Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4858

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-09-2017
Datum publicatie
25-09-2017
Zaaknummer
05/881347-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot werkstraf ter zake van openlijke geweldpleging in Arnhem op Koningsdag 2016, waarbij twee broers zijn getrapt en geslagen door een groep jongemannen. De vorderingen van de benadeelde partijen zijn deels toegewezen en deels niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/881347-16

Datum uitspraak : 19 september 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] ,

raadsman: mr. M. Krabben, advocaat te Rhenen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 september 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 april 2016 te Arnhem openlijk, te weten op of aan de openbare weg, de [adres 2] , in elk geval op of aan een openbare weg en/of voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] (18 jaar oud) en [slachtoffer 2] (14 jaar oud), welk geweld bestond uit:

 opzettelijk hard tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] aanlopen en/of;

 op agressieve toon roepen naar die [slachtoffer 1] "hé kankerlijer, kom eens terug" en/of;

 die [slachtoffer 2] vastpakken en een slaande beweging maken naar het hoofd en/of;

 (met meerdere verdachten tegelijkertijd) vele malen slaan/stompen in/op/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of;

 (met meerdere verdachten tegelijkertijd) een karatetrap en/of highkick en/of knietje geven en/of trappen en/of schoppen in/op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] .

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 27 april 2016 liepen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] met elkaar in de [adres 2] in Arnhem.2 In de [adres 2] liepen op dat moment ook de 18-jarige [slachtoffer 1] en zijn 14-jarige broertje [slachtoffer 2] .3 Op enig moment liep [medeverdachte 5] hard tegen de hem tegemoetkomende [slachtoffer 1] aan.4 Vervolgens werd er vanuit de groep “Hé kankerlijer, kom eens terug,” tegen [slachtoffer 1] geroepen.5 Nadat [slachtoffer 2] om uitleg vroeg, ontstond er een vechtpartij tussen de groep en de beide [slachtoffers] . [slachtoffer 1] werd door [medeverdachte 6] in zijn gezicht geslagen.6 Daarna werd [slachtoffer 1] door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] geslagen.7 Hij werd geraakt in zijn gezicht, zijn rug en op zijn achterhoofd.8 Ook werd hij door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 6] getrapt op zijn benen, tegen zijn linkerzijde en op zijn rechterzijde, op zijn borst en op heuphoogte.9 Er zijn trapbewegingen in de richting van [slachtoffer 1] gemaakt en er is een highkick in zijn richting gegeven.10 [slachtoffer 2] kreeg ondertussen een knietje op zijn rechterbovenbeen en werd bij zijn jas vastgepakt. Daarbij werd een slaande beweging naar zijn hoofd gemaakt.11 Vervolgens werd [slachtoffer 2] geslagen door [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 4] .12 Hij werd door hen op zijn hoofd en in zijn nek geraakt.13 Door [medeverdachte 3] werd hij getrapt, waarbij hij met een karatetrap in zijn buik werd geraakt.14 Het gevecht eindigde nadat [slachtoffer 1] Kruitweg door een omstander uit het gevecht werd getrokken.15

Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging

Met de officier van justitie heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit.

Beoordeling door de rechtbank

Vaststaat dat in de winkelstraat van Arnhem een gevecht heeft plaatsgevonden tussen meerdere personen. De rechtbank overweegt allereerst dat zij dit geweld definieert als openlijk geweld. Van openlijke geweldpleging is sprake bij geweld, gepleegd in vereniging, dat voor derden zichtbaar was of had kunnen zijn. Geweld wordt in vereniging gepleegd als de dader nauw en bewust samenwerkt met één of meer anderen en daarbij zelf een ‘significante of wezenlijke bijdrage’ aan de openlijke geweldpleging levert. Deze bijdrage kan onder andere bestaan uit het verrichten van één of meer gewelddadige handelingen.

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of [verdachte] aan dit openlijk geweld een significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd. De rechtbank overweegt als volgt.

Ten overstaan van de politie heeft [verdachte] verklaard dat hij één van de aangevers een klap op het achterhoofd en een trap heeft gegeven. Hij deed dit om zijn vrienden te beschermen en te verdedigen.16 Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat het klopt dat hij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] eenmaal heeft getrapt en dat hij [slachtoffer 2] eenmaal heeft geslagen op het achterhoofd.

In de beschrijving van de camerabeelden staat beschreven dat [verdachte] naar [slachtoffer 2] is gelopen en hem met zijn rechtervuist een klap op het achterhoofd heeft gegeven. Daarna heeft hij een voorwaartse trap gemaakt in de richting van [slachtoffer 1] en heeft hij met rechts een slaande beweging gemaakt. Later heeft hij met links een trappende beweging in de richting van [slachtoffer 2] gemaakt.17

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] een significante bijdrage heeft geleverd aan het openlijke geweld. Zijn bijdrage hieraan bestond uit het eenmalig op het achterhoofd slaan en het maken van een trappende beweging in de richting van [slachtoffer 2] , het maken van een voorwaartse trap richting [slachtoffer 1] en het maken van een slaande beweging.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde openlijke geweldpleging.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 27 april 2016 te Arnhem openlijk, te weten op of aan de openbare weg, de [adres 2] , in elk geval op of aan een openbare weg en/of voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] (18 jaar oud) en [slachtoffer 2] (14 jaar oud), welk geweld bestond uit:

 opzettelijk hard tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] aanlopen en/of;

 op agressieve toon roepen naar die [slachtoffer 1] "hé kankerlijer, kom eens terug" en/of;

 die [slachtoffer 2] vastpakken en een slaande beweging maken naar het hoofd en/of;

(met meerdere verdachten tegelijkertijd) vele malen slaan/stompen in/op/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of;

 (met meerdere verdachten tegelijkertijd) een karatetrap en/of highkick en/of knietje geven en/of trappen en/of schoppen in/op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] .

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. [verdachte] zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

[verdachte] is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van de straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat [verdachte] ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van 60 uren werkstraf, waarvan 20 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van [verdachte] heeft verzocht om toepassing van het jeugdstrafrecht. Primair is verzocht om oplegging van een geheel voorwaardelijke taakstraf, subsidiair is verzocht om aansluiting te zoeken bij de landelijke oriëntatiepunten.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van [verdachte] zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 24 juli 2017;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 21 augustus 2017.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] zich schuldig hebben gemaakt aan het gebruik van fysiek geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in een winkelstraat in Arnhem. Zij vormden een overmacht ten opzichte van de [slachtoffers] . De gebeurtenissen zijn voor de broers zeer bedreigend en beangstigend geweest, zoals is gebleken uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen. Wat is begonnen als een nationale feestdag waarop iedereen plezier wilde hebben, is voor de broers geëindigd in een drama. Zij ondervinden hiervan nog steeds last. Beiden hebben sindsdien met een PTSS te kampen en ervaren de daarbij behorende klachten. Verder is door het geweld de neus van [slachtoffer 1] gebroken en zijn de duim en de ribben van [slachtoffer 2] gekneusd. Kwalijk vindt de rechtbank dat het geweld zonder enige aanleiding gestart lijkt te zijn. Daarnaast is kwalijk dat het geweld plaatsvond in een drukke winkelstraat waardoor veel mensen waaronder kinderen getuigen zijn geweest van het geweld. Er is hier sprake van een ernstig geweldsdelict dat een voor de rechtsorde schokkend karakter draagt en dat leidt tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Gezien de ernst van het feit lijkt het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aangewezen. De rechtbank ziet echter af van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, dan wel een onvoorwaardelijke jeugddetentie, omdat specifieke omstandigheden daartoe aanleiding geven.

Eén van die omstandigheden betreft de duur van de periode die is verlopen tussen de eerste verdenking en het onderzoek ter terechtzitting. Het feit is al op 27 april 2016 gepleegd, de verdachten zijn in juli 2016 gehoord en eerst op 5 september 2017 heeft het onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden. Vanwege de aard van het delict – het plegen van geweld tegen personen in de openbare ruimte – en vanwege het feit dat een aantal verdachten minderjarig was/is, is het zeer belangrijk dat dit soort feiten snel voor de rechter wordt gebracht. Dat is hier niet gebeurd.

Een andere omstandigheid betreft de inhoud van het advies van de reclassering. Hieruit volgt dat (uit de informatie die de reclassering heeft kunnen verzamelen) het sociale netwerk en de keuzes die [verdachte] hierin maakt, de belangrijkste risicofactor vormt. Mogelijk was er ten tijde van het delict sprake van alcoholgebruik en heeft dit invloed gehad op zijn keuzes en gedrag. [verdachte] zal om herhaling te voorkomen eerder moeten inschatten wat de consequenties zijn van bepaalde situaties. Hij zal tevens moeten afwegen wat de consequenties zijn van bepaalde sociale contacten. Positief is dat zijn ouders hierin een steunende factor zijn. Daarnaast lijkt zijn probleeminzicht inmiddels te zijn toegenomen en hij is niet eerder met justitie in aanraking gekomen. Verdere interventies worden nog niet noodzakelijk geacht. Het recidiverisico wordt ingeschat als matig.

De reclassering adviseert het jeugdstrafrecht toe te passen. Dit omdat er aanwijzingen voor cognitieve beperkingen naar voren zijn gekomen, wat een ontwikkelingsachterstand zou kunnen betekenen. Verder woont [verdachte] nog thuis en is sprake van een positieve pedagogische beïnvloeding. Er zijn bovendien aanwijzingen voor een negatieve beïnvloeding vanuit het sociale netwerk.

De reclassering adviseert oplegging van een voorwaardelijke leerstraf met een proeftijd van 2 jaren.

Uit het uittreksel justitiële documentatie dat betrekking heeft op [verdachte] volgt dat hij niet eerder ter zake van het plegen van strafbare feiten is veroordeeld. Daarnaast is positief dat hij ter terechtzitting zijn excuses aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft aangeboden en zijn spijt heeft betuigd.

Gelet op het advies van de reclassering zal de rechtbank het jeugdstrafrecht toepassen. Gezien het voorgaande en het aandeel van [verdachte] in het openlijke geweld – het eenmalig op het achterhoofd slaan en het maken van een trappende beweging in de richting van [slachtoffer 2] , het maken van een voorwaartse trap richting [slachtoffer 1] en het maken van een slaande beweging – acht de rechtbank oplegging van een straf zoals door de officier van justitie is geëist, passend en geboden. Vanwege de ernst van het delict, de gevolgen die dit met zich heeft gebracht en het aandeel van [verdachte] daarin, ziet de rechtbank geen aanleiding om, anders dan de reclassering heeft geadviseerd, aan hem slechts een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. [slachtoffer 1] vordert € 25.288,41 ter zake van materiële schade en € 5000,- ter zake van immateriële schade. [slachtoffer 2] vordert € 947,- ter zake van materiële schade en €3500,- ter zake van immateriële schade. Beide benadeelde partijen vorderen ook de wettelijke rente.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] met uitzondering van de toekomstige schade toe te wijzen inclusief de wettelijke rente, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 186 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft daarnaast verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe te wijzen tot het bedrag van € 3867,-, inclusief de wettelijke rente, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 48 dagen hechtenis en dat de vordering voor het overige wordt afgewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van [verdachte] heeft betoogd dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] een onevenredige belasting van het strafproces vormt, vanwege het verlies verdienvermogen dat gevorderd wordt. [slachtoffer 1] dient volgens de raadsvrouw niet-ontvankelijk te worden verklaard. Met betrekking tot de vordering van [slachtoffer 2] heeft de raadsvrouw het standpunt ingenomen dat het deel dat op de iPhone ziet, dient te worden afgewezen.

Beoordeling door de rechtbank

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen tot een bedrag van € 5723,24 schade heeft geleden, bestaande uit € 1223,24 aan materiële schade en € 4500,- aan immateriële schade, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen.

De rechtbank wijst de schadepost eigen risico deels toe. Uit het declaratieoverzicht van de zorgverzekeraar volgt dat over 2016 een bedrag van € 293,48 rechtstreeks te relateren is aan het bewezenverklaarde handelen. Over 2017 is een bedrag van € 359,35 rechtstreeks te relateren aan het bewezen verklaarde handelen. De rechtbank zal [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk verklaren in het meerdere gevorderde over 2016 en 2017. De schade met betrekking tot het toekomstig eigen risico is nog niet gemaakt. Dus zal de rechtbank [slachtoffer 1] ook niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering met betrekking tot dit deel van de schade.

Wat betreft het verlies verdienvermogen, zijnde een gestelde materiële schade van € 23.563,- zal [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. Dit omdat de behandeling van dat deel van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Immers, gebleken is dat cijfers van de jaarrekening over 2015 ten onrechte zijn opgenomen in de jaarrekening over 2016, terwijl bovendien een onderbouwing van de misgelopen omzet ontbreekt.

Met betrekking tot immateriële schade maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid. Naar het oordeel van de rechtbank bedraagt deze schade in elk geval € 4500,-, waarvoor [verdachte] aansprakelijk is. Voor het overige deel zal de rechtbank [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

De rechtbank zal op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

[verdachte] is niet meer tot vergoeding gehouden indien en voor zover het gevorderde door zijn mededaders is of wordt voldaan.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 27 april 2016.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen tot een bedrag van € 3367,08 schade heeft geleden, bestaande uit € 367,08 aan materiële schade en € 3000,- aan immateriële schade, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen.

De rechtbank wijst de schadepost directe schade toe ten aanzien het brilmontuur. Ten aanzien van de iPhone zal de rechtbank [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, omdat onvoldoende onderbouwd is dat de iPhone beschadigd is ten gevolge van het bewezenverklaarde handelen.

De immateriële schade is onderbouwd onder verwijzing naar onder andere een uitspraak in een niet geheel vergelijkbare zaak. De rechtbank zal de hoogte van de immateriële schade schatten op € 3000,-. Voor het overige deel zal de rechtbank [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

De rechtbank zal op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

[verdachte] is niet meer tot vergoeding gehouden indien en voor zover het gevorderde door zijn mededaders is of wordt voldaan.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 27 april 2016.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 77c, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat [verdachte] het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

verklaart [verdachte] hiervoor strafbaar;

 veroordeelt [verdachte] wegens het bewezenverklaarde tot een werkstraf van 60 (zestig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen;

 bepaalt, dat een gedeelte van de werkstraf groot 20 (twintig) uren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald:

 dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

 veroordeelt [verdachte] tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van € 5723,24 (vijfduizendzevenhonderddrieëntwintig euro en vierentwintig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededaders het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 5723,24 (vijfduizendzevenhonderddrieëntwintig euro en vierentwintig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door jeugddetentie voor – gezien de omstandigheid dat het jeugdstrafrecht van toepassing is gematigd tot – de duur van 18 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

 veroordeelt [verdachte] tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], van een bedrag van € 3367,08 (drieduizenddriehonderdzevenenzestig euro en acht cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededaders het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € 3367,08 (drieduizenddriehonderdzevenenzestig euro en acht cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door jeugddetentie voor – gezien de omstandigheid dat het jeugdstrafrecht van toepassing is gematigd tot – de duur van 12 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.P.M. Kester (voorzitter), mr. E.G. de Jong en mr. H. Broekhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Bril, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 september 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016473162, gesloten op 5 oktober 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Verklaring van verdachten ter terechtzitting d.d. 5 september 2017; proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte [medeverdachte 1] , p. 390.

3 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 1] , p. 103.

4 Proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte H. [medeverdachte 1] , p. 394; proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte 5] , p. 365.

5 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 1] , p. 110; proces-verbaal aangifte [slachtoffer 2] , p. 434.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 258; verklaring van verdachte [medeverdachte 6] ter terechtzitting d.d. 5 september 2017.

7 Processen-verbaal van bevindingen, p. 242, p. 250, p. 252, p. 255; proces-verbaal aangifte [slachtoffer 1] , p. 103.

8 Processen-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 1] , p. 111, proces-verbaal van bevindingen, p. 242, 250, 252 en 25; proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , p. 103.

9 Processen-verbaal van bevindingen, p. 241, 242 p. 252 en 253, p. 258, p. 261; proces-verbaal aangifte [slachtoffer 1] , p. 103.

10 Processen-verbaal van bevindingen, p. 258 en 261.

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 241.

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 242, p. 246, p. 261; proces-verbaal aangifte [slachtoffer 2] , p. 434

13 Processen-verbaal van bevindingen p. 242, 246 en 261; proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] , p. 434.

14 Proces-verbaal van bevindingen, p. 255; proces-verbaal aangifte [slachtoffer 2] , p. 434.

15 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 1] , p. 11.

16 Proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte [verdachte] , p. 383-384.

17 Proces-verbaal van bevindingen. p. 261.