdachte van het bestanddeel “tezamen en in vereniging” vrijspreken.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de mishandelingen (feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair onder parketnummer 05/840593-17) en de diefstal (05/043310-17) heeft begaan:

Met betrekking tot parketnummer 05/840593-17:

1.

hij op of omstreeks 25 mei 2017 te Nijmegen [slachtoffer 1] heeft mishandeld door deze [slachtoffer 1] één of meerdere malen (met kracht) met een betonnen balk, althans een zwaar voorwerp, op/tegen het (boven)lichaam te slaan;

2.

hij op of omstreeks 25 mei 2017 te Nijmegen [slachtoffer 2] heeft mishandeld door deze [slachtoffer 2] één of meerdere malen (met kracht) met een betonnen balk, althans een zwaar voorwerp, op/tegen het (boven)lichaam te slaan.

Met betrekking tot parketnummer 05/043310-17:

hij op of omstreeks 3 maart 2017 te Nijmegen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee (met inhoud) en/of een bankpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Met betrekking tot parketnummer 05/840593-17 feiten 1 subsidiair en 2 subsidiair, telkens:

Mishandeling.

Met betrekking tot parketnummer 05/043310-17:

Diefstal.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de pogingen zware mishandeling (05/840593-17) en diefstal (05/043310-17) wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van het voorarrest. Hiertoe is aangevoerd dat het gaat om ernstige feiten, waarbij verdachte voor alle feiten en omstandigheden de verantwoordelijkheid buiten zichzelf heeft gelegd. Verder heeft de officier van justitie rekening gehouden met het strafblad van verdachte en de omstandigheid dat verdachte niet openstaat voor hulp van de reclassering. Tot slot heeft de officier van justitie de verbeurdverklaring van de betonnen balk gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft in geval van een bewezenverklaring verzocht om de duur van de gevangenisstraf te beperken tot de duur van het voorarrest. Hiertoe is aangevoerd dat verdachte niet recent voor geweldsdelicten is veroordeeld en het herhalingsgevaar niet hoog wordt ingeschat. Verder dient naar de mening van de verdediging rekening te worden gehouden met een verminderde mate van toerekenbaarheid. Verdachte heeft verklaard dat hij zijn leven weer op de rit wil krijgen. Hij is ook bereid om met de reclassering mee te werken.

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot het beslag.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 27 juli 2017;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering IrisZorg, gedateerd 14 augustus 2017;

- een multidisciplinair rapport van [naam 3] , GZ-psycholoog (onder supervisie van [naam 4] , klinisch psycholoog), gedateerd 18 augustus 2017 en van drs. [naam 5] , psychiater, gedateerd 18 augustus 2017.

Verdachte heeft zich in maart en mei 2017 schuldig gemaakt aan een drietal strafbare feiten in

het centrum van Nijmegen. Het gaat daarbij ten eerste om de diefstal van een portemonnee van

een persoon die verdachte kort daarvoor geld en een sigaret heeft gegeven. Verder heeft

verdachte in de nacht van 25 mei 2017 een betonnen balk uit een tuin gepakt en daarmee twee

willekeurige jongens op straat geslagen. Het gaat daarmee om ernstige feiten die het gevoel van

veiligheid in de samenleving aantasten. Verdachte heeft bovendien een omvangrijk strafblad,

waarbij hij onder meer in 2016 – na onder meer een ISD-maatregel tot mei 2014 – nog is

veroordeeld voor een diefstal met braak. Verder heeft verdachte deze feiten tijdens een proeftijd

gepleegd. Gelet op al dit voorgaande acht de rechtbank een gevangenisstraf aangewezen.

De rechtbank weegt echter ook mee dat bij verdachte schizofrenie is vastgesteld en hij in de

maanden voor de feiten – de mishandelingen – geen medicatie heeft gebruikt. Door eerdere

hulpverleners is beschreven dat verdachte zonder medicatie psychotisch ontregelt. Hij wordt dan

onder meer achterdochtig. Verder is sprake van een afhankelijkheid van alcohol en cocaïne –

welke recent onder controle is – en van een verstandelijke beperking. De psychiater beschrijft

dat verdachte door zijn problematiek minder mogelijkheden heeft gehad om met emoties

om te gaan. Het gebruik van alcohol dan wel drugs maakt personen minder geremd. Met

de psychiater is de rechtbank van oordeel dat deze toestand van verdachte – welke ook wel een

oordeels- en kritiekgestoordheid wordt genoemd – van invloed is geweest op zijn gedrag tijdens

in ieder geval de mishandelingen. Verdachte had immers geen reden om aangevers aan te vallen

en is recent ook niet voor geweldsdelicten veroordeeld. Nu een advies met betrekking tot mate

van doorwerking ontbreekt, zal de rechtbank op grond van het voorgaande in ieder geval enige

verminderde toerekenbaarheid tot haar uitgangspunt nemen.

Uit de psychiatrische rapportage volgt dat justitiecontacten vooral lijken voor te komen in periodes van onvoldoende zorg en begeleiding, welke verdachte zelf afwijst. Er wordt door zowel de psychiater als de psycholoog dan ook een hulpverleningstraject geadviseerd om de kans op herhaling te verlagen.

Het is echter in de afgelopen jaren, aldus de reclassering, niet mogelijk geweest om in contact te komen met verdachte. Verdachte wil niet samenwerken met de reclassering, wat ook bij het

bezoek van de rapporteur aan verdachte wederom is bevestigd. Ondanks de uitleg van de

rapporteur met betrekking tot de rol van de reclassering, heeft verdachte zich vijandig en

geagiteerd opgesteld. De reclassering acht gelet op de houding van verdachte en hun eerdere

ervaringen met verdachte een traject onhaalbaar. De rechtbank is van oordeel dat uit dit rapport

een ander beeld naar voren komt dan door verdachte zelf wordt geschetst.

Op grond van al dit voorgaande in samenhang met de houding van verdachte ter terechtzitting

waarbij hij de verantwoordelijkheid voor alle feiten en omstandigheden buiten zichzelf legt,

ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor een gedeeltelijk voorwaardelijke straf.

Zij zal net als de officier van justitie aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf

opleggen. Nu zij tot een lichtere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, zal de

rechtbank deze straf beperken tot een duur van vier maanden met aftrek van het

voorarrest.

Voor het beslag:

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven betonnen balk – welke aldus het proces-verbaal bij verdachte is aangetroffen – is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair (parketnummer 05/840593-17) bewezenverklaarde is begaan. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 subsidiair (parketnummer 05/840593-17) bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 349,89 vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in haar geheel – vermeerderd met de wettelijke rente – kan worden toegewezen. Verder heeft de officier van justitie verzocht om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om de vordering af te wijzen, nu onvoldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij deze schade naar aanleiding van deze feiten heeft geleden. Hiertoe is aangevoerd dat de benadeelde partij niet over een gescheurde broek dan wel een beschadigde telefoon heeft verklaard, noch is gebleken dat hij op zijn onderlichaam is geraakt. Tot slot is opgemerkt dat de benadeelde partij ook zelf een trap heeft uitgedeeld, wat volgens de verdediging kan hebben bijgedragen aan de schade aan de broek.

Beoordeling door de rechtbank

Met betrekking tot de gevorderde schade in verband met de telefoon is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat deze schade is toegebracht door de bewezenverklaarde mishandeling. Gelet daarop zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit onderdeel van de vordering. De benadeelde partij kan derhalve de vordering voor dit onderdeel slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Nu naar het oordeel van de rechtbank verder voldoende aannemelijk is geworden dat de schade aan de broek een gevolg is van het bewezenverklaarde feit – waarbij de rechtbank zoals overwogen niet aannemelijk acht geworden dat verdachte zich slechts heeft verdedigd – en verder voldoende is onderbouwd, komt deze schade naar het oordeel van de rechtbank voor vergoeding in aanmerking. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair (parketnummer 05/840593-17) bewezenverklaarde feit tot een bedrag van € 29,90 schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

De gevorderde en toegewezen rente/vergoeding voor proceskosten, zijn daar niet bij inbegrepen.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 25 mei 2017.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24, 24c, 27, 33, 33a, 36f, 57, 300 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van de onder parketnummer 05/840593-17 1 primair en 2 primair tenlastegelegde feiten;

 verklaart bewezen dat verdachte de onder parketnummer 05/840593-17 1 subsidiair en 2 subsidiair en parketnummer 05/043310-17 tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

 een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde straf;

Voor het beslag:

verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: één betonnen balk (05/840593-17);

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 subsidiair (parketnummer 05/840593-17)

tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van € 29,90 (negenentwintig euro en negentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 29,90 (negenentwintig euro en negentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 1 dag hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. van Linschoten (voorzitter), mr. R.S. Croll en mr. M.A. Jansen-van Leeuwen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.T.P.J. Damen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 september 2017.

BIJLAGE І:

Met betrekking tot parketnummer 05/840593-17:

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 mei 2017 te Nijmegen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

opzettelijk één of meerdere malen (met kracht) met een betonnen staaf, althans een zwaar voorwerp, tegen/op het (boven)lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 25 mei 2017 te Nijmegen [slachtoffer 1] heeft mishandeld door deze [slachtoffer 1] één of meerdere malen (met kracht) met een betonnen balk, althans een zwaar voorwerp, op/tegen het (boven)lichaam te slaan;

2.

hij op of omstreeks 25 mei 2017 te Nijmegen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk één of meerdere malen (met kracht) met een betonnen staaf, althans een zwaar voorwerp, tegen/op het (boven)lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 25 mei 2017 te Nijmegen [slachtoffer 2] heeft mishandeld door deze [slachtoffer 2] één of meerdere malen (met kracht) met een betonnen balk, althans een zwaar voorwerp, op/tegen het (boven)lichaam te slaan.

Met betrekking tot parketnummer 05/043310-17:

hij op of omstreeks 3 maart 2017 te Nijmegen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee (met inhoud) en/of een bankpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders.

1 De volledige tenlasteleggingen zijn in de bijlage te vinden.

2 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017237046, gesloten op 25 mei 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

3 Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , p. 5.

4 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 13.

5 Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] , p. 9.

6 Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , p. 6 en het proces-verbaal van aanhouding, p. 16-17.

7 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte in het kader van de vordering tot inbewaringstelling.

8 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017099428, gesloten op 6 maart 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

9 Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3] , p. 4-5.

10 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 10.

11 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 14.

12 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 21 (alinea 12).

13 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] , p. 24 t/m 26.

14 Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3] , p. 5.